# Noodlot (Editie B1)

*Louis Couperus*

## Hoofdstuk I

I.

Het was avond, en de sneeuw waaide door de lucht. Frank liep langs de eenzame Adelaïde-Road. Hij had zijn handen in zijn zakken en zijn warme jas van bont hoog om zijn hals. Hij kwam bij het kleine huis waar hij woonde: White-Rose. Het huisje lag helemaal diep in de witte sneeuw, als een klein nest in watten. Toen zag hij iemand naar zich toe komen, vanaf Primrose-Hill. De man wilde blijkbaar iets tegen hem zeggen. Frank keek hem strak in het gezicht. Hij wist niet wat die man van plan was, in deze eenzame nacht vol sneeuw. Hij was dan ook erg verbaasd toen hij in het Hollands hoorde:

—Neemt u me niet kwalijk... bent u niet meneer Westhove?

—Ja, antwoordde Frank. Wie bent u? Wat is er?

—Ik ben Robert van Maeren, misschien herinnert u zich...

—Bertie, jij? riep Frank uit. Hoe kom jij hier in Londen!

In zijn verbazing zag hij door de sneeuw heen een beeld uit zijn jeugd. Het was een helder beeld van vriendschap tussen jongens, iets jongs en warms...

—Misschien niet zo heel toevallig! antwoordde de vreemde man. Ik wist dat u hier woont. Ik ben al drie keer aan uw deur geweest, maar u was niet thuis. Het dienstmeisje zei dat u vanavond toch thuis zou komen. Daarom ben ik zo vrij geweest om hier op u te wachten...

Bij de klank van zijn bijnaam "Bertie" had zijn stem eerst iets vaster geklonken. Maar nu was die stem weer helemaal onzeker. Hij klonk smekend, als de stem van iemand die op straat om geld vraagt.

—Moest je me zo dringend spreken? vroeg Frank verbaasd.

—Ja... ik wilde vragen... of u me misschien kon helpen... ik ken hier niemand...

—Waar woon je?

—Nergens. Ik ben vanochtend vroeg hier aangekomen en ik heb... ik heb geen geld...

Hij rilde, want hij stond in de kou tijdens dit korte gesprek. Hij maakte zich bijna smekend klein, als een hond die bang is.

—Ga maar met me mee, zei Frank, vol verbazing en medelijden, en vol warme herinneringen aan zijn jongensjaren. Kom vannacht maar bij mij.

—O ja, graag! klonk het antwoord, snel en bang.

Het was alsof hij bang was dat die woorden weer teruggenomen zouden worden. Ze klonken als een geschenk uit de hemel.

Ze liepen samen een paar stappen verder. Toen haalde Frank de sleutel uit zijn zak, de sleutel van White-Rose. Hij opende de deur. In de gang hing een Moorse lamp met zes kanten. Die gaf zacht licht, met een kleine vlam.

—Ga naar binnen! zei Frank.

Hij deed de deur achter zich op slot voor de nacht, met een extra slot. Het was half een.

Het dienstmeisje was nog op.

—Die meneer is al zo vaak hier geweest, fluisterde ze, en ze keek Bertie niet vertrouwend aan. En vanavond zag ik hem hier steeds voorbijlopen, alsof hij de wacht hield. Ik was bang, weet u. Het is hier zo eenzaam.

Frank schudde zijn hoofd om haar gerust te stellen.

—Laat gauw het vuur in de achterkamer aanmaken, Annie. Is je man nog op?

—Het vuur, meneer?!

—Ja... Bertie, wil je wat eten?

—Heel graag... als het u geen moeite kost! antwoordde Bertie.

Hij zei het in het Engels, voor het dienstmeisje. Zijn ogen keken smekend naar de hare. Het waren koele, verbaasde, blauwe ogen van een flinke, knappe, jonge vrouw. Bertie had een stem zo zacht als fluweel. Hij was klein en dun, en in de gang probeerde hij zo weinig mogelijk ruimte in te nemen. Hij wilde zich klein maken en weg zijn uit haar blik. Hij wilde verdwijnen in een donker hoekje.

Frank bracht hem nu naar een grote achterkamer. Eerst was die koud en donker. Maar al snel ging het licht aan, en al snel werd de kamer ook langzaam warm. Dat kwam door het grote vuur in de haard, die nog dicht was. Het vuur begon al rood te branden. Annie dekte de tafel.

—Eén couvert, meneer?

—Twee. Ik soupeer mee! zei Frank.

Hij dacht dat Bertie zich dan vrijer zou voelen.

Frank had gezegd dat Bertie in een grote stoel bij de haard moest gaan zitten. Daar bleef Bertie stijf rechtop zitten, zonder iets te zeggen. Hij was verlegen voor het dienstmeisje, dat steeds weer kwam en ging. Pas nu, in het licht, zag Frank hoe arm Bertie eruitzag. Zijn dunne jasje was oud en glom van het vet, en er misten knopen. Zijn broek was oud en kapot aan de randen. Hij droeg een vuile, dikke sjaal, die verborg dat hij geen overhemd had. Zijn schoenen waren helemaal uit model en hadden gaten. Een oude hoed had hij verlegen en onhandig in zijn hand gehouden.

Die kleren pasten helemaal niet bij zijn dunne, fijne lichaam, het lichaam van een man van goede familie. Ze pasten ook niet bij zijn fijne, witte, magere gezicht. Dat gezicht zag er toch chic uit, ondanks het lange blonde haar en de baard van een paar dagen. Het was alsof een goede familie en een goede opvoeding verkleed waren in de kapotte kleren van de armoede. Ze droegen die kleren onhandig, als kleren voor het toneel die slecht passen. En de acteur zelf bleef stil zitten en keek in het vuur. Hij was verlegen door de rijkdom om hem heen, in deze kamer.

Het was duidelijk de kamer van een rijke jongeman die niet van een gezellig thuis hield. Er waren dure gordijnen en tapijten, dure meubels en mooie dingen. Alles stond er zonder gemak, recht tegen de muren. Het was stijf en netjes, zonder leven, en alles glom. Maar Bertie merkte dat niet. Er kwam namelijk een heerlijk gevoel van warmte en veiligheid over hem. Hij voelde rust en had geen zorgen, kalm als een meer en zoet als een oase. Het was als een vrolijk landschap na de kou en de sneeuw van daarnet.

In het grote vuur dansten de vlammen nu omhoog, als gele tongen van draken. Bertie zag dat Frank naar hem keek. Frank was zeker verbaasd dat hij zo stil in het vuur zat te kijken. Toen glimlachte Bertie eindelijk. Klein en dankbaar zei hij, met die smekende stem:

—Dank u wel, u... u bent zo goed...

Annie zette daarna niet veel op tafel. Het was wat er nog over was in de kast van een jongeman die bijna nooit thuis at. Wat koude biefstuk en sla, wat beschuit en jam. Maar het leek toch op een souper, en Bertie at er flink van. Hij at heel langzaam, alsof het hem niet veel kon schelen. Hij dronk warme grog, waar damp af kwam. Hij liet niet zien dat de honger een pijnlijk gat in zijn buik maakte.

Eindelijk begon Frank hem vragen te stellen. Hij wilde weten hoe Bertie zo arm was geworden. Bertie vertelde zijn verhaal in kleine stukjes. Hij bleef steeds klein en bescheiden, en elk woord klonk als smeken. Hij had ruzie gehad met zijn vader, over het geld dat hij van zijn moeder had gekregen. Dat was maar een klein bedrag van een paar duizend gulden, en het was snel op geweest. Daarna was hij in Amerika van plaats naar plaats getrokken. Daar had hij op een boerderij gewerkt, als kelner in een hotel en als figurant in een theater. Toen was hij met een stoomboot teruggereisd naar Europa. Hij had zijn reis betaald door allerlei werk te doen aan boord. En nu was dit zijn eerste dag in Londen, zonder een cent.

Hij had zich het adres van Westhove in Londen herinnerd uit brieven van een paar jaar geleden. Hij was meteen naar White-Rose gegaan. Hij was bang geweest dat Frank in die tijd wel vier, vijf keer verhuisd was, zonder een adres achter te laten... O, wat was hij bang geweest die nacht! Hij had gewacht in de wind, terwijl het donkerder en donkerder werd. Alleen de doodstille sneeuw gaf nog wat wit licht, als van een spook. En nu: die warmte, een dak, een souper! En weer bedankte hij. Hij maakte zich klein in zijn oude kleren:

—Dank u, dank u...

Annie was boos over al die drukte midden in de nacht. En dat voor zo'n arme man zonder huis, die meneer van de straat had gehaald! Toch had ze de logeerkamer klaargemaakt. Frank bracht Bertie naar boven. Hij zag hoe moe Bertie eruitzag, grijs en wit in zijn gezicht, en dat raakte hem. Hij klopte hem op de schouder en beloofde hem te helpen. Maar nu moest hij naar bed: morgen zouden ze wel verder zien.

Toen Bertie alleen was, keek hij goed om zich heen. De kamer was erg comfortabel, en het bed was breed, zacht en warm. Hij voelde zich vies in deze kamer, waar alles zo makkelijk was en zonder zorgen. Hij had van nature een grote behoefte om schoon en netjes te zijn. Daarom begon hij zich eerst lang en goed te wassen, ook al rilde hij van de kou. Hij waste en wreef, tot zijn huid roze en warm was. Hij rook helemaal naar zeep. Hij keek in de spiegel en vond het jammer dat hij geen mes had om zich te scheren. Anders had hij zich geschoren.

Eindelijk trok hij de nachtkleren aan die voor hem klaarlagen, en hij kroop in bed, onder de wollen dekens. Hij sliep niet meteen. Hij genoot van zijn bien-être en van zijn eigen schone lichaam. Hij genoot van de witte lakens, van de warme dekens en van het kleine lampje voor de nacht. Dat gaf zacht licht door zijn groene gordijn. In zijn ogen begon een glimlach te komen, en ook om zijn mond. Hij viel in slaap zonder aan morgen te denken. Hij was rustig en had geen zorgen over nu, in zijn warme bed. Zijn hoofd was bijna leeg. Er was alleen één kleine gedachte: dat Frank toch een goede jongen was!

II.

De volgende ochtend vroor het. De sneeuw was hard en glom als glas. Ze hadden ontbeten, en Bertie vertelde over de ongelukken die hij in Amerika had gehad. Hij had zijn haar laten knippen en zich laten scheren door Franks kapper. Hij droeg kleren van Frank, die veel te groot voor hem waren, als zakken. Hij had ook een paar sloffen aan, waarin zijn voeten dansten. Hij voelde zich al minder vreemd. Hij genoot als een kat die een goed, warm plekje heeft gevonden. Hij lag lekker in zijn stoel en rookte rustig. Frank had gevraagd of hij "jij" en "jou" wilde zeggen, en dat deed hij nu. Zijn stem klonk zacht en warm, met een klank van vrolijkheid, iets als zacht goud.

Frank vond hem leuk en liet hem vertellen. Bertie deed dat heel gewoon, zonder groot te doen over zijn armoede. Alles was gegaan zoals het moest gaan; het had niet anders gekund. Het lot had hem nu eenmaal niet verwend, dat was alles. En hij was sterk, hij kon veel hebben. Een ander had niet volgehouden wat hij had meegemaakt...

Frank keek hem verbaasd aan. Bertie was zo fijn, zo wit, zo dun, bijna zonder het lichaam van een volwassen man. Hij verdween bijna in Franks grote jas en broek. Naast Frank, die zo groot en breed was, was hij een jongen! En toch had hij dagen van honger gekend, en nachten zonder dak. Frank had altijd genoeg te eten gehad en was gezond en sterk. Zo'n armoede leek hem niet uit te houden. Maar Bertie sprak er zo kalm over, bijna als een grap, zonder te klagen. Alleen keek hij verdrietig naar zijn mooie handen. Ze waren mager en paars van de winterkou, die jeukte. Op zijn knokkels zaten diepe scheurtjes met bloed. Op dit moment leken die handen zijn enige verdriet.

Eigenlijk heeft hij toch een gelukkig karakter, dacht Frank, terwijl hij hem plaagde met zijn handen. Maar Bertie schrok zelf van hoe weinig zorgen hij zich maakte. Want plotseling riep hij:

—Maar wat zal ik nu doen... wat zal ik doen!

Hij keek wanhopig voor zich uit en draaide zijn handen in elkaar.

Frank lachte die wanhoop weg. Hij schonk hem nog een glas sherry in. Hij zei dat Bertie voorlopig maar bij hem moest blijven, om uit te rusten. Hij zou het zelfs erg gezellig vinden als Bertie een paar weken bleef. Hij verveelde zich een beetje met zijn leven als rijke jongeman. Hij ging om met jongens die veel uitgingen en veel feest vierden. Dat alles verveelde hem: diners en bals in de chique wereld, en soupers en wilde feesten in de halve wereld. Altijd hetzelfde: een leven als een montagne russe, op en neer, op en neer. Je hoefde er nooit bij na te denken. Het was een leven dat voor je gemaakt werd, in plaats van dat je het zelf maakte.

Nu had hij voorlopig een doel: Bertie. Hij zou hem helpen. Na een paar weken rust zou hij werk of zoiets voor hem zoeken. Maar voorlopig moest Bertie zich nergens zorgen over maken. Frank was blij dat hij zijn vriend weer eens bij zich had. De herinneringen kwamen bij hem op als lichte, vage beelden uit een droom, lief en vriendelijk. Het waren herinneringen uit zijn schooltijd: streken uithalen, lange tochten, vechten in de duinen bij Den Haag. Wist Bertie dat nog? Frank zag de kleine, magere jongen nog voor zich. Grote, domme jongens deden hem pijn en lachten hem uit, en Frank beschermde hem. Frank sloeg met zijn vuisten op hen, voor zijn vriendje.

En later was er hun tijd als studenten in Delft. Bertie was gesjeesd en ineens verdwenen. Hij had niemand verteld waar hij heen ging, zelfs Frank niet. Daarna schreven ze elkaar af en toe een brief, als het zo uitkwam. Ten slotte hoorde Frank jarenlang niets. O, hij was blij dat hij zijn vriend nu weer bij zich had. Hij had altijd veel van Bertie gehouden, juist omdat Bertie zo anders was dan hij. Bertie had iets van een poes. Hij hield heel veel van gemak en warmte. Maar af en toe moest hij plotseling weglopen, over daken en door goten. Dan maakte hij zich vuil met modder en rolde hij zich in het vuil. Daarna kwam hij terug om zich te warmen en zich schoon te likken. Frank hield van zijn vriend als van een tweelingbroer die helemaal anders was. Bertie had hem voor zich gewonnen met zijn zachte, makkelijke manier, waarin hij op een lieve manier vooral aan zichzelf dacht: een echte poezennatuur!

Bertie vond het die dag heerlijk om thuis te blijven. Hij zat bij de haard en gooide blok na blok hout op het vuur, zodat het hoog brandde. Frank had heerlijke witte port. Na de lunch bleven ze lui zitten, drinkend en pratend. Bertie vertelde veel over Amerika: over de boer bij wie hij werkte, over zijn hotel en zijn theater. Hij vertelde het ene verhaaltje na het andere. Ze waren spannend, omdat ze een beetje romantisch en ongewoon waren.

Daarna wilde Frank naar buiten, naar zijn club. Maar Bertie bleef zitten. Alleen durfde hij wel in oude, kapotte kleren te lopen. Maar met Frank kon hij zich zelfs in deze kleren niet laten zien. Frank zou om acht uur thuiskomen om te eten. En plotseling, alsof er snel als de bliksem een gedachte bij hem opkwam, smeekte Bertie:

—Praat niet over mij met je vrienden... Het is niet nodig dat ze weten dat jij zo'n slecht sujet als ik kent... Beloof je me dat?

Frank beloofde het lachend. Het slechte sujet stak zijn handen naar hem uit en zei:

—Hoe kan ik je ooit terugbetalen wat je voor me doet! Wat een geluk dat ik je ontmoet heb! Je bent de edelste kerel die ik ken...

Frank wilde niet al die bedankjes horen en ging weg. Bertie bleef alleen bij de kachel zitten. Hij gooide hout op het vuur tot zijn lichaam helemaal heet was. Hij zat met zijn voeten op de metalen rand, alsof hij op het vuur werd gebakken. Hij schonk zich nog een glas port in en dwong zich nergens aan te denken. Hij genoot ervan dat hij lui kon zijn. Hij keek goed naar zijn kapotte handen. Hij vroeg zich af of ze snel beter zouden worden.

III.

Bertie was nu een maand op White-Rose, en je kon hem bijna niet meer herkennen. Hij zat naast Frank in een open victoria, een licht rijtuig met paarden. Hij droeg een perfecte jas van bont en een nieuwe, moderne hoge hoed. Ze zaten allebei onder een zware deken van bont. Hij bewoog zich nu heel makkelijk tussen de vrienden van Frank. Hij was gekleed als een dandy, en hij was charmant en vriendelijk. Hij sprak zijn Engels met een vreemd, gemaakt accent, dat hij chic vond. Frank had hem in zijn club voorgesteld, en hij at daar elke dag met Frank. Met het meest verveelde gezicht van de wereld at hij fazant en dronk hij dure wijn. Hij rookte sigaren van twee shilling alsof het rietjes waren.

Frank had er stiekem heel veel plezier in. Met een glimlach vol geheim plezier zag hij Bertie rustig zijn gang gaan. Bertie praatte met jonge mannen uit de chique wereld, en hij raakte geen moment in de war. Frank vond dat toneelspel zo grappig dat hij Bertie overal voorstelde waar hij kwam.

De winter werd zachter, en er kwam een lente met veel mist. De season kwam, en Bertie leek het erg leuk te vinden. Hij ging naar afternoon-tea's en at-homes. Op grote diners flirtte hij tussen twee paar mooie schouders. Hij werd nooit verblind door het licht van de juwelen. En hij werd nooit dronken van de champagne. In de dress-circle leunde hij moe en lui achterover in een stoel. Zijn fijne gezicht stak heel chic boven zijn hoge, glanzende kraag uit. In zijn knoopsgat zat een witte bloem die lekker rook. Tussen zijn vingers, die nu beter waren, draaide hij zijn kleine kijker voor het theater. Het leek alsof geen van die dames het waard was dat *hij* naar haar keek.

Frank had zelf niets te doen. Hij nam zijn plezier waar hij het vond. Daarom had hij Bertie dit leven in geduwd. Niet alleen om hem te helpen, maar ook voor de lol: wat een gekke grap, al die mensen voor de gek te houden! Bertie had vaak het gevoel dat het niet goed was. In een klein boekje schreef hij elke penny op die Frank voor hem uitgaf. Als hij later meer geld had, zou hij alles terugbetalen. Het lijstje kwam in die twee weken op een paar honderd pond.

Ook thuis vond Frank hem heel grappig. Met een paar lieve woordjes had Bertie Annie en haar man vriendelijk gemaakt. Haar man was Franks knecht en butler. Bertie zette alle meubels door elkaar, zonder orde, zoals hij het mooi vond. Hij kocht beelden, grote palmen en stoffen uit het Oosten. Zo maakte hij van de ongezellige kamer van vroeger een mooie, warme kamer, waar je zin kreeg om lui te liggen. Er was half donker licht, en er stonden brede divans. De lucht rook naar Egyptische geurtjes en dure sigaretten, zoals in een kleine, besloten slaapkamer. Daar ging je vanzelf niet meer nadenken. Je ogen bleven half dicht hangen aan de blote vormen van de beelden. Die glommen als brons onder het groen van de planten.

's Avonds waren daar feesten, wilde feesten, met een paar vrienden en een paar mooie vrouwen. Dat waren twee dames van een skating-rink en een figurante van een theater. Met hun knalrode lipjes rookten en dronken ze gezellig op de gezondheid van Bertie. Om Bertie vond Frank het zo leuk dat hij zich een koning voelde. Bertie keek diep neer op alle vrouwen. De schoonheid van alle drie liet hem koud. Hij hield ze voor de gek en plaagde ze. Hij zette ze tegen elkaar op, tot ze elkaar bijna de ogen uitkrabden. En ten slotte goot hij champagne in hun jurken, die laag uitgesneden waren.

Nee, nog nooit had Frank zoveel plezier gehad in de lange tijd dat hij in Londen woonde. Hij was daar als ingenieur gaan wonen. Dat had hij gedaan om zijn kennis "internationaal" te maken, zei hij.

Frank was een heel goede, lieve man, maar hij at te goed om veel na te denken. Hij had van alles genoten. Het leven kon hem niets schelen, want het was maar een toneelstuk. Volgens de statistiek duurde dat toneelstuk gemiddeld zesendertig jaar. Hij deed alsof hij een filosofie had over het leven. Maar eigenlijk kwam die hierop neer: alles opzij zetten wat niet leuk was. Nou, Bertie *was* leuk. Niet alleen om zijn grappen met die vrouwen, een wreed spel als van een panter. Maar vooral om de grap die hij in Franks wereld speelde. Hij deed zich voor als een high-lifer, en hij was een arme zwerver! Een maand geleden had hij nog in kapotte kleren op straat gestaan, rillend van de kou!

Elk moment was het een geheim plezier voor Frank. Hij gaf Bertie helemaal carte blanche om zijn rol te blijven spelen. Al snel kwamen daar grote rekeningen van kleermakers van. Bertie was namelijk heel ijdel, en hij kleedde zich heel duur en precies. Hij kocht stropdassen per twaalf tegelijk. Hij nam elk nieuw model kraag dat in de mode kwam: nu recht, dan met een puntje zo, dan met een puntje zus. Hij waste zich met alle geurtjes van Rimmel. Eerst was hij zo vies geweest als iemand die oude kleren uit het vuil haalt. Nu was het alsof hij helemaal wilde zwemmen in alle luxe van een dandy. In het begin schreef hij al deze grote bedragen nog op in zijn boekje. Maar al snel vergat hij één bedrag, daarna nog een. En ten slotte, omdat zijn potlood weg was, vergat hij alles!

Zo gingen er weken voorbij. Frank dacht er niet aan om zijn belangrijke vrienden om werk voor Bertie te vragen. Hun leven van rijk niets doen vulde al hun gedachten, tenminste die van Frank. Door Bertie vond Frank dat leven weer nieuw en leuk. Toen gebeurde er plotseling iets vreemds. Bertie was 's ochtends alleen uitgegaan, en hij kwam niet naar de lunch. 's Middags waren er allerlei mensen in de club, maar Bertie niet. Ook niet bij het diner. 's Avonds kwam hij niet thuis, en hij had ook geen bericht achtergelaten. Frank was erg ongerust en bleef de halve nacht op: niemand. Er gingen twee dagen voorbij: niemand. Frank vroeg het hier, zocht daar, en meldde het ten slotte bij de politie.

Eindelijk, op een ochtend, stond Bertie voor zijn bed. Frank was nog niet opgestaan. Bertie glimlachte alsof hij sorry wilde zeggen. Frank moest niet boos zijn. Hij was toch niet ongerust geweest? Zie je, dat leven waarin je altijd zo netjes moest zijn, verveelde hem ineens. Altijd die mooie dames met lange jurken en diamanten. Altijd die clubs vol lords en baronets. En dan die skating-rinkjes, die *ook* altijd zo netjes waren!... En dan altijd een hoge hoed, en 's avonds altijd een chic pak met een bloem! Het was criant! Hij had het niet uitgehouden, hij was er eens vandoor gegaan...

—Maar waar heb je dan gezeten? vroeg Frank, heel erg verbaasd.

—O, nu eens hier en dan eens daar! Bij oude kennissen. Ik ben niet uit Londen weg geweest...

—En je kende hier niemand?

—O jawel, geen fashionable mensen, weet je, zoals jij... Maar wel zo'n ratjetoe... Je bent toch niet boos op me?

Frank was half overeind gekomen om hem goed te bekijken.

Bertie zag er bleek, moe en vies uit. Onderaan zat zijn broek onder een dikke laag modder. Zijn hoed was gedeukt, en in zijn jas zat een scheur. En hij stond daar, alsof hij verlegen was, als een jongen, met zijn stoute, lieve glimlach.

—Kom, wees maar niet boos... Neem je me weer in genade aan?

Dat was te veel voor Frank: hij barstte in lachen uit, wild en vrolijk! Die Bertie, wat een canaille!

—Maar waar heb je dan toch gezeten? vroeg hij nog eens.

—O, nu eens hier en dan eens daar...

Verder kwam hij niet: Bertie vertelde niet meer dan hij kwijt wilde. Hij was wat moe en ging naar bed. Hij sliep tot drie uur. Frank had er de hele dag plezier om. Later had ook Bertie veel plezier, toen hij over de politie hoorde. 's Middags zat hij in de club aan tafel. Hij zette een treurig gezicht op en vertelde dat hij een paar dagen de stad uit was geweest. Er was namelijk iemand gestorven. Frank had zijn briefje niet gekregen, omdat de knecht niet goed had opgelet.

—Maar waar heb je dan toch gezeten?!! fluisterde Frank hem voor de derde keer toe.

Hij was zo vrolijk en zo nieuwsgierig dat hij het niet kon laten.

—Ach, ik zeg je toch: nu eens hier en dan eens daar! antwoordde Bertie, met het eenvoudigste gezicht van de wereld.

Weer heel netjes, met zijn pink in de lucht, zoog hij zijn zes oesters naar binnen. Hij zei geen woord meer over de zaak.

IV.

De season ging voorbij, en Bertie bleef. Hij zei vaak dat hij naar Holland wilde gaan. Hij had in Amsterdam een oom die makelaar was: misschien kon die oom... Maar Frank wilde er niets van horen. Soms voelde Bertie zich schuldig omdat hij zo klaploopte. Dan praatte Frank dat weg. Wat maakte dat uit? Als Bertie geld had gehad en hij niet, had Bertie toch hetzelfde gedaan: ze waren toch vrienden!

Hun leven ging nu elke dag op dezelfde manier, en daardoor zag Frank de feiten steeds minder helder. Ze leefden zacht, makkelijk en duur, en daardoor viel Franks gevoel voor goed en slecht langzaam in slaap. Wel dacht Frank af en toe, heel vaag, dat hij niet rijk genoeg was voor twee. Hij had de laatste maanden vier keer meer uitgegeven dan in andere seasons. Maar hij maakte zich te weinig zorgen om daar lang over na te denken. Bovendien kon hij niet meer zonder Bertie, zoals sommige mensen niet zonder opium of morfine kunnen. Hij had Bertie nodig om te leven. Bij alles vroeg hij zijn vriend wat hij moest doen. In alles deed hij wat Bertie zei. Die fijne, dunne, kleine man had helemaal de macht over hem. Bertie was zacht als een kat en als fluweel. Zo dwong hij Frank, zoals een boer een os onder een juk dwingt.

Af en toe verdween Bertie, en al snel bijna altijd om de veertien dagen. Hij bleef dan vier, vijf dagen weg. Op een ochtend kwam hij dan terug, lief lachend, moe, bleek en slordig. Misschien deed hij dan in het geheim slechte, wilde dingen. Misschien liep hij rond in de vieze, kapotte huisjes van de slechtste buurten van Londen. Frank hoorde of begreep er nooit het echte van. Het was iets slechts waarvoor Frank te netjes en te fatsoenlijk leek. Het was een zonde die Bertie niet met hem wilde delen. Bertie hield die voor zichzelf, omdat hij alleen aan zichzelf dacht, als een lekker hapje.

Op die dagen voelde Frank een grote afkeer van het leven. Het was alsof hij de ongezonde spanning in zijn leven miste. Als hij alleen was, werd hij grijs en somber van binnen. Hij was zo ongelukkig dat hij bijna wanhopig werd, en hij verspilde zijn dagen thuis. Hij kon niets doen en ergerde zich aan zijn dode, stille kamers. Alles daar rook nog een beetje naar Bertie: de dure gordijnen, de blote bronzen beelden, de kussens die slordig op de divans lagen. Die geur deed hem pijn. Op zulke dagen voelde hij hoe laf zijn leven was. Hij voelde hoe leeg en waardeloos zijn bestaan was, zonder kracht: nutteloos, zonder doel, niets!

Dan dacht hij aan vroeger, met zoete, droevige gedachten. Hij dacht aan het huis van zijn ouders. Door het toverglas van de herinnering zag hij beelden van een liefdevol gezin. Daarin zag hij zijn vader en zijn moeder, groot en goed, nog mooier gemaakt door zijn liefde als kind. Hij verlangde naar iets wat mooier en zuiverder was dan hij kon zeggen, een groot doel! Hij zou wakker worden uit de slaap van zijn ziel. Hij zou Bertie wegsturen... Maar Bertie kwam terug en bond hem weer vast met zijn zachte banden, zacht als fluweel. En Frank zag het steeds duidelijker: hij kon niet meer zonder Bertie.

Dan zag hij zichzelf in een spiegel: groot, sterk en gezond, met een rode, gezonde kleur in zijn gezicht. Dan moest hij glimlachen om de domme gedachten die hij had als hij alleen was. Ze leken hem iets voor een zieke, en hij was sterk en vol leven. Het leven was een toneelstuk. Het beste was om je leven als een toneelstuk te spelen, alleen voor je plezier. Verder was niets de moeite waard... En toch werd hij soms heel somber en moe. Dat gebeurde na nachten van wilde drinkfeesten, als zijn grote lichaam moe was. Daartegen hielp zo'n makkelijke filosofie niet. Dan moest Bertie zelf hem de les lezen. Waarom zocht Frank geen werk? Waarom ging Frank niet eens een beetje reizen...

—Waarom ga je niet eens naar Noorwegen? vroeg Bertie, die zomaar een land noemde.

Bertie begon Londen niet meer uit te staan. En Frank vond het een goed idee om te reizen. Hij wilde wel eens wat anders, en zo kon hij ook geld besparen. In het buitenland konden ze eenvoudiger leven dan in het drukke, dure leven van de rijken in deze grote stad. Hij dacht er eens over na. Toen besloot hij White-Rose voor onbepaalde tijd aan de zorg van Annie en haar man over te laten. Hij zou een paar weken in Noorwegen doorbrengen. Bertie zou met hem meegaan.

### Woordenlijst

- **couvert**: (Frans) een bord met bestek voor één persoon aan tafel.
- **souperen / het souper**: laat op de avond een maaltijd eten.
- **grog**: een warm drankje met rum, water en suiker.
- **bien-être**: (Frans) een prettig gevoel van warmte en rust.
- **montagne russe**: (Frans) een achtbaan: steeds snel omhoog en omlaag.
- **de halve wereld**: de wereld van rijke mannen en de vrouwen die zij betalen.
- **gesjeesd**: gestopt met studeren zonder diploma.
- **het sujet**: een persoon met een slecht karakter.
- **het fluweel**: een heel zachte stof.
- **de dandy**: een man die heel veel aandacht geeft aan mooie, dure kleren.
- **season**: (Engels) de maanden in het voorjaar waarin de rijke mensen in Londen feesten en diners geven.
- **afternoon-tea / at-home**: (Engels) thee drinken bij iemand in de middag / een middag waarop iemand thuis gasten ontvangt.
- **dress-circle**: (Engels) de dure rijen stoelen op het eerste balkon van een theater.
- **de divan**: een lage, brede bank met kussens.
- **skating-rink**: (Engels) een zaal om te rolschaatsen; hier: de vrouwen die je daar ontmoet en die geld krijgen van rijke mannen.
- **de figurante**: een vrouw die in het theater meespeelt zonder tekst.
- **high-lifer**: (Engels) iemand uit de rijke, chique wereld.
- **carte blanche**: (Frans) toestemming om alles te doen wat je wilt.
- **criant**: (Frans) niet uit te houden, erg overdreven.
- **fashionable**: (Engels) chic en modern.
- **ratjetoe**: een rommelige mengeling; hier: allerlei gewone mensen door elkaar.
- **canaille**: (Frans) een schurk; hier grappig bedoeld: een deugniet.
- **klaplopen**: leven van het geld van een ander.
- **de makelaar**: iemand die voor anderen huizen of goederen koopt en verkoopt.

## Hoofdstuk II

I.

Na de table-d'hôte in het Brittania-Hotel in Drontheim gingen de vrienden wandelen. Ze liepen door de brede, stille straten met de lage, houten huizen. Zo gingen ze de stad uit, in de richting van de Gjeitfjeld. In Ihlen, een wijk aan de rand van de stad, haalden ze een oude heer in. Hij liep met een jong meisje, en ze maakten blijkbaar dezelfde wandeling. Aan de table-d'hôte hadden ze een paar plaatsen van elkaar af gezeten. Ze kenden elkaar dus een heel klein beetje. Op de eenzame weg was dat genoeg om te groeten, en Frank en Bertie namen hun hoed af. De oude heer vroeg hun snel in het Engels of ze de weg naar de Gjeitfjeld wisten. Hij was het namelijk niet eens met zijn dochter. Zij hield vast aan wat haar Baedeker zei, en ze wilde niet toegeven. Zo begonnen ze te praten. De twee jonge mannen vroegen of ze mochten meelopen. Frank dacht dat Baedeker gelijk had.

—Papa vertrouwt nooit op Baedeker! zei het jonge meisje met een rustige glimlach, en ze sloot haar rode boekje, waarin ze de weg had gezocht. En papa wil me nooit geloven, als ik zeg dat ik hem er wel zal brengen...

—Bent u altijd zo zeker van uw weg? vroeg Frank voor de grap.

—Altijd, zei ze vol zelfvertrouwen, met een helder lachje.

Bertie vroeg hoe lang de wandeling duurde en wat je er zou zien. Hij vond dat eeuwige wandelen van Frank erg vermoeiend! Bij Frank had hij zich heel erg verwend, om zijn armoede van vroeger te vergeten. Nu vond hij niets zo heerlijk als op een bank te liggen, met een sigaret of een glas port. Hij wilde vooral niet moe worden. Maar nu was hij in het buitenland... Op reis kon je toch niet altijd in je hotel blijven slapen. Bovendien werd hij stijf van het rijden in karriolen, de Noorse karretjes. Eigenlijk was het verschrikkelijk gek om zomaar ergens anders heen te gaan. White-Rose was helemaal niet zo slecht! Maar Frank genoot van de dunne, frisse lucht van deze heldere zomermiddag. Hij dronk de zachte zon alsof het gouden wijn was, koel gemaakt door een frisse wind uit de bergen. Hij liep met lichte, snelle stappen, en zijn stem klonk vrolijk.

—Bent u een Engelsman? vroeg de oude heer.

Frank vertelde dat ze Hollanders waren en dat ze in Londen woonden. Meteen praatten ze op die open, vriendelijke manier die je met andere reizigers hebt. Je voelt je dan samen op reis, als het weer helder is en het land mooi. Vrolijk vertelden ze elkaar hoe mooi ze de natuur van Noorwegen vonden. Ze liepen naast elkaar verder. De oude heer klom flink mee. Het jonge meisje liep heel recht, met haar trotse, slanke figuur. Ze droeg een eenvoudig, glad, blauw pakje van dikke stof. Het had een korte cape met een paar lagen, en dat gaf het iets sportiefs: iets van een vrolijke jonge koetsier. Haar blauwe petje, zoals jockeys dragen, stond haar licht en jongensachtig. Het zat op haar dikke, opgestoken haar, dat rood en goud van kleur was.

Alleen Bertie begreep niet dat dit nu plezier heette. Maar hij klaagde niet. Hij sprak weinig. Hij vond het niet nodig om aardig te doen tegen deze mensen. Morgen zouden ze hen waarschijnlijk al nooit meer zien. Hij liep dus maar mee, met moeite. Hij was verbaasd dat Frank meteen zo druk met het jonge meisje praatte. En plotseling zag hij heel duidelijk iets. Zijn eigen makkelijke manier van doen was maar een laagje verf aan de buitenkant. Frank was van binnen veel beter opgevoed. Bertie had een fijn gezicht en mooie kleren voor de reis. Toch voelde hij zich ineens zó veel minder dan Frank, dat hij boos werd. Er ging een gevoel door hem heen dat bijna haat was. Hij kon het niet verdragen dat hij minder was. Daarom ging hij naast de oude heer lopen. Hij dwong zich om beleefd en vriendelijk te zijn. De weg ging steeds heen en weer en werd smaller. Zo kwamen Bertie en de oude heer een beetje achter het jonge meisje en Frank. Ze bleven zo verder klimmen, twee aan twee.

—U woont in Londen? Hoe heet u? vroeg het jonge meisje, kalm en open.

—Frank Westhove...

—Ik heet Eve Rhodes. Mijn vader is Sir Archibald Rhodes van Rhodes-Grove. En uw vriend?

—Hij heet Robert van Maeren.

—Ik houd meer van de klank van uw naam. Ik geloof dat ik hem op zijn Engels kan uitspreken. Hoe zei u ook weer?

Hij zei zijn naam nog een keer, en zij sprak hem daarna uit met haar Engelse mondje. Het was een spel, en ze lachten erom: Frànk, Frank Westhove... Maar toen keken ze om.

—Bent u moe, papa? riep Eve.

De oude heer werkte zich mopperend met zijn brede schouders naar boven. Zijn gezicht was rood onder zijn reispet met ruiten, die hij achter op zijn hoofd had gezet. Hij blies en puffte als een triton, een zeegod uit de oude verhalen. Bertie probeerde lief te glimlachen. Maar van binnen was hij heel kwaad over die gekke klimpartij. Het duurde nog een halfuur. Het smalle paadje liep als een grijze krul over de berg. Daar bleven ze staan, en ze gingen op een grote steen zitten om te rusten.

Eve vond het prachtig. Diep beneden lag Drontheim met zijn houten huizen. Om de stad heen lagen de Nid, met de kleur van staal, en het fjord. Het fjord was als een spiegel uit een sprookje, en daarop dreef het fort Munkenholm, wit als krijt. Op de bergen was het blauw in allerlei soorten. Dichtbij was het donkere paarsblauw van druiven, een beetje vaag. Dan kwam het blauw van fluweel, dof als stof. Verder weg was het heldere blauw van saffier, waar het licht doorheen scheen. En ten slotte het lichte hemelsblauw van turkoois. Het water was blauw als blauw zilver. De lucht was blauw als parels en parelmoer. De zon scheen overal zacht en overal even sterk, recht van boven, zonder hitte en zonder schaduw.

—Het is bijna Italië! riep Eve blij. En dit is nu toch Noorwegen! Ik dacht altijd dat heel Noorwegen zo was als het Romsdal. Wild, met ruwe bergen zoals de Romsdalhorn en de Trolltinder, en met woeste watervallen zoals de Sletta-fos. En dit is zo lief, zo zacht met al dat blauw! Ik zou hier op deze plek wel een kasteel willen bouwen en hier blijven wonen. Dan zou ik mijn kasteel Eve-Bower noemen. En ik zou heel veel witte duiven houden. Die zouden zo mooi vliegen in die blauwe lucht...

—Lieve meid! lachte Sir Rhodes. 's Winters zal het hier wel anders zijn.

—Nou goed, anders, maar toch mooi. 's Winters houd ik ook erg van wilde stormen. Dan zou het fjord hier woest stromen, onder aan mijn kasteel. En er zou grijze mist over die bergen daar hangen! Ik zie het al!

—Kom, je zou bevriezen! zei papa nuchter.

—Helemaal niet, ik zou voor een groot raam in de toren zitten dromen, met Dante of met Spencer... Houdt u van Dante en van Edmund Spencer?

Die laatste vraag was voor Frank. Hij had een beetje verlegen naar Eve's enthousiasme geluisterd, en nu schrok hij wat. Ja, ziet u, Dante kende hij bij naam. Maar van die Spencer had hij nog nooit gehoord. Wel van Herbert...

Wat, kende hij Edmund Spencer niet? Una en de Redcrossknight niet, en Britomartis niet? Hoe was het mogelijk?

—Lieve meid, wat ben je toch dol op die gekke allegorieën! zei papa.

—Ze zijn prachtig, papa! ging Eve beslist verder. En trouwens, de allegorie laat ik maar zitten. Ik vind alleen de poëzie ervan mooi.

—Te mooi gemaakte taal... je verdrinkt in de beelden.

—Dat is de kleur van de Renaissance, zei Eve. In de tijd van Elizabeth spraken ze aan het hof allemaal zo mooi en zo gemaakt... En de beelden van Spencer zijn prachtig, ze schitteren als juwelen...

Bertie vond het gesprek erg geleerd. Maar hij hield die gedachte voor zich en zei iets over de Hel van Dante. Ze waren uitgerust en gingen nu verder, de berg op.

—Mijn dochter is zo half en half een esthetische, zei de oude heer lachend tegen Frank.

Eve lachte heel helder.

—Ach, het is niet waar, papa. Gelooft u het toch niet, mr... mr. Westhòve. Weet u hoe papa daarbij komt? Een paar jaar geleden kwam ik net van kostschool. Toen ben ik met een paar vriendinnen een tijdje heel gek geweest. We krulden ons haar tot wilde bossen. We kleedden ons in slappe, wijde jurken van dure stoffen, damast en brokaat, met enorme pofmouwen. En dan zaten we bij elkaar onzin te praten over kunst. We hielden dan heel mooi een zonnebloem of een pauwenveer in onze witte vingertjes. We waren echt helemaal gek... Daarom zegt papa dat. Maar nu ben ik echt niet meer zo gek. Ik houd alleen veel van lezen. Is dat nu zo "esthetisch"?

Glimlachend keek ze Frank aan met haar open, heldergrijze ogen. Haar stemmetje was flink en zeker, maar het klonk alsof ze sorry zei. Het was alsof ze vergeving vroeg omdat ze net zo geleerd had gedaan. Frank begreep daaruit dat ze helemaal geen blauwkous was. Het had daar eerst wel op geleken, omdat ze net zo serieus had gepraat. Hij was heel boos op zichzelf, omdat hij had moeten zeggen dat hij niets van Spencer wist. Wat zou ze hem dom vinden!

Maar op dat moment betoverde de schoonheid om hen heen hen helemaal. Het was alsof ze in een cirkel liepen waarin ze zich sterk tot elkaar aangetrokken voelden, als door een magneet. Daar golden vreemde wetten, sterker dan die van de gewone natuur. Het was iets wat snel was als elektriciteit en licht als de lucht...

Ze klommen over het bergpad, dat steeds heen en weer ging. Ze liepen tussen de lage struiken van dennen door. De naalden waren groen en glommen in de zon, alsof ze gelakt waren. Ze ademden de dunne lucht in, die hen een beetje dronken maakte. En Frank droomde dat hij haar al lang kende. Het was alsof hij haar jaren geleden voor het eerst had gezien, aan een table-d'hôte in Drontheim... Sir Archibald en Bertie, achter hem, waren ver weg, kilometers ver, niets dan een herinnering... Eve's stem paste bij de zijne, zoals twee tonen in de muziek. Ze praatten over kunst en boeken, met stukjes en stiltes. Het was alsof ze samen een lied voor twee stemmen zongen, en allebei zuiver. Frank gaf eerlijk toe dat hij weinig las. En wat hij gelezen had, kon hij zich bijna niet herinneren. Zij zei voor de grap dat dat niet mocht. Door haar heldere stem schrok er steeds een vogel, die dan uit het bos wegvloog. Hij voelde dat er iets in hem nieuw en gezond werd. Hij had zijn armen wel wijd willen openen om de lucht te omhelzen!

II.

Die avond waren ze terug van hun wandeling. Na het souper zaten ze in de tuin van het hotel, met een kop koffie. Ze praatten over hun reisplannen.

—Wij gaan naar Molde! zei Sir Archibald.

—O, wij ook! zei Frank.

De oude heer hoopte dat de jonge mannen zijn dochter en hem verder zouden vergezellen. Hij mocht Frank heel graag. Ook Bertie vond hij een echte gentleman, en leuk om mee te praten. Bertie had veel over Amerika verteld. Hij verborg niet dat hij als boer in het Far West had geleefd. Maar hij maakte het wel een beetje mooier dan het was. Hij sprak steeds over "zijn farm". Frank zei nooit dat het niet waar was.

Ze bleven nog twee dagen in Drontheim, en toen waren ze helemaal goede vrienden. Op reis ontstaat zo'n vriendschap soms heel snel, als door toverij, zonder de vaste regels van beleefdheid. Ze wisten niets van elkaars karakter. Het kwam alleen door een klein beetje sympathie voor elkaar, en wat vriendelijkheid. Het was een gevoel aan de oppervlakte, iets moois voor korte tijd, dat de leegte rond een reiziger vult. De dag op zee met de stoomboot naar Molde was als een leuk uitstapje, ook al regende het. Door de regen moesten ze van het dek naar beneden. Daar, in de kajuit, speelde Eve bij een glas champagne whist met haar drie heren.

Maar daarna kwam er een beetje zwak, wit licht door de wolken. Toen liepen ze eindeloos over het natte dek, steeds heen en weer. Aan beide kanten gingen de lage rotsen langzaam voorbij. Hun lijnen veranderden steeds. Soms kwamen ze bij elkaar, dan gingen ze weer open. Dichtbij waren ze bruin van het mos. Verder weg werden ze grijs, met lichte kleurtjes van roze en paars. Na Christiansand gingen de rotsen opzij. De oceaan danste nu hoger, en hij werd rood als bloed in het licht van de zon die onderging. Die zon stond rood en rond als een bal aan de horizon. Elke golf had daar een top van rood schuim. Het was alsof de zee in een rode brand stond. Terwijl ze heen en weer liepen, lachten Frank en Eve om hun rode gezichten. Ze leken op twee rode pioenrozen, op twee vrolijke maskers. De zon had ze rood geverfd, als de gezichten van clowns.

In de nacht kwamen ze in Molde aan, en ze zagen het mooie fjord niet. Maar de volgende ochtend lag het voor hen, lang en smal. Eromheen lag een rij bergen, als een ketting, met sneeuw op de toppen. Het was een gedicht van bergen, een lied van bergen: zuiver, edel, mooi, streng en groots, zonder één lelijk detail. De lucht erboven was stil en grijs, als een rustig verdriet. De rust van alles om hen heen klonk als een andante zonder gevoel: een rustig, langzaam stuk muziek.

III.

De volgende ochtend wilde de oude heer naar Moldehoï wandelen. Bertie zei dat hij een beetje moe was en zich niet goed voelde. Hij vroeg of hij thuis mocht blijven. De waarheid was dat hij geen zin had in dit weer. Boven de ring van bergen rond het fjord dreven zware, grijze wolken. Ze hingen laag, als gordijnen van regen. Het zag ernaar uit dat de regen al snel uit hun donkere vouwen zou vallen. Maar Eve wilde zich niet bang laten maken door die donkere lucht. Als je op reis was, mocht een buitje je niet van je plan afhouden. Ze gingen dus met zijn drieën op weg. Bertie bleef in de salon van het Grand-Hôtel, op zijn glimmende sloffen, met een boek en een borrel.

De weg was modderig, maar ze liepen dapper verder in hun mackintoshes en stevige laarzen. De regen bleef boven hun hoofd hangen, alsof hij boos naar hen keek. Maar dat hield hen niet tegen. Het maakte hun tocht juist een beetje romantisch en gevaarlijk. Het was alsof er een grote vloed van water aankwam, zoals in het verhaal van Noach. Toen ze van de grote weg af waren en langzaam omhoog gingen, raakten ze vaak het pad kwijt. Soms verdween het pad in plassen en natte grond. Soms verdween het onder varens die nog nat waren van de regen, of tussen heel veel blauwe bosbessen. Over de modder stapten ze van steen naar steen. De oude heer deed dat zonder hulp. Maar Eve hield haar hand in die van Frank. Ze was bang dat haar natte schoenen zouden uitglijden op het gladde, geelgroene mos.

Ze lachte helder en liep met kleine stapjes van steen naar steen, steeds aan zijn hand. Soms gleed ze plotseling uit en viel ze tegen zijn schouder. Daarna ging ze weer dapper verder. Met zijn dikke stok voelde ze of de stenen stevig lagen. Ze had het gevoel dat ze niet voorzichtig hoefde te zijn, nu hij haar hielp. Hij zou haar wel vasthouden als ze viel. Ze praatte vrolijk door en sprong bijna van steen naar steen, zonder angst.

—Wat is uw vriend eigenlijk voor een man, mr. Westhove? vroeg Eve plotseling.

Frank schrok een beetje. Hij vond het altijd heel vervelend om iets over Bertie te vertellen. Dat kwam niet zo door het verleden van zijn vriend, maar door wat hij nu deed. Bertie leefde rustig van Franks geld. Frank kon niet meer zonder zijn Bertie. Maar hij wist toch dat de mensen dat... vreemd zouden vinden.

—O, hij is iemand die veel verdriet heeft gehad, zei hij vaag, zonder echt antwoord te geven.

En hij ging verder:

—Vond u hem een prettige man?

Eve lachte even, want ze was bijna voorover in een plas dikke modder gevallen. Maar Frank had ineens zijn arm stevig om haar middel geslagen...

—Eve, Eve! riep Sir Archibald, en hij schudde zijn hoofd. Wees toch wat voorzichtig!

Maar Eve stond alweer goed, met een beetje rode wangen.

—Ja, wat zal ik u zeggen, ging ze verder met hun gesprek. Als ik u helemaal de waarheid moest zeggen...

—Natuurlijk!

—Ja, maar dan zou u misschien boos worden. Want ik zie wel dat u dol bent op uw vriend.

—Houdt u dan niet van hem?

—Nou, als u het dan wilt weten: de eerste dag dat ik hem leerde kennen, kon ik hem niet uitstaan. Met u konden we meteen goed opschieten, als met een leuke reisgenoot. Maar met hem... hij heeft misschien niet veel gereisd?

—O, jawel! zei Frank, die moest glimlachen.

—Nou, misschien was hij dan verlegen of onhandig. Maar later ben ik er wel anders over gaan denken. Nu kan ik hem best uitstaan...

Het was vreemd, maar Frank was niet erg blij dat ze er anders over dacht. Hij bleef zwijgen.

—U zei dat hij veel verdriet heeft gehad? Nou, dat kun je ook wel aan hem zien. En dan heeft hij iets zachts, iets teders zou ik bijna zeggen. Hij heeft zulke zachte, zwarte ogen en zo'n lieve stem. Ziet u, dat alles vond ik eerst vervelend. Maar nu vind ik er iets poëtisch in. Hij is vast een dichter, en hij heeft zeker een ongelukkige liefde gehad. Hij *kan* geen gewoon, saai mens zijn.

—Nee, dat is hij ook niet! zei Frank vaag.

Hij voelde zich een beetje ongemakkelijk door Eve's enthousiasme. Hij voelde jaloezie en verdriet tegelijk. Er ging een rilling door hem heen. Het was iets als een afkeer van de valse schijn van de wereld. En hij was op een doffe manier jaloers op dat zachte, poëtische dat Eve in zijn vriend zag. Even keek hij bijna teder naar het mooie jonge meisje. Soms was ze zo verstandig, soms zo naïef. Ze wist veel van haar lievelingsboeken, maar niets van het echte leven. Er kwam een stil medelijden over hem. De grijze regenwolken daarboven drukten ineens zwaar en somber op zijn hoofd. Het was alsof ze een noodlot aankondigden waaraan je niet kunt ontsnappen. Een noodlot dat haar, Eve, zou verpletteren. Zonder dat hij het wilde, hield hij haar hand steviger vast.

—Hier is het pad weer! riep de oude heer, een twintig passen voor hen uit.

—O ja, daar is het pad weer! Dank u, mr. Westhove, zei Eve.

Ze sprong van de laatste steen af, liep door de varens, die knakten onder haar voeten, en kwam op de weg.

—En daarboven is de hut met de windwijzer! ging Sir Archibald verder. Ik geloof dat we een omweg hebben gemaakt. Jullie kakelen ook maar, in plaats van eens naar het pad te kijken. Je begrijpt, *mijn* oude ogen...

—Maar de tocht over die stenen was heel leuk! lachte Eve.

In de verte, boven hen, zagen ze de hut en de lange stok van de windwijzer. Ze gingen nu makkelijker verder. Hun voeten zakten weg in de bloeiende heide, nat en paars en roze. En ook in de bosbessen, zacht blauw als heel kleine druifjes. Eve bukte zich en plukte.

—O, wat zijn ze zoet! zei ze, verrast als een kind.

Ze at ervan, en haar lippen en handen kregen blauwe vlekken van het sap.

—Proeft u eens, mr. Westhove.

Hij proefde ze uit haar kleine, zachte hand. Die zat nu onder de vlekken, als van paars bloed. Het was waar, ze waren heerlijk zoet, en zo groot! En nu gingen ze verder, achter Sir Archibald aan. Ze bukten zich steeds, en ze juichten als kinderen als ze een heel veldje vonden. Daar stonden de bessen nog mooi en onaangeraakt, als kleine blauwe kraaltjes.

—Papa, papa! Proeft u toch eens! riep Eve blij.

Ze vond het niet eerlijk dat papa maar doorliep. Maar Sir Archibald was al ver weg, zodat ze moesten rennen om hem in te halen. Eve lachte hard en helder, als een belletje. Ze vond het jammer dat ze er zoveel moesten laten staan, zulke heerlijke grote!

—Misschien zijn er wel veel bij de hut! troostte Frank.

—Denkt u? riep Eve, en ze lachte helder:

—O, wat zijn we toch kinderen! Wat zijn we toch kinderen!

De weg was breder geworden, en ze klommen dus makkelijker omhoog. Vaak verlieten ze het pad en klommen ze over de rotsen, om er sneller te zijn. Plotseling hoorden ze iemand hard roepen. Ze keken naar boven en zagen Sir Archibald. Hij stond op de berg stenen waarin de windwijzer stond, en hij zwaaide met zijn reispet. Ze liepen snel, en al gauw waren ook zij bij de hut. Eve bonsde op de deur, die dicht was.

—De hut is dicht! riep Sir Archibald.

—Wat gek! zei Eve. Waarom staat ze er dan, als ze dicht is! En woont er niemand in?

—Wel nee, niemand! zei Sir Archibald, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.

Maar Frank hielp Eve om op de stenen rond de windwijzer te klimmen. Nu keken ze uit over het land beneden hen.

—Het is mooi, maar treurig! zei Eve.

Het lange fjord lag recht voor hen, als een smalle strook stil water, vaag in de mist. Eromheen lagen de bergen als een ketting. Ze werden grijs en verdwenen bijna in de regen. In die mist leken de bergen bijna doorzichtig, als geesten van bergen, met vage lijnen. Het waren de Lauparen en de Vengetinder, de Trolltinder en de Romsdalhorn. Ze stonden hoog en treurig in de boze, donkere lucht. Die lucht was dik van de regen die nog moest vallen. Ze trok vuile, zwarte wolken langs hun toppen. En ze gooide een donkere schaduw op het stille water.

En de bergen huilden, als dunne spoken die niet bewogen. Ze waren somber, droevig en tragisch, met een verdriet dat groter was dan een mens kan dragen. Het was een verdriet van reuzen en goden. Ook het fjord met zijn stadje huilde, stil onder het zwarte beeld van de lucht in het water. Van het stadje zag je alleen wat vieze, grijze vlekjes van daken en huizen. En je zag het vaalwitte houten Grand-Hôtel. Een kou als van spoken steeg op uit het fjord, naar die drie mensen boven op de berg. Ze waren niets, verloren in de dikke mist, die zwaar op hun ogen lag. De regen viel niet echt. Het leek alleen alsof er water uit de zwarte wolken lekte, zoals uit een natte doek. De wolken scheurden nog niet open. In het westen gingen twee bergen uit elkaar, zodat je een streepje van de oceaan zag. Daar was iets te zien van licht goud en zwak roze. Het was bijna niets, een paar lijntjes roze en een beetje goud. Het was het kleine geschenk van de zonsondergang, zoals een arme een muntje krijgt...

Ze zeiden bijna niets. Dat grote verdriet drukte op hen en huilde als mist om hen heen. Toen Eve eindelijk iets zei, leek haar heldere stem van ver te komen, door een dunne doek heen.

—Kijk, daar is een beetje zon, boven de zee... Je verlangt hier zo naar de zon... O, ik wou dat de zon even doorkwam... Het is hier zo treurig, zo treurig!... Wat begrijp ik de klacht van Oswald in "Gespenster" goed, als hij gek wordt: De zon! De zon! Je zou hier bidden om wat zon, en je krijgt niets dan dat lichtje daar in de verte... O, ik ril!

Ze rilde echt in haar stijve regenjas van gutta-percha, die glom als zijde. Haar gezicht was lang en wit, en haar ogen waren groot en vol verlangen. En ze voelde zich plotseling zo alleen in haar hele ziel. Zonder na te denken pakte ze de arm van haar vader. Ze wilde zich tegen hem aan drukken.

—Heb je het koud, kind? Zullen we weggaan? vroeg Sir Archibald.

Ze knikte, en ze hielpen haar allebei om van de stenen af te klimmen. Ze wist niet waarom, maar ze dacht plotseling aan haar dode moeder. Had die zich ook wel eens zo alleen gevoeld als zij, ook al hield haar vader van haar? Maar toen ze de hut weer zag, zei ze ineens, alsof ze een idee kreeg:

—Papa, er zijn namen in die deur gesneden. Laten wij de onze er ook in snijden.

—Maar kind, je hebt het koud en je ziet bleek...

—Ach nee, toe, laten we onze namen erin snijden. Ik wil het! zei ze met een pruillip, als een verwend kind.

—Wel nee, Eve, onzin.

—Ach, ik wil het! smeekte ze.

Maar de oude heer gaf mopperend niet toe. Frank haalde echter zijn zakmes tevoorschijn.

—Mr. Westhove, snijdt *u* dan mijn naam erin, alleen: Eve! Het zijn maar drie letters. Wilt u? vroeg ze zacht.

Frank wilde bijna zeggen dat hij haar naam zou snijden, ook al was die nog zo lang. Maar hij zei niets. Het zou te gewoon en te makkelijk geklonken hebben, midden in die treurige natuur.

En hij sneed zijn letters in de deur, waarin al zoveel bezoekers hun naam hadden gezet. Eve stond stil naar het westen te kijken. Ze zag dat de drie lijntjes goud zwakker werden en dat het roze verdween.

—De zon, de zon! fluisterde ze, zo zacht dat niemand het hoorde. Ze rilde, met een zwak lachje om haar lippen en natte ogen.

Er vielen grote, zware druppels regen. Sir Archibald vroeg of ze kwamen, en hij ging al vooruit.

Eve knikte hem droevig glimlachend toe met haar wimpers en liep naar Frank.

—Bent u klaar, mr. Westhove?

—Ja, zei Frank, en hij sneed nog snel zijn laatste letters.

Ze keek toe en zag wat hij voor haar had gesneden: Eve Rhodes, in heel nette, gelijke, gladde letters. Daaronder stond: Frank, grof en ruw, snel erin gehakt.

—Waarom heeft u Rhodes erbij gesneden? vroeg ze. Haar stem klonk heel zacht, heel van ver.

—Omdat dat langer was, antwoordde Frank eenvoudig.

IV.

Ze waren in een enorme regenbui teruggekomen in het Grand-Hôtel. Het regende alsof de hemel al zijn emmers tegelijk leeggooide. Ze zaten tot hun middel onder de modder, ze waren nat tot op hun huid en koud tot op het bot. Na een warm souper had papa Eve naar bed gestuurd. Nu zaten ze met zijn drieën in de salon: Sir Archibald, Frank en Bertie. Er waren nog een paar andere gasten. Die waren somber door het slechte weer en verveelden zich met een tijdschrift of een album. De oude heer sliep een flinke tijd in een makkelijke stoel. Frank keek goed naar de rechte stralen van de regen. Ze vielen hard op het fjord, als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen. Bertie dronk kleine slokjes van een warme grog en keek naar zijn glimmende sloffen.

—En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een glimlach.

Hij wilde de vervelende stilte in de salon toch breken.

Frank keek hem verbaasd aan, alsof hij wakker werd uit een droom. Eerlijk lachend zei hij kort:

—Nee...

Bertie bleef hem aankijken. Maar Frank keek al ergens anders. Hij luisterde alleen nog naar de harde regen. Eindelijk pakte Bertie zijn open boek weer op en probeerde te lezen. Maar de letters dansten voor zijn ogen, als bij een dronken man. In zijn oren klonk nog steeds, heel vervelend, dat ene korte, verbaasde woord. Frank had het in de stille kamer laten vallen als een zwaar stuk lood. Het ergerde Bertie dat Frank niet meer op hem lette.

Frank bleef naar de bergen kijken. Ze waren bijna niet te zien achter het gordijn van regen. Hij zag de terugweg van Moldehoï weer voor zich. De weg naar beneden, met hoge, natte varens. De zware regen, die hen in het gezicht sloeg als met zwepen van water. Eve in haar natte mackintosh, die aan haar lijf plakte. Ze hield zijn arm vast en drukte zich tegen hem aan, alsof ze bescherming zocht. De oude heer achter hen, die met zijn stok voorzichtig het gladde pad met mos voelde. Frank had haar zijn eigen dikke regenjas willen omslaan. Maar zij had dat beslist niet gewild. Ze wilde niet dat hij ziek zou worden door haar, had ze gezegd. Ze had het gezegd met die stem die van ver leek te komen.

En toen, thuis, hadden ze zich omgekleed. Daarna was er hun souper, en hun gelach over die tocht. En de angst van Sir Archibald dat Eve ziek zou worden... Hij herinnerde zich ook nog een stukje van hun gesprek. Hij had haar iets gevraagd, en hij was zelf een beetje verbaasd geweest:

—Heeft u "Gespenster" van Ibsen gelezen? U sprak op Moldehoï toch over Oswald?

Frank kende "Gespenster" zelf toevallig ook. Hij vond het geen boek voor een jong meisje. Zij had zijn verbazing gemerkt. Ze was erg rood geworden toen ze antwoordde:

—Ja, ik heb het gelezen... Ik lees veel, en papa heeft me een beetje liberaal opgevoed. Vindt u dat ik "Gespenster" niet had mogen lezen?

Ze had er niets slechts in gezien. Misschien had ze niet alles begrepen. Dat had ze verder eerlijk gezegd. Het was een toneelstuk over een ziekte die van ouders op kinderen overgaat. Zo'n stuk hoefde een jong meisje niet te kennen, vond hij. Maar dat had hij haar niet durven zeggen. Hij had alleen vaag geantwoord. Toen was zij steeds roder geworden, en ze was zelfs stil geworden.

—Ze zal me een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil? Ze heeft mijn toestemming niet nodig voor wat ze leest. Ze weet genoeg... Ze zal me verschrikkelijk betweterig hebben gevonden.

—Frank! zei Bertie ineens.

—Wat? antwoordde Frank geschrokken.

—We gaan morgen hier weg, toch?

—Ja, dat was ons plan, tenminste als het weer beter wordt.

—Hoe heet die wilde, rare plaats waar we naartoe gaan?

—Veblungsnaes. Van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal.

—En de Rhodes'?

—Die gaan naar Bergen...

—Ook morgen?

—Ik weet het niet...

En Frank werd weer stil. Buiten gooide de natte, grijze lucht een donkere somberheid naar binnen. En ook diep in zijn ziel viel die somberheid... Waarom zou je van mensen gaan houden, als je na een paar fijne dagen samen toch weer uit elkaar moest? Zo ging het op reis met lieve reisgenoten. Maar ging het ook niet zo in het leven, met alles waar je van hield? Was het wel de moeite waard om van iets te houden? Was alle liefde niet één groot bedrog, waarmee je jezelf blind maakte? Blind voor de afkeer die je van de wereld voelt...

### Woordenlijst

- **table-d'hôte**: (Frans) de gezamenlijke maaltijd in een hotel.
- **de Baedeker**: een bekend reisboekje met wegen en uitleg.
- **het fjord**: een smalle, diepe zee-arm tussen hoge bergen in Noorwegen.
- **de allegorie**: een verhaal waarin de personen en dingen een diepere betekenis hebben.
- **een esthetische**: iemand die in de jaren 1880 overdreven deed over kunst en schoonheid, met aparte kleren.
- **de blauwkous**: een vrouw die alleen met boeken en geleerdheid bezig is.
- **whist**: een kaartspel voor vier personen.
- **de mackintosh**: (Engels) een regenjas.
- **gutta-percha**: een soort rubber waarvan vroeger regenkleding werd gemaakt.
- **liberaal opgevoed**: opgevoed met veel vrijheid in wat je mag lezen en weten.
- **betweterig**: op een manier alsof je alles beter weet.

## Hoofdstuk III

I.

Het was december in Londen, en er hing een koude mist. Om White-Rose hing een witte mist, en in de achterkamer brandde een groot vuur. Maar Bertie had geen zin om van dat bien-être te genieten. Hij was er al aan gewend. Hij vond het bovendien heel normaal. Hij had er gewoon recht op, vond hij. Hij was namelijk fijn en zwak gebouwd, klein en dun. Hij voelde zich niet geboren om arm te zijn en te lijden.

En toch had hij armoede en ellende gekend. Hij had als een knecht voor anderen gewerkt. Hij had daarbij geleerd om heel klein te buigen en te kruipen. Hij wist ook wat honger was, honger die pijn doet. En hij wist wat vieze, smerige armoede was... Wat leek dat allemaal lang geleden! Het was vaag als een droom. Het was zo vaag als de tuin daarbuiten, die bijna verdween in de witte, grijze mist van Londen. O, het was zo vaag als een onduidelijk gevoel dat je misschien al eens eerder geleefd hebt!

Want na die grote verandering had hij willen vergeten. Hij had zich gedwongen om te vergeten. Hij wilde geen seconde aan een verleden denken, en ook niet aan een toekomst. Hij haatte zijn verleden. Het was oneerlijk geweest, en het was een schande. Het was een vlek die er nooit meer af ging, op zijn perfecte leven van nu. Het moest altijd verborgen en begraven blijven. Hij moest brutaal zeggen dat het niet waar was, tot hij zelf zou geloven dat het nooit had bestaan. En wat was hij daar goed in geslaagd! Zijn jaren in Amerika leken helemaal uit zijn herinnering weg.

Waarom kwamen die jaren dan nu langzaam terug in zijn gedachten, als spoken uit hun graf? Eerst waren het alleen spoken. Maar ze kregen steeds duidelijker vormen. Ten slotte waren ze scherp en helder van kleur, dag na dag, maand na maand. Ze dansten omhoog in de vlammen van het vuur, waar hij zonder moed naar keek. Het was als een dans van de dood, een dans van jaren. Ze lachten hem uit als hoofden van doden, met holle ogen en witte gezichten. Hun gezichten waren lelijk van een slimme, gemene lach. Ze zwaaiden naar hem met vuile, kapotte kleren. Ze stonken zo erg dat hij bijna geen adem kreeg. Hij zag die jaren, hij rook ze. Daar bij het warme vuur rilde hij van hun kou. Hij voelde hun honger, ook al wachtte er een souper op hem... Waarom? O, kwam het doordat de toekomst nu begon te dreigen? Ook die toekomst had hij steeds weggeduwd. Nu kwam ze als een ramp elke dag, elk uur dichterbij. Je kon haar niet tegenhouden, en je kon er niet omheen. En misschien zou die toekomst wel net zo zijn als dat verleden.

Ja, er dreigde iets. En hij bleef daar zitten, ziek van angst. Hij was *laf*, zonder kracht, zonder moed... Er dreigde iets, en hij voelde het dichterbij komen. Het zou hem aanvallen en met hem vechten op leven en dood, in een wanhopige strijd. Hij voelde dat hij viel, dat hij wegzakte. Hij werd weggetrokken uit zijn zachte, warme leven. Hij werd op straat gegooid, zonder dak, zonder iets... Wat was er eigenlijk van hem? De kleren op zijn lichaam, de schoenen aan zijn voeten, de ring aan zijn vinger: het was van Frank. Het souper daarginds, zijn bed boven: het was van Frank. Zo was het een heel jaar lang geweest. Als hij ooit weg moest gaan met alleen wat van hem was, dan moest hij gaan... naakt, in de winter.

En hij *kon* niet meer zijn zoals in Amerika. Daar had hij van de ene dag op de andere geleefd, als een knecht die maar wat deed om te overleven. Zijn lichaam en zijn ziel waren nu allebei zacht geworden, in een warm bad van luxe. Hij was als een kasplant geworden. Zo'n plant is gewend aan de vochtige warmte binnen. Ze is bang om buiten in de koude lucht te worden gezet. Want het dreigde, verschrikkelijk en zonder medelijden. Geen seconde liet die dreiging hem los. Hij was zo laf en zo zacht geworden. Hij draaide zachtjes zijn witte handen in elkaar. Twee tranen liepen over zijn strakke gezicht, dat een masker van wanhoop was.

Vechten voor zijn leven! Hij kon het niet meer. Zijn kracht was er te zwak voor. Na al zijn harde werk en zorgen was die zwakte over hem gekomen, en dat was heerlijk geweest. Nu maakte ze hem machteloos. Hij kon zich niet eens een klein beetje inspannen.

En weer zag hij voor zich hoe de dingen in zijn leven aan elkaar vastzaten, als een noodlottige ketting. Soms waren het heel kleine dingen. Maar elk klein ding was een verschrikkelijke schakel, die soms tot een ramp leidde! Wat verschrikkelijk dat het ene steeds uit het andere kwam, dat de toekomst uit het verleden groeide!... Zijn studie in Leiden was mislukt, omdat hij lui was. Toen had zijn vader hem weggestuurd naar een klein baantje op het kantoor van een fabriek in Manchester. Anders had hij daar waarschijnlijk nooit bepaalde jongemannen leren kennen. Dat waren zijn collega's daar op kantoor. Het waren chique dieven, die hard en gevaarlijk vochten voor hun plek in het leven. Ze waren nog half jongens, en toch al slecht en rot, door een slechte jeugd... Als hij ze niet gekend had, was het misschien anders gegaan. Ze hadden hem zo makkelijk meegetrokken, want van nature was hij al een beetje zoals zij! Zonder hen had hij misschien geen oneerlijke dingen met geld gedaan bij de fabriek. Het was zo erg geweest dat zijn baas hem naar Amerika had geholpen. Dat had de baas gedaan uit medelijden en vriendschap voor zijn vader...

Daar, in Amerika, was hij het diepst gezakt. Hij was verdronken tussen al die mensen die daar wild vochten om hun geluk... O, als het in Amerika niet mis was gegaan, dan was hij niet arm en ellendig in Londen terechtgekomen. Dan had hij Frank niet om hulp gevraagd. En Frank... Zonder Bertie, die het hem aanraadde, was Frank niet naar Noorwegen gereisd. Zonder hem had Frank Eve dus niet ontmoet. O, die reis naar Noorwegen! Hij vloekte er nu op. Zonder Noorwegen was Frank misschien nooit verliefd geworden. Dan had Frank misschien nooit aan trouwen gedacht! En nu... Gisteren was Frank naar het huis van Sir Archibald gegaan. Na hun ontmoeting in Noorwegen waren de jongemannen daar vaak geweest. En Frank was teruggekomen als de aanstaande van Eve! Frank zou trouwen en... hij, Bertie? Waar moest hij blijven? Wat zou er van hem worden?

Hij voelde zwaar hoe het noodlot het leven bepaalde. Hij voelde hoe oneerlijk de dingen in het leven aan elkaar vastzaten. Hij zag in dat hij zijn eigen ongeluk had veroorzaakt met maar één woord... Eén woord: Noorwegen! Noorwegen, Eve, Franks liefde, Franks huwelijk dat eraan kwam, zijn eigen ondergang... Wat zag hij die paar schakels van de ketting van zijn leven gemeen duidelijk aan elkaar vast! Eén woord, gezegd uit een domme intuïtie: Noorwegen. En daarmee had hij voor altijd het geluk van twee anderen gemaakt, en zelf betaalde hij de prijs! Oneerlijk, oneerlijk!

En hij vloekte op de intuïtie. Dat was die geheime, domme kracht die in elk woord zit dat we zeggen. En hij vloekte hierop: dat je niet over elk woord kunt nadenken, over elke klank van je stem. Wat was het toch, intuïtie? Iets doms en goeds. Een soort zinloos *beter ik*, zoals de mensen zeggen. Diep verborgen, in het geheim, rent het maar door als een gek jong paard. Het rent dwars door de fijnste gedachten heen, die als een spinnenweb in elkaar zitten! O, had hij maar niets over Noorwegen gezegd! Wat kon dat ene land hem schelen, meer dan alle andere landen? Waarom niet Spanje, Rusland, Japan, mijn God, Kamtsjatka, wat hem betrof? Waarom juist Noorwegen!! Domme intuïtie, die zijn vervloekte lippen Noorwegen had laten zeggen! En oneerlijk was het lot, het leven, alles!!

Kracht? Wil? Kon je *daar* iets tegen willen? Kon je daar sterk tegen zijn? Woorden, niets dan woorden! Ga maar op de grond zitten, zoals een Arabier, en geef je over aan het lot. Laat dag volgen op dag. Denk niet na, want onder de gedachte wacht... de intuïtie! Vechten? Tegen het lot, dat zijn kettingen blind aan elkaar maakt, schakel na schakel?

Hij gooide zich wild achterover in zijn stoel. Steeds draaide hij zachtjes zijn handen in elkaar. Steeds liepen er twee tranen uit zijn ogen. En hij zag zijn gebrek aan moed voor zich staan. Hij keek het recht in zijn bange ogen, en hij vond het niet slecht. Want hij was zoals hij *was*. Hij was laf, en hij kon zichzelf niet veranderen! Iemand zoals hij noemden de mensen *laf*. Dat was maar een woord! Waarom was laf slecht, en waarom waren eerlijk en moedig goed en mooi? Het was allemaal conventie, afspraken tussen mensen. De hele wereld was één conventie, één droom zonder echte inhoud. Er was niets, niets!

Maar er was toch iets: ellende, armoede! Die had hij gevoeld. Hij had ermee gevochten, lichaam tegen lichaam. En nu was hij daar te zwak voor, te zacht, te fijn! Hij *wilde* niet!

Toen leunde hij achterover. Zijn witte hoofd rustte op de zachte stoel van fluweel. Zijn diepe, zwarte ogen waren donker en niet helder meer, door het gif van zijn gedachten. En hij voelde door zijn zwakte heen een zachte, rustige stroom gaan, als elektriciteit. Het was een stroom van wil. Het noodlot had gewild dat hij Eve en Frank bij elkaar zou brengen. Goed dan, hij, het arme speelgoed van dat lot, hij zou *willen* dat...

Ja, hij zou willen dat ze uit elkaar gingen.

Dat plan stond nu vast voor zijn ogen, koud als ijs en streng. Het was als een beeld van iets heel slechts, iets van de duivel. Het bleef geheimzinnig voor hem staan. Het keek hem aan met de ogen van een vrouw die de toekomst ziet, of van een sfinx. Om dat enorme, kwade beeld heen verdwenen zijn andere gedachten in een diep gat. De dans van de dood van de jaren, de ketting van noodlottige dingen, zijn gevloek op dat alles... Het zakte allemaal weg. Alleen het beeld bleef, als een spook. Je kon het bijna voelen en bijna zien. Het stond daar, voor het zwakke licht van het vuur dat uitging, in de kamer die donker werd. En de sombere, vragende blik van het beeld hield hem vast, alsof hij in slaap werd gebracht. Zijn gevoel van binnen ging slapen onder het zware gewicht ervan... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!

Er was niets dan conventie en... armoede. En dan was er dat beeld, *daar*, voor het vuur. Het stond voor zijn grote, starre ogen, hard als steen. Het zweeg en keek hem aan, en het trok hem aan met een kracht uit de hel.

II.

Die nacht zag hij Frank niet meer, want Frank was bij de Rhodes' gebleven om te dineren. Bertie kon niet slapen. De wildste gedachten joegen door zijn hoofd. Romantische plannen gingen door zijn fantasie, alsof hij koorts had. Vreemde stemmen zoemden in zijn oren, die ruisten zoals een schelp van de zee... En hij zag zichzelf met Eve in een cab zitten. Ze reden door de donkerste en smerigste arme buurten van Londen. Om hen heen kwamen mensen in kapotte kleren op, die naar Eve toe kwamen. En hij zelf lachte, toen hij zag dat ze werd meegesleept door mannen met gezichten als van dieren. En hij zag haar terugkomen, huilend, met haar kleren in stukken, en verkracht...

Hij kreeg een zware hoofdpijn, die hamerde in zijn hoofd. Hij maakte een geluid van pijn. Hij probeerde met moeite zijn wilde, overdreven fantasie te stoppen. Hij stond op en wreef over zijn ogen, alsof hij dat toneelstuk wilde wegjagen. Hij legde een natte handdoek op zijn hete hoofd. Zonder het te willen keek hij in de spiegel. Zijn gezicht in het glas kreeg een beetje licht van het lampje voor de nacht. Het keek hem doodsbleek aan, lang en smal. Het had grote donkere gaten als ogen en een open mond. Zijn hart klopte alsof het omhoog wilde, naar zijn keel. Hij drukte het met beide handen hard naar beneden... Toen dronk hij een glas water. Hij ging weer liggen en dwong zich om rustig te worden.

Nu maakte zijn hoofd fijnere plannen, als draden. Die draden knoopte hij van punt tot punt aan elkaar. Zo ontstond er een fijn net, als kant dat je nooit meer los krijgt. Zijn fantasie bedacht het ene moeilijke plan na het andere, steeds met iets nieuws. Het was alsof hij een dichter was, die in een nacht zonder slaap, met een helder hoofd, een toneelstuk bouwt. Zo'n dichter is nooit tevreden. Hij verandert het steeds opnieuw, tot hij een vast plan heeft. Pas dan gaat hij schrijven.

Nu zag hij de wilde feesten van vroeger terugkomen, beneden in de grote achterkamer. Hij zag de skating-rinkjes. Frank en hij gooiden weer champagne in hun jurken, en de vrouwen lachten en zongen. Maar plotseling ging de deur open en kwam Sir Archibald binnen, met Eve aan zijn arm. Sir Archibald vloekte tegen Frank, met grote woorden en grote gebaren. Frank boog zijn hoofd. En Eve viel op haar knieën tussen hen in. Ze sprak woorden vol pijn en hief smekend haar handen op. Het was als het einde van het vierde deel van een opera. Het ruisen in Bertie's oren en het hameren in zijn hoofd klonken als een groot orkest. Een nerveuze dirigent liet het hard spelen, met het harde, schelle geluid van veel trompetten.

Bertie zuchtte van pijn en draaide zich steeds om en om. Weer dwong hij zich om zachtere scènes te bedenken. Nu werd het een modern toneelstuk. *Hij*, Bertie, liet Eve letten op Annie. Annie was de mooie jonge vrouw die meid en huishoudster was op White-Rose. Dan kwam Eve's jaloezie. En dan het grote moment: Eve, die Frank vindt in de armen van Annie...

Hij werd ziek van zijn eigen denken. Hij kreeg een afkeer van zijn eigen ingewikkelde plannen. Hij duwde alles weg, want hij werd heel moe. Hij werd rustiger, omdat zijn hele hoofd nu heet was en klopte en bonsde. Er liepen pijnlijke trekken van zijn voorhoofd over zijn hoofd tot in zijn nek. Het was alsof hij gescalpeerd werd. Aan beide kanten van zijn hoofd, naast zijn ogen, sprong het bloed hoog op, steeds weer, met een pijn die steeds terugkwam.

In die vreselijke pijn van zijn lichaam viel zijn trots in elkaar, als een toren die in stukken valt. Dat was de trots die tegen het noodlot zou vechten. Zijn fantasie zakte moe weg, en hij vergat zijn wanhoop over de toekomst. Zonder kracht en nat van het zweet bleef hij stil liggen, met zijn ogen wijd open en zijn mond open. Omdat hij zo moe was, begon hij te twijfelen. Door die twijfel zag hij al zijn verhalen in een zachter licht. Het was onzin, en het zou nooit echt kunnen gebeuren. Het ging dan maar zoals het ging, dacht hij nog zwak. De toekomst lag nog ver weg. Hij zou er niet meer aan denken. Hij zou zich laten meetrekken door de ketting van de dingen. Het was gek om je vuist te ballen tegen het lot, dat zo machtig was, machtiger dan alles...

III.

De volgende dagen gingen voorbij, en er hing steeds een vage angst boven Bertie's hoofd. Hij boog dat hoofd voortaan zonder te denken. Zijn hart leek stil als een vijver, maar diep van binnen bewoog er iets donkers. Een paar keer ging hij met Frank naar de Rhodes'. Eén keer pakte Eve zijn hand en zei:

—We zullen goede vrienden zijn, toch?

Nadat ze het gezegd had, bleven die woorden in zijn oren klinken, als kleine klokjes. Zonder na te denken keek hij haar aan met zijn fluwelen ogen en glimlachte hij. Hij liet zich door haar meetrekken naar een divan. Daar liet ze hem tekeningen zien van meubels en gordijnen voor het nieuwe huis, het huis van Frank en haar. Frank zat een eindje verderop te praten met Sir Archibald, met een glaasje likeur in zijn vingers. Hij keek even naar hen. Ze zaten als broer en zus naast elkaar op de zachte divan. Ze bogen hun hoofden naar elkaar toe over de platen, die zacht ruisten. Soms raakten hun vingers elkaar even. Frank keek even een beetje boos en ontevreden. Maar het was maar heel even. Want hij lachte naar Eve en zei:

—Bertie kan je goed helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik...

En het was alsof de woorden vanzelf uit zijn mond vielen. Het was alsof hij iets anders had willen zeggen dan die vriendelijke woorden, en het niet had gekund. Hij praatte verder met Sir Archibald over politiek. Maar zijn ogen gingen steeds weer naar hen allebei. Ze waren zo vertrouwd met elkaar, en dat trok hem aan als een magneet.

Wat voelde Eve voor Bertie? Ze voelde voor hem wat een zus voelt, zacht en lief. Ze vond de vriend van haar aanstaande heel sympathiek. Ze voelde iets romantisch en zachts voor het geheim van zijn diepzwarte ogen en zijn smekende stem. Ze had medelijden met al het interessante verdriet dat ze in hem zag, als bij de dichter Byron. Zo heeft een gevoelige lezeres medelijden met de held van een roman, die lijdt onder een geheime pijn in zijn ziel. Het was een vriendschap als in een gedicht. In haar ziel was die mooi in evenwicht met haar liefde voor Frank.

Dat was een liefde die ze in haar dromen als jong meisje nooit had kunnen bedenken. En als ze het wel had bedacht, had ze nooit gedacht dat *zij* zo'n liefde zou voelen. Het was een kalme, rustige, grote liefde, bijna praktisch, voor thuis, zonder enige romantiek. Ze zag Franks fouten wel. Maar ze hield juist van hem *om* die fouten, zoals een moeder van haar stoute kind houdt. Ze zag dat hij lui werd als hij iets moest willen. Ze zag dat hij twijfelde bij elk besluit, en dat hij steeds tussen dit en dat heen en weer ging. Ze deed niet alsof die zwakte er niet was. Maar juist die zwakte vond ze lief, omdat papa zo anders was. Papa was koel en praktisch, nuchter en vriendelijk. Hij verwende haar wel, maar nooit zo veel als zij het zelf wilde.

Dan was er nog een verschil, en dat vond ze het allermooist. Daardoor hield ze het meest van hem. Het had haar hele hart gevuld met iets zo moois dat het passie was geworden. Het was een verschil in Frank zelf: tussen zijn zwakke karakter, dat altijd twijfelde, en zijn sterke lichaam. Hij was een mooie, sterke jongen, met een brede borst en brede schouders. Hij had een krachtig, donkerblond hoofd op een stevige nek. Als hij iets verschoof of aanraakte, deed hij dat licht en zeker. Daaraan zag je dat hij een sterk, goed getraind lichaam had. En diezelfde man was zo zwak in wat hij wilde, en zo slap in wat hij deed. Als vrouw vond ze daar iets heel liefs in.

Als ze alleen was en erover nadacht, moest ze erom glimlachen. Dan kwamen er tranen in haar ogen, tranen van zacht geluk. Want ze was er zacht gelukkig door, door dat verschil. Het was wel vreemd, dacht ze. Ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar. Maar ze probeerde het niet op te lossen, want het was een lief raadsel. Als ze eraan dacht, met haar glimlach en haar natte ogen, wilde ze maar één ding. Ze wilde hem in haar armen nemen, haar Frank...

En ze maakte hem niet mooier dan hij was. Ze dacht niet meer aan twee zielen die voor elkaar gemaakt zijn, of aan hemelse liefde. Ze nam hem zoals hij was, als mens en als man. En omdat hij zo was, hield ze heel veel van hem, kalm en rustig. Nu kreeg het romantische in haar wat het nodig had, door haar vriendschap voor Bertie, als een zus. Ze wist dat ze er later niet om zou treuren als dat niet meer zo was. Haar liefde voor Frank was groot genoeg. Maar *omdat* op dit moment alles in haar tevreden was, was zij helemaal gelukkig. Ze voelde dat lichte gevoel, als van de zon, in zich en om zich heen, dat je geluk mag noemen.

Zo voelde ze zich ook nu. Ze bekeek die platen met Bertie, en Frank zat daar te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broer hier! Zo was het goed. Ze zou nooit iets anders willen dan zo gelukkig te zijn in haar liefde en in haar vriendschap. Glimlachend keek ze naar Bertie, als iemand die hem wilde beschermen, vol medelijden. En toch lachte ze hem ook een klein beetje uit. Dat kwam door zijn dunne lichaam, als van een jongen, zijn witte handen en zijn ring met een diamant. En door zijn smalle voeten in glimmende schoentjes, die bijna niet groter waren dan de hare. Wat was hij toch een net, klein mannetje! Hij zag er altijd perfect uit en had altijd perfecte manieren. En dan hing er altijd een zachte mist van verdriet om hem heen!

Bertie gaf haar raad over meubels. Toen hij van een plaat naar haar opkeek, zag hij die glimlach om Eve's lippen. Ze lachte hem een beetje uit, als iemand die hem beschermde, maar ze lachte ook lief, als een zus. Hij wist dat ze hem graag mocht, en hij begreep er wel iets van. Toch vroeg hij:

—Waarom lach je zo?

—Om niets, antwoordde ze.

En terwijl ze hem warm toelachte, ging ze verder:

—Waarom ben je toch geen kunstenaar geworden, Bertie?

—Kunstenaar? vroeg hij verbaasd. Wat dan?

—Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel smaak voor mooie dingen...

—Ik? vroeg hij, weer heel verbaasd.

Hij wist helemaal niet dat hij zo'n bijzonder gevoel voor schoonheid had. Hij had een fijne smaak, die je anders alleen bij een vrouw of een kunstenaar vindt. Door haar woorden zag hij zijn eigen karakter in een nieuw licht. Kende een mens zichzelf dan nooit? Zat *dat* echt in hem?

—Ik zou niets kunnen! zei hij. Hij voelde zich een beetje gevleid door wat Eve zei.

In zijn verbazing was hij plotseling heel eerlijk, ook al wilde hij dat niet. Hij zei erbij:

—En ik zou er te lui voor zijn...

Hij schrok van zijn eigen woorden, alsof hij zijn geheim had laten zien. Zonder na te denken keek hij naar Frank, om te zien of die hem ook had gehoord... Hij was boos op zichzelf en werd rood. Hij lachte om te verbergen dat hij verlegen was. Zij schudde haar hoofdje, alsof ze hem iets verweet, nog steeds met haar glimlach.

IV.

Later waren Frank en Eve even alleen. Eve liet hem de modellen zien die Bertie had aangeraden. Toen begon Frank:

—Eve...

Ze keek hem vragend aan, stralend van haar rustige geluk.

Er ging van alles door zijn hoofd. Hij had veel met haar willen praten, over Bertie. Maar plotseling dacht hij aan zijn belofte aan zijn vriend. Hij zou nooit de waarheid over hem vertellen... Frank was iemand die een belofte altijd hield, heel eerlijk en een beetje naïef. Plotseling begreep hij dat hij niet mocht zeggen wat hij had willen zeggen... En toch: hij herinnerde zich hoe hij gerild had op Moldehoï. Eve had toen zo vertrouwelijk verteld dat ze anders over Bertie was gaan denken, beter. Had hij toen niet gevoeld alsof de zwarte wolken lieten zien dat er een ramp boven haar hoofd hing? En had hij net, toen ze daar samen op die divan zaten, niet weer zo gerild? Die rilling was als een slang over zijn huid gegaan. Het was een angst geweest die vanzelf kwam. Hij was plotseling gekomen, zonder dat Frank eerst iets had gedacht.

Moest hij iets zeggen? Moest hij haar vertellen hoe Bertie was? Hij had Bertie toch beloofd... En het was dom om zonder reden bang te zijn, als in een oud bijgeloof. Bertie was anders dan gewone mensen. Bertie was heel lui en leefde te makkelijk van het geld van anderen. Frank begreep dat niet. Hij was goedhartig, en hij schudde er alleen glimlachend zijn hoofd over, als over iets vreemds dat je niet kunt uitleggen. Maar Bertie was niet slecht... Eigenlijk verborg hij, Frank, voor Eve dus alleen dat Bertie geen geld had... Wat had hij dan willen zeggen? *Wat* ging er eigenlijk door zijn hoofd...?

Maar Eve keek hem aan met grote ogen, en hij moest iets zeggen. Toen begon hij. Hij werd ertoe gedwongen, ook al wilde hij niet. Het was alsof een vreemde kracht hem de woorden voorzei:

—Ik wou je zeggen... je zult me misschien gek vinden... maar ik vind het niet prettig... ik vind het niet goed...

Ze bleef hem met grote ogen aankijken. Ze glimlachte verbaasd omdat hij zo moeilijk sprak. Ze vond het zo lief dat hij twijfelde, terwijl hij zo groot en sterk was... En ze ging op zijn knie zitten en leunde tegen hem aan. Haar stem klonk zacht, vol liefde:

—Wat dan toch, Frank? Mijn beste Frank, wat dan toch?

Haar ogen lachten in de zijne. Ze sloeg haar armen losjes om zijn hals en hield haar vingers in elkaar. Nog eens vroeg ze:

—Maar zeg het dan, gekke jongen, wat is er dan?

—Ik houd er niet van dat je... dat je altijd zo met Bertie zit...

De woorden kwamen uit zijn keel zonder dat hij ze wilde zeggen. En nu ze gezegd waren, leek het hem alsof hij iets anders had willen zeggen. Eve was heel verbaasd.

—Zo met Bertie zit! zei ze nog eens. Hoe zit ik dan met Bertie? Heb ik iets gedaan wat niet goed was? Of... zeg, Frank, ben je zo verschrikkelijk jaloers?

Hij trok haar stevig tegen zich aan, kuste haar en zei zacht:

—Ja... ja... ik ben jaloers...

—Maar op Bertie, je beste vriend, met wie je samen woont! Op hem ben je toch niet jaloers!

—Ja... jawel... op hem...

Plotseling lachte ze helder. Ze kon niet meer stoppen met lachen. Ze zat nog steeds op zijn knie, met haar hoofd op zijn schouder.

—Op Bertie! lachte ze. Hoe is het mogelijk! O, o, op Bertie! Maar ik zie hem zo als een aardig jongetje, bijna als een meisje... Hij is zo klein, en hij heeft zulke mooie handjes! O, o! Ben je jaloers op Bertie?!

—Lach niet zo! zei hij zacht, en hij keek boos. Echt, ik meen het, je bent zo vertrouwd met hem...

—Maar hij is je beste vriend!

—Ja, dat kan wel zijn, maar toch... toch...

Ze begon weer te lachen. Ze vond hem heel grappig. En tegelijk hield ze erg veel van hem, omdat hij zo bromde en zo jaloers was.

—Gekke jongen! lachte ze, en haar vingers speelden met zijn blonde snor, die glom als goud. Wat ben je gek, o wat ben je toch gek!

—Maar beloof je me... begon hij weer.

—O zeker, als je je daardoor beter voelt... Ik zal wat meer afstand houden... Maar het zal me wel heel veel moeite kosten, want ik ben zo gewend aan Bertie... En Bertie mag het toch ook niet merken, dus ik blijf heel vriendelijk tegen hem... Nee, nee hoor, vriendelijk blijf ik tegen hem! Gekke jongen die je bent! Ik heb nooit geweten dat je zo gek kon doen!

En ze lachte harder en helderder dan ooit. Ze was verliefd en vrolijk, en ze schudde zijn hoofd heen en weer, met haar twee kleine handen in zijn dikke haar.

V.

De laatste tijd vond Frank Bertie een last. Hij begreep zelf niet waarom. Maar hij zag zijn vriend niet graag samen met Eve. En omdat ze zo vertrouwd met elkaar waren, gebeurde dat bijna elke dag. Bovendien had Eve het goed gezien. Het was heel moeilijk voor haar om zich tegen Bertie anders te gedragen dan ze gewend was. Ondertussen merkte Bertie dat Frank heel koel tegen hem werd, en hij moest dat accepteren. Na een escapade van drie dagen was die koelheid duidelijk gebleken. Na zo'n geheime vlucht vroeg Frank anders altijd nieuwsgierig waar Bertie toch had gezeten. Deze keer vroeg hij... niets. En Bertie beloofde zichzelf dat *deze* escapade de laatste zou zijn geweest.

Daarna was het gesprek gekomen waarvoor Bertie zo bang was geweest. Op een vertrouwelijk moment had Frank over zijn huwelijk gesproken. Hij had zijn vriend gevraagd wat die daarna van plan was.

—Je begrijpt het, beste jongen! had Frank zacht gezegd. Ik zal je met alle plezier aan iets helpen: een baan hier of in Holland. Ik ken wel een paar mensen... En zolang je nog niets hebt, laat ik je natuurlijk niet zonder hulp, daar kun je op rekenen. Maar ik huur White-Rose niet langer. Eve vindt het hier een beetje ver weg wonen. Ze heeft liever Kensington, zoals je weet... We hebben intussen een gezellige tijd samen gehad, toch?

En hij had Bertie op de schouder geklopt. Hij was dankbaar voor hun leven als goede vrienden, tussen deze muren. Hij had zelfs een klein beetje medelijden met die arme jongen. Bertie genoot zo graag van de luxe, en hij had helaas zelf geen luxe! Maar verder keek Frank niet in Bertie's hart. Bertie was toch gewend aan een vie de bohême. Na ellende had hij luxe gekend. Nu zou het leven weer een beetje minder makkelijk voor hem worden: dat was alles.

Bertie zelf had een afkeer van zijn eerste, harde gedachten, zonder hart. Hij liet zich zonder doel meenemen, van dag tot dag. Hij dacht niet meer aan zijn slimme plannen. Bovendien geloofde hij soms, heel naïef, dat het lot hem op het laatste moment toch zou helpen. Hij geloofde zo sterk in het lot dat het een soort godsdienst was. Die gaf hem kracht en hoop.

VI.

Maar één keer dacht hij dat alle hoop weg was. Het gevaar was opeens heel dichtbij.

—Bertie! zei Frank, die heel opgewonden thuiskwam. Morgen al zou je geholpen kunnen zijn. Een van onze vrienden van de club, Tayle, je weet wel, zocht een secretaris voor zijn vader, Lord Tayle. Dat zei hij me. De oude man woont op zijn kasteel in Northumberland. Hij is altijd ziek en een beetje lastig, heeft zijn zoon me verteld. Maar toch denk ik dat je niet snel weer zoiets zult vinden... Je zou tachtig pond per jaar krijgen, en natuurlijk op het kasteel wonen. Ik had er meteen met Tayle over gepraat, als je me vroeger niet iets had gevraagd...

—Heb je mijn naam genoemd? vroeg Bertie, snel en bijna beledigd.

—Nee, antwoordde Frank, verbaasd over zijn toon. Ik wilde niets voorstellen voordat ik jou gesproken had. Maar beslis nu snel, want Tayle had al twee anderen op het oog. Als je nu nog niet kunt beslissen, rijd ik meteen naar Tayle toe. Mijn rijtuig wacht...

En hij pakte al zijn hoed.

Tachtig pond, een baan als secretaris, gratis wonen op een kasteel... Vroeger, in Amerika, zou Bertie daar helemaal verblind door zijn geweest. En nu...

—Beste Frank! zei hij koel. Ik ben je dankbaar voor je goede bedoelingen, maar doe geen moeite voor mij. Ik kan zoiets niet aannemen. Stuur je rijtuig maar weg...

—Wat! riep Frank, heel erg verbaasd. Wil je er niet eens over nadenken!

—Hartelijk bedankt. Jij hebt mij met Tayle laten omgaan als zijn gelijke. Heb je me niets beters aan te bieden dan een baan als knecht bij zijn vader? Dan bedank ik je ervoor! Voor een paar centen, tachtig pond per jaar, ga ik me niet opsluiten. Ik ga niet de brieven schrijven van een oude, zieke, brommende man. En bovendien, wat zou Tayle van me denken! Hij heeft me gekend als jouw vriend, en zo is hij met me omgegaan. En nu zou hij me terugzien als iemand die loon krijgt van zijn vader. Ik kan niet zeggen dat je veel fijn gevoel hebt, Frank.

Het werd hem duizelig terwijl hij zo sprak. Nog nooit had hij zo trots en uit de hoogte tegen Frank gesproken. Maar het waren eigenlijk kreten van wanhoop, uit zijn valse trots, die hem duizelig maakte.

—Maar, mijn God, wat wil je dan! riep Frank. Je kent al mijn kennissen. En via mijn kennissen moet ik je toch aan iets helpen.

—Ik wil niet geholpen worden door iemand van onze vrienden van de club, wie het ook is. Ook niet door iemand van de mensen aan wie je mij hebt voorgesteld.

—Dat maakt het moeilijk! zei Frank, met een harde, spottende lach.

Er begon een grote woede in hem op te komen.

—Dus je wilt niet?

—Nee, ik wil niet.

—Maar wat wil je dan? vroeg Frank kort.

—Op dit moment: niets.

—Ja, op dit moment, goed. Maar later?

—Dat zie ik dan wel. En als jij niet wat meer fijn gevoel kunt hebben...

Hij hield op. Hij schrok van zijn eigen toon. Die klonk hoog, als van een baas, maar eigenlijk kwam die toon uit wanhoop, uit luiheid en trots. Ze keken elkaar een tijdje aan. Plotseling was het alsof ze allebei veel dingen hadden waarover ze stil boos waren op elkaar. Die dingen hadden zich opgestapeld onder hun vriendschap, in hun leven samen. Ze stonden op het punt om ze elkaar in het gezicht te gooien, als gemene beledigingen.

Toen kreeg Bertie zichzelf weer in de hand. Hij vroeg zich af of hij te ver was gegaan. En hij glimlachte en stak zijn handen uit:

—Vergeef me, Frank! smeekte hij, met zijn stem als zacht goud en zijn lieve glimlach. Ik weet dat je het goed met me bedoelt. Ik zal je nooit, nee nooit kunnen terugbetalen wat je voor mij hebt gedaan. Maar *dit* kan ik echt niet aannemen. Dan word ik liever weer kelner, of conducteur op een tram. Vergeef me, als ik niet dankbaar lijk.

Ze maakten het weer goed. Maar Frank vond die trots van Bertie belachelijk. Hij leed eronder dat dit allemaal een geheim voor Eve moest blijven. Hij had Eve zo graag om raad gevraagd. En steeds vaker keek hij met boze, knipperende ogen naar hen allebei. Naar Eve en Bertie, als ze 's avonds naast elkaar zaten in het zachte licht van de lampen met blauwe kappen. Dan praatten ze als broer en zus. Het was alsof er iets geheims en vies tussen hen was. Dan moest hij zich inhouden om het niet uit te schreeuwen: dat Bertie een klaploper was, een gemeen sujet. Hij moest zich inhouden om hen niet van elkaar te scheiden. Hij wilde hen wegtrekken uit hun rustige, vrolijke en onschuldige gesprek over meubels en gordijnen.

VII.

Dit was een mislukte poging geweest om Bertie te helpen. Daarna deed Frank geen moeite meer. Hij dacht: als het echt nodig is, zal Bertie zelf wel weer om mijn hulp smeken. Maar na Bertie's nee leek het alsof Frank voor het eerst iets begreep. Hij begreep hoe verkeerd de plaats was waarin hij Bertie had gezet, tegenover hemzelf en tegenover de wereld. Hij had een arme vriend een jaar lang laten leven als een rijke jongeman. Dat had hij uit goedheid gedaan. Maar nu zag hij het in het heldere licht van zijn mooie liefde. Die liefde had alles in hem schoon gemaakt, nieuw en anders. Nu leek het hem iets heel slechts, iets wat echt niet mocht. Het was alsof hij alle regels van eerlijkheid en waarheid kapot had getrapt. Hij had de mensen voor de gek gehouden, terwijl ze hem vertrouwden. Vroeger had dit alles hem vermaakt. Maar nu vond hij zichzelf klein en laag, omdat hij *ooit* zo'n plezier had kunnen hebben... En hij begreep nog iets. Bertie wilde niets aannemen van hun vrienden met wie ze champagne hadden gedronken. Dat was valse trots. En hij zelf had die trots laten groeien, als een giftige plant die alles overgroeit.

De dagen volgden elkaar op, als schakels in een ketting. Frank bleef ontevreden over zichzelf, en hij kon dat gevoel niet van zich afschudden. Het greep hem elke dag steviger vast. Bertie gooide een schaduw over het geluk van zijn liefde. Eve zag dat een stil verdriet hem stil maakte. Hij zat lang na te denken, met boze ogen en een brede rimpel, dwars over zijn voorhoofd heen.

—Wat is er, Frank? vroeg ze.

—Niets, lieveling...

—Ben je nog jaloers?

—Nee, ik zal beter mijn best doen...

—Zie je, het is je eigen schuld. Vroeger prees je Bertie altijd zo, als je beste vriend. Anders was ik nooit zo vertrouwd met hem geworden...

Ja, het was echt zijn eigen schuld: dat zag hij duidelijk in.

—En ben je nu meer tevreden over me? vroeg ze lachend.

Hij lachte terug. Het was waar: de laatste tijd deed ze om Frank opeens heel anders tegen Bertie. Soms stond ze plotseling op van de divan waarop ze samen zaten, terwijl hij nog sprak. Ze zei steeds dat hij ongelijk had. Ze verweet hem dat hij zo veel aandacht aan zijn kleren en zijn uiterlijk gaf. Ze lachte hem uit om zijn kleine handjes. Dan keek hij haar verbaasd aan. Hij dacht dat ze met hem flirtte, maar hij begreep niet goed wat er echt aan de hand was. Zo had ze hem ook eens een uur lang steeds kleine, gemene opmerkingen gegeven. Het waren speldenprikken. Ze dacht dat Frank daardoor gerust zou worden. En ze dacht dat ze Bertie er niet al te veel pijn mee deed.

Kort daarna praatte Sir Archibald over heraldiek. Hij wilde de twee vrienden de platen van zijn stamboom laten zien. Frank stond al op om met hem mee te gaan naar zijn studeerkamer, en Bertie ook. Eve had een beetje medelijden met Bertie. Ze dacht dat ze hem deze keer te veel geplaagd had. En ze wist dat de gesprekken van Sir Archibald over stambomen hem niet interesseerden. Daarom zei ze:

—Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek.

Frank durfde niet te laten zien dat hij jaloers was. Om hem tegelijk te troosten, zei ze er grappend bij, terwijl haar lange wimpers geruststellend trilden:

—Frank vertrouwt ons wel samen, toch?

Haar stem klonk zo eenvoudig en haar blik was zo lief. Frank lachte naar haar en was gerustgesteld. Maar stiekem ergerde hij zich toch, omdat Bertie weer was gaan zitten. Toen ze alleen waren, begon Bertie:

—Foei, foei, wat plaag je me toch de laatste tijd, Eve.

Ze lachte en werd rood. Ze schaamde zich een beetje dat ze hem zo plaagde, om Frank. Maar Bertie's gezicht was ernstig geworden. Met een lief gebaar vouwde hij zijn handen en smeekte:

—Beloof me dat je het niet meer zult doen...

Ze keek hem aan, verbaasd dat hij zo ernstig was.

—Het is toch maar een grapje! zei ze.

—Maar een grapje dat me pijn doet! zei hij zacht terug.

Ze bleef hem aankijken en begreep hem niet. Hij zat ineengedoken, met zijn hoofd op zijn borst. Hij staarde voor zich uit. Zijn dunne bruine haar krulde een beetje over zijn voorhoofd. Het leek aan zijn slapen vast te plakken, door een paar druppeltjes zweet. Hij was duidelijk erg ontroerd. Hij wist niet waar dit gesprek heen zou gaan. Maar hij voelde wel dat zijn toon heel ernstig was geweest. Die eerste zinnen konden het begin worden van een belangrijk gesprek. Hij voelde dat dit moment een kostbare schakel aan de ketting van zijn leven zou vastmaken. En hij wachtte geduldig, zoals iemand die in het lot gelooft. Hij wachtte op de gedachten die in zijn hoofd zouden opkomen. Hij wachtte op de woorden die vanzelf van zijn tong zouden komen. Hij keek van binnen naar zichzelf. En tegelijk wikkelde hij Eve in, zoals een spin een vlieg inwikkelt in de draad die ze maakt.

—Zie je, ging hij langzaam verder, ik *kan* het niet verdragen dat je me plaagt... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger... Ik kan het toch niet helpen dat ik kleine handen heb...

Ze moest glimlachen om zijn toon. Hij deed expres zo kinderlijk en zo flirterig. Ze zag wel dat het een beetje toneel was, om in de smaak te vallen. Toch zei ze:

—Goed, ik vraag je vergeving voor mijn plagen! Ik zal het niet meer doen...

Maar hij was opgestaan. Hij deed alsof hij haar uitgestoken hand niet zag. Stil ging hij voor het raam staan. Hij keek naar het park van Kensington Gardens, dat bijna verdween in de mist. Zij bleef zitten en wachtte tot hij iets zou zeggen. Maar hij zweeg.

—Ben je boos, Bertie?

Langzaam draaide hij zich om. Het bleke daglicht viel schuin langs de gordijnen op hem. Het gaf zijn fijne gezicht een kleur van lijden, dof als porselein. Heel zacht, met een diepe glimlach vol pijn, schudde hij van nee. En voor haar romantische ziel maakte die glimlach vol pijn hem tot iets uit een gedicht. Hij leek een jonge god of een gevallen engel. Hij leek een zacht, hemels wezen uit de oude verhalen, geen man en geen vrouw. Zulke wezens had ze gezien in de plaatjes in haar boeken met gedichten: een lichaam als van een man, een gezicht als van een vrouw. Ze wilde hem smeken om haar zijn verdriet te vertellen. Op dat moment zou het haar bijna niet verbaasd hebben als hij in dichtregels had gesproken. Als een lange klacht in verzen...

—Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg ze.

Hij bleef daar zwijgend staan, in het schuine, bleke licht. Hij wist dat het licht bijna als op een toneel op hem scheen. En zij zat in het halfdonker en zag dat zijn ogen in dat licht nat werden. Ontroerd ging ze naar hem toe. Ze pakte zijn hand en dwong hem om naast haar te gaan zitten.

—Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kun je het mij niet vertellen?

Weer schudde hij zacht zijn hoofd, met een glimlach die nog meer pijn deed. Ten slotte zei hij met een stem zonder klank:

—Nee, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben: geen verdriet *meer*. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zo snel uit elkaar gaan en omdat ik zo veel van je houd...

—Uit elkaar gaan? Waarom, waar ga je dan naartoe?

—Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf tot je getrouwd bent, en dan ga ik weg. Dan ga ik hier en daar rondzwerven, helemaal alleen... Zul je nu en dan eens aan me denken?

—Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen?

Hij keek haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten wat hij wilde bereiken. Hij had zich laten meenemen door het toeval. Maar nu, met die blik die zij beantwoordde, ging er opeens iets in hem branden. Het was als een klein vlammetje van de duivel. Nu wist hij wat hij wilde bereiken. Nu woog hij ook zijn woorden, alsof elk woord een korreltje goud was. Hij voelde zich heel helder worden, heel logisch en kalm. De angstige, vage ontroering van zo-even was weg... En hij sprak heel langzaam, met die treurige stem zonder klank, als van een zieke:

—In Londen! Nee Eve, hier kan ik niet blijven.

—Waarom niet?

—Dat kan ik niet, lieve meid... Dat *kan* ik niet... echt niet, onmogelijk.

Zijn blik was vals, zijn stem klonk zoet en zeurend, en zijn treurigheid was toneel. Dat alles druppelde in haar als een vloeistof die haar zwak maakte. Het druppelde een vermoeden in haar. Ze vermoedde dat hij niet in Londen kon blijven om haar. Omdat hij haar dan zou zien als de vrouw van Frank. Het was alsof hij het haar ingaf. Hij liet het haar vermoeden door de stille wanhoop die hij uitstraalde.

Maar haar verstand verzette zich ertegen. Het was toch maar een vermoeden, zonder reden... Maar hij ging langzaam verder. Hij berekende elk woord, heel precies, als bij wiskunde.

—En als ik dan weg ben, en jij bent samen met Frank, voor altijd... zul je dan gelukkig zijn, Eve?

—Maar Bertie...

Ze aarzelde. Het zou bijna wreed hebben geklonken om ja te zeggen. Om zeker te zijn van haar geluk, terwijl hij zo'n verdriet had.

—Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna bang.

Hij bleef haar aankijken, diep en zacht. Zijn mooie ogen waren als een nacht van fluweel. Toen zakte zijn hoofd op zijn borst. Zijn ogen vulden zich met grote tranen. En hij wrong zijn handen, alsof ze koud waren.

—Waarom, waarom, Bertie? vroeg Eve nog eens.

—Niets... Beloof het me... beloof me dat je gelukkig zult zijn. Want ik zou wanhopig zijn als je niet gelukkig was...

—Maar waarom zou ik niet gelukkig zijn? Ik houd zo veel van Frank! riep ze eindelijk.

Toch was ze nog bang dat ze hem, Bertie, pijn zou doen.

—Nou, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij moe. Steeds wrong hij zijn handen...

Toen, plotseling, terwijl ze hem nog steeds vragend aankeek, riep hij:

—Arm kind!

—Wie, arm kind? vroeg ze geschrokken.

Hij greep haar handen. Zijn tranen drupten op haar vingers...

—O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon kijken... Als je... O, ik heb zo'n medelijden, zo'n diep, groot medelijden met je. En ik zou er, ik weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je... Arm, arm kind!!!

Rillend en doodsbleek was ze opgestaan. Haar handen grepen het tafelkleed. Door haar ruk gleed het een beetje van de tafel. Er stond een kristallen vaas op, met een paar bleke rozen uit de kas die aan het verwelken waren. De vaas viel om. Het water stroomde eruit en maakte bolle, zilveren plekken op het fluweel. Ze liet het water lopen. Ze keek hem aan met haar grote, geschrokken ogen, terwijl hij zijn gezicht met zijn handen bedekte.

—Bertie! riep ze. O, Bertie, waarom praat je zo? Wat is er dan... Nee, nee, zeg het, je moet het zeggen... ik wil het... O, ik smeek je, praat dan toch!!

Hij maakte een gebaar. Het was een uitstekend gebaar, heel natuurlijk, helemaal niet gespeeld of overdreven. Het was alsof hij zich wilde herstellen. Alsof hij iets had gezegd wat hij had moeten verzwijgen. Hij stond op. Ook zijn gezicht was veranderd. Het was niet meer vol pijn of vol medelijden, maar koel en vastbesloten!

—Nee, nee, Eve, er is niets...

—Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn God, waarom, wat is er dan, wat bedreigt me dan...??

Ze had de naam van Frank op haar lippen, maar ze durfde hem niet uit te spreken. En hij voelde dat.

—Niets, echt niets, lieve Eve. Ik verzeker het je, er is niets. Ik heb soms van die gekke gedachten: het zijn fantasieën, ze zijn niet echt. Kijk, die vaas is omgevallen...

—Maar wat dacht je dan? Welke fantasie...?

Met zijn zakdoek depte hij het water van het tafelkleed. Hij zette de rozen weer netjes in de vaas...

—Niets, niets! bleef hij zacht zeggen, zonder klank.

Ze beefde van de zenuwen. Zijn stem had zo vol medelijden geklonken. Het was alsof zijn woorden een verschrikkelijk geheim verborgen, als onder een sluier. Toen hij niet verder sprak, viel ze op de divan. Ze barstte opeens in snikken uit, wild en hevig. Ze trilde van een angst als voor spoken, die in haar ziel opkwam.

—Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij.

Hij was bang dat er iemand binnen zou komen... Maar toen knielde hij naast haar. Hij nam haar handen en drukte ze zacht.

—Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je: er is niets. Het bestaat alleen in mijn eigen gedachten. Maar zie je, ik houd zo veel van je. Je vindt het toch goed dat ik dat zeg? Het is alleen maar diepe, onschuldige vriendschap. Die voel ik voor het meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje... Ik houd zo veel van je, en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijn lieve Eve... O, het is een gekke gedachte. Maar voor mij is het niets vreemds, want dat denk ik altijd over mensen van wie ik houd... Zie je, ik heb zelf zo veel geleden, zo veel verdriet gekend!... En dan zie ik iemand van wie ik veel houd, zoals jou. Iemand die vertrouwt op het leven en vol illusies is. Dan krijg ik die verschrikkelijke gedachte, en ik kan er niets tegen doen: zou ze gelukkig worden? Wordt iemand eigenlijk wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zo praten. Ik maak je er somber mee. Ik leer je zo om pessimistisch te zijn. Maar mijn hart is soms zo vol, als ik je met Frank zie... Want ik houd ook zo veel van Frank. Ik heb zo veel aan Frank te danken. En ik zou jullie zo graag gelukkig met elkaar zien, met elkaar... Daarom smeek ik je: vertrouw op Frank. Hij houdt van je, ook al twijfelt hij soms een beetje. Ook al veranderen zijn gevoelens soms een beetje... O, hij aanbidt je. Ook al ziet hij soms de kleine dingen in het karakter van een vrouw niet, en... ook al gaat hij soms wat te ver, omdat hij zo luchtig is: hij bedoelt het niet zo... Hij is zo open, zo eerlijk, je weet zo precies wat je aan hem hebt... Daarom, Eve, lieve Eve, laat er nooit een misverstand tussen jullie komen. Begrijp elkaar altijd... toch, kind? O, mijn arme Eve!!

En hij snikte zacht in zijn geheimzinnige wanhoop. Die was niet helemaal gespeeld, want hij was echt wanhopig om wat er dreigde! En zij bleef hem geschrokken aankijken. Ze was diep ongelukkig door zijn woorden. Ze voelde dat er iets achter zat wat hij niet wilde zeggen. Elk woord was een druppel zacht gif. Daardoor groeiden er vreemde twijfels in haar hart, als onkruid en giftige planten.

—Dus er is niets? vroeg ze moe en smekend, met gevouwen handen.

—Nee, lieve Eve, er is niets! Ik pieker alleen maar veel, zie je, net als een oude man. En zo pieker ik soms ook over jullie... Dus als ik ver weg ben, ver weg uit Londen, zul je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zul je dan gelukkig zijn? Zweer je het me?

Ze knikte zacht en snikte weer. Ze was wanhopig dat hij weg moest uit Londen. Ze was wanhopig om wat hij vermoedde. En het meest wanhopig was ze om wat hij niet had willen zeggen: dat geheimzinnige, dat verschrikkelijke...!

Maar hij was opgestaan en had haar zijn beide handen gegeven. Hij schudde zijn hoofd, als over de dwaasheid van de mens. En met zijn glimlach vol pijn zei hij nu:

—Wat gek om zo te piekeren, toch? Te piekeren om niets? Ik had het niet moeten doen. Ik heb je er misschien een beetje treurig mee gemaakt... toch?

—Nee, zei ze. Ze glimlachte zacht en schudde haar hoofdje. Nee, echt niet...

Zuchtend liet hij zich in een stoel vallen.

—Ach ja, zo is het leven! zei hij zacht. Zijn ogen waren groot en staarden, vol geheimen als de nacht.

Ze antwoordde niet. Haar hart was vol, te vol. Het werd donker en hij nam afscheid. Alleen Frank zou blijven dineren.

—Vergeef je het me? vroeg hij nederig.

Hij was vol dichterlijke charme. In het laatste licht lag die als een zacht, licht waas over zijn gezicht.

—Wat? vroeg ze, zacht huilend.

—Dat ik je even bang heb gemaakt?

Ze knikte. Ze stond wankelend op, doodmoe en rillend.

—O ja, je hebt me wel even laten schrikken... Je moet het nooit meer doen, hè...

—Nee, zei hij zacht.

Hij kuste haar hand. Dat deed hij vaker, en ze was eraan gewend. Het was beleefd en ouderwets, als van een markies uit de achttiende eeuw. En hij ging weg.

Ze bleef alleen. En toen ze alleen was, midden in de kamer, sloot ze haar ogen. Het was alsof er een mist om haar heen kwam. En in die mist dacht ze aan Moldehoï. Ze zag het fjord weer, als een spook, tussen de bergen in de mist. En ze zag de drie lijntjes goud in het westen... Opeens voelde ze zich helemaal verlaten en eenzaam. Zo had ze zich ook in die mist gevoeld. Toen dacht ze zelfs niet aan Sir Archibald en Frank, alleen aan haar dode moeder. Er drukte iets zwaars op haar hoofd, als de enorme hand van een reus, van ijzer. Er kwam een grijze duisternis om haar heen, als een wolk. Plotseling werd al haar warmte koud, ijskoud, als de dood. Om haar heen ruiste een grote ruimte. En in die ruimte voelde ze iets aankomen, als een spook. Je kon het niet zien en niet aanraken. Toch voelde ze het duidelijk en heel sterk: een ramp die aan kwam rollen, áán kwam rollen als een vage donder... Met trillende handen tastte ze om zich heen, alsof ze steun zocht...

Maar ze viel niet flauw. Ze kwam weer tot zichzelf. Toen zag ze dat ze precies midden in de kamer stond, die donker werd. Ze rilde een beetje, en haar knieën knikten zwak...

En ze dacht dat er toch iets was. Iets wat Bertie niet had gezegd.

VIII.

Dagenlang dacht ze daarover na. Wat was het, *wat* was het? Zou Bertie medelijden met haar hebben gehad, als er echt niets was? Als het alleen zijn eigen sombere angst voor haar geluk was? Of zat er echt een geheim achter? Was er iets met Frank...

En ze zag Frank komen en vaak stil zitten, zwijgend en met gefronste wenkbrauwen. Dan vroeg ze:

—Wat is er, Frank?

En hij antwoordde:

—Niets, lieveling!

Zo antwoordde hij altijd. Dan praatten ze samen, eerst een beetje gedwongen. Daarna werden ze allebei weer gelukkig door hun plannen en illusies. Ze vergaten allebei weer wat hen dwarszat. Eve lachte helder. Ze ging op Franks knie zitten en speelde met zijn snor, en alles om hem heen was zo mooi. Maar als Bertie dan binnenkwam, leek er meteen iets tussen hen in te glijden. Het was als een schaduw die hen scheidde. En vooral als ze alleen waren, voelden ze zich ongelukkig, zonder dat ze konden zeggen waarom. Dan kreeg Frank zin om Bertie de deur uit te gooien, als een vieze, zieke hond. Zomaar opeens, zonder enige reden. En in gedachten zag hij Bertie weer staan zoals toen. Hij had staan rillen in die koude nacht met sneeuw, in zijn armoedige, kapotte kleren. En nu was hij zo netjes, en hij deed niets slechts. Je kon hem niets verwijten. Hij liep zelfs niet meer een paar dagen weg, als een kat. Hij was altijd interessant, met die zachte somberheid om hem heen. En nu, na de scène over Tayle, lag er vaak zelfs iets van een verwijt in zijn stem en zijn blik naar Frank.

Maar Eve voelde zich het ongelukkigst, als ze alleen was. Er groeiden twijfels in haar ziel, en die maakten haar zwak en moe. Soms trok ze die twijfels even uit, als onkruid. Maar ze kwamen meteen weer op, zodra ze dacht aan die glimlach vol pijn van Bertie. Aan die stem vol medelijden, aan dat vreemde medelijden... Wat was het, wat *was* het? Ze had er vaak met Frank over willen praten. Maar als ze op het punt stond om te beginnen, wist ze niet wat ze moest zeggen... Dat Bertie medelijden met haar had gehad? Dat was toch alleen zijn eigen pessimisme. Hij hield van alle mensen, en daarom had hij medelijden met de hele wereld. Want die wereld leek gemaakt voor verdriet. Frank vragen of hij een stil verdriet had? Frank vragen of er *iets* was? Dat deed ze toch zo vaak, en het was altijd hetzelfde antwoord:

—Niets, lieveling!

Wat dan, o wat dan? Helaas, ze kwam niet verder. Ze stond als met een doek voor haar ogen in een toverkring, en ze kon er niet uit. Haar handen tastten om haar heen, maar ze pakten niets. Ook als ze haar gedachten met kracht wegjoeg, kwamen ze koppig weer terug. Ze overweldigden haar opnieuw. Ze stapelden zich opnieuw op in haar hoofd en maakten nieuwe twijfels. En uit al die ellende van het denken kwam ten slotte altijd, o altijd, dezelfde vraag:

—Wat? Wat is er? Is er iets?

En er kwam nooit een antwoord. Eén keer had ze het Bertie nog eens gevraagd. Bertie had alleen geglimlacht, met die verschrikkelijke glimlach vol pijn. Hij had haar gesmeekt om toch niet te blijven piekeren. Hij had het maar zo terloops gezegd, omdat hij van nature treurig was. Anders zou hij voortaan bang zijn om haar nog iets te vertellen, om eerlijk te zijn. Anders moest hij zijn woorden wegen, en dan konden ze niet meer zo vertrouwd zijn, als broer en zus... En zo kwam er in haar een stemming vol zachte, halve kleuren. Niets had een duidelijke vorm, niets had zelfs een echte kleur. Het was een twijfelend grijs, als van schaduwen. Het stroomde in haar heldere liefde, waarin eerst geen schaduw was, steeds meer. Het maakte haar moe, omdat het zo vaag was. Het bestond niet echt in het leven. Het leek alleen te bestaan, als iets wat je niet kon aanraken: een droom in haar hoofd.

IX.

Maar één keer werd de droom werkelijkheid. Eén keer voelde ze iets, zag ze iets, hoorde ze iets. Maar was het dat...

Het was bij de uitgang van het Lyceum... De mensen stroomden naar buiten, langzaam en schuifelend, schouder aan schouder. Hier en daar duwde iemand een beetje ongeduldig... En in dat gedrang zag ze opeens naast zich iets vuurrood, als een vlam. Het was de sortie van rood pluche van een grote, zware vrouw. Ze had een gezicht dat rood, wit en zwart geverfd was. Ze lachte als een pop onder een kinderachtige Cherry-ripe-hoed. De rand van die hoed zat vol met een hoop blonde krulletjes, als kurkentrekkers. Opeens boog die vrouw zich over haar heen. Er kwam een geur van poudre de riz met muskus. En over haar heen, naar Frank toe, klonk het, als een klap in haar eigen gezicht:

—Zo, dag Frank, dag lieve vent...

Zonder adem schrok ze terug. Ze keek snel van dat poppengezicht naar Frank, en weer terug. Ze zag zijn woedende blik. En ze zag ook dat de grote vrouw schrok. Het was een van de skating-rinkjes. Ze ging achteruit toen ze het meisje aan Franks arm zag. In het gedrang had ze haar eerst niet gezien. Ze was geschrokken en maakte dat ze wegkwam. Want het was zo onfatsoenlijk om een vriend aan te spreken die met een dame liep!

Maar toen ze verdween, keek ze nog verbaasd om naar Bertie, die achter hen liep. Hij had haar toch wel kunnen waarschuwen... Want Bertie had drie woorden gewisseld met de Cherry-ripe-hoed. Hij had zelfs naar voren geknikt en gezegd:

—Daar loopt Frank...

Het speet haar, maar ze had de dame echt niet gezien!

Toen ze thuiskwamen, wilde Sir Archibald bij de deur afscheid nemen. Hij had niets gemerkt. Maar Frank zei:

—Alstublieft, ik moet Eve even spreken, alstublieft...

Het was wel laat, maar Sir Archibald deed niet moeilijk over etiquette...

Ze waren alleen, en zij bleef zwijgen. Ze keek hem aan met vreemde ogen. Maar hij praatte snel, en hij struikelde over zijn woorden. Het was alsof hij zo snel mogelijk elk slecht vermoeden in haar wilde bestrijden.

—Eve, Eve, geloof me... je moet me geloven: er is niets... Je mag niets denken van wat er net gebeurd is...

En in een paar zinnen, als in koorts, vertelde hij haar over vroeger. Over hun leven als jongemannen, over de skating-rinkjes... Nu bestond dat allemaal niet meer. Het was het verleden. En elke jongeman had een verleden, dat wist ze toch? Dat wist ze toch wel?

—Een verleden... fluisterde ze koud. O, elke jongeman heeft een verleden... Maar wij, wij hebben geen verleden, toch?

—Eve, o Eve! riep hij.

Want door de spot in haar doffe stem hoorde hij zo'n pijn, dat hij schrok. Hij wist niet meer wat hij moest doen. Hij wist niet hoe hij haar kon troosten.

—Zeg me alleen dit! vroeg ze.

Ze kwam naar hem toe, met haar vreemde blik in de zijne. Ze legde haar handen op zijn schouders. Ze probeerde door zijn ogen heen diep in zijn ziel te kijken... Ze wilde haar vonnis lezen uit het eerste woord dat hij zou zeggen. En langzaam vroeg ze:

—Nu niet meer...?

Ze was stijf en recht op een stoel gezakt, alsof ze bevroren was. Hij knielde voor haar neer. Hij warmde haar handen in de zijne, al trok ze ze een beetje terug. Hij zwoer van nee... Zijn eed klonk eerlijk. Op zijn gezicht zag je duidelijk de waarheid, en zij geloofde hem... Hij vroeg haar om vergeving. Hij zei dat ze er niet meer aan moest denken, dat het altijd zo ging...

—O, zo, knikte ze vreemd. Ach ja, jawel, ik begrijp dat wel. Papa heeft me een beetje liberaal opgevoed...

Hij herinnerde zich die woorden: ze had ze al eens eerder gezegd... Toen dachten ze allebei aan Moldehoï, aan de zwarte wolken... Eve rilde...

—Heb je het koud, lieveling?

Ze schudde van nee, steeds met die vreemde blik in haar ogen. Hij wilde haar omhelzen, maar ze trok zich langzaam terug. Hij voelde zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus? Waarom maakten ze het niet helemaal goed, als ze het begreep? Ze was toch een beetje liberaal opgevoed? Maar misschien was ze nog wat geschrokken. Hij wilde niet aandringen. Het zou wel overgaan...

Toen hij weg was, in haar kamer, rilde ze. Haar tanden klapperden, alsof ze koorts had.

Ze begon wild te snikken, diep, diep ongelukkig. Ze was wanhopig dat ze leefde, dat ze een mens was, dat ze een vrouw was. Wanhopig dat ze liefhad, *vooral* dat ze liefhad. Wanhopig dat de wereld bestond, dat alles zo laag en vies was als modder... Ze walgde van dat alles. Het was alsof ze nooit iets van haar boeken had begrepen. Niet van Spencer, niet van "Gespenster", en *vooral* niet van "Gespenster". Alsof ze nooit iets had begrepen van de opvoeding van haar vader: een beetje liberaal. Het was alsof het witte dons van haar illusies om haar heen wegvloog. Alsof een ruwe hand het zachte waas van haar diepste geheim had weggeveegd, zoals het waas van een druif. Het geheim van de ziel van haar ziel. Het was alsof haar maagdelijkheid, heilig en geheim als een lelie, dwars door een riool was gesleept.

En voor het eerst botste de rust van haar grote, praktische liefde voor Frank tegen alle romantiek van haar dromen als jong meisje. Voor het eerst brak het evenwicht tussen haar twee karakters: haar praktische en haar romantische karakter.

X.

Na zijn gesprek met Eve leek het Bertie alsof hij in een vreemde, fijne wereld leefde. Het was alsof hij rondliep in een doolhof. Er waren veel geheime paden van list en slimheid. Hij moest heel goed oppassen dat hij zelf niet verdwaalde. Hij wist heel goed wat hij met dat gesprek had gewild. Hij had Eve willen laten twijfelen of Frank wel altijd hetzelfde voor haar zou blijven voelen... Wist Eve zelf niet dat Frank vaak twijfelde en bijna grillig was...? Had hij dus de goede woorden gekozen? Had hij twijfel gezaaid?

Hij wist het niet. Hij zag er niets van in het gewone, saaie leven van elke dag. Daarin ziet zelfs iemand die heel goed oplet de kleine dingen vaak niet. Eve had hem nog wel eens gevraagd naar dat *iets*. Maar daarna waren hun gesprekken weer zoals vroeger geworden, tenminste van buiten. Hij zag niets aan Eve, en ook niets aan Frank. Eve had Frank dus ook niets gezegd of gevraagd...

Voor dit gesprek had Bertie getwijfeld. Hij had gewalgd van zijn eigen hardheid, zonder hart. Hij was zelfs geschrokken van zijn eigen enorme egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap op een helling. Op zo'n helling kun je je niet meer omdraaien... Daarna werd zijn denken heel helder. Het was alsof zijn hersens spiegels of kristal waren. Zijn gedachten weerkaatsten erin als in fel licht. Nog nooit had hij zich zo scherp gevoeld, zo zuiver logisch. Hij richtte zich op één doel, zo precies als een naald. En dat heldere denken was zo sterk, dat hij één keer iets vreemds in zichzelf zag. Het was maar één seconde. Het was een naïef moment waarop hij even niet slecht was, en zichzelf heel eerlijk zag. Hij vond het vreemd dat hij zo veel talent had, zo veel geniale gedachten. En hij vond het vreemd dat hij die niet voor een edeler doel gebruikte dan het zijne...

—Waarom ben je geen kunstenaar geworden? hoorde hij Eve nog eens vragen.

Maar hij glimlachte. Hij zag de praktische problemen van het leven voor zich. Hij voelde hoe lui zijn lichaam was, lui als een poes... Nee, nee, het kon niet anders, het moest zo zijn. De eerste stap was gezet. Het was het Lot...

Toen dacht hij aan die vrouw uit hun vroegere leven, toen ze uit het theater kwamen. En aan zijn knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Sommige mensen vereren het Lot als een god en dienen het. Strooit het Lot op hun pad niet zulke heel kleine gebeurtenissen? Als cadeaus die je moet gebruiken? Kleine schakels, die je zelf aan de ketting toevoegt, omdat het Lot het zo wil? Geeft het Lot zelf niet zo de illusie dat je een eigen wil hebt? Zo lijkt de leugen een beetje waar: dat je met je eigen kracht iets aan de dingen kunt veranderen. Het was niets dan een knikje, niets dan één woordje: daar loopt Frank! En dan rekenen op het toeval. Toeval, *wat* is toeval?! Hij had erop gerekend dat het fatsoenlijke skating-rinkje Eve in het gedrang niet zou zien. Eve, zo klein, zo fijn, zo verloren!

Was het gebeurd zoals het was voorbereid? Had hij geraden wat het Lot wilde? Hij dacht van wel, een klein beetje. Waarom had Frank anders zo gesmeekt om een gesprek, zo laat, bijna in de nacht...

En in zijn vreemde wereld van fijne, slimme list, in zijn doolhof, vond hij zichzelf niet meer slecht. Niet meer zonder hart, niet meer egoïstisch. Conventie, woorden... Hij was trots dat hij zo slim dacht. Die trots kwam in de plaats van zijn gewetensbezwaren. Kwamen die bezwaren soms toch nog even op, dan dacht hij maar: wie weet waarom het goed is dat Frank niet trouwt. Frank was geen man om te trouwen. Nee echt, hij *was* grillig, en zijn gevoelens bleven nooit lang hetzelfde. Hij zou zijn vrouw nooit gelukkig maken.

Maar Bertie zag ook meteen in dat hij zichzelf voor de gek hield. Dan lachte hij weer en schudde zijn hoofd, omdat hij zichzelf zo grappig en zo vreemd vond. Het leven was niets. Het was niet de moeite waard om je ervoor in te spannen. Maar zo diep in jezelf kijken, jezelf bestuderen, kijken naar je eigen denken, spelen met je gedachten als een goochelaar: *dat* was boeiend. *Dat* was een interessante bezigheid, terwijl je lui op een zachte divan lag...

En toch had hij maar zelden rust in zijn hoofd. Want het web van zijn slimme plannen werd steeds verder geweven in zijn gedachten, en dat maakte hem moe. Ook zijn gesprekken met Eve maakten hem moe. Soms waren het lange gesprekken, soms halve zinnen. Steeds weer moest hij zijn woorden precies wegen. Maar van al die moeheid was aan de buitenkant niets te zien. En die woorden kwamen zo makkelijk uit zijn mond, alsof hij er niet over had nagedacht. Ze leken heel natuurlijk. Maar eigenlijk waren ze toneel. Het waren de zinnen van een pessimisme dat hij van tevoren had ingestudeerd. Ze klaagden over het leven. Ze hadden op een geheimzinnige manier medelijden met Eve. En tussen dat verdriet door beschuldigden ze Frank. Heel even, terloops, met bijna niets, bijna alleen door de klank. Ze beschuldigden hem dat hij grillig was, dat zijn gevoelens snel veranderden, dat hij oppervlakkig was en vol twijfel. Maar als Eve ook maar even iets riep, zeiden die woorden zichzelf weer tegen. Hij vocht er slim mee, soms met zichzelf, soms met Eve. Het was als schermen met fijne degens: doen alsof je steekt, en je weer terugtrekken. Een prikje hier, een prikje daar. En elke keer viel er een druppeltje bloed...

En het leek Eve zelf alsof haar ziel eerst door een riool was gesleept, en nu leegbloedde onder die prikjes. Het was een heel duidelijke pijn als ze vol wanhoop de werkelijkheid met haar illusies vergeleek. Maar de pijn werd vager en verdween als ze rustig kon nadenken. Dan vroeg ze zich af: waarom voel ik me zo ellendig? Omdat Frank is zoals alle jongemannen lijken te zijn? Omdat Bertie pessimistisch is en denkt dat ik niet gelukkig zal worden?... Dan haalde ze haar schouders op. Haar pijn was niet te begrijpen. Hij was een mist geworden, hij was weg... Ze was toch heel gelukkig *geweest*. Bertie's wanhoop was ziekelijk. Ze wilde *weer* gelukkig worden. Maar die logica joeg de pijn maar even weg. Hij kwam meteen weer terug, ondanks haar verstand, heel koppig. Als iets wat een golf op het strand spoelt: het komt en gaat, het gaat en komt.

Ze *kon* het niet langer verdragen. Eén keer durfde ze goed in zichzelf te kijken. Toen zag ze dat ze aan Frank twijfelde. Ze twijfelde of het waar was wat hij haar over die vrouw had beloofd... Ze verlangde zo naar zekerheid, dat ze het Bertie vroeg, hun vriend:

—Bertie, zeg het me: dat *iets*, waarover je laatst sprak, dat geheimzinnige, wat is het?

—Ach, niets, beste meid, echt niets...

Ze keek hem scherp aan en ging verder, met een vreemde, koude stem:

—Jawel, ik weet het, ik heb het geraden...

Bertie schrok op. Wat dacht ze? Wat ging er door haar hoofd...?

—Ik heb het geraden, zei ze nog eens. Frank houdt niet van me. Hij houdt... hij houdt van die vrouw, dat mens van het Lyceum... Hij heeft altijd van haar gehouden... Is het zo?

Bertie zweeg en keek strak voor zich uit. Dat was het makkelijkst en het slimst.

—Bertie, zeg: is het zo?

—Ach, welnee! antwoordde hij moe. Wat haal je je toch voor onzin in je hoofd. Hoe kom je daar nou bij...

Zijn stem klonk niet overtuigd. Hij sprak zonder gevoel, alsof hij er niet bij was. Alsof hij bij zichzelf over iets nadacht.

—Ziet hij haar nog wel eens? vroeg ze weer.

Het voelde alsof ze zichzelf vies maakte met haar eigen woorden. Alsof haar mond modder spuugde.

—Maar welnee... Wat denk je toch wel?

Zuchtend leunde ze achterover, met grote, natte ogen. Hij zweeg nog even en bestudeerde haar van opzij. Zijn ontkenningen waren te zwak geweest, en dat wilde hij wat goedmaken.

—Eve, Eve, zei hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet over Frank denken. Dat is niet mooi... Je moet vertrouwen hebben in je aanstaande man...

—Het is dus niet waar?

—Echt niet: hij ziet haar niet meer...

—Maar geeft hij niet meer om haar?

Lang, diep en geheimzinnig keek hij haar aan. Zijn ogen waren een fluweelzwarte nacht: ze kon er niets in vinden.

—Foei! zei hij, en hij schudde verwijtend zijn hoofd.

—Je antwoordt me niet! zei ze smekend.

Weer die zelfde blik, vol duisternis.

—O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze. Ze was ongelukkig tot diep in de ziel van haar ziel.

—Wat wil je dat ik weet van Franks gevoelens? siste hij. Hij durfde het nu te zeggen. Ik weet het niet, zo!

—Het is dus zo? zei ze klagend, en ze greep zijn handen.

—Ik weet het niet, zei hij nog eens.

Hij trok zich los, draaide zich om en stond op.

—Hij houdt van haar. Hij kan niet zonder haar leven. Hij is verslaafd aan dat mens, zoals jullie mannen soms verslaafd raken aan zulke vrouwen. Hij ziet haar nu wel niet meer, uit respect voor mij. Maar toch denkt hij aan haar, en hij praat met jou over haar... En daarom is hij stil en somber als hij hier is... Is het zo?

—Ach, God, ik weet het niet! zuchtte hij, een beetje ongeduldig. Wat weet ik?

—Maar waarom doet hij dan alsof hij van mij houdt? Waarom heeft hij me gevraagd om te trouwen? Omdat hij in Noorwegen even dacht dat hij zonder haar kon? Omdat hij een nieuw leven wilde beginnen, en het nu niet meer kan?

Hij sloeg zijn handen in elkaar.

—O, God, Eve, hou op, hou op! Ik weet het niet, zeg ik je, ik *weet* het *niet*, zo, zo, zo...

Met een zucht van uitputting zakte hij terug in zijn stoel. Zij bleef zwijgen. De tranen stroomden uit haar ogen als regen, en ze hielden niet op.

XI.

In haar grote verdriet dacht ze dat ze heel slim was geweest. Ze dacht dat ze het goed had geraden. O God, te goed! Maar het was juist andersom. Ze was zo onschuldig als een kind. Ze was in slaap gesust door de vreemde kracht van zijn blik, als door een hypnose. En ze had alleen woorden gezegd die hij haar wilde laten zeggen.

Ze voelde daar niets van. Ze bleef hem zien als zwak, lief en vol pijn. Hij was voor haar een vriend als een broer. Hij was bang om haar verdriet te doen. Hij wilde de waarheid verbergen, om haar maar geen pijn te doen. Maar hij was niet slim genoeg om die waarheid te verbergen, toen zij hem in het nauw dreef. Zo bleef ze hem zien. Geen moment dacht ze dat ze een vlieg was, die in het web van een spin spartelde. En na deze scène zag Bertie zelf ook niet meer duidelijk dat *hij* alles deed. Dat *hij* het eerste gif van twijfel in haar vertrouwen had gegoten. Dat *hij* de scène bij de uitgang van het Lyceum had geregeld. Dat *hij* Eve dwong om de weg te gaan die hij wilde. Er kwam een waas over zijn heldere gedachten, zoals een spiegel dof wordt. Die tijd van helder denken ging voorbij. Het was allemaal het werk van de omstandigheden, dacht hij. Een mens kon dat niet allemaal uit vrije wil hebben gedaan... Want wat ging alles makkelijk en eenvoudig, vanzelf! Dat kwam doordat het Lot het zo wilde en hem hielp. Hij zelf kon er niets aan doen...

En hij hield zichzelf niet voor de gek: hij *meende* dat allemaal.

Op de avond van dit laatste gesprek ging Eve heel laat naar haar vader. Hij zat in zijn studeerkamer te lezen in zijn boeken over heraldiek. Hij dacht dat ze hem een nachtzoen kwam geven, zoals altijd. Maar ze ging stijf en rechtop tegenover hem zitten. Haar gezicht was als dat van iemand die in haar slaap loopt.

—Ik moet u spreken, vader...

Hij keek haar verbaasd aan. Hij leefde rustig en hoog boven alles, als een oude god, met zijn studie van stambomen. Hij was een gezonde oude man en leefde kalm, zonder emoties. Tussen zijn boeken had hij voor zichzelf een prettige oude dag gemaakt. Hij had niet gemerkt dat er om hem heen een drama werd gespeeld. Dat drama speelde tussen drie mensen die hij elke dag samen zag. Hij was verbaasd over het bevroren gezicht van zijn dochter. En over haar doffe stem, vol verdriet dat ze probeerde in te houden.

—Voel je je niet goed, kind?

—O ja, ik voel me heel goed... Maar ik wil u iets vragen. Ik wil u vragen of u eens met Frank wilt praten.

—Met Frank?

—Ja, met Frank. Laatst, toen we uit het Lyceum kwamen...

En ze vertelde het hem. Ze zat steeds stijf en rechtop op haar stoel, steeds met die vreemde blik en die doffe stem. Ze vertelde hem over de blonde vrouw, over haar twijfels en haar wantrouwen. Het was slecht van haar dat ze Frank wantrouwde, maar ze kon er niets aan doen. Ze had Bertie ook als getuige willen noemen. Maar Bertie had nooit iets duidelijks gezegd. Ze wist dus niet hoe ze hem in haar verhaal moest brengen, en daarom zweeg ze over hem.

Sir Archibald luisterde geschrokken. Hij had nooit gedacht dat zijn dochter zulke gedachten had. Hij had gedacht dat alles in haar ziel zo helder was als de zon!

—En... wat dan? vroeg hij aarzelend.

—En nu wil ik dat u met Frank praat. Dat u hem eerlijk vraagt of hij nog van die vrouw houdt. Ze heeft toch een plaats gehad in zijn vroegere leven. Vraag hem of hij haar niet kan vergeten. Of hij daarom zo stil en zo somber is als hij hier is. Laat hem eerlijk met u praten. Ik hoor liever mijn vonnis dan dat ik met die twijfel verder leef. En misschien legt hij u alles zo uit dat het weer goed wordt, net als vroeger... Zeg niets over mijn wantrouwen. Als het niet terecht is, kan hij daar boos om worden. Het is zo slecht van me dat ik hem wantrouw. Ik dwing mezelf altijd om betere gedachten te hebben, maar het lukt me niet. Er is iets in me, ik weet niet wat. Er zweeft iets om me heen, ik weet niet wat. En dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem niet!... Ik begrijp niet wat het is, maar ik voel het om me heen en in me. Het is als een stem, en soms is het als een oog dat me aankijkt. 's Nachts, als ik niet kan slapen, kijkt het me aan en praat het tegen me. En dan is het alsof ik gek word... Misschien is het wel een spook... Praat u dus met hem... Doe dat voor uw kind! Ik ben... o, ik ben zo ongelukkig...

Ze snikte. Ze knielde voor hem neer en legde haar hoofd op zijn knieën. Zonder na te denken streelde hij haar haar. Hij begreep er helemaal niets van. Hij hield van zijn meisje. Maar zijn liefde was meer een zoete gewoonte dan een echt gevoel van het hart. Hij begreep haar niet. Hij vond haar dom en onverstandig. Had hij haar daarvoor zelf zo'n goede opvoeding gegeven? Hij had haar veel laten lezen. Hij had haar de wereld laten kennen zoals die was: nuchter, praktisch en egoïstisch. Het leven was een strijd. Je moest je eigen hoekje van geluk veroveren, vastberaden en kalm. Hij, hij had zijn hoekje, met zijn boeken en zijn heraldiek. Waarom liet zij zich leiden door nerveuze gedachten over spoken? Want het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat leek ze toch op haar moeder, ondanks haar liberale opvoeding. Ze was dromerig, ze dweepte, ze zat vol met allerlei vage ideeën... En dan... met Frank praten? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van... Die vrouw van het Lyceum? Een of ander meisje, dat naar hem had geknikt. Dat gebeurde iedereen... Eve was heel dom dat ze dat niet voelde... Een gesprek met Frank daarover? De jongen zou denken dat zijn aanstaande schoonvader gek was geworden. Er liepen wel duizend cocottes in Londen... Welke jongeman kende er niet een paar... En dan dacht hij aan zijn rust, die verstoord zou worden. Aan een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag uit zijn kalmte zou trekken, weg van zijn studie. Dat idee vond hij heel onaangenaam. Het maakte hem bang, want hij was op een naïeve manier egoïstisch.

—Kom Eve, dat is allemaal onzin! bromde hij vriendelijk. Wat wil je nou dat ik eraan doe? Het zijn ziekelijke gedachten van je...

—Nee, nee, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen gedachten. Het is iets... iets anders... het is iets wat om me heen is en in me komt... zonder dat ik het wil...

—Maar kind, je praat onzin...

—...En als ik erover nadenk, dan gaat het een tijdje weg. Maar dan komt het weer terug...

—Echt, Eve, praat niet zulke gekke dingen. Wat is dat nou eigenlijk, wat je vertelt? Wat betekent dat nou allemaal? Het komt, en het gaat een tijdje weg, en het komt en het gaat weer...

Ze zat op de grond voor de haard, aan zijn voeten. Zacht schudde ze haar hoofd.

—Nee, nee, zei ze koppig. U begrijpt dat niet. U bent een man: u begrijpt niet dat er zoiets in een vrouw kan zijn. Wij vrouwen zijn zo helemaal anders... Maar u zult met hem praten, toch? En u zult hem alles vragen?

—Nee, Eve, dat doe ik zeker niet. Frank zou terecht kunnen vragen waar ik me mee bemoei. Je weet toch ook heel goed dat elke jongeman zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets bijzonders aan. En Frank lijkt me te eerlijk om zo'n juffrouw nog op te zoeken, nu hij met jou verloofd is. Daarvoor ken ik hem te goed, en jij zou hem ook te goed moeten kennen. Het is allemaal heel dom van je, hoor, heel dom.

Ze begon hevig te snikken en te klagen, overspoeld door ellende. Ze wrong haar handen. Langzaam bewoog ze haar bleke hoofdje van links naar rechts, van rechts naar links. Het was alsof ze pijn had die ze niet kon verdragen.

—Ach, vadertje! smeekte ze. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, praat met hem... Ik ben zo ongelukkig: ik kan niet meer, zo ongelukkig ben ik! Praat met hem, vadertje! *Ik* kan er toch niet met hem over praten: ik ben een meisje, en ik vind dat allemaal zo vies, zo vies... Vadertje, o vadertje, praat met hem!

Ze wilde zich weer lief tegen zijn knieën drukken, maar hij stond op. Haar tranen ergerden hem en maakten hem nog koppiger. Zijn vrouw had ook nooit iets van hem gekregen met tranen, integendeel. En hij vond Eve flauw en kinderachtig. Hij herkende zijn flinke dochter niet meer. Met haar had hij de wereld rondgereisd, en ze was nooit moe geweest, altijd sterk. Nu zag hij een gebroken wezen, dat wegsmolt van verdriet.

—Sta op, Eve! zei hij hard. Lig daar niet op de grond. Straks maak je me nog boos met die onzin. Waarom huil je nou? Om niets, om gekke fantasieën. Dat accepteer ik niet meer van je. Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op!

Klagend stond ze langzaam op. Ze bleef voor hem staan als een martelares, met haar witte gezicht en haar handen in elkaar gewrongen.

—Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zo... Heb je dan geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe, praat met hem. Maar een paar woorden, ik smeek het je... ik *smeek* het je!

—Nee, nee, nee! riep hij, en hij stampte met zijn voet.

Zijn gezicht werd rood. Hij ergerde zich zo aan al dat nutteloze, vage verdriet. Aan al die onzin, al dat huilen en aandringen van zijn dochter. Het maakte hem koppig. Hij had de behoefte om niet toe te geven. Maar zij richtte zich op. Ze leek groter te worden in haar verdriet. Op een vreemde manier keek ze hem diep in de ogen.

—Dus u wilt er niet met Frank over praten? Dat wilt u niet voor me doen?

—Nee. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.

—Goed. Dan... zal... ik... het... doen! zei ze langzaam.

Het was alsof ze een vast besluit nam, dat niemand meer kon veranderen. En ook langzaam, zonder om te kijken, zonder de gewone nachtzoen, ging ze de kamer uit. Het leek haar alsof Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden. Alsof er niets liefs bestond tussen die vader en haar. Alsof het nooit had bestaan. Er was alleen de vijandschap van twee karakters die tegenover elkaar stonden. Nee, onder de rust aan de buitenkant hadden ze nooit iets voor elkaar gevoeld. Ze hadden elkaar nooit gekend, nooit geprobeerd om elkaar te begrijpen. Zij hem niet, in zijn ouderdom, en hij haar niet, in haar jeugd. Er lagen kilometers tussen hen, een woestijn, een eindeloze leegte. Ze zaten allebei in zichzelf opgesloten, als in twee tempels. En in die twee tempels vereerde men verschillende goden.

—Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl ze door de gang liep. En ik ben zijn kind...

Ze begreep dat niet. Het was als een geheim van de natuur, dat een leugen bleek te zijn. Hij was haar vader, zij was zijn kind. En hij voelde niet wat ze leed. Hij voelde niet eens *dat* ze leed. Hij noemde het onzin en gekke praat. Er kwam een groot verlangen naar haar moeder in haar op. Die zou haar begrepen hebben!

—Mama! snikte ze. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik moet doen! Kom terug als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zo alleen, ik lijd zo, ik lijd zo... Spook om me heen, o toe, spook om me heen!

In haar kamer, in het donker, wachtte ze op die geest. Maar er verscheen niets. De duisternis bleef doodstil hangen, als een zwart gordijn. Erachter was niets, alleen een groot Niets.

XII.

Toen Frank de volgende middag kwam, zag hij meteen aan haar gezicht dat ze erg ontroerd en onrustig was.

—Wat is er, kind? vroeg hij geschrokken.

Eerst voelde ze zich zo zwak, *zo* zwak... Het was zoiets verschrikkelijks... het was weer die modder, zo vies... Maar ze vermande zich. Ze richtte zich op met haar mooie wilskracht. Die wilskracht maakte haar karakter stevig. Want haar karakter was ook kinderlijk, dromerig en zuiver. Haar wilskracht was als een sterke achtergrond, waartegen veel zachts en liefs mooi uitkomt. En ze wilde vooral sterk zijn omdat ze wist dat ze alleen stond. Haar vader had haar in de steek gelaten.

—Frank, het moet! begon ze. Ze was wanhopig en vol energie. Ik moet erover met je praten! Ik ben er bijna zeker van dat ik ongelijk heb, nog voordat je iets hebt geantwoord. Ik denk misschien zelfs heel slecht. Maar toch moet ik erover praten, want ik lijd er te veel onder, onder dat allemaal... Altijd zwijgen en alles inslikken, dat doet zo'n pijn... Ik houd het niet meer uit, Frank... Ik vroeg papa om het je te zeggen, maar hij wil niet... Misschien heeft hij gelijk, maar het is toch niet lief van hem. Want nu moet ik het zelf doen...

Ze had al haar kracht bij elkaar gezocht. Toch trilde ze even bij die bittere gedachte. Maar ze dwong zichzelf en ging verder.

—Frank, Frank... die vrouw... o, die vrouw... ik denk er nog steeds aan.

—Maar Eve...

—Ach toe, laat het me zeggen, ik moet het toch zeggen: ik zie dat mens nog steeds naast me. Ik ruik haar parfum en ik hoor wat ze zegt... Het gaat niet uit mijn oren...

Ze trilde steeds meer. En toen kwam het weer over haar en in haar: dat van dat oog, van die stem. Dat vreemde, dat was als een hypnose, een macht over haar geest. Dat wat haar vader niet had kunnen begrijpen. Wat ze nu zei, leek haar te worden voorgezegd door de stem. En haar houding en haar gezicht leken een pose. De blik van het oog dwong haar om zo te staan en zo te kijken. En ze voelde heel sterk dat die blik donker was, als een nacht.

—O, Frank, Frank! riep ze.

De tranen kwamen uit haar ogen, door haar overspannen zenuwen. Ze was bang dat ze het niet zou durven zeggen, zoals die stem het wilde.

—Ik moet het je vragen, ik *moet* het. Als je hier bij mij komt, waarom ben je dan vaak zo somber en stil? Alsof je niet gelukkig met me bent? Waarom geef je nooit een duidelijk antwoord? Waarom zeg je altijd dat er niets is? Die vrouw, o, die vrouw... is het om haar? Is het omdat je nog van haar houdt, misschien wel meer dan van mij!... Omdat je haar niet kunt vergeten? Omdat ze nog steeds iets in je leven is, misschien wel veel, wel heel veel? O, het doet me zo'n pijn, het woelt zo in me, altijd, altijd... En ik ben niet kleinzielig jaloers, dat ben ik nooit geweest. Ik begrijp het wel, dat van die vrouw, dat van vroeger, al vind ik het verschrikkelijk! Maar je bent altijd zo vreemd, zo stil, zo treurig. En zodra ik daarover nadenk, twijfel ik, zonder dat ik het wil, Frank. *Zonder* dat ik het wil, dat zweer ik je! Maar het komt in me op en het overweldigt me! O God, waarom moet het zo zijn? Frank, zeg het: ik ben gek dat ik zo denk, toch? En ze is niets meer voor je, toch, helemaal niets meer? Je ziet haar nooit meer, toch?

Door haar woorden was ze vol angst. Die angst vertrok haar hele gezicht. Ze was bleek, met de doffe bleekheid van azalea's die door de wind zijn verwaaid. Om haar mond en om haar knipperende ogen trilde een kramp van pijn. Meer dan ooit leek ze een martelares van haar eigen fantasie.

Maar op dat moment zag hij die marteling niet. Want door haar woorden begon er een grote drift in hem op te komen. Zo'n drift had hij sinds hij een kind was een paar keer gevoeld. Het was als de windvlagen van een orkaan, die woedend over alles heen joegen. Die drift blies al zijn gevoelens en gedachten door elkaar, als wolken stof...! Die drift kwam altijd op als iemand twijfelde aan zijn eerlijkheid, zijn openheid, zijn waarheid. Dan kwam er een wind van terechte woede op, om dat onrecht. Want hij was heel trots op die deugden. Hij vond van zichzelf dat hij eerlijk was, open en waar. Zijn donkergrijze ogen gloeiden onder zijn gefronste, zware wenkbrauwen. Zijn woedende woorden sisten tussen zijn tanden door. Die tanden waren groot en wit, en ze glinsterden onder zijn zware snor als vonken van ivoor:

—Hoe is het mogelijk, verdomme, hoe is het mogelijk! Ik heb het je *één* keer gezegd, voor altijd. Ik heb het je één keer gezegd: nee, nee, nee! En je vraagt het me weer, je vraagt het me weer! Denk je dat ik lieg? Waarom denk je dat! Heb je ooit aan me gemerkt dat ik loog? Ik zeg je nee, en het is dus nee! Maar je twijfelt toch. Je blijft er toch over nadenken en piekeren, als een oude vrouw... Waarom neem je de dingen niet zoals ze zijn? Ze zijn nu eenmaal zo! Waarom geloof je me niet? Ik ben niet treurig, ik ben niet somber. Ik ben gelukkig met je, ik houd van je, *ik* twijfel niet aan jou...! Maar jij... jij... Geloof me: als je daarmee doorgaat, maak je jezelf ongelukkig, en mij ook, mij ook!

Maar ze keek hem strak aan. Haar trots kwam op, naast zijn drift, want zijn woorden bevielen haar niet.

—Op zo'n toon hoef je niet tegen me te praten! antwoordde ze trots. Ik zeg je dat ik aan je twijfel zonder dat ik het wil. *Zonder* dat ik het wil, zeg ik je. En ik zeg dat ik daarom ongelukkig ben. Dan hoef je niet zo tegen me te praten! Heb dan medelijden met me, maar praat niet zo!

—Maar Eve, als ik je nu verzeker... begon hij weer.

Hij trilde van woede. Hij wilde die woede tegenhouden en dwong zichzelf om zacht te zijn.

—Als ik je nu verzeker...

—Dat heb je al vaker gedaan...

—En je gelooft me niet?...

—Ik geloof je niet, in die zin dat...

—Je gelooft me niet?! brulde hij. Hij had zichzelf niet meer in de hand.

—Ik geloof niet dat je niets voor me verbergt! riep ze terug.

—Dat ik iets voor je verberg? Wat dan?

De naam van hun vriend, van Bertie, kwam op haar lippen. Maar... zodra ze aan Bertie dacht, werd alles vaag in haar, onduidelijk. Het was alsof ze niet wist hoe en wat. En nooit herinnerde ze zich duidelijk wat Bertie had gezegd. Het was steeds alsof Bertie een toverkring van zwijgen om haar heen had getrokken. Binnen die kring kon ze zijn naam niet noemen. En ook nu was hun vriend voor haar een schaduw die ze niet kon grijpen. Zijn naam was een klank die ze niet kon zeggen. Zijn woorden kon ze niet herhalen. Ze waren alleen nog de klank van een stem, heel licht en ver weg...

—Wat? Wat? zei ze nog eens, zoekend. O, ik weet het niet! Als ik het wist...! Maar je verbergt iets voor me, je verbergt iets voor me! En waarschijnlijk verberg je iets... over haar, over die vrouw!

—Maar die vrouw, zeg ik je...

—Nee, nee, ging ze verder.

Haar trots kwam op en maakte haar vaste idee nog sterker.

—Ik weet het wel: jullie tellen dat niet mee. "Dat is een verleden, dat is altijd zo!" zeggen jullie. En daarom noemen jullie *niets* wat ik wel *iets* noem. En daarom zeg ik ook: er is iets, iets wat je voor me verbergt, voor me verbergt, Frank...

—Maar Eve, ik zweer je...

—Zweer het niet, Frank, want dat zou slecht zijn! gilde ze.

Het was alsof ze zichzelf opwond, zonder dat ze het wilde. Ze raakte steeds meer, op een ziekelijke manier, overtuigd van iets waar ze niets zekers van wist.

—Want ik voel dat het er is! Ik voel het, hier, in me, om me heen, overal!

Wild greep hij haar polsen. Hij was buiten zichzelf van woede, omdat ze hem niet geloofde. Hij was gekwetst in zijn trots op zijn eerlijkheid en waarheid. En hij zag niet hoe diep haar wantrouwen was. Het was een geheimzinnig wantrouwen, en een ander had het haar ingegeven.

—Je gelooft me niet, verdomme, je gelooft me niet! siste hij.

Voor de tweede keer kwetste zijn toon haar. Ze vond het niet goed. En hun twee karakters botsten tegen elkaar, met al hun hartstocht en al hun zwakke, zieke kanten.

—Nou dan! Nee! gilde ze.

Ze rukte zich zo ruw los uit zijn sterke greep, dat haar dunne polsen kraakten.

—Nu weet je het dan: ik vertrouw je niet, zo. Je verbergt iets voor me, en er is iets, er is iets met die vrouw. Ik voel dat, en wat ik voel, kan ik niet ontkennen! Dat mens dat je durfde aan te spreken, zit vast in mijn fantasie. Ik voel haar naast me, ik ruik haar. En ik voel zo sterk, *zo* sterk, dat er nog iets is tussen jou en haar. Daarom durf ik het je te zeggen: je liegt, je liegt, je liegt om haar, en je bedriegt mij, zo!

Er kwam een knarsend geluid uit zijn borst. Met gebalde vuisten liep hij op haar af, en zonder na te denken ging ze achteruit. Maar hij greep haar weer. Nu hield hij haar polsen zo stevig vast in zijn sterke handen, dat ze zijn kracht door haar vlees tot in haar botten voelde:

—Oh! brulde hij. Je hebt geen hart, je hebt niets, als je dat tegen me kunt zeggen. Je bent laag, als je *dat* kunt bedenken! "Je voelt, je voelt!" Ja, je voelt omdat je zo bekrompen bent, zo armzalig... Je bent niets, je hebt niets in je dan je vieze, kleine twijfels! Al je gevoelens bestaan uit vuiligheid, zo! Er is niets meer tussen ons: ik ken je niet meer, ik word misselijk van je...

Hij gooide haar van zich af, op een divan. Daar viel ze neer, met haar grote, geschrokken ogen wijd open naar het plafond. Op dat moment was ze meer geschrokken dan ongelukkig. Ze begreep het niet goed. In haar overspannen hoofd was alles vaag. Ze wist niet wat er eigenlijk gebeurde.

Even keek hij op haar neer. Om zijn mond lag een trek van minachting. Zijn ogen waren half gesloten en gingen ook vol minachting over haar heen. Toen zag hij dat ze heel mooi was. Ze lag neergegooid op Turkse kussens. Haar mooie jonge lichaam lag daar in soepele lijnen, als een meisje dat nog nooit een man heeft gekend. Haar vormen waren rond in de plooien van zachte, groene stof, groen als de Nijl. Haar losse haar viel tot op het tapijt, als de roodgouden vacht van een mooi wild dier. En haar borst ging snel en nerveus op en neer, door haar golvende adem. Ze lag daar als een bruid die door een wilde man was ontvoerd en in wilde hartstocht was neergegooid... Hij zag al dat weggegooide moois. Als een bliksem kwam er een groot verdriet in hem op, een gek verlangen naar het geluk van vroeger. Maar zijn gekwetste trots op zijn eerlijkheid drukte dat verdriet en dat verlangen weg. Hij draaide zich om en ging weg...

Ze bleef liggen, in dezelfde houding. Er kwam een donkere verbazing in haar, als een nacht die neerdaalde. Eerst was ze omringd door leugens. Ze was door twijfel geblinddoekt en rondgeleid in een doolhof. En opeens was ze bevrijd! Nu was ze losgelaten in een zwarte ruimte, met open ogen. Ze voelde wel dat haar ziel leegbloedde. Maar ze wist nog niet hoe diep de wond in haar ziel was. En ondanks haar verschrikkelijke pijn dacht ze *alleen* aan al dat donker om haar heen.

—Wat vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch?

XIII.

Na dat alles kwam er een maand van rust. Voor allebei was het opeens kalm geworden, en voor allebei was die rust gevuld met een stil, zwaar verdriet. En daarboven lag de onverschilligheid en de saaiheid van het leven, waarin elke dag hetzelfde was...

Ook Bertie leefde nu in zo'n vreemde, kalme sfeer. Hij was erg verbaasd over wat er was gebeurd. Wat was het eenvoudig en makkelijk gegaan. Hij? Nee, hij had niets gedaan, hij had niets kunnen doen. Alles was uit elkaar voortgekomen: het had zo *moeten* zijn. En hij zag weer een toekomst zonder zorgen voor zich. Een eeuwigheid van een rustig, rijk leven naast Frank. Hij voelde de oude vriendschap van Frank weer opleven. Die werd bijna een vlam, een ziekelijke passie. Want nu Frank van Eve gescheiden was, verweet hij zichzelf veel. Maar toch had hij behoefte aan medeleven en troost. En die troost en dat medeleven haalde hij uit de zachte, warme stem van Bertie.

O, die witte somberheid van de eerste dagen! Die enorme somberheid van de twijfel! Want nu zijn drift was afgekoeld, vroeg Frank zich af wat zij zich ook had afgevraagd: Waarom? Waarom dat allemaal? Wat heb ik gedaan? Hoe is dat gekomen? En hij begreep het niet. Het was als een boek waaruit bladzijden zijn gescheurd, zodat je het niet kunt volgen. Hij begreep zichzelf niet, met zijn drift. En hij begreep Eve niet, met haar twijfel. Het hele leven leek hem een raadsel. Urenlang zat hij stil voor een raam naar buiten te staren. Hij staarde in de melkwitte, vage mist van Londen, met dat raadsel van het leven voor zijn ogen. Hij ging weinig uit. Daar in White-Rose, eenzaam en stil in de buitenwijk, werd hij steeds suffer. Er stroomde een slapheid door zijn grote, sterke lichaam, die hem zwak maakte. En voor het eerst zag hij zichzelf zoals hij echt was. Hij merkte dat zijn zwakte en zijn twijfel diep, diep in hem opborrelden. Het was als een slap, traag stroompje onder zijn kracht en zijn warme bloed. Hij zag zich als een klein, zwak kind onder de macht van zijn drift. Die drift was als een orkaan, met woedende windvlagen, die zijn geluk hadden weggeblazen. En zijn verdriet was zo verschrikkelijk groot, dat hij het niet helemaal kon voelen. Het leek te groot voor zijn mensenziel.

Ze brachten daar samen dagen door vol grijze lusteloosheid. Frank was te ongelukkig om uit te gaan. Bertie kwam langzaam onder de druk van een vage angst, een ontevredenheid die hij niet onder woorden kon brengen. Hij voelde dat Franks vriendschap weer opleefde. Dat streelde hem, en hij voelde in zichzelf medelijden, bijna sympathie. Hij probeerde Frank op te vrolijken. Hij praatte erover om weer eens een souper te geven, met dametjes, zoals vroeger. Hij maakte plannen om een paar dagen hierheen of daarheen te gaan. Hij probeerde zelfs Frank aan het werk te zetten. Hij praatte over een paar beroemde ingenieurs die ze in Londen kenden. Maar alles liep vast op Franks koppige treurigheid. Alles verdween, het smolt weg in de mist van zijn witte somberheid. Daarin bleef maar één gedachte over, één verwijt aan zichzelf, één verdriet. En het enige zoete in hun leven was nu dat ze steeds samen waren. Ze waren dichter bij elkaar gekomen. Daar werd Bertie zelfs toe gedreven, nu hij zijn egoïstische doel had bereikt. Hij hoefde zich geen zorgen meer te maken over armoede in de toekomst. En vlak bij zich zag hij een groot verdriet. Had hij niet ontkend dat *hij* alles had gedaan? Dat kwam omdat hij het niet helder zag. En was hij in zijn laatste lege, luie leven niet heel verfijnd geworden in zijn denken? Hij had behoefte aan vage, fijne genoegens van sympathie. Maar het was alleen een vage sympathie. Want een grote, gulle liefde of een brede, sterke vriendschap kon nooit leven in zijn ingewikkelde ziel. Daar was geen ruimte voor, geen vrije lucht. Zijn ziel was te nauw en zat te vol met vreemde, abnormale dingen. Zo'n liefde of vriendschap zou daar wegkwijnen en sterven. Als een leeuw in een klein, chique damesboudoir...

En zo voelde hij toch iets voor Frank. Hij legde zijn handen op Franks schouders en probeerde hem te troosten. Hij vond lieve, warme klanken, nieuwe woorden op zijn tong. Ze waren fris en anders dan anders, zacht en helend als een zalf. De vrouwen hadden een kleine ziel, zei hij. Ze waren niets. En liefde was niets, het was een fantasie. Geen man moest daarom zijn leven treurig maken. Maar er was vriendschap, eerlijk en trouw. Dat was vriendschap die vrouwen niet eens begrepen, en die ze nooit voor elkaar voelden. Het was een passie van sympathie, een edel geluk van twee mensen die bij elkaar passen... En hij geloofde zijn eigen woorden. Hij genoot van die platonische vriendschap, zoals een poes geniet van de warmte. Op dezelfde manier genoot hij van het luxe bien-être. Hij genoot van zijn verrukking over vriendschap. En hij bewonderde zichzelf, omdat hij zulke hoge gedachten had.

Maar Frank had zo diep en met zijn hele ziel van Eve gehouden, en dat deed hij nog steeds. Daarom zag hij na korte tijd dat dit dwepen ziekelijk was en decadent. Toen haalde hij er geen troost meer uit. Zijn somberheid hing nog grijzer om hem heen. Hij dwong zichzelf om zich goed te herinneren wat er gebeurd was. Wat Eve had gezegd, wat hij had gezegd... En hij gaf zichzelf de schuld. Hij vergaf Eve dat ze had getwijfeld. Hij vloekte op zijn drift en op zijn wilde ruwheid tegen een vrouw, tegen *haar*! Wat moest hij doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was een verschrikkelijke gedachte voor hem. Hij zou haar nooit meer zien! Ze zou nooit meer iets zijn in zijn leven! Kon het dan niet weer anders worden? Was alles verloren? Voor altijd? Nee, nee, nee, bruiste het wanhopig in hem. Hij wilde de omstandigheden in zijn hand nemen, hij wilde zijn geluk terug! Zij? Hoe was het met haar? Had ze veel verdriet? Twijfelde ze nu nog? Of had zijn ruwheid haar toch laten zien dat hij eerlijk was, ondanks al zijn wildheid?

Maar *als* dat zo was, als ze niet meer twijfelde, en hoe kon ze nog langer twijfelen!... God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wantrouwen. Ze moest zichzelf dan nog veel meer verwijten dan hij zichzelf. Want zijn woede was tenminste terecht geweest, en haar twijfel niet! Was ze zo? Of was ze anders? Was ze misschien dodelijk gekwetst in haar ziel door zijn woede? Vond ze hem minderwaardig, omdat hij zijn drift niet in bedwang had? Die drift was als woedende wilde dieren... Maar hoe, hoe was het met haar? Hij verlangde zo erg om het te weten, dat het pijn deed. Het sneed steeds weer door hem heen, als de slagen van een zwaard. Naar haar toe gaan? Smeken om genade, om het geluk van vroeger, dat hij had weggegooid? Hij had dat geluk weggegooid op het moment dat hij haar op een bank had gegooid. Ze zou hem nooit meer willen ontvangen, na zulke grove beledigingen... Maar schrijven, schrijven! O, hij jubelde ervan: een brief! Hij zou zich op papier klein maken, als stof aan haar voeten. Hij zou zich vernederen en boete doen. Hij zou haar met woorden om genade smeken en haar aanbidden. Alleen een heel klein beetje zou hij trots zijn: trots op zijn eerlijkheid, en op zijn lijden door haar twijfel. Ze zou naar hem luisteren, zoals de Madonna naar een zondaar luistert. Hij zou zijn geluk terugvinden! En hij probeerde zijn brief te schrijven. Hij trilde van ontroering terwijl hij naar zijn woorden zocht. Ze klonken hem nooit warm en diep genoeg, nooit nederig genoeg.

Een hele dag werkte hij eraan. Hij maakte zijn zinnen steeds mooier en fijner, zoals een dichter met zijn sonnet doet. En toen hij eindelijk klaar was, voelde hij zich fris. Hij kon weer ademhalen van hoop, het was alsof hij weer tot leven kwam. Hij was ervan overtuigd dat zijn brief elk misverstand tussen hen zou oplossen.

Stralend ging hij naar Bertie. Hij vertelde zijn vriend wat hij had gedaan en wat hij nu hoopte. Hij praatte vrolijk, als met een nieuwe stem. Bertie bleef wat moe en slap in zijn stoel hangen. Maar hij dwong zichzelf om terug te glimlachen, met de glimlach van Frank. Hij zei dat Frank gelijk had. Hij probeerde zijn woorden overtuigend te laten klinken, maar dat lukte niet.

—Zeker, zeker: zo zal alles weer worden zoals vroeger, fluisterde hij trillend.

Er stonden druppeltjes zweet op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruine haar dat naar beneden krulde.

XIV.

Maar een uur later, 's avonds, liep hij alleen in zijn kamer heen en weer. Hij kookte van een hartstocht die al zijn zenuwen in zijn zwakke lichaam liet trillen. Zo schudt een storm een dunne berk. Zijn mooie gezicht was vertrokken door een bittere woede, omdat hij zich zo machteloos voelde. Het was een lelijk masker van slechtheid geworden. Met gebalde vuisten liep hij heen en weer, heen en weer, als een dier in zijn kooi. Was het daarvoor dat hij zijn hoofd zo verfijnd had gemaakt? Had hij daarvoor al zijn geniale gedachten zo scherp geslepen? Hij had alle krachten van zijn geest op het diepste liefdesleven van een vrouw gericht. Het was alsof hij geheimzinnige stromen op haar had gericht, als uit batterijen. En één enkele brief, een paar bladzijden vol lieve woordjes, zou al zijn werk kapotmaken! Want in zijn woede zag hij het nu opeens, en hij was er een beetje trots op. Hij zag dat hij, echt *hij*, de omstandigheden had geleid om Frank en Eve uit elkaar te halen! Hoe had hij daar ook maar een moment aan kunnen twijfelen.

Zou alles voor niets zijn geweest? Zo *mocht* het niet zijn! Nee, duizend keer nee! In één seconde zag hij voor zich hoe groot zijn angst was. Het was verschrikkelijk wijd, alsof er geen horizon was. Hij zag een toekomst van armoede, een kale woestijn. Daarin zou hij verdwalen en van honger sterven... Hij wilde wanhopig aan die toekomst ontsnappen. Daardoor voelde hij op dat moment al zijn slappe wilskracht weer sterk worden. Het was alsof alle veren in hem strak werden gespannen, zo strak dat ze bijna knapten...

Hij moest dit moment gebruiken. Er schoot een gedachte door zijn hoofd, als een bliksem in zigzag... Ja, ja, *zo* moest hij het doen! Een eenvoudig middel, dat goed zou werken. Een eenvoudige schurkenstreek, zoals conventionele mensen het noemen... Geen ingewikkeld gedoe met de ziel van mensen meer. Dat leverde niets op. Dat raakte alleen in de knoop door zijn eigen moeilijke plannen. Gewoon een truc, zoals in het theater...

Hij pakte zijn hoed en ging zachtjes het huis uit. Hij lachte even, vol minachting voor zichzelf. Hij spotte met zichzelf, omdat hij zo ver was gekomen. Het was half elf. Hij hield een cab aan. Weer lachte hij even. Want toen hij de koetsier het adres van Sir Archibald noemde, klonk zijn stem als in een melodrama. Het was de stem van de verrader op het toneel... Hij kroop terug in de hoek van het rijtuig, met zijn schouders opgetrokken. Zijn ogen waren klein en slim, en hij staarde in de vage mist van de nacht. Diep in zijn ziel lag een verschrikkelijke treurigheid.

Vlak bij het huis van Sir Archibald stapte hij uit. Hij liep de paar stappen naar de deur en belde... Hij moest even wachten, in de nacht, voor die gesloten deur. Die momenten leken een eeuwigheid. Hij voelde een diep verdriet zonder troost. Hij voelde afkeer, walging en misselijkheid over zichzelf. Een vieze trek trok zijn mond scheef.

Een lakei deed open. Hij was een beetje verbaasd over dit late bezoek. Maar toen hij zag dat Bertie alleen was, zonder Frank, werd hij brutaal. Hij boog met een spottende beleefdheid. Hij hield de deur wijd open en vroeg Bertie overdreven beleefd om binnen te komen...

—Ik moet je meteen spreken, zei Bertie kalm, met zachte stem. Nu meteen, onder ons...

De lakei keek hem strak aan en zweeg.

—Je kunt me helpen: ik heb je heel, heel hard nodig. *Kan* ik je even spreken, zonder dat iemand ons ziet?

—Nu? vroeg de lakei.

—Nu, meteen...

—Wil je dan binnenkomen, in de kamer van de bedienden? vroeg hij grof en hard.

—Nee, nee... Loop even met me mee. En praat zachter...

—Nu kan ik niet. De oude gaat over een uur of zo naar bed. Daarna kan ik wel even op straat komen...

—Dan wacht ik op je, daar bij het park... Kom je zeker? Ik zal je goed betalen...

De knecht lachte spottend. Zijn lach klonk helder als metaal door de hal, en Bertie werd er bang van.

—Je bent nu een meneer, hè? En je zit er goed bij...

—Ja, antwoordde Bertie zonder klank. Kom je dus?

—Ja, ja, over een uur, een flink uur. Wacht maar. Maar als ik iets voor je kan doen, moet je opdokken, hoor! Dan moet je goed opdokken, hoor!

—Goed, goed! zei Bertie. Maar ik vertrouw erop dat je komt... Je *komt*, toch?

De deur sloeg brutaal dicht. Lang bleef hij daar op en neer lopen, in de vochtige nacht. De kou drong tot in zijn botten en hij kreeg het steeds kouder. Hier en daar keken de bleke gaslampen hem door de grijze mist aan, als treurige ogen. En hij wachtte, op en neer lopend, een uur, anderhalf uur lang. Hij leed van kou en moeheid, als een bedelaar zonder dak. Zo wachtte hij, rillend, met zijn handen in zijn zakken. Zijn ogen waren troebel van minachting voor zichzelf. Ze puilden uit zijn doodsbleke gezicht en ze keken strak naar de donkere deur. En die deur bleef nog dicht...

XV.

Frank wachtte een paar dagen gespannen, maar hij kreeg geen antwoord van Eve. Toen schreef hij voor de tweede keer. De eerste frisse hoop was al verwelkt. Toch schrok hij op bij elke bel die klonk. Steeds liep hij naar de brievenbus in de voordeur. Steeds dacht hij aan de postbode die door de straten liep, met zijn geluk in een envelop... En hij stelde zich het antwoord van Eve voor. Misschien maar een paar regels, misschien koel. Geschreven met haar grote, gulle Engelse handschrift. Op het geurige papier dat glad was als ivoor, dat ze altijd gebruikte. In de hoek haar initialen, zilver en roze, door elkaar heen gekruld. Wat duurde het lang voordat ze antwoordde! Was ze *zo* boos? Of wist ze nog niet hoe ze haar vergeving moest opschrijven? Werkte ze nog aan haar brief, zoals hij aan de zijne had gedaan? Zijn dagen gingen voorbij met wachten op die brief. Als hij thuis was, stelde hij zich voor dat de postbode dichterbij kwam. Steeds dichterbij: nu nog maar vier huizen ver, nu drie, nu twee, nu... nu zou hij bellen... En hij luisterde of de bel niet zou gaan. Maar er klonk niets. En als er wat later werd gebeld, was het niet *dat*... Als hij uit was, kreeg hij opeens de gedachte dat de brief thuis zou liggen. Die gedachte ging als elektriciteit door hem heen. Dan rende hij terug naar White-Rose. Hij keek in de bus en rende de achterkamer in... Maar *dat* lag er nooit. De plek waar hij het verwachtte, was steeds leeg. Die leegte maakte hem gek. Dan vloekte hij en stampte wild met zijn voeten...

Ze antwoordde niet op twee brieven, op *twee* brieven! En hij kon er geen reden voor vinden. Hij verlangde zo vurig naar haar antwoord. Daarom leek het hem heel natuurlijk en logisch dat ze *meteen* had moeten antwoorden! Toen leefde hij alleen nog van wachten. Het moest komen. Het *kon* niet anders, het moest komen! In zijn hoofd was alleen dit: nu komt het, vandaag komt het... Verder was zijn leven één grote leegte. En toch kon één brief die leegte helemaal vullen. Zo was het elke dag hetzelfde.

—Ik heb nog geen antwoord van Eve, zei hij dan nederig tegen Bertie.

Het was alsof hij zich vernederd voelde, alsof hij zich schaamde omdat ze zweeg. Alsof zijn teleurgestelde hoop hem uitlachte.

—Niet? vroeg Bertie zacht.

Over de fluwelen nacht van zijn ogen kwam een natte glans van somberheid. Er lag een zwaar gewicht op zijn borst. Hij haalde diep en hijgend adem, steeds op dezelfde manier. Hij voelde zich ongelukkig, zonder troost. Wat hij had gedaan, was zo vies. Maar het was de schuld van Frank. Waarom kon Frank zijn liefde niet vergeten na de breuk? Waarom vond hij niet genoeg troost in hun vriendschap, die weer zo zoet was geworden? Wat zou het heerlijk zijn geweest om als vrienden heel gelukkig samen te zijn! Om altijd samen te leven, in een kalm, zuiver blauw van broederschap. In de gouden verrukking van hun sympathie, zonder vrouwen... Zo dweepte hij. Hij joeg zijn vriendschap en zijn medelijden voor Frank expres op, tot een hoge, mooie vlucht. Zo wilde hij zichzelf een beetje troosten. Zo wilde hij zijn vieze daad vergeten. Zo wilde hij zichzelf wijsmaken dat hij hoge gedachten had. Toch hield hij zichzelf maar een beetje voor de gek. Want juist nu hij voelde dat hij in de modder zat, verlangde hij echt naar iets moois, iets ideaals... O, het was de schuld van Frank! Maar... was het echt de schuld van Frank dat hij Eve niet kon vergeten? Nee, nee, dat was alleen de schuld van het Noodlot. Niemand had ergens schuld aan. Alles was de schuld van het Noodlot...

—Ja, zo is het! dacht hij. Maar waarom hebben we dan hersens gekregen, waarmee we denken? En waarom lijden we om iets, als we er toch niets aan kunnen doen? Waarom zijn we dan geen planten of stenen? Waarom dan dat allemaal, dat hele onnodige heelal? Waarom is er niet gewoon Niets! Wat zou dat rustig zijn, heerlijk rustig...

En hij stond voor de poorten van het Raadsel, die niemand kan openen. Opeens was hij heel erg verbaasd over zichzelf. Mijn God, hoe was dat allemaal in hem gekomen? Waarom dacht hij tegenwoordig toch altijd aan zulke dingen? Had hij in Amerika ooit aan zulke dingen gedacht? Daar had hij gesjouwd en gescharreld, en elke dag als een knecht hard gewerkt. Dacht hij toen niet dat hij een grove materialist was? Dat hij alleen verlangde naar genoeg lekker eten en veel rust? En nu had hij *lang* van dat materialisme genoten. Nu voelde hij zich alsof zijn zenuwen zo fijn waren geworden als draden van zijde. Ze trilden van emotie na emotie. Ze trilden zoals de lucht onzichtbaar trilt langs telefoondraden boven een huis. Daar glijdt steeds weer een zacht gezoem langs, als muziek... Hoe was hij aan al die filosofie gekomen? Het was een bloem die gegroeid was in zijn lege, luie uren. Verbaasd probeerde hij zich zijn jeugd te herinneren. Had hij toen al de neiging om veel na te denken? Had hij toen boeken gelezen die hem diep hadden geraakt? Hij probeerde aan zijn ouders te denken. Kon hij dit allemaal van hen hebben geërfd... En in New York had hij koffie en borrels rondgebracht! Was hij toen eigenlijk niet gelukkiger, zonder zorgen? Of leek dat alleen zo, omdat het nu een paar jaar geleden was?

XVI.

Frank wachtte nog een paar dagen. Het was geen leven, alleen wachten. Toen hij nog steeds geen antwoord had, schreef hij aan Sir Archibald. En steeds bleef het stil. Toen klaagde hij bitter bij Bertie over zijn verdriet. Hij was niet meer nederig, maar woedend, als een dier dat wordt getreiterd. Toch was hij ook half treurig, omdat ze zo waren, zo hard en zo kwaad. Eve en haar vader. Was het dan niet genoeg dat hij drie keer om vergeving had gesmeekt? Had Eve dan zo weinig van hem gehouden? Hij lag nu kapot aan haar voeten. En ze had geen woord voor hem over, zelfs niet om te zeggen dat het voorbij was...

—Ik weet niet meer alles wat ik gezegd heb! zei hij tegen Bertie.

Hij liep op en neer, op en neer, met grote, regelmatige, nerveuze stappen.

—Maar ik moet wel heel grof zijn geweest... God, waarom heb ik mijn woorden toch nooit in bedwang! En ik heb haar ook vastgepakt, *zo*, bij haar armen. Toen heb ik haar van me afgegooid, ik was zo woedend. Ik had het niet moeten doen. Maar ik *kan* dan niet kalm zijn, dan *kan* ik het niet...

—Frank, ik wou dat je eroverheen kon komen, zei Bertie heel zacht, uit zijn diepe stoel. Er is nu toch niets meer aan te doen... Het is treurig dat het zo is gelopen, maar gooi het van je af...

—Gooi het van je af! Heb jij ooit van een vrouw gehouden?

—Jawel...

—Dat zal wat geweest zijn! Je kunt niet veel van iemand houden, dat is niets voor jou: je houdt te veel van jezelf.

—Dat kan wel zijn. Maar in elk geval houd ik veel van jou, en ik kan je zo niet zien, Frank. Kom eroverheen. Ze lijken het je zo kwalijk te nemen, dat er niets meer aan te doen is. Ik wou dat je dat inzag, en dat je je erbij neerlegde. Zoek iets anders om voor te leven. Is er dan alleen *dat ene* voor jou? Misschien is er iets anders. Een man verliest zich niet zo in zijn liefde. Je bent net een vrouw: die doen dat...

Zijn ogen keken Frank zo zacht en zo magnetisch aan, dat Frank elk van die woorden geloofde. En Bertie's laatste verwijt herinnerde Frank weer aan zijn slapheid. Aan zijn zwakte en zijn twijfel. Die lag onder al zijn mannelijke kracht, als een zachte fundering onder een huis. Maar toch hield hij zich vast aan zijn hevige verlangen. Hij verlangde zo hevig naar het geluk van vroeger.

—Ach kom, daar kun jij nu eenmaal niet over oordelen! antwoordde hij ongeduldig.

Het was alsof hij Bertie's blik van zich af schudde.

—Jij *hebt* nooit van een vrouw gehouden, ook al zeg je van wel. Waarom zou alles niet weer goed kunnen komen? Wat is er dan gebeurd? Wat heb ik dan gedaan? Ik ben vreselijk driftig geworden, nou ja... Is dat dan zoiets onvergeeflijks, als je van elkaar houdt? Misschien... zeg, zouden de brieven niet zijn aangekomen?...

Een paar seconden lang hing er een wachtende stilte in de kamer. De lucht leek zwaar als lood. Toen zei Bertie, en zijn stem smolt van lieve verontschuldiging:

—Als je er nu één had gestuurd, zou je dat kunnen denken... Maar drie brieven naar hetzelfde adres. Dat is niet waarschijnlijk...

—Ik ga er zelf eens naartoe, zei Frank weer. Ja, ja, ik ga er zelf maar eens naartoe...

—Wat zeg je? vroeg Bertie dof.

Hij voelde nog de druk van die loodzware stilte van zo-even. Hij had het niet goed verstaan, niet goed begrepen... Die woorden waren over hem heen gegaan als een suizende dreiging...

—Wat zei je daar? vroeg hij nog eens.

—Ik ga er zelf maar eens naartoe, zei Frank weer.

—Waarnaartoe?

—Nou, naar de Rhodes', naar Eve... Slaap je?

Maar Bertie stond op. Zijn gezicht was grauw, en daarin schitterden zijn ogen als zwarte diamanten, met veel vlakjes.

—Wat wil je daar doen? vroeg hij. Hij schraapte zijn keel om zijn stem helder te maken.

—Met ze praten en de zaak in orde brengen... Ik houd het niet uit, het duurt me te lang.

—Je bent gek, zei Bertie kort en stroef.

—Waarom gek?

—Waarom je gek bent? Je hebt voor geen cent zelfrespect. Denk je echt om naar ze toe te gaan?

—Ja, natuurlijk.

—Ik vind het misselijk, zei Bertie.

—Nou goed, zei Frank, vind het misselijk. Ik vind het zelf ook zwak van me. Maar God, ik *kan* het niet langer uithouden. Ik houd zo veel van haar, het was vroeger zo goed, zo mooi... En nu, nu, door mijn eigen schuld...! Het kan me niet schelen: vind het misselijk, maar ik ga, ik ga toch.

Hij twijfelde, en hij had zich op een stoel gegooid. Elke spier in zijn gezicht trilde al van de strijd in hem. Maar toch ging hij verder.

—Je weet niet hoe ik me voel: je *kunt* het niet begrijpen. Ik ben zo ellendig, zo diep, diep ongelukkig. Nog nooit in mijn leven heb ik me zo heerlijk gevoeld als toen ik met Eve was. Zo harmonisch, zo in evenwicht. Tenminste... nu lijkt het me zo. En nu is dat allemaal weg, en alles lijkt me zonder doel. Ik weet niet meer waarom ik loop en eet en ademhaal en leef! Waarom zou ik al die moeite doen, en dan ook nog al dat verdriet hebben? Ik zou net zo goed dood kunnen zijn... Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weer goed komt, dan maak ik me van kant... ja, ja, dan maak ik me maar van kant...

Hij hing in zijn stoel, verpletterd onder de last van het leven. Zijn gezicht trilde van de zenuwen. Zijn grote armen en benen lagen uitgestrekt, met al hun nutteloze kracht. Want onder die kracht knaagde een geheimzinnige zwakte, als wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan. Zijn wanhoop gaf hem een strakke energie. Zijn ogen flitsten met al hun vlakjes naar Frank. Hij legde zijn trillende handen op Franks schouders. Hij voelde hoe breed en zwaar ze waren, vol kracht. Er ging een schok door hem heen, en hij voelde zich bijna trots. Hij minachtte die sterke man, met zijn liefdesverdriet als van een jongen. Maar vooral, o vooral, voelde hij dat hij naar beneden werd getrokken, naar een diep gat. En het leek alsof hij zich vastklampte aan Frank, aan Franks schouders. Zoals een woekerplant zich met haar ranken om een boom draait.

—Frank, begon hij, bijna hees. Luister eens goed naar me. Je maakt jezelf ziek. Je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een kind. Je wordt er misselijk van. God, wees toch wat flinker. Bederf je leven toch niet zo met dat misselijke gejammer. En waarom, waarom dat allemaal?! Omdat een vrouw niet meer van je houdt. Vind je *zoiets* dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder hart. Wat oppervlakkigheid en ijdelheid, door elkaar geklopt. Schuim, rommel, niets! En daarom wil je je van kant maken? Jakkes, hoe is het mogelijk. *Ik* weet niet wat houden van een vrouw is, hè? Maar *jij* weet niet wat verdriet en ellende is. Je denkt dat je het nu al heel erg te pakken hebt, hè? En je hebt niets, niets dan een beetje malaise. Een beetje gekwetste trots misschien: het zal wel niet veel anders zijn. Als *ik* me van kant had gemaakt, elke keer dat *ik* ellende had, dan was ik nu wel duizend keer dood. Nee, dan heb ik heel wat anders meegemaakt, hoor! Hoe kun je zo laf zijn. Eve laat je duidelijk zien dat ze niets meer met je te maken wil hebben. En jij wilt weer naar haar toe gaan. En als ze je de deur wijst? Wat dan? Als je het doet, als je naar ze toe gaat... Dan vind ik je zo klein, zo zwak, zo laf, zo kinderachtig, zo misselijk. Zo verdomd misselijk, dat je wat mij betreft naar de duivel kunt lopen.

Hij maakte een geluid in zijn keel, alsof hij echt misselijk werd. Hij draaide zich om. Hij was een beetje duizelig, en zijn hoofd voelde vreemd licht. Frank zweeg. Hij werd heen en weer getrokken door twee machten. Hij wist niet meer wat hij dacht. Hij was helemaal in de war. Hij hoorde valse geluiden, in zijn oren en in zijn fantasie. In Bertie's woorden klonk iets onzuivers, een valse toon. Hij kon niet zeggen waar die zat, maar hij hoorde hem wel. En ook de stem van zijn eigen verlangen klonk vals. Het waren vreemde akkoorden, die niet goed bij elkaar pasten en steeds bleven doorklinken. Hij raakte helemaal de weg kwijt. Hij bleef lang zwijgen. Toen zei hij het koppig nog eens:

—Goed, het kan me niet schelen, ik ga toch, ik ga toch...

Maar Bertie ging verder, zacht als een zalf. Hij ging op de grond zitten, op de vacht voor het vuur, zoals hij altijd deed als hij zich heel ongelukkig voelde. Zijn bonzende hoofd leunde tegen een stoel.

—Kom Frank, kom eroverheen. Je meent het niet, dat je erheen wilt. Daarvoor ben je van binnen veel te trots en te flink. Herinner het je toch. Ben je dan alles vergeten? Heeft Eve je niet gezegd dat ze je niet vertrouwde? Dat je haar bedroog? Dat je nog met die vrouw was, en dat ze dat wist? Ik had trouwens al lang gemerkt dat ze zo wantrouwig was. Ik vond zoiets al niet mooi in een jong meisje. Ik vond er iets... onzuivers in... Het is waar, die avond bij het Lyceum... toen leek het er wel een beetje op. Maar je had Eve toch verzekerd dat het uit was... Ik vind het dus helemaal niet mooi van haar dat ze je toen nog niet vertrouwde... Je kunt het dus niet menen, als je zegt dat je erheen wilt. Het kan mij natuurlijk niet schelen: ga er wat mij betreft naartoe. Maar ik zou het zo misselijk van je vinden, *zo* misselijk...

En Frank zweeg steeds, hij was de weg kwijt. En door de kamer klonk steeds dat gerinkel van valse geluiden...

—En als je nadenkt, vind je dat vast ook. Denk er eens over na, Frank...

—Ach ja, zei Frank zacht en dof.

Bertie vleide zijn mannelijke trots. In Franks oren klonk het als klokken: trots, flink, trots, flink... Maar de klokken waren toch gebarsten... *Toch* maakte de muziek hem rustig. Hield hij op dit moment nog van Eve? Of was het uit? Had zij zijn liefde gedood met haar twijfel? Trots, flink, trots, flink... O, niets meer te weten, helemaal niets meer te weten...

Toen kroop Bertie dichterbij, met een beweging als een streling. Hij legde zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel. Hij vouwde zijn handen om zijn knieën. In het halfdonker, in de gloed van het vuur, leek hij een soepele panter. Zijn ogen flikkerden als de zwart-gouden ogen van een panter.

—Zeg Frank, ik kan je zo niet zien. Ik houd zo veel van je, ook al zie je dat misschien niet, en ook al doe ik het op mijn manier... O, ik weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet. Ik houd met heel mijn ziel van je. Ik heb nog nooit zo van iemand gehouden als van jou. Niet van mijn vader, niet van een vrouw, niet van mezelf, van niets. Ik zou iets voor je over hebben, en dat is veel, voor mij. Zeg Frank, ik kan je zo niet meer zien. Laten we weggaan uit Londen. Laten we gaan reizen, of ergens anders gaan wonen, in Parijs of in Wenen. Ja, laten we naar Wenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zo groot, je kunt zo veel zien dat je andere ideeën krijgt. Of laten we een tocht maken in het binnenland van Afrika. Ik zou wel zin hebben in zoiets wilds, en ik ben sterker dan ik eruitzie: ik ben taai. Laten we veel bewegen, veel doorstaan, ons lichaam heel moe maken. Vind je het niet prachtig om een weg te hakken, dwars door een bos waar niemand doorheen komt? O ja, laten we baden in de natuur, in veel lucht en ruimte en gezondheid...

—Ja, ja, zei Frank zacht. Goed, we gaan weg, we gaan reizen. Maar eigenlijk kan ik het niet: ik heb weinig geld. Ik heb vorig jaar zo veel uitgegeven.

—O, maar we zullen zuinig zijn. Waarvoor hebben we luxe nodig! Mij kan het tenminste niets schelen...

—Ja, ja, goed, zei Frank weer zacht. We doen het zuinig.

Ze zwegen een tijdje. In het halfdonker raakte Frank met een beweging even Bertie's hand. Opeens drukte hij die hand zo hard in de zijne, dat die bijna brak. En hij stotterde:

—Goede jongen, goede beste jongen!

XVII.

Zou hij erheen gaan? dacht Bertie. Het was de volgende avond. Bertie bleef alleen thuis. Frank was uitgegaan, en Bertie wist niet met welke plannen. Nou, Bertie zou afwachten. Er was niets meer aan te doen. Nog een paar dagen om alles te regelen, en daarna weg, weg uit Londen. O, wat voelde hij zich ongelukkig! En al die vieze dingen had hij gedaan alleen voor wat gemak, voor een lui en luxe leven. En dat kon hem nu helemaal niets meer schelen. Dat was hij langzamerhand gaan voelen. O, de vrijheid van de bohémien in zijn zwervende leven in Amerika! Dat losse, dat vrije leven zonder regels. De ene keer zijn vestzakje vol geld, de andere keer niets, helemaal niets! Hij had er heimwee naar. Hij benijdde dat zorgeloze leven zonder regels. Zijn leven nu was rijk en suf en laag. Wat was hij veranderd! Vroeger trok hij zich gewoon niets aan van conventie, zonder er veel over na te denken. En nu... nu was zijn ziel verfijnd geworden, maar toch zwoegde hij in de grofste vuiligheid. En waarvoor? Om iets te houden wat geen waarde meer voor hem had. Geen waarde meer?! Maar waarom scheurde hij zich dan niet los uit zijn eigen netten? Waarom ging hij niet weg, alleen, in armoede? Waarom schreef hij niet één woord aan Frank en Eve, om ze weer bij elkaar te brengen? Hij was toch vrij om dat te doen?

Hij dacht erover na en glimlachte toen. Hij vond het iets onmogelijks. Toch zag hij niet waarom het onmogelijk was. Maar het *was* onmogelijk. Het *was* iets wat niet kon. Het was niet logisch. Het zat vol duistere moeilijkheden. Het kon nooit gebeuren, om geheimzinnige redenen van het noodlot. Die redenen zag hij niet, maar hij voelde ze wel, heel zeker...

Zo zat hij die avond alleen te dromen. Toen kwam Annie, de meid en huishoudster, hem zeggen dat er iemand was die hem wilde spreken.

—Wie is dat dan?

Ze wist het niet. Hij ging naar de kleine ontvangkamer. Daar vond hij de lakei van Sir Archibald. Hij had een grote neus en brutale grijze ogen als van een vogel, die steeds bewogen. Ze glinsterden vrolijk in zijn gezicht, dat blauw geschoren was en de kleur van terracotta had. Hij droeg geen livrei, maar hij was gekleed als een heer. Hij had een lichte overjas aan, een ronde hoed op, en hij had een wandelstok en handschoenen.

—Wat moet je hier? vroeg Bertie bot, met gefronste wenkbrauwen. Ik heb je toch gezegd dat ik niet wilde dat je hier ooit kwam! Je hebt toch niet over me te klagen, denk ik...

Nee, nee, hij had niet te klagen. Maar hij kwam zijn oude vriend gewoon eens opzoeken, zijn oude Swell. Bertie wist het toch nog wel, van vroeger, in New York? Toen waren ze als goede kameraden kelner geweest in hetzelfde hotel. Toevallig, hè, dat ze elkaar in Londen terugzagen? Ach ja, de wereld was klein. Je kwam elkaar overal en altijd tegen. Je kon elkaar niet ontlopen. Als de hemel wilde dat je elkaar zou ontmoeten, dan *kon* je elkaar niet ontlopen. Nou, en als je elkaar ontmoette, dan *kon* je elkaar ook nog eens helpen... Soms werden er lastige brieven geschreven, hm, hm!... Zestig pond voor twee brieven aan de juffrouw, dat was een koopje! Het leven was duur. In Londen af en toe eens plezier maken, dat kostte veel geld. Nu was er een derde brief, van dezelfde hand. Wel, wel, van wie zou die hand toch zijn? Die brief was aan de oude geschreven. O, een oude kameraad zou nooit lastig zijn. Maar hij kwam alleen eens vragen: was die brief ook iets waard? Hij had hem bij zich.

—Geef hem dan hier! stotterde Bertie doodsbleek. Hij stak zijn hand al uit.

Ja maar, dertig was zo weinig, een kleinigheid. De brief was nu toch aan de oude geschreven, dus hij was wel meer waard. En eerlijk gezegd zat een oude kameraad ook een beetje krap met geld. En Bertie was een meneer, hij had het goed, en hij had een edel hart. Hij zou een oude kameraad niet in de steek laten. Wat duivel, je hielp elkaar in de wereld! Honderd pond?

—Je bent een ellendeling! stotterde Bertie. We hadden dertig pond afgesproken. Ik heb geen honderd pond; ik ben niet rijk...

Nou ja, dat wist hij wel. Maar meneer Westhòve gaf zijn vriend toch af en toe wel eens een sixpence. En meneer Westhòve had zo veel geld. Kom, kom, Swell moest er maar eens over nadenken. Echt, hij zou er een oude kameraad mee helpen. Honderd pond was toch ook niet zo veel!

—Ik heb op dit moment geen honderd pond, ik verzeker het je, gilde Bertie zacht.

Hij rilde als van koorts. Zijn keel leek droog en verbrand.

Nou, dan zou een oude kameraad later wel eens terugkomen. De brief zou hij goed bewaren.

—Geef de brief dan: ik geef je later honderd pond!

Maar een oude kameraad lachte vrolijk. Nou, geven is geven. Je vertrouwt elkaar wel, je bent nette mensen onder elkaar. Maar je geeft het toch tegelijk: zo de brief, en zo de honderd pond.

—Maar ik wil niet dat je hier terugkomt: ik *wil* het niet, zeg ik je...

Nou, dat was goed, dat was niet vermoeiend. Swell kwam dus zelf de honderd pond brengen. Morgen?

—Ja, morgen. Morgenavond, zeker. En ga nu weg, in Godsnaam, ga weg...

Hij duwde zijn demon snel de deur uit en beloofde: morgen, morgenavond. Daarna zocht hij Annie op. Hij wilde heel graag weten of zij de lakei van Sir Archibald kende.

—Wie was die man? vroeg hij haar brutaal.

Hij deed het als een speler die op een gevaarlijk moment een hoge troef speelt.

Maar ze wist het niet. Ze was verbaasd dat meneer hem niet kende. Had hij meneer lastiggevallen?

—Ja, een bedelaar, zo'n nette bedelaar.

Hij zag er toch zo netjes uit, als een heer.

—Wees voortaan wat voorzichtiger, zei Bertie, en laat niet iedereen binnen...

XVIII.

Die avond bleef hij wachten tot Frank thuis zou komen. Alleen snikte hij, urenlang, urenlang. Hij snikte heftig. Hij was bang dat Annie en haar man het zouden horen, want het villaatje was licht gebouwd. Daarom slikte hij zijn snikken in. Toen kreeg hij een knellende hoofdpijn. Het was alsof zijn hoofd zou ontploffen, als een bom. Hij snikte in een enorme ellende. Zijn snikken schokten door zijn hele lichaam, als een ritme van pijn. O, hoe kon hij hieruit komen, uit die poel? Zichzelf doden? Waarom zou hij nog leven in zo'n ellende? En hij keek om zich heen naar een wapen. Zijn handen sloten zich als een schroef om zijn hals... Maar hij had er de moed niet voor, tenminste niet op dat moment. Want toen zijn handen zo knepen, voelde hij een vreselijke pijn. Het bloed steeg naar zijn hersens, die al zo gemarteld waren. En hij snikte harder, omdat hij te zwak was om het te doen.

Het was één uur. Frank zou snel thuiskomen. Hij keek in de spiegel. Hij zag een grauw masker van paars. Hij had grote, natte, vlammende ogen. Bij zijn slapen zaten dikke blauwe aderen, die je zag kloppen onder de dunne huid... Zo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het vragen. O God, *toch* moest hij het vragen!

Hij ging naar zijn kamer, kleedde zich uit en ging rillend in bed liggen. Maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zou gaan. Om tien over half twee kwam Frank thuis. Was hij... God... was hij misschien naar de Rhodes' gegaan! Nee, nee, hij was zeker op de club geweest. Hij ging meteen naar boven, naar bed. Annie en haar man sloten het huis af. Je hoorde de grendels, met een zacht gerammel van metaal.

Na een half uur stond Bertie op. O, als het maar donker was in Franks kamer! Anders zou Frank het zien, dat paarse masker! Door de gang. Een klop.

—Frank.

—Ja, kom binnen.

Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een lampje voor de nacht. Bertie met zijn rug naar het licht. Zou Frank over de Rhodes' praten? Nee, Frank vroeg wat er was. En Bertie begon.

Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich een paar oude schulden herinnerd. Die wilde hij toch betalen voordat ze weggingen. Het speet hem zo: hij maakte zo'n misbruik van Franks goedheid. Kon Frank hem ook geld geven...

—Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we nodig hebben om naar Buenos Aires te komen. Hoeveel heb je nodig?

Hij had honderd pond nodig.

—Honderd pond?! Maar jongen, ik weet echt niet waar ik ze vandaan moet halen. Heb je ze echt nodig? Kun je het niet uitstellen? Of kan ik geen cheque voor je tekenen?

Nee, hij moest het geld in handen hebben, in handen.

—Nou... wacht dan... misschien weet ik er wel iets op... Ja, ja, ik weet er wel iets op. Morgen zal ik wel eens kijken...

—Morgenochtend?

—Heb je ze dan nodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens kijken. Maar ga nu naar bed, want ik heb slaap: we hebben feestgevierd. Morgen zal ik je wel helpen. Ik laat je in elk geval niet in de steek, dat is natuurlijk. Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Laatst had je ook al dertig pond nodig, en toen nog eens dertig pond!

Even bleef Bertie staan, een donkere schaduw tegen het stille licht van de lamp. Toen kwam hij dichterbij. Hij viel neer voor Franks bed, legde zijn hoofd op de deken en snikte, snikte.

—Zeg, ben je gek? Ben je gek geworden? Bertie! Wat is er met je?

Nee, hij was niet gek. Maar hij had zo'n verdriet dat hij zo'n misbruik maakte van Franks goedheid. Vooral nu Frank krap zat met geld. Het waren zulke vieze schulden. Hij wilde liever niet zeggen wat het was. Schulden uit de tijd dat hij wel eens een paar dagen wegliep. Frank wist het nog wel, toch?

—Oude zonden, jongetje! Nou, doe het in het vervolg maar beter. Morgen zullen we je wel helpen. Huil nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al: we hebben nogal wat gedronken... Kom, hou nu op, zeg.

Bertie stond op en greep Franks hand. Hij wilde hem bedanken.

—Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg...

En hij ging. In zijn kamer hoorde hij Frank al snel snurken, door de dunne wand heen. Zelf bleef hij op de rand van zijn bed zitten. Nog eens sloten zijn handen zich als een schroef om zijn hals... Maar het deed te veel pijn, in zijn hersens.

O God, hoe is het mogelijk dat ik ben zoals ik ben! dacht hij.

### Woordenlijst

- **bien-être**: (Frans) een prettig gevoel van warmte en rust.
- **laf**: zonder moed; bang om iets moeilijks te doen.
- **de kasplant**: een plant die binnen in een warme glazen kas groeit en niet tegen kou kan.
- **de schakel**: een ring van een ketting; hier: één gebeurtenis die tot de volgende leidt.
- **het noodlot**: een macht die bepaalt wat er met mensen gebeurt; je kunt er niet aan ontsnappen.
- **de intuïtie**: een gevoel waardoor je iets doet of zegt zonder erover na te denken.
- **de conventie**: een afspraak of gewoonte tussen mensen over wat goed en netjes is.
- **de sfinx**: een oud beeld van een leeuw met een mensenhoofd; het staat voor een groot raadsel.
- **de cab**: (Engels) een taxi met een paard.
- **gescalpeerd**: de huid met het haar van iemands hoofd afgesneden.
- **de aanstaande**: de man of vrouw met wie je gaat trouwen.
- **de divan**: een lage, brede bank met kussens.
- **de escapade**: een keer dat iemand stiekem wegloopt om iets te doen wat niet mag.
- **vie de bohême**: (Frans) een vrij, onregelmatig leven zonder vast geld, zoals van arme kunstenaars.
- **de klaploper**: iemand die leeft van het geld van een ander.
- **het sujet**: een persoon met een slecht karakter.
- **de heraldiek**: de studie van familiewapens en stambomen.
- **de speldenprik**: een kleine, gemene opmerking die een beetje pijn doet.
- **een gevallen engel**: een engel die uit de hemel is gestuurd; mooi, maar ook treurig.
- **het vermoeden**: een idee dat iets waar is, zonder dat je het zeker weet.
- **de sortie**: (Frans) een lange mantel die een vrouw 's avonds over haar jurk draagt.
- **poudre de riz**: (Frans) fijn wit poeder voor het gezicht, gemaakt van rijst.
- **het skating-rinkje**: (Engels) een vrouw die je op de skating-rink ontmoet en die geld krijgt van rijke mannen.
- **de etiquette**: de regels voor beleefd en netjes gedrag.
- **liberaal opgevoed**: met veel vrijheid opgevoed, ook in wat je mag lezen en weten.
- **het doolhof**: een plek met veel paden, waar je makkelijk verdwaalt.
- **schermen**: vechten met een lang, dun zwaard, als sport.
- **de maagdelijkheid**: het nog nooit seks hebben gehad.
- **de hypnose**: een toestand als slaap, waarin iemand doet wat een ander wil.
- **het vonnis**: de beslissing over je straf; hier: het harde antwoord dat ze vreest.
- **de cocotte**: een vrouw die geld krijgt van rijke mannen voor liefde.
- **dwepen**: overdreven en dromerig enthousiast zijn over iets of iemand.
- **de martelares**: een vrouw die veel lijdt, vaak voor haar geloof of liefde.
- **de drift**: plotselinge, hevige woede.
- **de toverkring**: een cirkel met een magische kracht, waar je niet uit kunt.
- **de orkaan**: een heel zware storm.
- **platonisch**: zonder lichamelijke liefde; alleen vriendschap van de ziel.
- **decadent**: ziekelijk verfijnd en zwak, niet meer gezond.
- **het boudoir**: een klein, chique kamertje voor een dame.
- **het sonnet**: een kort gedicht van veertien regels.
- **de schurkenstreek**: een gemene, oneerlijke daad.
- **de verrader**: iemand die een ander in het geheim verraadt.
- **de lakei**: een knecht in een groot huis, die de deur opendoet.
- **opdokken**: betalen, geld geven.
- **de livrei**: de vaste kleren van een knecht in een rijk huis.
- **de sixpence**: (Engels) een kleine Engelse munt.
- **het materialisme**: alleen denken aan geld, eten en gemak.
- **zich van kant maken**: zelfmoord plegen.
- **de malaise**: (Frans) een somber, naar gevoel.
- **de woekerplant**: een plant die om een andere plant groeit en die zwak maakt.
- **de bohémien**: (Frans) iemand die een vrij leven leidt, zonder vaste regels of vast geld.
- **de demon**: een boze geest, een duivel.
- **de cheque**: een papier waarmee je geld van de bank kunt laten betalen.

## Hoofdstuk IV

I.

Twee volle jaren lang hadden ze rondgezworven. Ze waren van Amerika naar Australië getrokken, en van Australië terug naar Europa. Ze waren pijnlijk onrustig geweest. Ze vonden geen nieuwe doelen in hun leven. Ze vonden niet het waarom van hun bestaan. En ze vonden ook niet het waarom van alle plaatsen waar ze doorheen reisden, en van alle luchten die ze inademden. Eerst was het een leven zonder strijd om geld. Ze sleepten het met zich mee, beladen met hun gedeelde ellende. Ze leefden alleen hun verdriet, en ze maakten zich geen zorgen over geld en andere praktische dingen. Maar toen kwam de groeiende angst om geld. Ze merkten tot hun schrik dat er geen geld meer kwam uit Europa, al maanden niet, maanden niet... Er waren vervelende zaken met bankiers daarginds. Er gingen brieven heen en weer. Er kwam klap op klap. Het fortuin had al te lang te veel geld laten opbranden, als dure gouden wierook. Nu ging het bijna helemaal in rook op. Ze zagen in dat ze werk moesten zoeken om van te leven. Ze hadden gewerkt in fabrieken, bij verzekeringsmaatschappijen, bij kranten en waar niet al. Ze hadden gevochten om niet ten onder te gaan in datzelfde leven, dat voor hen zonder doel en vol pijn was.

Ze hadden uren van angst gekend, en lange dagen van armoede na elkaar, zonder uitweg, met de herinnering aan White-Rose... Toch hadden ze niet teruggewild naar White-Rose. Ze waren langzaam onverschillig en verdoofd geworden. Ze waren bang voor de toekomst en vochten om te leven, maar dat deden ze vooral uit instinct. Het zat in hen, het was aangeboren en een beetje geërfd. Het kwam niet uit een echte drang of een eigen behoefte.

En in die onverschillige verdoving had Bertie een zacht gevoel gekend, een tedere blijdschap, iets heerlijks, dwars door zijn minachting voor zichzelf heen. Frank had klappen gekregen en ze moesten nu werken voor hun brood. Toch was bij Bertie niet de gedachte opgekomen om Frank aan zijn lot over te laten. Hij had niet gedacht: ik loop weg, "omdat de boel op was". Die gedachte, Frank in de steek laten, was niet vanzelf in hem opgekomen. Daar was hij blij om. Later had hij er wel over nagedacht. Maar toen voelde het als een gedachte die niets met hem te maken had, die eigenlijk niet in hem zat. Nee, hij had bij Frank willen blijven. Misschien kwam dat door zijn poezennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank. Maar het kwam ook door iets anders, iets ideaals, een licht soort enthousiasme. Hij vond het heerlijk om bij Frank te blijven, nu Frank geen cent meer had. En ze hadden samen gewerkt. Als broers deelden ze het zware werk en het geld dat ze verdienden.

Twee volle jaren! Nu waren ze terug in Europa. Engeland vermeden ze. Ze waren teruggekeerd naar hun geboorteland Holland, naar Amsterdam en Den Haag. Ze voelden allebei een vreemd verlangen. Vroeger hadden ze die plaatsen verlaten, omdat ze er genoeg van hadden en hun weg door de wereld wilden vinden. Nu wilden ze die plaatsen terugzien. Ze sleepten hun gebroken levens erheen, alsof ze daar genezing hoopten te vinden, een wondermiddel, een troost voor het leven. Ze hadden een beetje geld gespaard. Daardoor konden ze een paar zomermaanden rusten. Ze gaven hun handjevol geld zuinig uit in een korte zomerpauze. Zo hadden ze in Scheveningen een paar kamers gehuurd in een villa. Die villa lag links van het Oranje-Hôtel en keek uit op de zee. De zee was hun steeds veranderende uitzicht geworden. Daar keken ze naar, terwijl ze lui zaten te dromen in de zomer. Ze gingen maar weinig naar links, naar de drukte van het Kurhaus en het strand. Frank bleef daar urenlang zitten, op het balkon, in een rieten stoel, met zijn benen op de balustrade. De blauwe krullen van zijn sigarenrook dreven even om hem heen. Hij voelde dat hij suf werd. Hij had niet veel verdriet meer en had zich bij zijn nutteloosheid neergelegd. Soms dacht hij nog aan vroeger. Dan voelde hij een droefheid die geen pijn meer deed. Als hij stijf werd van het nietsdoen, oefende hij aan ringen of aan een rekstok. Hij werkte met halters, of hij schermde wat met Bertie. Hij had het Bertie zelf geleerd. Hij zag er goed en gezond uit, en hij was nog wat zwaarder geworden. Hij had een rode, gezonde kleur onder zijn licht gebruinde huid. In zijn lichtgrijze ogen lag een zachte somberheid. En onder zijn goud glanzende snor was bijna niets bitters te zien.

Maar Bertie leed nog meer. Hij keek uit over de halve cirkel van de zee. Hij zag die zee naar zich toe golven, eindeloos rollend in groen, blauw, grijs, paars en een zachte parelkleur. Daarboven stond de hoge, ronde hemel, vol wolken die eindeloos van vorm veranderden. Er waren dikke grijze en witte massa's die in en uit elkaar krulden, zilveren veren van wind, dunne pluimen, dons, schuim van de lucht. Dan voelde hij het alsof zijn noodlot met de zee naar hem toe kwam. Het leek of het niet te ontlopen was. Hij wachtte tot het zou komen. Hij voelde het zo sterk naderen dat hij soms helemaal één groot wachten werd. Dan zat hij roerloos in zijn rieten stoel, met zijn ogen op het wijde water.

II.

Zo was het gebeurd dat hij daar op een dag zat en beneden op het strand iets zag. Tussen de bossen helmgras op de zandgele helling van het duin door zag hij twee silhouetten over het strand lopen, een man en een vrouw. Ze waren allebei donker en fijn, als inkttekeningen tegen het vale zilver van de zee. Plotseling bruiste er angst door zijn lichaam, door zijn hart, omhoog naar zijn keel en zijn slapen. Maar een zoute zeegeur waaide van beneden naar boven. De frisse geur drong door tot in zijn hersens. Daardoor werd het daar heel helder, ondanks zijn angst, alsof er zuivere lucht in zijn hoofd kwam. Tot in de fijnste kleuren en lijnen zag hij alles. Hij zag de zilvergrijze, half ovale zee, als een glinsterend, vloeibaar wereld-ei. Er speelde parelmoer tussen de schuimkoppen van de golven. De zee was nauwelijks somber onder de bewolkte lucht. De wolken rafelden en scheurden uit elkaar, verschoten grijs, als wollig fluweel. Rechts zag hij een stuk van de voorgevel van het Kurhaus. Het keek dom en trots naar de zee, met de starre ogen van zijn ramen. Verderop, bij het water, lagen de pinken als grote notendoppen. Aan hun masten hingen zwarte netten, als zwarte tule. Elke pink had een klein vlaggetje dat lief en kinderlijk in de lucht krulde. Op het terras en ook op het strand zaten zomergasten tussen een warboel van gele stoelen. Ze vormden samen vlekken als op een waterverfschilderij, teer van kleur, zacht bont. Duidelijk zag hij *hier* een scheur openwaaien in het rode zeil van een pink. *Daar* zag hij een lint fladderen uit een rieten strandstoel. Verderop pikte een meeuw met zijn snavel even iets uit het schuim. Zo zag hij veel kleine dingetjes, kleurig en fijn getekend, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht. Ze waren goed te zien in het zachte, bewolkte daglicht zonder zon. En de twee silhouetten, de man en de vrouw, werden groter. Ze kwamen langs de zee dichterbij, tot ze recht onder zijn blik liepen.

Hij herkende hen aan de vorm van hun lichamen en aan een beweging. De man herkende hij doordat hij zijn hoed afnam en over zijn voorhoofd veegde. De vrouw herkende hij aan de manier waarop ze haar parasol hield. Ze liet de stok op haar schouder leunen, en met haar hand hield ze sierlijk een punt van het scherm vast. Toen hij hen herkende, leek het of zijn hoofd lichter en lichter werd. Het was alsof hij duizelig uit zijn stoel omhoog zou zweven en ergens heen zou drijven, over de zee... Maar slap viel hij terug, heel slap. Voor zijn knipperende ogen trilden lichtjes, als dansende vraagtekens, van het staren. Wat moest hij doen? Een slimme list bedenken? Proberen Frank hier weg te lokken? Vluchten? O, wat was de wereld klein! Waren ze daarvoor zo rusteloos de hele wereld rondgezworven? Om bij de eerste rustpauze juist *dat* tegen te komen, waar hij het meest bang voor was? Was het toeval of Noodlot? Nee, Noodlot... Maar dan... was hij eigenlijk wel bang?

En in zijn slapheid zag hij heel duidelijk dat hij *niet* bang was. Er was een grote onverschilligheid in hem. Hij was zo moe van de pijn om zichzelf dat hij niet meer kon vechten. O, hij was te moe om bang te zijn. Hij zou afwachten wat er zou gebeuren. Het moest gebeuren. Het was niet te ontlopen: Noodlot, Noodlot... O, die slappe rust! Gewoon blijven zitten, roerloos, zonder kracht, zonder wil, met dat wijde water van grijs zilver voor zich. En wachten tot het zou komen... Niet meer vechten voor zichzelf en niet meer bang zijn voor zichzelf. Maar geduldig wachten, en altijd zo blijven wachten! Het zou komen, zoals de vloed van die zee. Het zou over hem heen gaan, zoals het schuim over dat zand. En dan zou het weer terugwijken. En dan was het misschien uit met hem: verdronken, vergaan... Een golfje van de tijd zou over hem heen spoelen en hem zijn adem afnemen. Daarna zou die tijd verder golven... eindeloos. Dwaze tijd, nutteloze eeuwigheid...

—Ik wou dat ik het niet *zo* sterk voelde! dacht hij met pijn. Het is zo dwaas dat ik het *zo* voel! Misschien gebeurt er niets en word ik honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit kan ik niet ontkennen, dit is een feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar... als het *moest* komen, zou ik het juist *niet* voelen: het komt altijd onverwacht. Het is alleen maar ziekelijkheid van me, zenuwen, overspanning... Eigenlijk kan het me ook niet schelen, helemaal niets schelen. De lucht is mooi en zacht bewolkt, en daar drijft een wolkje... En ik wil zo blijven zitten, zonder angst, en rustig... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over het water. En ik wil wachten, wachten... En kijk, die jongens spelen met een scheepje: het is een klomp. Zou het niet omslaan?

Zonder het te willen keek hij even met belangstelling naar het spel. Toen keek hij weer naar de man en de vrouw. Ze waren nu heel duidelijk te zien, recht onder zijn blik. Ze liepen voorbij zonder iets te weten, zonder gevoel, als marionetten.

—Jawel, maar *ik* weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt het misschien. Maar... met hen gaat het misschien ook weer weg, zomaar, als een dreiging. En zo zal ik wachten, want het kan me niets schelen. Als het uit moet zijn, dan is het uit.

Nu verdwenen ze uit zijn zicht. Ook de jongens waren verder gegaan met hun scheepje. Het strand was voor Bertie leeg geworden, heel wijd, als een woestijn. En plotseling ging er een hevige rilling door hem heen, als koorts. Bevend stond hij op. Zijn gezicht was heel wit en zijn benen wankelden. De angst had hem opeens helemaal in zijn macht. Grote druppels zweet stonden op zijn voorhoofd.

—O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het verschrikkelijk gemaakt. Het leven is om van te huiveren. Ik ben bang. Wat zal ik doen. Weglopen... Ach nee, ik zal maar wachten. Kan het me dan iets schelen? Nee, niets! Niets, Niets! Daar waren ze allebei, zij en de vader... Ik ben wel bang. O, als het moet komen, God, o God, laat het dan maar gauw komen...

Toen leek het hem alsof zijn ogen zich vergist hadden, en alsof zij het niet waren geweest. Onmogelijk! Maar toch *wist* hij dat ze het *wel* waren. De angst bleef in zijn borst kloppen, regelmatig, met harde hartslagen. En hij verbaasde zich er nu erg over dat hij nog oog had gehad voor het scheepje van die jongens. Terwijl daar beneden Eve liep, met Sir Archibald! Zou het niet omslaan? Dat had hij gedacht, van dat scheepje.

III.

Twee weken vol hete, verschroeide zomerdagen sleepten voorbij. Al die tijd wachtte Bertie. Hij was steeds te moe om ook maar iets te proberen. Hij probeerde Frank niet over te halen om hier weg te gaan. Misschien was één woord genoeg geweest. Maar hij sprak dat woord niet uit. Hij wachtte, en langzaam kwam hij onder de betovering van dat wachten. Het was alsof hij hoopte op het geheim van een spannende toekomst. Hadden zij elkaar nog niet ontmoet? Zouden ze elkaar ontmoeten? En als ze elkaar ontmoetten, zou er dan iets gebeuren? Het ene hangt onvermijdelijk vast aan het andere, dacht hij: aan niets is iets te doen!

Frank had de gewoonte veel thuis te blijven. Hij leefde stil tussen zijn sombere dromen en zijn gymnastiek. Met de zomerdrukte buiten, op het strand en het terras, bemoeide hij zich niet. Zo waren er twee weken voorbijgegaan. Hij had niet gemerkt dat zij heel dicht bij hem was, zij voor wie Bertie zo bang was! Zelfs geen spoor van een voorgevoel had Frank doen trillen in zijn zachte somberheid. Rustig had hij dezelfde zeelucht ingeademd die zij inademde. Hij voelde niet dat er iets van haar geur in die lucht dreef. Hij zag de afdruk van haar schoentje niet op het strand, vlak onder zijn villa. Hij zag het kant van haar parasol niet, dat vlak voor zijn ogen fladderde, terwijl hij rustig rookte met zijn benen op de balustrade. Ze moesten vaak tegelijk naar dezelfde stoomboot hebben gekeken. Die gleed bijna bij de horizon fijn voorbij, als een uitgeknipt plaatje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook. Hun blikken merkten elkaar niet op, maar ze kruisten elkaar toch zeker ergens boven de zee.

Na die hete weken kwam er een vuile, grijze dag zonder zon. Hoog in de lucht dreef de regen in opgezwollen wolken, als in bolle zakken water.

Frank liep langs het strand, langs de zee die onrustig woelde. Hoger op het strand stonden de strandstoelen nog, dicht bij elkaar. Ze waren bijna al weggehaald. Er waren weinig mensen. Een eenzame wind klaagde over het water. Het was een herfstdag, vol verlatenheid, een dag waarop de zomervreugde wegstierf. Hij wandelde langzaam verder, met het huilen van de lucht om zijn oren. Toen zag hij haar naderen. Haar rokken waaiden uit en haar linten fladderden weg. Ze kwam naar hem toe. En hij... o God! hij herkende haar!

Het voelde alsof er plotseling een rots op zijn borst werd gegooid, met een reusachtige worp. Alsof hij eronder lag, verpletterd en zonder adem. Pijn en blijdschap kookten tegelijk in hem. Het trilde door zijn bloed en zijn zenuwen en steeg duizelend naar zijn hoofd. Zonder het te willen bleef hij staan. En zonder het te willen zei hij het. Door de afstand kon ze het nog niet horen. Het ging ook verloren in het huilen van de wind:

—Eve, mijn God, Eve!!

Maar toen was er geen afstand meer. Nu stond ze vlak bij hem. Ze leek heel kalm. Want zij had hem die ochtend al gezien, zonder dat hij *haar* had gezien. Ze had haar eerste emoties al doorgemaakt. Ze had daar lang in de wind gelopen, dicht bij de villa waar ze hem naar binnen had zien gaan. Ze hoopte hem nog te ontmoeten. Snel ging het door zijn hoofd: moest hij haar groeten met zijn hoed, als een vreemde? Of moest hij dat niet doen? Moest hij net doen of het hem niets deed? Of hij niet geraakt was door een toevallige ontmoeting, en zich niets herinnerde van wat er was gebeurd? En in zijn bevende ontroering verbaasde hij zich toch nog. Ze kwam zo recht op hem af, zonder aarzelen, vastberaden, alsof hij haar doel was. In één seconde drukte haar bleke, ernstige gezicht met de donkere ogen zich in hem af, levend en trillend. Hij zag haar helemaal en nam haar helemaal in zich op. Het was alsof hij haar met zijn ziel verslond.

—Frank! zei ze zacht, vlak voor hem.

Hij gaf geen antwoord. Hij rilde van ontroering. Hij kon bijna niets zien door de tranen die in zijn ogen kwamen. Ze glimlachte droevig.

—Herken je me niet meer? zei ze, met haar stem van zacht zilver.

Hij knikte en zei onhandig zacht iets. Onhandig stak hij zijn hand uit.

Ze drukte die zacht en ging verder, steeds met haar zachte stem, die klonk als een echo:

—Neem me niet kwalijk dat ik je zo aanspreek, maar ik zou je graag iets willen zeggen. Ik ben blij je hier te ontmoeten, hier in Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig... Er is een misverstand tussen ons geweest, Frank, en er zijn lelijke woorden gevallen. We zijn nu wel uit elkaar, maar toch zou ik met je willen praten. Ik wil je vergeving vragen voor wat ik toen gezegd heb...

De tranen zaten in haar keel. Ze kon zich bijna niet meer inhouden. Maar ze *dwong* haar ontroering terug. Rustig bleef ze voor hem staan, zo dapper als een vrouw kan zijn. Ze was dapper, met haar zachte glimlach. Daarin lag een rustige overgave, zonder hoop. Ze deed niet gemaakt, ze was flink en eenvoudig.

—Neem het me dus niet kwalijk dat ik je aanspreek. En laat me je vragen of je me wilt vergeven, als ik je ooit gekwetst heb. En of je voortaan een zachtere herinnering aan me wilt bewaren.

—Eve, Eve! stotterde hij. Vraag jij mij om vergeving? Ik was het, *ik* was het, die...

—O nee! zei ze heel zacht. Je bent het vergeten. *Ik* was het... Vergeef je het me?

Nu stak zij zelf eenvoudig haar hand uit. Hij drukte die, met een grote snik die in zijn keel klonk.

—Dank je, zo is het goed, ging ze verder. Ik heb ongelijk gehad. Waarom zou ik dat niet toegeven? Ik geef het eerlijk toe. Wil je papa niet eens komen opzoeken? We logeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen? Loop anders met me mee. Papa zal het leuk vinden.

—Goed, goed, stotterde hij. Hij liep nu naast haar.

—Maar neem ik je niet bij iemand weg? Misschien wacht er iemand op je. Misschien ben je in die tijd... getrouwd.

Ze dwong zich om hem recht aan te kijken, met haar zachte glimlach. Om haar lippen lag een bleke, droeve lieflijkheid. Haar stem was zacht en vlak, zonder veel belangstelling. Maar hij schrok van haar woorden. Want ze bevatten iets wat nooit in hem was geweest: een vreemde gedachte. Zij plantte die gedachte in hem, maar die kreeg geen wortels. Ze verwelkte meteen.

—Getrouwd?! O Eve, nee, nee, nooit, stotterde hij smekend.

—Nou, het had toch gekund, zei ze zacht en rustig.

Ze liepen een tijdje zwijgend verder. Maar na een paar passen hield ze het niet meer. De toon van zijn laatste woorden had haar gebroken. Ze begon zachtjes te snikken, als een nerveus kind, met regelmatige snikjes. Ze liepen door, en haar tranen maakten haar witte sluier nat.

Vlak voor het hotel bleef ze staan. Even had ze zichzelf weer in de hand, en ze zei:

—Frank, zeg het me eerlijk: vind je het niet verkeerd van me dat ik je heb aangesproken? Ik twijfelde of ik het zou doen. Maar ik wilde zo graag toegeven dat ik ongelijk had, en je om vergeving vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik iets gedaan heb wat een ander meisje misschien niet had gedaan?

—Verachten!! Ik jou verachten! zei hij snikkend.

Maar hij moest zich meteen inhouden. Want er kwamen een paar wandelaars op hen af. Het waren er maar weinig, op die dag van wind en dreigende regen. Ze liepen nog een paar passen verder. Ze bogen hun hoofd onder de blik van die vreemden, als misdadigers. Toen gingen ze het hotel binnen.

IV.

Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen alleen, en meteen begon Eve:

—Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen.

Verbaasd ging hij zitten. Haar toon was zakelijk geweest. Ze had haar ontroering weggedrukt. Ze leek even na te denken, alsof ze iets logisch wilde uitleggen.

—Frank, zei ze. Je hebt toch eens een brief aan papa geschreven. Is dat zo?

—Ja, knikte hij treurig.

—Is dat zo? riep ze heftig.

—Ja! herhaalde hij. Eén keer aan Sir Archibald en twee keer aan jou.

—Ook nog twee keer aan mij? riep ze vol pijn.

—Ja, knikte hij weer.

—En je kreeg geen antwoord, ging ze rustiger verder. Heb je er ooit over nagedacht waarom?

—Waarom?... herhaalde hij verbaasd. Omdat je boos was, omdat ik zo ruw was geweest...

—Nee, zei ze, en ze schudde beslist haar hoofd. Gewoon hierom: omdat wij die brieven nooit hebben gekregen.

—Wat? riep hij uit.

—Omdat wij die brieven nooit hebben gekregen. Onze knecht William had er blijkbaar belang bij om ze achter te houden.

—Belang? herhaalde Frank, dom en in de war. Waarom?

—Ik weet het niet, ging Eve verder. Ik weet alleen dit. Onze meid, Kate, je weet wel, kwam eens huilend bij me. Ze vertelde dat ze niet meer bij ons wilde blijven. Ze was bang voor William, want hij had gezegd dat hij haar zou vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was. Toen vertelde ze me dat ze eens een brief naar papa wilde brengen, een brief in jouw handschrift: ze kende je handschrift. Vlak bij de deur kwam William achter haar aan. Hij rukte de brief ruw uit haar hand. Hij zei dat *hij* hem wel naar binnen zou brengen. Maar in plaats daarvan stak hij de brief in zijn zak. Ze vroeg hem wat dat betekende. Toen kregen ze ruzie, en sindsdien was ze bang voor William. Ze had me dit al lang willen vertellen, maar ze durfde niet, uit angst voor hem. We hebben William ondervraagd. Hij werd brutaal en voelde zich beledigd, omdat we twijfelden aan zijn eerlijkheid. Daarna liet papa zijn kamer doorzoeken. Hij wilde zien of William nog meer brieven of andere dingen had gestolen. Maar er werd niets gevonden, geen gestolen dingen en geen brieven. Ook de brief aan papa niet. Dat was dus blijkbaar de laatste van de drie die je ons schreef?

—Ja, knikte Frank, helemaal in de war.

—Papa heeft William weggejaagd. En... wat wilde ik je ook nog zeggen? God, ik weet het niet meer... Dus je hebt ons drie keer geschreven?

—Ja, drie keer, zei Frank.

—En wat schreef je? vroeg ze. Weer snikte ze zacht en regelmatig in haar keel.

—Of je me wilde vergeven, of... of alles weer kon worden zoals het was. Ik gaf toe dat ik ongelijk had.

—Dat had je niet.

—Misschien. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zo. Ik wachtte en wachtte op één woord van jou of van je vader. En ik kreeg niets.

—Nee, niets! snikte ze. En toen?

—Wat had ik toen dan moeten doen?

—Waarom ben je niet zelf gekomen? O, waarom ben je niet eens zelf naar ons toe gekomen! zei ze zacht, vol pijn en verwijt.

Hij zweeg even. Hij probeerde zijn gedachten te verzamelen, maar hij wist het niet meer.

—Zeg, Frank? smeekte Eve. Waarom ben je niet zelf gekomen?

—Ik weet het niet meer! zei hij suf.

—Heb je daar dan geen enkel moment over gedacht?

—Ja, jawel! stotterde hij.

—Maar waarom dan niet?

Hij barstte in snikken uit. Hij slikte zijn tranen in en wist zich geen raad.

—Omdat ik gebroken was. Omdat ik me zo ongelukkig voelde, zo vreselijk ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen, over van ze houden en al dat soort dingen. En toen... toen met jou...!! Het was zo nieuw, zo fris voor me. Ik voelde me als een jongen. Ik was verliefd op je en ik hield van je. En niet alleen omdat je mooi was, maar om alles wat je zei of deed. Omdat je was zoals je was, altijd zo kalm en zo lief... o God, ik aanbad je. En toen kwam dat allemaal, dat getwijfel en die nare dingen. Ik weet het nu allemaal niet meer. En ik voelde me toen zo alleen en zo gebroken. Ik wilde toen alleen nog maar doodgaan, o Eve, Eve!

—Je had dus spijt! En je kwam niet bij me?

—Nee!

—God, waarom niet?

—Ik heb wel willen komen!

—Waarom heb je het dan niet gedaan?

Weer dacht hij even na, weer suf.

—O ja, nu geloof ik dat ik het weet! zei hij langzaam. Ik wilde naar je toe gaan, en toen zei Bertie...

—*Wat* zei Bertie?

—Dat hij het misselijk van me zou vinden als ik ging. Laf, laag en misselijk.

—Waarom?

—Omdat jij me niet vertrouwd had.

—En toen?

—Toen... toen gaf ik hem gelijk, en toen ben ik niet gekomen.

Ze wierp zich wild op een bank. Ze brak onder haar verdriet, dat steeds maar in haar snikte en snikte.

—Dus omdat Bertie dat zei...! riep ze verwijtend.

—Ja, alleen om hem! zei hij dof. O God, alleen om hem...

Ze zwegen. Toen ging Eve rechtop zitten. Ze rilde. Haar gezicht was wit, alsof er geen bloed meer in zat. Haar ogen staarden met krankzinnige blikken, als van oud, dof glas.

—O Frank! riep ze. Frank, ik word zo bang! Daar komt het!

—Wat is er? vroeg hij, zacht geschrokken...

—Ik voel het over me heen komen! kreunde ze. Het is net een ver geluid van donder. Het dreunt zo in mijn oren en in mijn hoofd. O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!! Het dondert boven me!!!

Gillend sloeg ze nerveus en angstig met haar arm in de lucht, alsof ze iets wegduwde. Haar hele tengere lichaam schudde, als door geheimzinnige elektrische schokken. Haar adem ging met stoten door haar keel. Toen wankelde ze. Hij dacht dat ze flauw zou vallen en ving haar op in zijn armen.

—Eve, Eve! riep hij.

Ze liet zich zonder verzet door hem naar de bank trekken. Ondanks haar hallucinatie was ze gelukkig in zijn armen. Ze bleef daar tegen hem aan zitten, in zijn arm, en drukte zich tegen zijn borst.

—Eve, toe, Eve! smeekte hij. Wat heb je?

—Het dreunt nu weg, fluisterde ze, bijna niet te horen. Ja, nu, nu is het weg... Dat komt de laatste tijd zo over me, heel vaak. Het komt aanbruisen, heel langzaam en zachtjes. En dan bruist het donderend boven mijn hoofd. En dan sterft het weg, ver weg... En daarna ben ik zo bang. Het is alsof het een angst is die over me heen bruist en die me zo bang maakt. Wat zou het zijn?

—Ik weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij.

—O, houd me zo vast, smeekte ze lief. Houd me zo tegen je aan. Anders, als ik alleen ben en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zo doodsbang achter. Maar nu, nu heb ik jou. Nu heb ik je weer. Je zult me niet meer van je af gooien, en je zult me beschermen, je arme kind, je Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weer! Ik voelde dat ik je ooit terug zou krijgen. Elke zomer drong ik er bij papa op aan om naar Scheveningen te gaan. Ik had zo'n idee dat jij ook weer eens naar Holland zou komen, naar Den Haag, naar Scheveningen. En dat het hier zou zijn, als we elkaar moesten ontmoeten... En nu is het ook zo gebeurd, en nu heb ik je weer... Houd me dicht tegen je aan, zo, in allebei je armen, in allebei... Dan zal ik niet meer bang zijn...

Ze kroop dichter en dichter tegen zijn borst aan, met haar hoofd op zijn schouder. En toen zei ze, met de stem van een kind:

—Kijk eens! Ze liet hem haar pols zien.

—Wat? vroeg hij.

—Dat litteken... Dat heb jij gedaan.

—Heb ik...!

—Ja... Je had me *zo* bij mijn polsen vast...

Hij voelde zich verdrietig, zonder troost, ook al had hij haar nu terug. Hij kuste de smalle streep van het litteken met kleine kusjes. Ze lachte even.

—Het is een armband! grapte ze.

V.

Maar plotseling schrok hij op.

—Eve... begon hij. Hij dacht na. Wie? Waarom?

—Wat? vroeg ze. Ze lachte zacht en was wat moe na die hallucinatie van donder.

—Die brieven en William... Waarom? Wat kon het William schelen? Wilde hij ze alleen maar lezen, uit nieuwsgierigheid?

—Dan had hij die ene brief toch niet zo ruw uit Kates hand gerukt. Nee, nee...

—Geloof je dan dat hij er belang bij had...

—Ja...

—Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet?

—Misschien deed hij het...

—Wat, Eve?

—Voor een ander.

—Voor wie? Wat kunnen mijn brieven een ander schelen? Wie kan er belang bij hebben dat ze niet aankwamen?

Ze ging even rechtop zitten en keek hem lang aan voordat ze sprak. Ze was heel bang voor wat ze hem ging vragen.

—Weet je echt niemand? vroeg ze.

—Nee.

—Wist niemand van je brieven?

—Alleen Bertie.

—O, alleen Bertie! zei ze dof.

—Maar Bertie... toch niet? vroeg hij. Hij was zelf boos, omdat het idee zo onmogelijk was.

—Misschien... fluisterde ze, bijna niet te horen. Misschien Bertie...

—Onmogelijk, Eve! Waarom! Wat? Hoe?

Ze zakte weer terug en leunde tegen hem aan zoals eerst. Ze rilde nog na van die donder die was weggerold. En ze zei:

—Ik weet het niet, ik dacht alleen maar... Ik heb er twee jaar lang elke dag aan gedacht. En toen vond ik veel raadselachtige dingen in Bertie. Dingen die ik vroeger niet raadselachtig vond, en zelfs aardig. Je weet, we praatten vaak samen, zelfs alleen. Je was soms wat jaloers, maar daar had je nooit de minste reden voor. Want er is nooit *dat* tussen ons geweest. We waren altijd als broer en zus. We praatten veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht. En toen leek het me dat Bertie...

—Dat Bertie...?

—Dat hij niet zo over je sprak als een goede vriend zou doen. Ik weet het niet... Tijdens die gesprekken kwam die gedachte nooit bij me op. Want Bertie had zo'n stem en zo'n manier van praten... Ik dacht dan dat hij het goed met ons meende en dat hij veel van ons hield. Maar ik dacht ook dat hij bang was dat er iets zou gebeuren als we trouwden: een ongeluk, een ramp. Hij leek te vinden dat we niet moesten trouwen. Toen ik later over zijn woorden nadacht, heb ik dat erin gevoeld. Hij leek echt te vinden dat we... dat we niet moesten trouwen.

Ze sloot haar ogen. Ze was heel moe van het rondzwerven in dat geheimzinnige verleden. Ze zuchtte en streelde zijn hand, die ze in de hare hield. Ook hij zwierf rond in dat doolhof van geheimen, zonder een uitweg te vinden. Ook hij dacht nu terug. Hij herinnerde zich iets van hun laatste dagen in Londen. Hij herinnerde zich de harde woorden van Bertie, toen hij, Frank, had gezegd dat hij naar de Rhodes' wilde gaan. Hij herinnerde zich hoe Bertie had geslijmd en aangedrongen om Londen te verlaten en de wereld rond te zwerven... Zou Bertie...? Had Bertie er belang bij...? Maar hij zag het niet. Hij was te eenvoudig in zijn vriendschap. Hij was onpraktisch en gaf zonder na te denken. Hij had nooit geld geteld. Hij had het altijd gedeeld met een ander, omdat hij veel had en die ander niets. Hij zag het niet, omdat hij daar nooit over had nagedacht. Alles wat met geld te maken had, liet hem vreemd onverschillig. Die onverschilligheid was als een gat in zijn begrip. Andere mensen hebben zo'n gat als het gaat om politiek of kunst, of wát dan ook. Het zijn dingen waar ze niets om geven en waar geen spoor van in hen zit. Ze schudden er het hoofd over, alsof het abracadabra is. En hij zag het niet.

—Zie je, zo heb ik later gedacht dat Bertie toen vond dat we niet moesten trouwen, herhaalde Eve dromend. En toen, verloren in het geheim dat het leven om haar heen had gesponnen, zei ze:

—Zeg Frank, wat was er toch met hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom wilde je nooit veel over hem praten? Dat heb ik later wel gemerkt, later, in die twee jaren, toen ik zo veel heb nagedacht.

Hij keek haar vol afschuw aan. Een vreselijk verwijt aan zichzelf sneed door hem heen. Want hij had haar nooit verteld dat Bertie niets bezat en van het geld van zijn vriend leefde. Waarom had Frank haar dat nooit willen vertellen? Uit een soort schaamte? Omdat hij zo was, zo onverschillig, zo dwaas gul met iets waar anderen zo berekenend mee omgaan? Zo dwaas gul, ja, gul tot aan de waanzin toe!

Nog steeds keek hij haar vol afschuw aan. Toen flitste er een vermoeden van de waarheid door hem heen. Het was als een korte zigzag van bliksem, dwars door zijn verwijt aan zichzelf. En hij schrok van dat witblauwe licht van de waarheid...

—Eve! zei hij schor. Ik ga naar Bertie toe...

—Naar Bertie toe!! gilde ze. Is hij dan hier!?!

—Ja...

—Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht... Ik dacht dat hij weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen wat er met hem gebeurd was... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek je, Frank, laat hem, ga niet naar hem toe.

—Jawel, Eve, ik moet het hem vragen...

—Frank, o Frank, o God, ga niet! Ik ben bang, ik ben bang... Ga niet!

Hij kuste haar met zijn zachte, treurige glimlach onder zijn gouden snor. In zijn trouwe ogen lag zijn zachte somberheid. Hij kuste haar zacht, heel zacht, om haar gerust te stellen.

—Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm blijven. Maar ik moet het hem toch vragen, nietwaar? Wacht hier op me. Ik kom vanavond terug.

—Blijf je echt kalm? O, ga liever niet...

—Ik beloof het je, ik zal heel kalm blijven, *heel* kalm...

Met al zijn liefde en tederheid omhelsde hij haar, stevig, stevig.

—Je bent dus weer van mij? vroeg hij.

Ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijn ogen, zijn hele gezicht.

—Ja, antwoordde ze. Ik ben weer van jou... Doe met me wat je wilt...

—Tot straks! zei hij.

Toen ging hij. Toen ze alleen was, keek ze huiverend om zich heen, alsof ze zocht naar iets waar ze bang voor was. Ze was heel bang, voor zichzelf en voor Frank, vooral voor Frank. In één seconde groeide haar angst uit tot een ondraaglijke ontzetting. In de gang hoorde ze haar vader aankomen. Ze herkende zijn slepende stap. Ze kon Sir Archibald nu onmogelijk zien. Ze greep een regenjas en wikkelde zich er snel in. Ze trok de capuchon over haar hoofd en rende weg...

Buiten stortregende het.

VI.

Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag meteen dat het gekomen was. Hij zag het aan Franks verwrongen gezicht en hij hoorde het aan de schorre klank van zijn stem. En tegelijk voelde hij hoe zijn slappe wil zich wanhopig wilde spannen, als een veer, om zich te verdedigen. En hij voelde dat het niet lukte.

—Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen.

Bertie zweeg. Zijn benen trilden. Hij bleef roerloos zitten in een brede rieten stoel.

—Ik heb net Eve ontmoet, ging Frank verder, en ik ben met haar naar haar vader gegaan. Sir Archibald vertelde me dat ze hier al een paar weken waren...

Bertie bleef zwijgen. Hij staarde Frank aan met zijn zwarte ogen. Het zwarte diamant van die ogen werd vuil en troebel van angst. Frank bleef voor hem staan en streek met zijn hand over zijn voorhoofd, in de war... Hij had eerst rustig en logisch willen vertellen en daarna kalm een vraag willen stellen. Maar er was iets in Bertie wat hem ergerde, iets wat hij niet kon beschrijven. Het was de slappe houding van Bertie, als van een poes. Voor het eerst in al die jaren dat ze elkaar kenden, ergerde het hem. Het ergerde hem dat Bertie daar half bleef liggen, loom en sierlijk, met zijn mooie hand slap over de leuning van de stoel. Hij zag niet dat die houding op dit moment gespeeld was. Bertie verborg er een veel te sterke emotie mee. En opeens smolt Franks wens om logisch te vertellen en te vragen weg in die ergernis. Er kwam een hevig verlangen in hem op om het snel te weten, snel...

—Luister eens, Bertie. Je weet wel, die brieven die ik vroeger in Londen heb geschreven... Eve vertelde me dat William, hun knecht, ze heeft achtergehouden... Weet jij daar ook iets van?

Bertie zweeg, maar zijn ogen bleven aan Frank hangen. Zijn troebele blik smeekte.

—Niemand wist van die brieven, behalve jij... Kun jij dan ook raden waarom William er belang bij had om ze te laten verdwijnen?

—Nee, hoe zou ik... zei Bertie zacht, half hoorbaar.

—Kom, *allons*, zeg op! ging Frank ruw verder. Al zijn spieren trilden. Je moet er iets van weten, het kan niet anders. Zeg op...

Door de kracht van Franks stem stroomde alle wil om zich te verdedigen weg. Bertie voelde ook bijna geen nieuwsgierigheid naar wat er gebeurd kon zijn waardoor William was verraden. En hij voelde dat het makkelijk zou zijn om zich helemaal over te geven, zonder iets te spelen. Want wat hij al weken vreesde, was nu toch gekomen. Het was onvermijdelijk, het was het Noodlot. Wat er verder zou gebeuren, zou gebeuren, onvermijdelijk... En in die zwakte voelde hij ook een vreselijke droefheid, een treurigheid zonder hoop: dat hij was zoals hij was, en dat alles was zoals het was...

—Nou dan: ja... fluisterde hij, doodmoe. Ik weet het...

—Wat weet je?

—Ik was het, die...

—Die wat...

—Die William heeft omgekocht... om die brieven niet naar binnen te brengen.

Frank bleef hem verbijsterd aankijken. Er trok een nevel over zijn ogen. Alles draaide om hem heen. Hij wist niets meer en begreep niets meer. Hij vergat dat de waarheid even tevoren als een bliksem door hem heen was gegaan.

—Jij!... Jij!... stotterde hij. Mijn God, waarom? Waarom?

Toen stond Bertie wankelend op. Hij snikte, snikte hard.

—Omdat... omdat... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is te vreselijk!

Maar Frank greep hem bij zijn schouders en schudde hem. Met een schorre stem brulde hij:

—Vervloekte schurk, zeg je het nou, waarom? Zeg je het nou, waarom? Of moet ik het uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je het nou eindelijk?

—Omdat... omdat... snikte Bertie. Hij wrong zijn witte handen.

—Zeg het, kom ermee voor de dag, zeg het...

—Omdat ik bij je wilde blijven, en *omdat* ik niet bij je kon blijven als je trouwde... Ik hield van je en... en...

—Zeg op, je hield van me, en toen...

—En je was zo goed voor me. Je gaf me alles. Ik zag er zo tegen op om weer te zwoegen met het leven. Ik had het zo heerlijk bij je. Frank, Frank, luister naar me. Laat me even uitpraten, voordat je iets zegt, voordat je boos wordt. Laat het me uitleggen. Veroordeel me niet voordat je het weet... O God, het was gemeen van me dat ik dat allemaal deed. Maar laat het me je nu eerst zeggen. Word er nog niet boos om, Frank, *voordat* je alles weet, *alles*... Frank, zie me zoals ik ben. Ik ben zoals ik ben. Ik kan er niets aan doen dat ik zo ben. Ik zou graag anders willen zijn... En ik heb gedaan wat ik moest doen. Ik kon er niets aan doen. Ik werd ertoe gedwongen door machten buiten mij. O Frank, ik was zo zwak, zo moe, en ik rustte bij je uit. En, o, je mag het geloven of niet, ik hield van je, ik aanbad je... En jij wilde me wegjagen, zodat ik weer moest zwoegen... Toen, toen heb ik het gedaan... O God, toen heb ik het gedaan... Luister naar me, Frank, laat het me je zeggen. Het moet er nu uit, het *moet* eruit, in één keer... *Ik* liet Eve geloven dat je niet van haar hield. *Ik* zorgde ervoor dat ze aan je twijfelde, dat het *uit* raakte tussen jullie... De brieven, later, hield *ik* tegen... *Ik* deed alles, *alles*, Frank. En ik heb mezelf erom veracht, terwijl ik het deed. Omdat ik niet anders was *dan* ik was. Maar ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal *zo*... O, je begrijpt me niet. Ik ben zo ingewikkeld dat je dat niet begrijpt. Maar probeer het even te begrijpen. Dan *zul* je me begrijpen, en misschien ook wel vergeven, Frank, misschien *ook* wel vergeven... O, ik smeek je, *geloof* toch dat niet alles egoïsme in me is. Geloof dat ik heel veel van je houd, met heel mijn ziel. Zoveel als een man bijna nooit van een andere man houdt, omdat je zo goed voor me was... Ik zal het je bewijzen. Ben ik niet bij je gebleven toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet weggelopen, als ik een egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je. Ik werkte met je samen, we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het niet zo gebleven... Nu heb je haar ontmoet, en nu...

—Heb je nu genoeg onzin uitgeslagen! snoof Frank woedend. Jij deed het dus! Jij vernielde alles wat mooi was in mijn leven!! God, hoe is het mogelijk! Nee, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde hij. Hij was rood van het bloed dat naar zijn hoofd steeg. Zijn ogen puilden uit, en hij lachte vol haat.

Bevend was Bertie op de grond gevallen. Hij bleef maar snikken.

—O, *probeer* dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een mens te zien zoals hij is! Zoals hij is in al zijn troosteloze naaktheid, zonder de mooie schijn van wat hoort! O God, ik *zweer* je dat ik liever anders zou zijn... Maar kan *ik* er iets aan doen dat ik zo ben? Ik word geboren zonder dat ik erom vraag. Ik krijg hersens zonder dat ik het wil. Ik denk, en ik denk anders dan ik zou willen denken. En zo word ik door het leven heen en weer gegooid, als een bal, als een bal... En wat heb ik om me in evenwicht te houden, terwijl ik zo heen en weer word gegooid... Wilskracht? Geestkracht? Ik weet niet of jij zoiets hebt! Maar ik heb nooit, *nooit*, *nooit* zoiets in me gevoeld. En als ik iets doe, moet ik het zo doen, omdat ik het niet anders kan doen. Want ook al wil ik in mezelf iets anders doen, de kracht en de macht ervoor zijn er niet! O, geloof me, ik veracht mezelf, *geloof* dat toch. Maar begrijp me, en vergeef me, Frank...

—Je praat onzin! brulde Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat voor woorden zijn. Ik begrijp daar op dit moment niets van. En al begreep ik het, dan zou ik het op dit moment niet willen begrijpen. Ik begrijp alleen dit. Je hebt alles van me weggegooid. Je hebt mijn hele leven niets meer waard gemaakt. En je bent een schurk, omdat je een knecht hebt omgekocht om mijn brieven stiekem achter te houden. Uit puur plat, gemeen egoïsme, gemener dan ik kan zeggen. Omgekocht!! Zeg, schurk, ellendeling, lafaard... omgekocht... God, waarmee heb je hem omgekocht?! Zeg het, waarmee, waarmee?!

—Met... met... stotterde Bertie geschrokken. Want Frank had hem bij zijn vest gepakt, terwijl hij half op de grond lag. Hij schudde hem, schudde hem.

—Verdomme, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met *mijn* geld? Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!

—Ja...

—Met mijn geld!

—Ja, ja, ja!

Frank gooide hem van zich af. Hij gaf een kreet van minachting, een zware schreeuw van walging over zoiets...

Maar in Bertie kwam nu een reactie, na zijn nederigheid van daarnet. O, de wereld was dom, de mensen waren dom, Frank was dom! Want hij begreep niet dat een mens was zoals hij was. Hij kon dat niet begrijpen. Hij brulde maar door in zijn ruwe woede, als een wild beest, zonder gedachten, zonder hersens. En hij, Bertie, *had* hersens. Het was zeker gelukkiger om er geen te hebben! O, hij was jaloers op Frank, omdat die ze niet had.

Hij kwam van de grond overeind, opeens, met één beweging.

—Ja dan, ja, ja! siste hij uitdagend. Als je het niet begrijpt, als je te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht met jouw geld. Jij was zo goed om het me ervoor te geven! En op de laatste dag nog, toen we uit Londen weggingen, heb je me er nog honderd pond voor gegeven. Om hem om te kopen, denk er maar aan, om William om te kopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom wild beest, zonder hersens! En ik ben jaloers op je, omdat je geen hersens hebt! Vroeger had ik er ook geen. En weet je hoe ik eraan gekomen ben? Door jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik, en ik dacht niet na, en het kon me niet schelen. Ik at als ik wat had, en ik had honger als ik niets had. En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten drinken. Je hebt me kleren gegeven, en ik hoefde niet te werken. En ik heb niets anders gedaan dan denken, denken, in mijn misselijke nietsdoen van elke dag! En nu, nu zou ik mijn schedel wel open willen splijten en je mijn hersens in je gezicht willen gooien! Omdat je me zo gemaakt hebt, zo fijn en zo vol gedachten! Je begrijpt niets, hè? Nou, begrijp dan ook maar niet dat ik op dit moment geen enkele dankbaarheid meer voel. Geen dankbaarheid voor alles, ja voor *alles* wat je voor me gedaan hebt. Begrijp maar niet dat ik je haat om alles wat je voor me gedaan hebt. Dat ik je erom veracht. En dat jij mijn leven nog ongelukkiger hebt gemaakt dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk, begrijp je *dat* eindelijk, hè? Dat ik je veracht, je haat, je *haat*, dat ik je *haat*?!!

Hij was achter een tafel gaan staan. Van daaruit siste hij zijn woorden, in een aanval van overspannen zenuwen. Hij voelde het alsof alles in hem zou knappen, zoals touwen die te hard zijn uitgewrongen. Hij was daar gaan staan, omdat Frank voor hem stond, aan de andere kant van de tafel. Franks ogen waren glazig wit en vol bloed. Ze puilden uit in zijn vuurrode gezicht. Zijn neusgaten werden wijder, zijn rug was gebogen en zijn vuisten waren gebald. Het was alsof hij klaar stond om op Bertie te springen. En het leek alsof Frank wachtte tot Bertie hem alle modder van zijn woorden in het gezicht had gespuugd.

—Dat ik je haat, je *haat*!! krijste Bertie nog eens. Hij wist niets meer te zeggen, hij had geen woorden meer.

Toen snoof Frank als een beest en gaf een geluid dat niet meer menselijk was. Hij sprong over de tafel, die omviel. Met al zijn zware kracht stortte hij neer op Bertie. Hij knakte hem meteen tegen de grond, als een riet. Hij pakte Bertie bij zijn keel. Hij sleurde hem wild tussen de poten van de tafel door, naar het midden van de kamer. Daar smeet hij hem met één klap op de grond en gooide zich boven op hem. Hij drukte zijn zware, vierkante knie op Bertie's borst. Zijn linkervuist zat als een schroef om Bertie's hals. Er brandde een droog gevoel in Franks keel, als een dorst naar wreedheid. Twee, drie keer slikte hij, met een beestachtige grijns om zijn mond. Hij was beestachtig blij dat hij Bertie zo in zijn macht had, in zijn linkervuist, onder zijn knie. Hij balde zijn rechtervuist en hief zijn arm op als een hamer, snuivend van woede.

—Daar, daar, daar... snoof hij, steeds maar door...

En steeds weer viel de zware vuist als een hamer op Bertie neer... daar... daar... daar... Hij viel neer op zijn ogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn voorhoofd. Steeds weer op zijn voorhoofd, waar de klap dof klonk, als op metaal. Een rood waas steeg als gaas op voor Franks ogen. Hij zag alles rood: paars, scharlaken en vermiljoen. Het draaide in bloedige kringen voor zijn ogen, als wielen. In een vreemde stralenkrans van bloed grijnsde een verwrongen masker onder de marteling van zijn vuist. De vierkante kamer zwom in al dat rood. Het was alsof ze zich vulde met rode verschrikkingen die je kon aanraken. Ze draaiden steeds om Frank heen, draaiden en draaiden, als paarse duizelingen, als waanzin in vermiljoen, als nachtmerries van bloed... En de klappen volgden elkaar snel op, daar, *daar*, *daar*! En de linkervuist schroefde zich steeds vaster om de hals van het masker...

Maar de deur werd opengegooid. Zij, Eve, stormde dwars door het rode waas op hem af. Ze scheurde dat rood kapot. Ze joeg het weg, doordat ze daar bewoog en leefde.

—Frank! Frank! gilde ze. Houd op, ik smeek je, houd op, je vermoordt hem!

Hij liet zijn arm zakken en keek haar aan, zonder iets te begrijpen. Ze probeerde hem weg te trekken, los te rukken van het verpletterde lichaam. Hij klemde zich er in zijn bloeddorstige woede aan vast, als een vampier.

—Houd op, Frank, laat hem opstaan, ik smeek je, vermoord hem niet... Ik stond achter de deur, ik was bang. Ik verstond je niet, omdat je Hollands sprak... O God, wat heb je hem gedaan? Kijk, kijk hem, hoe hij eruitziet!

Frank stond op. Hij wankelde, duizelig van al dat rood, en hij moest zich vasthouden aan een meubel.

—Hij heeft zijn verdiende loon gekregen. Ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem nog eens, nog eens...

Hij wilde zich opnieuw op Bertie storten, met zijn beestachtige grijns om zijn mond en zijn dorst naar wreedheid brandend in zijn keel.

—Frank, Frank! riep Eve, en ze hield hem met allebei haar handen tegen. In godsnaam, laat het genoeg zijn! O, kijk hem! Kijk hem!

—Nou goed, laat hem dan opstaan, zei Frank knarsend. Laat hem dan opstaan! Sta op, ellendeling, gauw, sta op...

Hij gaf hem een schop, nog een schop, en nog een, om hem te laten opstaan. Maar Bertie bleef liggen.

—God, Frank, kijk dan toch! riep Eve, en ze knielde naast het lichaam. Zie je het dan niet!!

Ze wees het Frank aan. En voor het eerst zag hij het nu, alsof hij wakker werd uit zijn droom van rood. Hij zag het vol afschuw. Het lag daar. De benen en de armen waren in krampen verwrongen. De romp lag stil, zonder adem, in de flarden van zijn lichte zomerpak. Dat lichte pak leek nu bijna spottend. Het gezicht was een blauw, groen en paars wanhoopsmasker. Het zat vol spatten van zwart en paars. Dat lekte uit de oren, de neus en de mond. Het kwam in langzame straaltjes van slijmerig, donker vocht, en het druppelde op het tapijt, druppel na druppel. Het ene oog was een vormeloze vlek, half gestold, half vloeibaar. Het andere oog puilde uit zijn ovale kas, als een grote opaal van treurigheid. Om de hals leek een heel brede paarse halsband te zitten. En terwijl ze allebei naar dat gezicht staarden, was het alsof het zwol. Het zwol steeds verder op, tot het afschuwelijk werd en niet meer te herkennen was...

Het stortregende nog steeds. Ze bleven stil staren naar dat afschuwelijke ding, dat roerloos voor hen op de grond lag dood te bloeden. Binnen was het loodzwaar stil. Buiten kletterde het water, eindeloos, eindeloos door. Eve had geknield en even aan zijn hart gevoeld. Ze beefde van afkeer. Ze had geluisterd, met haar hoofd tegen die romp zonder adem gedrukt, vlak onder dat afschuwelijke gezicht. Ze wilde het weten... Toen was ze rillend opgestaan. Langzaam was ze achteruit geweken, met haar ogen steeds op *dat* daar voor haar. En zo had ze zich tegen Frank aan gedrukt, alsof ze in haar angst één met hem wilde worden.

—Frank, God, Frank... Hij is dood! stotterde ze, wit als zonder bloed. Je hebt hem vermoord...!

Hij antwoordde niet en bleef staren. Ze hing in zijn armen en keek nerveus de kamer rond, bang, bang... Opeens klemde ze hem stevig vast. Het voelde voor haar alsof ze in zijn armen in een afgrond viel, in een afgrond van bloed.

—Frank! schreeuwde ze. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver weggaan, laten we vluchten!

—Is hij dood? vroeg hij, zonder iets te begrijpen.

Langzaam kwam hij weer tot zichzelf. Het werd zachtjes licht in hem, als een afschuwelijke dageraad. Hij maakte zich los uit haar armen. Hij knielde zelf neer, luisterde zelf en voelde zelf. Even dacht hij vaag aan dokters, aan verzorgen... En toen zei hij dof, zeker van wat hij zei, maar niet zeker van wat hij zou doen:

—Ja, hij is dood, hij is dood... Wat moet ik...?

Ze klemde zich steeds aan hem vast. Ze smeekte hem te vluchten, ver te vluchten. Maar er leek meer en meer helderheid en licht in zijn verwarring te komen. Hij maakte zich weer van haar los, helemaal, en wilde weggaan. Zijn hand lag al op de deurknop.

—Frank, Frank! schreeuwde ze, want ze zag dat hij haar alleen wilde laten.

—Sst! fluisterde hij vreemd, met zijn vinger op zijn mond. Blijf hier. Blijf bij hem waken. Ik kom terug...

En hij ging. Ze wilde hem volgen en zich in haar ontzetting aan hem vastklemmen. Maar hij deed de deur al achter zich dicht. Haar trillende benen konden haast niet bewegen. Huiverend keek ze naar het lijk. Het lag daar nog steeds, met zijn opgezwollen, kapotgeslagen paarse masker. Het zag er grauw en akelig uit in het valse middaglicht, dat schuin door het gordijn van regen naar binnen zeefde. Haar adem hijgde benauwd in haar keel. Ze snakte naar lucht. Ze wilde het raam openrukken, omdat ze dichter bij het raam stond dan bij de deur...

Maar dat lukte haar niet. Want buiten, door het beslagen glas van de ruiten, zag ze de tragische lucht. Die was vol voortdrijvende, zwartgrijze bergen van wolken. Ze zag de regen in rechte stralen naar beneden kletteren, als bij de zondvloed. En ze zag de zee, somber en dreigend, als een naderend gevaar van woedend schuimend water. De zee schemerde door de sluier van de stortregen heen...

—Molde! Molde! stotterde ze, in een ontzetting die haar ijskoud maakte. De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst gevoeld heb!...! O God, help, help...

En ze viel flauw op de grond.

### Woordenlijst

- **de wierook**: iets wat je verbrandt om een lekkere geur te maken, vooral in de kerk; hier: geld dat zomaar opgaat.
- **de boel is op**: al het geld is weg.
- **het helmgras**: hoog, stijf gras dat in de duinen groeit.
- **de pinken**: kleine vissersboten op het strand van Scheveningen.
- **de balustrade**: een lage muur of een rij paaltjes langs een balkon.
- **de marionet**: een pop die aan touwtjes beweegt.
- **het Noodlot**: een macht die bepaalt wat er met mensen gebeurt; je kunt er niet aan ontsnappen.
- **misselijk**: hier: laag en gemeen, iets om je voor te schamen.
- **de overspanning**: ziek en moe van te veel zorgen of te veel werk.
- **de hallucinatie**: iets zien of horen wat er niet echt is.
- **het litteken**: een streep op je huid die blijft na een wond.
- **omkopen**: iemand geld geven zodat hij iets doet wat niet mag.
- **abracadabra**: een toverwoord; hier: iets wat je helemaal niet begrijpt.
- **allons**: (Frans) kom op!
- **het egoïsme**: alleen aan jezelf denken.
- **afranselen**: iemand hard slaan.
- **vermiljoen**: een felle, rode kleur.
- **de opaal**: een glanzende edelsteen met veel kleuren.
- **de zondvloed**: de grote overstroming uit de Bijbel, toen het veertig dagen regende.
- **het fjord**: een smalle, diepe zee-arm tussen hoge bergen in Noorwegen.

## Hoofdstuk V

I.

Na die dag van ontzetting volgden twee volle jaren van stil verdriet voor hen allebei. Ze leden ieder voor zich, want ze waren van elkaar gescheiden. Alleen af en toe was er de bittere zoetheid van een kort samenzijn. Dan zocht zij hem op, daar waar hij die twee jaren doorbracht, lange dag na lange dag: in de strafgevangenis in de duinen. Want op die vreselijke dag had hij zichzelf aangegeven bij het politiebureau in Scheveningen, als een slaapwandelaar. Hij had zich naar het Huis van Bewaring laten brengen. Hij had zijn "zaak" doorgemaakt... Die had zes weken geduurd. Dat was kort, zei zijn advocaat om hem te troosten. Want er was niets onduidelijks in de zaak. Het was glashelder te bewijzen dat de moord het onbedoelde, dodelijke gevolg van een mishandeling was. Dat bleek uit de getuigenis van Miss Rhodes. Zij had verklaard dat de schuldige eerst zelf niet had geweten dat hij zijn vriend had vermoord. Vlak na de moord had hij hem nog twee, drie keer geschopt, om hem te laten opstaan. Hij dacht alleen dat hij flauwgevallen was. Dat alles was gebeurd terwijl *zij* erbij was. Het publiek volgde de zaak met sympathie, toen bekend werd dat iemand was omgekocht om de brieven achter te houden. Dat kwam uit door de getuigenis van Sir Archibald en zijn dochter. Ook William had getuigd. Hij was via diplomatieke weg gedwongen om over te komen. Er waren geen moeilijkheden. In die zes weken verliep alles rustig. Frank kreeg twee jaar, en hij ging niet in hoger beroep.

Hij had die jaren dag na dag doorgebracht in een soort wakkere droom, dof en somber. Steeds weer, o steeds weer, zag hij voor zijn ogen dat spook. Hij zag die verwrongen romp en het afschuwelijke wanhoopsmasker, kapotgeslagen door zijn vuisten. Hij voelde het spook over de bladzijden van zijn boek glijden als hij probeerde te lezen. Hij voelde het door de letters van zijn handschrift glijden als hij probeerde te schrijven. Hij wist zelf nauwelijks wat hij schreef: stukken van een reisverslag over Amerika en Australië. Het was troosteloos werk, en het deed pijn. Want elk woord deed hem denken aan de dode, die dat allemaal ook had meegemaakt. Als hij niets deed en somber zat te dromen, keek hij uit het raam van zijn cel. Dan zag hij vlak voor zijn ogen, niet ver weg, de villa waar ze samen hadden gewoond en waar het was gebeurd. Soms zag hij een ovaal stuk zee, als een grijze schemering. Dan was het alsof hij de zoute geur rook. Zo had hij die geroken toen hij daar urenlang zat, met zijn benen op de balustrade. Zij was toen vlak bij hem, zonder dat hij het wist. Elk moment kwam hun noodlot dichterbij, en niemand kon het tegenhouden. En zo was het nooit van hem weggegaan, als een gedachte die je niet kwijtraakt.

Eve had haar vader gesmeekt om in die ongelukkige tijd in Den Haag te blijven. Sir Archibald had toegegeven, omdat hij bang was voor zijn dochter. Vroeger was ze lief en rustig geweest. Maar nu was ze in de war door een bevende nervositeit. Die maakte haar doodmoe, met hallucinaties en dromen van donder en bloed. Zo woonde ze in het Van-Stolpark en kon ze Frank af en toe gaan bezoeken. Elke keer als ze hem gezien had, kwam ze nerveuzer thuis. Ze was zonder troost door zijn doffe somberheid. Toch sprak hij wel van hoop en van de toekomst, voor later, later als hij vrij was... Zelf hoopte ze heel erg. Ze leefde alleen van haar hoop. Ze dwong haar nervositeit onder het juk van haar geduld. Ze vertrouwde erop dat er later veel moois in haar leven zou komen, later, als hij vrij was. Een nieuw leven, een nieuw leven! juichte het in haar. Een fris geluk, geluk, o God, geluk! Ze begreep zelf niet hoe ze nog kon hopen. Ze had het leven en de mensen leren kennen. Ze had gezien wat ze had gezien. Maar ze wilde daar niet over nadenken, en in de verte zag ze alles mooi en goed... Zelfs haar hallucinaties schokten haar hoop niet. Ze rilde ervan, maar ze raakte eraan gewend. Ze zag ze als een hersenziekte die steeds terugkomt en vanzelf weer geneest. En ze kon zelfs glimlachen. Dan zat ze te dromen in het lichte avondschijnsel van een zomerlucht vol sterren, met haar almanakje in haar hand. Daarin streepte ze elke avond de dag door die voorbij was. Dat deed ze met een klein gouden potlood, dat aan haar armband hing. Ze had het speciaal daarvoor gekocht en ze gebruikte het nergens anders voor. Elke blije streep bracht die mooie toekomst dichterbij. Soms liet ze de dagen zelfs voorbijgaan zonder ze door te strepen. Dan kon ze na een week de zoetheid proeven van zes of zeven blije streepjes achter elkaar, achter elkaar, in haar rijke verwachting...

II.

En hoe lang het ook had geduurd, ze waren allemaal doorgestreept, de een na de ander, voorgoed. Het verleden werd steeds meer het verleden, en dat moest het blijven. Er zou nooit meer iets van terugkomen. Het zou met zijn afschuwelijke dingen niet meer om hen heen spoken, zo dacht ze. Ze werd rustiger. Haar nervositeit werd minder. Er kwam een soort rust over haar, in haar sterke verlangen naar haar toekomst vol geluk. Want gelukkig zou ze worden, met Frank.

Ze was nu met haar vader terug in Londen en leefde daar stil. Maar ondanks het heden voelde ze het verleden toch. Ze wist dat het er geweest was, met zijn ellende en zijn ontzetting. Ook Frank was nu in Londen. Hij had een slecht betaalde baan als derde opzichter in een machinefabriek. Het was de eerste de beste baan die hij via oude kennissen had kunnen krijgen. Hij had hem meteen aangenomen, vanwege zijn verleden, waar hij niet trots op kon zijn... Later zou hij wel iets beters vinden, iets wat paste bij wat hij had geleerd. En hij werkte in zijn boeken van vroeger, om zijn oude, versleten technische kennis op te frissen...

Sir Archibald was oud geworden. Hij was chagrijnig door aanvallen van reuma, en verder zat hij suf te staren naar zijn kaarten met familiewapens. Hij had in Holland gewoond, voor zijn dochter. Hij was te lang weg geweest uit zijn bekende leventje en zijn gewoontes. Toen had hij zich alleen af en toe verzet, als een kind dat driftig wordt, tegen het idee dat Eve de vrouw van een moordenaar zou worden. Nu stemde hij met alles in. Hij was bang voor de wereld en bemoeide zich nergens meer mee. Hij wilde rust. Hij wilde alleen niet gestoord worden in de lusteloosheid van zijn ouderdom. Hij wist niets, oude mensen wisten niets. De kinderen mochten doen wat ze wilden: ze wisten het toch altijd beter en deden toch altijd hun zin... Zo mopperde hij nog een beetje, maar verder liet de zaak hem koud. Vanbinnen vond hij het wel goed dat Eve met Frank zou trouwen. Frank was driftig, maar van nature toch niet slecht. Eve zou dan verzorgd zijn. En zelf zou hij in hun huis misschien nog wat gezelligheid vinden, ja, ja, nog wat gezelligheid...

Frank en Eve zagen elkaar door de week maar weinig, want Frank had het druk, ook 's avonds. Maar op zondag zagen ze elkaar altijd. Eve had dan de hele week om na te denken over die zondag waarop ze hem had gezien. Ze probeerde zich elk woord te herinneren dat hij gezegd had, en elke blik die hij op haar had geworpen. Het waren schatten, waar ze een week van leefde. Ze had nog nooit zo veel van hem gehouden als nu. Ze voelde in hem een zware, drukkende somberheid. Die wilde ze wegvegen met de grote troost van haar liefde. In die liefde zat iets heel liefs en moederlijks. Het was alsof hij door zijn verdriet een kind was geworden. Een kind dat iets teerders nodig had dan hartstocht. Vroeger hield ze van hem om de raadselachtige charme van het contrast tussen zijn zwakke karakter en zijn sterke lichaam. Nu was die charme alleen nog verder gegroeid. Want ze zag hem, nog steeds groot en sterk, zo zwak lijden onder de herinnering aan wat hij had doorstaan. Hij had niet de flinkheid om over dat alles heen te stappen en het leven opnieuw te beginnen... Maar deze zwakte nam haar hoop op de toekomst niet weg. Integendeel, ze hield van hem *om* die zwakte. Dat vond ze zelf heel vreemd van zichzelf. Ze begreep het niet, en ze glimlachte er alleen dromend om, van geluk...

Want zij kon als vrouw zo zijn, ondanks haar aanvallen van nerveuze hallucinaties. Ze kon vol energie het verleden willen vergeten. Ze kon dapper de toekomst tegemoet gaan. Ze kon het geluk naar zich toe dwingen, met het mooie geduld van haar soepele volharding. Lag al het kwaad van het verleden eigenlijk niet buiten hen allebei? Had Frank niet genoeg geboet voor zijn drift, zodat hij nu zijn hoofd weer kon opheffen? O, ze zou weer helemaal gezond worden. Ze zou zich dwingen gezond te worden. En alles wat in *hem* op een ziekte van de ziel leek, zou ze genezen... Zo hoopte ze een lange, lange tijd. Eerst wilde ze niet zien dat hij doffer en somberder werd. Hij boog steeds dieper onder zijn somberheid. Maar toen, toen moest ze het zien. Ze kon het niet meer voor zichzelf ontkennen. Ze moest zien dat hij stil werd bij haar stralende woorden vol illusies. Dan zei hij niets meer. Soms sloot hij even zijn ogen, met een zucht die hij probeerde in te houden. Ze kon het niet meer ontkennen: al haar hoop maakte in hem alleen maar wanhoop wakker. En toen dat haar opeens duidelijk werd, voelde ze ook opeens haar nervositeit helemaal de baas worden. Ze voelde dat ze zelf heel ziek was. Ze voelde hoe haar moed, haar hoop en haar illusies zonken, steeds dieper zonken, wegzonken... Er kwam een bittere smaak in haar op, als van alsem, die alles bedierf. Alleen, gebroken, zakte ze neer op haar bed. Ze barstte uit in wild verdriet. Ze vervloekte het leven, ze vervloekte God, ze wist zich geen raad...

III.

Maar ondanks dit alles werd toen vastgesteld dat ze binnenkort zouden trouwen, over anderhalve maand. Een paar oude vrienden van Frank zouden hem helpen aan een baan als werktuigkundige in een fabriek in Glasgow. Eve zou het erfdeel van haar moeder krijgen. Er stond niets in de weg.

Op zondag was Frank altijd de hele dag bij Sir Archibald thuis. Hij kwam 's ochtends, stil als altijd, voor de lunch. En na de lunch bleven ze alleen, zoals altijd... Vroeger waren die uren nog zoet gevuld met de illusies van Eve. Ze was daarbij altijd een beetje nerveus, ook al wilde ze dat niet. Ze hadden samen veel gepraat en zelfs samen gelezen... Maar de laatste tijd gingen de minuten voorbij zonder dat ze iets deden. Ze zaten dan stil naast elkaar op een grote bank, hand in hand, en ze staarden voor zich uit. En dan kwam er een moment dat ze elkaar zelfs niet meer zo konden vasthouden. Ze durfden het niet meer. De schim van Bertie, met zijn paarse, bloedende wanhoopsmasker, gleed tussen hen in. Ze lieten elkaar los, en ze dachten allebei aan de dode. Eve voelde het alsof ze medeplichtig was aan de moord. Als het donker werd, kwam er zo'n ondraaglijke angst over hen dat het leek of ze zouden stikken. Dan gooiden ze het raam open en stonden ze lang, lang in de kille lucht. Ze staarden in het donker wordende park van Kensington, om af te koelen... Met zware angst hoorde ze Franks adem in zijn borst rijzen en dalen... En ze werd bang voor hem, ondanks haar liefde. Hij had toch een moord gepleegd. Hij had dat in zijn drift kunnen doen! O, als hij haar ook eens, in zijn drift...! Maar zij zou zich verdedigen met de kracht van de wanhoop. Ze zou zich aan het leven blijven vastklemmen. Had zij ook niet de kracht in zich gevoeld om een moord... God, nee, *zij* toch niet... Ze was zo bang... En ze hield toch zoveel van hem, ze aanbad hem, en binnenkort zou ze zijn vrouw zijn! Maar ze was wel bang...

Die zondagen waren geen lieve dagen meer, die genoeg schatten achterlieten om een week van te leven. Integendeel, Eve was nu de hele week bang voor die zondag. Ze zag hem vol ontzetting dichterbij komen... Vrijdag, zaterdag... daar was de dag weer, daar kwam Frank, daar hoorde ze zijn stap. En ze was bang, bang, en toch aanbad ze hem.

Zo zaten ze ook eens naast elkaar, hand in hand, en ze staarden voor zich uit. Het was nog vroeg in de middag, maar buiten dreigde regen. Er zweefde een grijze middagschemering naar binnen, door de zwarte tule gordijnen. En Eve voelde zich somber en verlangde naar troost. Plotseling drukte ze zich tegen Franks borst, ondanks haar angst.

—Ik kan niet meer tegen dat weer! klaagde ze, bijna kreunend. Ik word de laatste tijd altijd benauwd van die zware, bewolkte luchten. Ik wil naar Italië, Frank, de zon, de zon...!

Hij bleef zwijgen en drukte haar even tegen zich aan.

Ze begon zachtjes te huilen.

—Zeg dan toch iets, Frank! smeekte ze.

—Ja, ik houd ook niet van die zwarte lucht, Eve, zei hij moe.

En weer zwegen ze minutenlang. Ze probeerde zich erbij neer te leggen en leunde tegen hem aan. Toen zei ze:

—Ik kan er niet meer tegen, geloof ik, sinds die bui die ons in Molde overviel. Dat is nu al zo lang geleden, wel vijf jaar. Je weet het nog wel: we hadden elkaar toen net ontmoet, een paar dagen eerder, in Drontheim...

Glimlachend kuste ze zijn hand, vol van haar herinnering, van haar jeugd. Ze was nu oud.

—Je weet, we kwamen toen in Molde kletsnat terug in het hotel. Ik geloof dat ik sinds die dag ziek ben. Ik denk dat ik toen een zware kou heb gevat, die zich ergens in mij heeft vastgezet. Eerst heb ik die niet gevoeld, of ik lette er niet op. Maar al die tijd heeft hij aan me geknaagd, al die tijd...

Hij bleef zwijgen. Vaag herinnerde hij zich ook iets, iets tragisch van Molde, maar hij wist niet meer wat. Maar naast hem barstte ze opeens in nerveuze snikken uit:

—O Frank, zeg dan toch iets, *zeg* dan toch iets! smeekte ze. Ze was wanhopig door zijn zwijgen. Daarin voelde ze haar angst steeds groter worden. Hij klopte hard in haar hart, ook al wilde ze dat niet.

Hij streek met zijn hand over zijn voorhoofd en verzamelde zijn gedachten. En langzaam zei hij:

—Ja, Eve... ik wilde je juist iets zeggen, juist vandaag.

—Wat dan? vroeg ze. Verbaasd keek ze hem door haar tranen aan, om zijn vreemde toon.

—Ik zou vandaag ernstig met je willen praten, Eve. Wil je naar me luisteren?

—Ja...

—Ik wilde je iets vragen, Eve. Ik wilde vragen of je niet vrij van me zou willen zijn. Ik wilde je vragen of ik je niet je woord mag teruggeven.

Ze begreep hem niet meteen. Toen bleef ze hem geschrokken aankijken, met open mond.

—Waarom? vroeg ze ten slotte. Ze beefde. Ze was bang dat hij iets zou begrijpen van wat er in haar omging.

—Omdat het zo beter voor je zou zijn, kind! zei hij zacht. Ik heb niet het recht om jouw leven aan het mijne vast te ketenen. Ik ben gebroken, ik ben een oude man, en jij bent jong...

Ze kroop tegen hem aan.

—Nee, ik ben ook oud! glimlachte ze. En ik wil het niet. Ik wil bij je blijven. Ik zal je altijd troosten als je verdrietig bent. En samen zullen we allebei weer jong worden en allebei gelukkig...

Haar stem stroomde zoet, als balsem. Om hem sterk te maken voelde ze iets van de oude illusie in zich herleven. Ze wilde hem houden, wat het ook kostte. Ze hield van hem.

Hij nam haar even stevig in zijn arm en kuste haar. Op dit moment was ze niet bang. Ze voelde hoe ongelukkig hij was...

—Je bent een goed, goed kind, fluisterde hij met zijn schorre, brekende stem. Ik verdien het niet dat je zo goed voor me bent. Maar echt, Eve, denk er eens over na. Denk er eens over na of je je niet ongelukkig zou voelen, diep ongelukkig, als je altijd bij mij moest zijn. Er is nu nog alles aan te doen. We hebben de rest van je leven in onze hand, Eve. En ik kan niet doorgaan je nog ongelukkiger te maken dan ik al gedaan heb. Daarom zou ik je graag je woord teruggeven, voor jou, voor jouw geluk.

—Maar ik wil niet! kreunde ze wanhopig. Ik wil niet. Ik begrijp je niet: waarom zou je mij mijn woord teruggeven?

Hij nam haar handen in de zijne en streelde ze. Hij keek haar lang aan, met zijn glimlach van pijn onder zijn gouden snor.

—Waarom? Omdat je... omdat je bang voor me bent, mijn kind.

Haar hele lichaam schokte, als door een plotselinge elektrische stroom. Ze keek hem wild aan, en wild sprak ze hem tegen.

—Het is niet waar, Frank, ik zweer het je, het is niet waar! God, God, waarom geloof je dat? Waardoor heb ik je dat kunnen laten geloven? Ik smeek je, Frank, geloof me. Ik zweer het je, bij alles wat heilig is, zweer ik het je: het is niet waar dat ik bang voor je ben!

—Jawel, Eve, je bent bang voor me, ging hij rustig verder. En ik begrijp dat, dat moet zo zijn. En toch verzeker ik je dit: je zou er nooit reden voor hebben. Want ik zou een lam aan je hand willen zijn. Ik zou mijn hoofd zo in je handen willen leggen, in je mooie, koude, witte handjes, om er te slapen als een kind. Je zou met me kunnen doen wat je wilde. En ik zou nooit driftig tegen je zijn, want dat kan ik nu niet meer, nooit meer. Ik zou zo aan je voeten willen liggen, mijn hele leven lang. Ik zou je voeten op me willen voelen, hier op mijn borst. En ik zou er zo kalm van worden, zo kalm, zo heerlijk kalm...

Hij was voor haar op zijn knie gevallen, met zijn hoofd in haar schoot, op haar handen.

—Nou dan, zei ze zacht. Als dat zo is, waarom zou ik dan bang voor je moeten zijn, als je me dat allemaal zo verzekert? En waarom praat je er dan over om me mijn woord terug te geven?

—Omdat ik je niet langer ongelukkig kan zien. Omdat ik zie dat je bij mij ongelukkig bent. Omdat je later met mij nog ongelukkiger zou worden...

Al haar zenuwen trilden. Er kwam een felle helderheid in haar. Ze zag alles wat er was gebeurd weerspiegeld, als in kristal.

—Luister, Frank, zei ze, met een frisse stem. Blijf daar zo liggen en luister naar me, luister goed. Ik wil bij je blijven, en we zullen gelukkig zijn. Ik voel dat. Luister, Frank. Wat is er gebeurd waardoor wij ongelukkig zouden zijn? Niets. Ik zeg het je nog eens: niets. Laten we ons eigen leven niet weggooien. Eens heb ik aan je getwijfeld, en je hebt me vergeven. Dat is voorbij. Je hebt gezien dat Bertie een schurk was, en je hebt hem doodgemaakt. Dat is voorbij. Dat kan me allemaal niet meer schelen. Ik wil aan dat alles niet meer denken. Het bestaat niet meer voor mij. En let goed op, Frank, kijk er goed naar: dat is alles, alles, *alles* wat er gebeurd is. Er is niets *meer* gebeurd. Het is niet veel. En we zijn allebei jong en gezond, we zijn *niet* oud. Daarom zeg ik je dat we het kunnen: samen een nieuw leven beginnen, ergens anders, ver van Londen. Een nieuw leven, Frank, een nieuw leven... Ik houd van je, Frank. Je bent mijn alles, mijn afgod, mijn man, mijn kind, mijn lieve grote kind...

Ze omhelsde zijn hoofd vol hartstocht en drukte het tegen haar tengere lichaam. Ze was in vervoering. Er tintelde licht in haar ogen, en er tintelde bloed onder de azalea's van haar wangen. Maar hij keek vol pijn naar haar op:

—Je bent een engel, Eve, je bent een engel. Maar ik mag je niet houden. Want luister nu eens naar mij... dat is het juist...

—Wat is het juist?

—Dat is het juist... Dat Bertie *geen* schurk was. Dat hij alleen maar een mens was, een heel zwak mens. Dat is het juist. Luister naar me, Eve, laat me nu uitpraten. Ik heb veel nagedacht, daar in Scheveningen, in de duinen, je weet wel. Ik heb nagedacht over wat ik me herinnerde. Over wat hij me op dat laatste moment voor de voeten gooide, om zich te verdedigen. En langzaam zijn al zijn woorden in me tot leven gekomen. En ik heb gevoeld dat hij gelijk had.

—Dat hij gelijk had! O Frank, ik weet niet wat hij zei om zich te verdedigen. Maar moet de invloed van Bertie ons nu, nu *nog*, uit elkaar kunnen halen! riep ze, bitter van wanhoop.

—Nee, dat is het niet! weerde hij af. Haal het niet door elkaar. Het is niet de invloed van Bertie die ons scheidt, maar mijn schuld.

—Jouw schuld!

—Mijn schuld, die me steeds weer laat denken aan wat ik gedaan heb. Daardoor kan ik niets vergeten, en ik zal het ook nooit vergeten... Want luister nu eens. Hij had gelijk in zijn laatste woorden. Hij was een zwak mens, zei hij, door het leven heen en weer gegooid, zonder wilskracht. Hij had geen wilskracht, zei hij. Was het zijn schuld dat hij die niet had? Hij verachtte zichzelf, omdat hij die gemene dingen gedaan had, met die brieven. Maar hij had niet anders gekund. Nou, ik vergeef hem dat hij zwak was, want hij kon niet anders. En we zijn allemaal zwak: ik ben het ook.

—Maar *jij* zou nooit zoiets doen, met die brieven! riep Eve.

—Omdat ik misschien anders ben. Maar ik ben toch ook zwak. Ik ben zwak als ik driftig ben. En toen... toen ben ik in mijn grote drift heel, heel zwak geweest. Dat is het juist, *dat* is wat me nu breekt. En zo gebroken als ik ben, mag ik niet je man worden... O, wat zou ik er niet voor geven als hij nog leefde. Ik hield eens van hem. En ik zou hem nu zeggen dat ik hem begrepen had, dat ik hem vergaf...

—Frank, wees niet zo dwaas, zo dwaas goed! riep ze.

—O, het is geen dwaze goedheid! lachte hij treurig. Het is filosofie.

—Nou dan! riep ze hard en ruw. Ik filosofeer niet, ik ben niet dwaas goed. Ik vergeef hem niet dat hij een schurk was, dat hij ons ongelukkig heeft gemaakt. En ik haat hem, ik haat hem, ook al is hij dood. Ik haat hem, omdat hij nu, nadat je hem vermoord hebt, nog steeds om ons heen en in ons spookt. Omdat zijn duivelse invloed je nu, nu nog, van me af wil rukken. Maar ik zeg je dat ik het *niet* wil! schreeuwde ze wanhopig. Ze stond op en klemde hem wild vast. Ik zeg je dat ik je niet voor de tweede keer wil verliezen! Ik zweer je dat ik je hier in mijn armen vast zal houden als je van me weg wilt gaan. Dan druk ik me tegen je aan, tot we allebei stikken! Want ik wil niet dat hij ons nu nog scheidt. Ik haat hem. Ik vind het goed dat je hem vermoord hebt. En als hij nu nog leefde, dan zou *ik* het doen, hem vermoorden, hem wurgen, hem dood wurgen!

Haar handen wrongen zich alsof ze om een keel zaten. Haar armen sloegen zich om Frank heen als om een prooi. Buiten was de lucht zwarter en zwarter geworden. Langzaam maakte hij zich van haar los. Hij steunde haar, want hij voelde dat ze wankelde. Ze had te veel kracht en moed in zich verzameld voor een daad. Bleek keek ze even met haar holle, grijze ogen naar buiten, naar het weer, en ze rilde. Hij bracht haar terug naar de bank en liet haar zitten. Hij knielde voor haar neer. Hij hield van haar zoals nooit tevoren, vol hartstocht.

—Eve! fluisterde hij.

—O, kijk die wolken! krijste ze. Het gaat stortregenen.

—Ja, fluisterde hij weer. Maar wat kan het ons schelen: ik houd van je!

—Ik kan niet tegen dat weer! kreunde ze. Het maakt me benauwd en bang, o, het maakt me zo bang! Bescherm me, bescherm me, Frank, kom hier...

Ze trok hem naar zich toe op de bank. Ze knoopte zijn jas open en drukte zich tegen hem aan.

—Ik ben bang, Frank, bescherm me. Sla je jas om me heen. O God, laat het niet weer over me heen komen, ik smeek u, God, laat het niet weer komen!

Ze bad dat die hallucinatie van donder niet weer zou komen aanrollen. En ze sloeg allebei haar armen om zijn lichaam en drong zich tegen hem aan, alsof ze in hem wilde kruipen. Zo bleef ze lang zitten. Hij wilde haar juist innig tegen zich aan drukken, toen ze zacht zei, terwijl haar vingers in zijn vest friemelden:

—Wat is dat, wat heb je hier?

—Wat? vroeg hij geschrokken.

—Hier in het zakje van je vest?

—Niets, een flesje... stotterde hij. Druppels voor mijn ogen. Ik heb de laatste tijd pijn aan mijn ogen.

Ze haalde het flesje tevoorschijn. Het was een klein, donkerblauw flesje met een geslepen stop, zonder etiket.

—Voor je ogen? zei ze. Ik wist niet...

—Ja, toch wel! stotterde hij. Geef hier, Eve, geef hier.

Maar ze hield het stevig vast in haar twee handen, met een lachje.

—Nee, ik geef het nog niet. Waarom ben je zo bang? Ik zal het niet breken. Ruikt het? Ik wil het openmaken, maar de stop zit zo vast.

—Ach, ik smeek je, Eve, geef hier! smeekte hij. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. Het is niets, het zijn oogdruppels, en het ruikt niet. Je gaat ermee morsen, en dan geeft het vlekken.

Maar ze hield haar handen achter haar rug.

—Het zijn geen oogdruppels, en je hebt geen pijn aan je ogen! zei ze beslist.

—Ja, echt...

—Nee, je liegt! Het is... het is iets anders, nietwaar?

Hij gaf geen antwoord. Hij was heel bleek.

—Geef hier, Eve! vroeg hij lief.

—Werkt het snel? vroeg ze weer.

—Eve, ik wil het, geef hier! zei hij nu knarsend, driftig, woedend, wanhopig.

Hij sloeg zijn armen om haar heen en wilde haar polsen grijpen. Maar hij greep alleen haar ene lege hand. Want met haar andere hand gooide ze het flesje snel over hem heen, op de grond. Het klonk daar met een hoge toon, als van kristal dat breekt. En voordat hij kon opstaan, omhelsde ze hem weer, stevig, helemaal in haar armen. Ze drukte hem neer in de kussens van de bank.

—Laat het, fluisterde ze glimlachend. Het is gebroken. Ik heb het voor je gebroken. Zeg me, waarom had je dat bij je?

—Het is niet wat je denkt! verdedigde hij zich nog.

—Het is het wel. Waarom had je het bij je?

Hij zweeg een tijdje. Toen gaf hij zich over in haar armen:

—Om in te nemen... als het uit was geweest tussen ons. Vanavond, bijvoorbeeld.

—En nu doe je het dus niet meer?

—Misschien... ik kan proberen een ander flesje te kopen, lachte hij somber.

—En waarom moet het uit zijn tussen ons?

Opeens werd hij ernstig. Hij spotte niet meer over dood of leven.

—Om jou, mijn engel. Om jouw geluk. Ik smeek je, *laat* het uit zijn. Laat me je niet langer ongelukkig hoeven maken. Jij kunt nog gelukkig worden. Maar ik voel dat ik alles mis wat ik nodig heb om gelukkig te zijn. En geluk haal je alleen uit jezelf.

—En geloof je dat ik je nu bij me zou laten weggaan? Nadat je me net hebt gezegd wat je dan zou doen, 's avonds?

—Denk dan niet dat het zou zijn omdat ik jou verlies. Ik liep al lang met dat ding in mijn zak. Ik heb er vaak aan gedacht om het te doen. Maar dan dacht ik aan jou, en dan was ik er te zwak voor. Want ik weet dat je van me houdt, o, te veel!

—Helemaal niet te veel. Ik heb geleefd door jou. Zonder jou had ik nooit geleefd.

—Zonder mij had je misschien met een ander geleefd, gelukkiger.

—Nee, nooit met een ander... Dat kon niet, met een ander. Ik moest met jou leven. Het was het Noodlot...

—Ja, het Noodlot, zou Bertie zeggen.

—Praat niet over Bertie...

De regen kletterde tegen de ruiten, een zondvloed in rechte stromen.

—Altijd die regen! zei ze zacht en bang.

—Ja, altijd! herhaalde hij, zonder het te willen.

Ze huiverde en keek hem aan.

—Waarom zeg je dat? vroeg ze scherp.

—Ik weet het niet, antwoordde hij verbaasd en in de war. Ik weet het echt niet. Wat heb ik dan gezegd?

Weer zwegen ze. Toen zei ze:

—Frank...

—Lieveling...

—Ik wil niet meer van je gescheiden zijn. Zelfs vandaag niet. Ik zal voortaan zo bang voor je zijn.

—Laat het uit zijn, kind.

—Nee, nee. Luister. Laten we bij elkaar blijven. Altijd, altijd. Laten we nu samen gaan slapen, terwijl het regent.

—Eve...

—Samen. Je zegt toch dat je alles mist wat je nodig hebt om gelukkig te worden? En dat je het geluk toch uit jezelf moet halen? Nou, zo is het ook met mij. En toch houden we zoveel van elkaar, nietwaar?

—O ja...

—Nou, waarom zouden we dan wakker blijven in dit akelige leven? Het regent maar door. Geef me een zoen, Frank, een nachtzoen, en laten we gaan slapen, terwijl het regent. Laat me in je armen slapen...

—Eve, wat bedoel je?! vroeg hij hol, want hij begreep haar niet.

—Het flesje heb ik gebroken, gebroken voor jou! ging ze vreemd verder. Maar je zou toch proberen een ander te kopen?

Een ijzige kou drong door tot in zijn merg, alsof hij bevroor.

—God, Eve, wat wil je? vroeg hij bevend.

Maar ze lachte hem rustig toe, heel kalm, met zacht stralende, stille ogen. En ze sloeg haar armen om hem heen.

—Samen met je sterven, lieveling! fluisterde ze, alsof ze straalde van geluk. Wat kan het leven ons nog schelen! Je hebt gelijk: jij zult nooit meer gelukkig kunnen worden, en ik zal het niet worden naast jou. En ik wil je ook niet verliezen, want je bent mijn alles. Hoe moeten we dan leven, en waarom zouden we leven? Maar samen, o Frank, samen doodgaan, in elkaars armen, op je mond sterven, o, is dat niet het hoogste geluk! Een zacht vergif, Frank, niets wat pijn doet. Iets zachts. En dat dan samen drinken, en elkaar stevig omhelzen, en dan doodgaan, doodgaan, doodgaan...

Maar hij huiverde van ontzetting.

—Nee, Eve, nee! riep hij uit. Dat mag je niet willen, dat kun je niet willen! Ik verbied het je...

—O, verbied het me niet! smeekte ze. Ze viel op de grond en sloeg haar armen om zijn knieën. Laten we het samen doen. Het zal heerlijk zijn. Het zal roze en zilver en goud om ons heen zijn, als een zonsondergang. O, kun je je iets voorstellen wat zaliger zou zijn? Frank, Frank, het is het Geluk, het Geluk waar we naar zochten, waar iedereen op de wereld naar zoekt! Het Geluk is: samen sterven, terwijl je van elkaar houdt! Het is het paradijs, de hemel, Frank!!!

Hij voelde haar vervoering niet. Maar haar woorden lokten hem, als met de belofte van een korte zoetheid van het leven en een enorm lange rust van de dood. Hij vond niets meer om haar tegen te spreken. Hij vond niets meer om haar tegen te houden, nu haar gedachten zo opstegen naar de hemel. Hij dacht alleen nog dat er geen middel meer was, omdat het flesje gebroken was...

Maar Eve was opgestaan. Het was alsof een magneet haar dwong naar de plek waar het flesje was gevallen. Ze bukte zich en raapte het op. Het was op de plooien van een gordijn gevallen, die op de grond hingen. Het was niet gebroken, alleen gebarsten. En er was geen druppel uit gelopen.

—Frank! gilde ze, zwevend in haar vervoering. Frank, kijk, het *is* niet gebroken, het is heel! Het is het Noodlot, dat het niet heeft laten breken!

Hij was opgestaan en rilde van de ijzige kou in hem. Maar zij had de stop er al af gerukt. Ze dronk het flesje half leeg, met een glimlach van waanzin en geluk.

—Eve!!! schreeuwde hij.

Maar ze bleef rustig glimlachen en gaf hem het flesje aan. Hij keek haar een tijdje aan. Het was hem alsof ze allebei al niet meer op de wereld waren. Alsof ze zweefden in een ruimte met vreemde natuurwetten, waarin vreemde dingen zouden gebeuren. De gedachte kwam in hem op of de wereld nu zou vergaan, in die stortregen daarbuiten. Maar hij zag dat ze wachtte, met haar glimlach. En toen dronk hij...

Het was helemaal donker geworden. In dat donker lagen ze in elkaars armen op de bank. Hij was dood. Zij kwam nog even overeind, stervend. Ze was doodsbang voor de storm die buiten loeide. En voor de storm die loeide in haar eigen vergiftigde lichaam. Er flitste een felle witte bliksem, en meteen daarna donderde het. Maar boven die donder uit, hoger, kwam voor Eve van heel ver een donder aanrollen, *aan*rollen... zwaarder, steeds zwaarder. Het was als een donder uit een andere wereld, op wielen van hemelsferen...

—Daar komt het aan! stotterde ze, in de ontzetting van de dood. O God, daar dondert het aan!!

En ze zakte kronkelend neer op het lichaam onder haar. Ze verstopte zich in zijn losgeknoopte jas, en daar stierf ze.

Toen sleepte er buiten de pikdonkere kamer een stap door de gang, dichter en dichter. De knorrige stem van een oude man riep twee, drie keer Eves naam. Een hand draaide de deur open.

*Den Haag, mei '90.*

### Woordenlijst

- **de strafgevangenis**: een gevangenis waar je je straf uitzit.
- **het Huis van Bewaring**: een gevangenis waar je wacht op je proces.
- **de mishandeling**: iemand pijn doen door te slaan of te schoppen.
- **in hoger beroep gaan**: een nieuwe rechtszaak vragen omdat je het niet eens bent met de straf.
- **de opzichter**: iemand die toezicht houdt op werkers in een fabriek.
- **de alsem**: een plant met een heel bittere smaak.
- **zijn woord teruggeven**: de belofte om te trouwen ongedaan maken.
- **medeplichtig**: mee schuldig aan een misdaad.
- **de balsem**: een zalf die pijn verzacht.
- **het vergif**: een stof die je ziek maakt of doodt.
