# Max Havelaar (Editie B1)

*Multatuli*

## Aan de diep vereerde nagedachtenis

Aan de diep vereerde nagedachtenis  
van Everdine Huberte barones van Wijnbergen,  
de trouwe echtgenote,  
de heldhaftige, liefdevolle moeder,  
de edele vrouw

"J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poëte, et sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualité n'est de trop. Le plus rare ensemble de mérites n'est que le strict nécessaire, et ne suffit même pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, —recueiller dans ses bras et soigner ce poëte qui est votre mari, quand il vous revient meurtri par les déceptions de sa tâche;—ou bien le voir s'envoler à la poursuite de sa chimère … voilà l'ordinaire de l'existence pour une femme de poëte. Oui, mais aussi il y a le chapître des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnés à la sueur de son génie, et qu'il dépose pieusement aux pieds de la femme légitimement aimée, aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde à cet "aveugle errant;"—

Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homère sont plus ou moins aveugles à leur façon;—ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards pénètrent plus haut et plus au fond que les nôtres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trébucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces vallées de prose où demeure la vie."

(Henry de Pène)

GERECHTSDIENAAR. Meneer de rechter, daar is de man die Barbertje vermoord heeft.

RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hij dat gedaan?

GERECHTSDIENAAR. Hij heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten.

RECHTER. Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan. Hij moet hangen.

LOTHARIO. Rechter, ik heb Barbertje niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zijn getuigen die zullen verklaren dat ik een goed mens ben, en geen moordenaar.

RECHTER. Man, u moet hangen! U maakt uw misdaad nog erger door eigenwaan. Het past niet dat iemand die ... ergens van beschuldigd is, zichzelf een goed mens vindt.

LOTHARIO. Maar, rechter, er zijn getuigen die het zullen bevestigen. En omdat ik nu beschuldigd ben van moord ...

RECHTER. U moet hangen! U hebt Barbertje stukgesneden, ingezouten, en u bent tevreden over uzelf ... drie capitale delicten! Wie bent u, vrouwtje?

VROUWTJE. Ik ben Barbertje.

LOTHARIO. Goddank! Rechter, u ziet dat ik haar niet vermoord heb!

RECHTER. Hm ... ja ... zo! Maar het inzouten?

BARBERTJE. Neen, rechter, hij heeft me niet ingezouten. Integendeel, hij heeft veel goeds voor me gedaan. Hij is een edel mens!

LOTHARIO. U hoort het, rechter, ze zegt dat ik een goed mens ben.

RECHTER. Hm ... het *derde* punt blijft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer die man weg, hij moet hangen. Hij is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de premissen de jurisprudentie van Lessings patriarch.

*(Onuitgegeven toneelspel)*

### Woordenlijst

- **nagedachtenis**: de herinnering aan iemand die gestorven is
- **gerechtsdienaar**: iemand die voor de rechter werkt en gevangenen wegbrengt
- **ingezouten**: met zout bewaard, zoals vlees of vis
- **eigenwaan**: het idee dat je beter bent dan je werkelijk bent
- **capitale delicten**: zware misdaden waarop de doodstraf staat
- **griffier**: iemand die bij de rechtbank alles opschrijft
- **premissen**: de punten waarop een rechter zijn uitspraak laat rusten
- **jurisprudentie**: eerdere uitspraken van rechters, die als voorbeeld gelden
- **Lessings patriarch**: hoge geestelijke in een toneelstuk van Lessing, die iemand hoe dan ook wil straffen
- **heldhaftige**: dapper, als een held
- **souvent**: Frans: vaak
- **entendu plaindre**: Frans: horen beklagen
- **femmes de poëte**: Frans: vrouwen van dichters
- **dignement**: Frans: op een waardige manier
- **difficile**: Frans: moeilijk

## Eerste hoofdstuk

Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht nr. 37. Het is niet mijn gewoonte om romans te schrijven, of zulke dingen. Daarom heeft het ook lang geduurd voor ik een paar riem papier extra bestelde. Toen pas begon ik aan het werk dat u, lieve lezer, zojuist in de hand hebt genomen. U moet het lezen als u makelaar in koffie bent, of als u iets anders bent. Ik heb nooit iets geschreven dat op een roman leek. Ik houd er zelfs niet van om zoiets te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Al jaren vraag ik me af waartoe zulke dingen dienen. Ik sta verbaasd over de brutaliteit van een dichter of romanschrijver. Zo iemand durft u iets wijs te maken dat nooit gebeurd is, en dat meestal ook niet kan gebeuren. In gedichten en romans zijn de onwaarheden de hoofdzaak. Stel nu dat ik in *mijn* vak zo'n opgave deed aan een principaal. Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht nr. 37. Een principaal is iemand die koffie verkoopt. Stel dat er maar een klein deel van die onwaarheden in stond. Dan zou hij meteen Busselinck & Waterman nemen. Dat zijn ook makelaars in koffie, maar hun adres hoeft u niet te weten. Ik pas dus goed op dat ik geen romans schrijf, of andere valse opgaven doe. Ik heb dan ook altijd gezien dat mensen die zich met zoiets bemoeien, gewoonlijk slecht terechtkomen. Ik ben drieënveertig jaar oud, en ik kom al twintig jaar op de beurs. Als men iemand met ervaring zoekt, kan ik dus naar voren komen. Ik heb al heel wat huizen zien vallen! Als ik de oorzaken onderzocht, kwam het me gewoonlijk zo voor. Men moest die zoeken in de verkeerde richting die de meesten in hun jeugd hadden gekregen.

Ik zeg: *waarheid en gezond verstand*, en hier blijf ik bij. Voor de *Schrift* maak ik natuurlijk een uitzondering. De fout begint al bij Van Alphen, en wel meteen bij de eerste regel over die "lieve wichtjes". Wat drommel bracht die oude heer ertoe? Waarom zei hij dat hij zo veel hield van mijn zusje Truitje, dat zere ogen had? Of van mijn broer Gerrit, die altijd met zijn neus speelde? En toch zegt hij "dat hij die versjes zong, door liefde gedrongen". Als kind dacht ik dikwijls: "Man, ik zou u graag eens ontmoeten. Ik zou u om marmeren knikkers vragen, of om mijn naam voluit in banket — ik heet *Batavus*. Als u dat weigert, houd ik u voor een leugenaar." Maar ik heb Van Alphen nooit gezien. Hij was al dood, geloof ik, toen hij ons vertelde dat mijn vader mijn beste vriend was. Ik hield meer van Pauweltje Winser, die naast ons woonde in de Batavierstraat. Hij vertelde ook dat mijn kleine hond zo dankbaar was. Wij hielden geen honden, omdat ze zo onzindelijk zijn.

Alles leugens! Zo gaat de opvoeding dan verder. Het nieuwe zusje is van de groenvrouw gekomen, in een grote kool. Alle Hollanders zijn dapper en edelmoedig. De Romeinen waren blij dat de Batavieren hen lieten leven. De Bey van Tunis kreeg buikkramp als hij de Nederlandse vlag hoorde wapperen. De hertog van Alva was een monster. De eb, in 1672 geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlijk, expres om Nederland te beschermen. Leugens! Nederland is *Nederland* gebleven omdat onze oude lui goed op hun zaken letten, en omdat ze het ware geloof hadden. *Dat* is de zaak!

En later komen er weer andere leugens. Een meisje is een engel. Wie dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde van de aarde. De aarde heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met mijn vrouw. Zij is een dochter van Last & Co, makelaars in koffie. Niemand kan iets op ons huwelijk aanmerken. Ik ben lid van Artis, en zij heeft een sjaallong van 92 gulden. Tussen ons is nooit sprake geweest van zo'n malle liefde. Die wil per se aan het einde van de aarde wonen. Toen we getrouwd waren, hebben we een reisje naar Den Haag gemaakt. Ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog onderhemden draag. Verder heeft de liefde ons nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens!

Zou *mijn* huwelijk nu minder gelukkig zijn dan dat van de mensen die door de liefde de tering kregen? Of die zich de haren uit het hoofd trokken? Ik heb mijn meisje zeventien jaar geleden niet in *verzen* gezegd dat ik met haar wilde trouwen. Denkt u dat mijn huishouden daardoor minder goed geregeld is? Gekheid! Ik had dit toch net zo goed kunnen doen als ieder ander, want verzen maken is een ambacht. Het is zeker minder moeilijk dan ivoor draaien. Hoe zouden de ulevellen met versjes anders zo goedkoop zijn? — Frits zegt: "Uhlefeldjes", ik weet niet waarom? — En vraag eens naar de prijs van een stel biljartballen!

Ik heb niets tegen verzen op zichzelf. Wil men de woorden in het gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. "De lucht is guur, en 't is vier uur." Dit laat ik gelden, als het werkelijk *guur* en *vier uur* is. Maar stel dat het kwartier voor drieën is. Ik zet mijn woorden niet in het gelid. Ik kan dus zeggen: "de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieën". De verzenmaker is door de *guurheid* van de eerste regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem precies *één, twee* uur enzovoort zijn, of de lucht mag niet guur zijn. *Zeven* en *negen* zijn verboden door de maat. Daar gaat hij dan aan het knoeien! Of het weer moet veranderen, of de tijd. Een van beide is dan gelogen.

En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens naar de schouwburg, en luister *daar* naar de leugens die men aan de man brengt. De held van het stuk wordt uit het water gehaald door iemand die bijna bankroet is. Dan geeft hij hem zijn halve vermogen. Dat kan niet waar zijn. Onlangs woei mijn hoed op de Prinsengracht in het water — Frits zegt: *waaide*. De man die hem terugbracht, heb ik een dubbeltje gegeven, en hij was tevreden. Ik weet wel dat ik iets meer had moeten geven als hij *mij* eruit had gehaald. Maar zeker niet mijn halve vermogen. Op die manier hoeft men maar twee keer in het water te vallen om doodarm te zijn. Dat is toch duidelijk. Het ergste bij zulke voorstellingen op het toneel is dit. Het publiek went zo aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had weleens zin om zo'n hele parterre in het water te gooien. Dan zou ik zien wie dat toejuichen gemeend had. Ik, die van de waarheid houd, waarschuw iedereen. Voor het opvissen van mijn persoon wil ik niet zo'n hoog bergloon betalen. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen op zondag zou ik iets meer geven, omdat ik dan mijn kantilje ketting draag, en een andere jas.

Ja, dat toneel bederft velen, nog meer dan de romans. Het is zo aanschouwelijk! Met wat klatergoud en wat kant van gesneden papier ziet dat alles er zo aantrekkelijk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor mensen die niet in zaken zijn. Zelfs als die toneelmensen armoede willen voorstellen, is hun voorstelling altijd leugenachtig. Een meisje van wie de vader bankroet is gegaan, werkt om de familie te onderhouden. Heel goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu eens de steken die ze doet in het hele bedrijf. Ze praat, ze zucht, ze loopt naar het raam, maar werken doet ze niet. De familie die van dit werk kan leven, heeft weinig nodig. Zo'n meisje is natuurlijk de heldin. Ze heeft enkele verleiders van de trap gegooid. Ze roept steeds: "o mijn moeder, o mijn moeder!" en stelt dus de deugd voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar nodig heeft voor een paar wollen sokken? Geeft dit alles geen valse ideeën van deugd, en van "werken voor de kost"? Alles gekheid en leugens!

Dan komt haar eerste minnaar plotseling terug, en hij trouwt met haar. Vroeger was hij klerk aan het kopieboek, maar nu is hij schatrijk. Ook weer leugens. Wie geld heeft, trouwt geen meisje uit een failliet huis. Misschien vindt u dat dit op het toneel kan, als uitzondering. Maar mijn opmerking blijft bestaan. Men bederft de zin voor waarheid bij het volk, dat de uitzondering als regel aanneemt. En men ondermijnt de publieke zedelijkheid, doordat het volk op het *toneel* iets leert toejuichen. Maar in de *wereld* vindt iedere fatsoenlijke makelaar of koopman zoiets belachelijke krankzinnigheid. Toen *ik* trouwde, waren we op het kantoor van mijn schoonvader — Last & Co — met ons dertienen. En er ging heel wat om!

En nog meer leugens op het toneel. De held gaat met zijn stijve komediestap weg om het onderdrukte vaderland te redden. Waarom gaat de dubbele achterdeur dan altijd vanzelf open? En verder: hoe kan iemand die in verzen spreekt, vooraf weten wat de ander moet antwoorden? Hij moet hem het rijm toch gemakkelijk maken. Stel dat de veldheer tegen de prinses zegt: "mevrouw, het is te laat, de poorten zijn gesloten". Hoe kan hij dan vooruit weten dat zij wil zeggen: "welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontbloten"? Stel dat zij hoort dat de poort dicht is, en antwoordt dat ze dan wel wacht tot hij opengaat. Of dat ze een andere keer terugkomt. Waar blijven maat en rijm dan? Is het dus geen pure leugen, als de veldheer de prinses vragend aankijkt? Hij wil weten wat ze zal doen na het sluiten van de poort. Nog eens: stel dat het mens nu eens zin had gehad om te gaan slapen? In plaats van iets te ontbloten? Alles leugens!

En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben al zeventien jaar makelaar in koffie — Lauriergracht nr. 37 — en ik heb dus al heel wat meegemaakt. Maar het stuit me altijd vreselijk tegen de borst als ik de goede lieve waarheid zo zie verdraaien. Beloonde deugd? Maakt men zo niet een handelsartikel van de deugd? Zo *is* het niet in de wereld, en het is *goed* dat het niet zo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd beloond werd? Waartoe dan altijd die infame leugens?

Daar is bijvoorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht. Hij heeft al bij de vader van Last & Co gewerkt. De firma was toen Last & Meyer, maar de Meyers zijn er lang uit. *Dat* was nu toch wel een deugdzaam man. Er kwam nooit een boon te kort, hij ging stipt naar de kerk, en drinken deed hij niet. Als mijn schoonvader in Driebergen was, bewaakte hij het huis, en de kas, en alles. Eens heeft hij bij de Bank 17 gulden te veel ontvangen, en hij bracht ze terug. Hij is nu oud en jichtig, en hij kan niet meer werken. Nu heeft hij niets, want er gaat zoveel bij ons om, en we hebben jong volk nodig. Welnu, ik houd die Lukas voor zeer deugdzaam, maar wordt hij nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of een fee die boterhammen voor hem smeert? Waarachtig niet! Hij is arm, en blijft arm, en zo moet het ook zijn. *Ik* kan hem niet helpen, want we hebben jong volk nodig, omdat er zoveel bij ons omgaat. Maar al *kon* ik het, waar bleef dan zijn verdienste, als hij nu op zijn oude dag gemakkelijk kon leven? Dan zouden alle pakhuisknechten wel deugdzaam worden, en iedereen. Dat kan Gods bedoeling niet zijn, want dan bleef er hiernamaals geen bijzondere beloning voor de braven over. Maar op het toneel verdraaien ze dat ... alles leugens!

*Ik* ben ook deugdzaam, maar vraag ik daarvoor beloning? Als mijn zaken goed gaan — en dat doen ze ... Als mijn vrouw en kinderen gezond zijn, zodat ik geen last heb met dokter en apotheker ... Als ik jaar in jaar uit een sommetje opzij kan leggen voor de oude dag ... Als Frits knap opgroeit, om later mijn plaats in te nemen als ik naar Driebergen ga ... Zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlijk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken let. Voor mijn deugd eis ik niets.

En dat ik toch deugdzaam *ben*, blijkt uit mijn liefde voor de waarheid. Deze is, na mijn gehechtheid aan het geloof, mijn belangrijkste neiging. Ik wilde dat u hiervan overtuigd was, lezer, omdat het mijn excuus is voor het schrijven van dit boek.

Een tweede neiging, die mij even sterk beheerst als de waarheidsliefde, is de hartstocht voor mijn vak. Ik ben namelijk makelaar in koffie, Lauriergracht nr. 37. Welnu, lezer, deze bladzijden hebt u te danken aan mijn onkreukbare liefde voor de waarheid. En aan mijn ijver voor de zaken. Ik zal u vertellen hoe dit is gegaan. Op dit ogenblik neem ik afscheid van u, want ik moet naar de beurs. Maar ik nodig u straks uit op een tweede hoofdstuk. Tot ziens dus!

Alstublieft, steek dit bij u ... het is een kleine moeite ... het kan van pas komen ... kijk, daar is het: een adreskaartje! Die Co ben ik, sinds de Meyers eruit zijn ... de oude Last is mijn schoonvader.

LAST & Co  
MAKELAARS IN KOFFIE  
Lauriergracht nr. 37

### Woordenlijst

- **makelaar**: iemand die voor anderen koopt en verkoopt en daarvoor geld krijgt
- **riem**: pak van vijfhonderd vellen papier
- **wichtjes**: kleine kinderen (oud woord)
- **drommel**: duivel; "wat drommel" betekent: wat voor de duivel
- **gedrongen**: gedreven, ertoe gebracht
- **sjaallong**: lange, dure sjaal
- **flanel**: zachte, warme stof van wol
- **ulevel**: snoepje in een papiertje met een versje
- **in het gelid**: netjes op een rij, zoals soldaten
- **guur**: koud, nat en winderig
- **parterre**: de plaatsen beneden in de schouwburg, en de mensen die daar zitten
- **bergloon**: geld dat je krijgt als je iets uit het water redt
- **kantilje ketting**: dure ketting van gedraaid gouddraad
- **ontbloten**: bloot maken; hier ook: het zwaard uit de schede trekken
- **jichtig**: met pijn in de gewrichten door de ziekte jicht

## Tweede hoofdstuk

Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal het wel goedmaken. Denk niet dat er niets bij ons omgaat. Bij Busselinck & Waterman is het nog slapper. Een vreemde wereld! Men maakt zoiets mee als men zo'n twintig jaar op de beurs komt. Stelt u zich voor dat ze daar geprobeerd hebben — Busselinck & Waterman, meen ik — mij Ludwig Stern af te nemen. Ik weet niet of u de beurs kent, dus ik zal het even zeggen. Stern is een eerste huis in koffie in Hamburg, dat altijd door Last & Co is bediend. Heel toevallig kwam ik daarachter ... ik meen achter de knoeierij van Busselinck & Waterman. Zij zouden een kwart procent van de courtage laten vallen — onderkruipers zijn het, anders niet! En kijk nu eens wat ik gedaan heb om die slag af te weren. Een ander in mijn plaats had misschien aan Ludwig Stern geschreven dat hij ook wat zou laten vallen. Hij had misschien geschreven dat hij hoopte op consideratie, om de lange diensten van Last & Co ... Ik heb uitgerekend dat de firma in ruim vijftig jaar vier ton aan Stern verdiend heeft. Die connectie dateert van het Continentaal Stelsel, toen wij koloniale waren binnensmokkelden vanaf Helgoland. Ja, wie weet wat een ander al zo geschreven zou hebben. Maar neen, onderkruipen doe ik niet. Ik ben naar Polen gegaan, liet me pen en papier geven, en schreef:

*Dat de grote uitbreiding van onze zaken in de laatste tijd, vooral door de vele geëerde orders uit Noord-Duitsland ...*

't Is de zuivere waarheid!

*... dat die uitbreiding enige vermeerdering van ons personeel noodzakelijk maakte.*

't Is de waarheid! Gisteravond nog was de boekhouder na elven op het kantoor, om zijn bril te zoeken.

*Dat vooral de behoefte werd gevoeld aan fatsoenlijke, goed opgevoede jongelui, voor de correspondentie in het Duits. Dat wel veel Duitse jongelui in Amsterdam de nodige kennis hadden, maar dat een huis dat zichzelf respecteert ...*

't Is de zuivere waarheid!

*... bij de groeiende lichtzinnigheid en onzedelijkheid onder de jeugd. Bij het dagelijks groeiende aantal gelukzoekers. En omdat soliditeit van gedrag hand in hand moet gaan met soliditeit in het uitvoeren van de gegeven orders ...*

't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid!

*... dat zo'n huis* — ik bedoel Last & Co, makelaars in koffie, Lauriergracht nr. 37. *Dat zo'n huis niet voorzichtig genoeg kon zijn met het aannemen van personeel.*

Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet u wel? De jonge Duitser die op de beurs bij pilaar 17 stond, is weggelopen met de dochter van Busselinck & Waterman! Onze Marie wordt ook al dertien in september.

*... dat ik de eer had gehad van de heer Saffeler te horen* — Saffeler reist voor Stern. *Dat de geachte chef van de firma, de heer Ludwig Stern, een zoon had, de heer Ernest Stern. Dat deze, om zijn kennis van de handel te volmaken, enige tijd in een Hollands huis wilde werken. Dat ik met het oog op ...*

Hier herhaalde ik weer al die onzedelijkheid, en ik vertelde de geschiedenis van de dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken ... neen, kwaadspreken ligt helemaal niet in mijn aard! Maar ... het kan nooit kwaad dat ze het weten, denk ik.

*... dat ik daarom niets liever wenste dan de heer Ernest Stern belast te zien met de Duitse correspondentie van ons huis.*

Uit kiesheid vermeed ik elke toespeling op honorarium of salaris. Maar ik voegde eraan toe:

*Stel dat de heer Ernest Stern het verblijf in ons huis wilde accepteren* — Lauriergracht nr. 37. *Dan was mijn vrouw bereid als een moeder voor hem te zorgen. En dat zijn linnengoed in huis versteld zou worden.*

Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En ten slotte:

*Dat bij ons de Heer gediend werd.*

Die kan hij in zijn zak steken, want de Sterns zijn luthers. En ik verzond mijn brief. U begrijpt dat de oude Stern niet zomaar naar Busselinck & Waterman kan gaan, als de jonge bij ons op kantoor is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord.

Om nu terug te komen op mijn boek. Enige tijd geleden kom ik 's avonds door de Kalverstraat. Ik bleef staan kijken naar de winkel van een kruidenier. Hij was bezig met het sorteren van een partijtje *Java, ordinair, mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel*. Dat interesseerde me zeer, want ik let altijd op alles. Daar zag ik opeens een heer die ernaast voor een boekwinkel stond, en die me bekend voorkwam. Hij leek mij ook te herkennen, want onze blikken ontmoetten elkaar steeds. Ik moet zeggen dat ik te veel met het veegsel bezig was. Daarom zag ik niet meteen wat ik later zag: dat zijn kleren nogal versleten waren. Anders had ik de zaak daarbij gelaten. Maar opeens kreeg ik de gedachte dat hij misschien reiziger was van een Duits huis, die een solide makelaar zocht. Hij had ook wel iets van een Duitser, en van een reiziger ook. Hij was zeer blond, had blauwe ogen, en in houding en kleding had hij iets van een vreemdeling. In plaats van een behoorlijke winterjas hing er een soort sjaal over zijn schouder. Frits zegt "shawl", maar dit doe ik niet. Het was alsof hij zo van de reis kwam. Ik dacht dat ik een klant zag. Ik gaf hem een adreskaartje: *Last & Co, makelaars in koffie, Lauriergracht nr. 37*. Hij hield het bij de gaslamp, en zei: "Dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht dat ik het genoegen had een oude schoolkameraad te zien, maar ... *Last*? Dit is de naam niet."

—Pardon, zei ik — want ik ben altijd beleefd — ik ben meneer Droogstoppel, Batavus Droogstoppel. *Last & Co* is de firma, makelaars in koffie, Lauriergr ...

—Wel, Droogstoppel, kent u me niet meer? Kijk me eens goed aan.

Hoe meer ik hem aankeek, hoe meer ik me herinnerde dat ik hem eerder had gezien. Maar, vreemd genoeg, zijn gezicht werkte op mij alsof ik vreemde parfums rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult u zien hoe dit kwam. Ik ben ervan overtuigd dat hij geen druppel parfum bij zich had. Toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan ... daar had ik het!

—Bent u het, riep ik, die mij van de Griek hebt verlost?

—Zeker, zei hij, dat was *ik*. En hoe gaat het met *u*?

Ik vertelde hem: we zijn met ons dertienen op het kantoor, want er gaat zoveel bij ons om. En toen vroeg ik hoe het met *hem* ging. Daar had ik later spijt van, want het leek hem niet goed te gaan. Ik houd niet van arme mensen, omdat het gewoonlijk hun eigen schuld is. De Heer zou immers niemand verlaten die Hem trouw gediend had. Had ik eenvoudig gezegd: "we zijn met ons dertienen, en ... goedenavond verder!", dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd het hoe langer hoe moeilijker. Frits zegt: *hoe langs zo* moeilijker, maar dit doe ik niet. *Hoe* moeilijker dus, om van hem af te komen. Aan de andere kant moet ik ook weer toegeven dat u dan dit boek niet te lezen had gekregen. Het is namelijk een gevolg van die ontmoeting. Ik houd ervan het goede op te merken. Wie dit niet doet, is een ontevreden mens, en die kan ik niet uitstaan.

Ja, ja, hij was het die mij uit de handen van de Griek had verlost! Denk nu niet dat ik ooit door zeerovers ben gevangen, of dat ik ruzie heb gehad in de Levant. Ik heb u al gezegd dat *ik* na mijn trouwen met mijn vrouw naar Den Haag ben gegaan. Daar hebben we het Mauritshuis gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het enige uitstapje dat de zaken mij ooit hebben toegestaan, want er gaat zoveel bij ons om. Neen, hier in Amsterdam zelf had hij om mijnentwil een Griek de neus aan het bloeden geslagen. Want hij bemoeide zich altijd met dingen die hem niet aangingen.

Het was in drie- of vierendertig, geloof ik, en in september, want er was kermis in Amsterdam. Mijn ouders wilden een predikant van me maken, en daarom leerde ik Latijn. Later heb ik me dikwijls afgevraagd waarom men Latijn moet kennen om in het Hollands te zeggen: "God is goed". Genoeg, ik zat op de Latijnse school — nu zeggen ze *gymnasium* — en daar was kermis ... in Amsterdam, meen ik. Op de Westermarkt stonden kramen. Als u Amsterdammer bent, lezer, en ongeveer van mijn leeftijd, zult u zich één kraam herinneren. Die viel op door de zwarte ogen en de lange vlechten van een meisje dat als een Griekse gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of hij zag er tenminste uit als een Griek. Ze verkochten allerlei parfums.

Ik was net oud genoeg om het meisje mooi te vinden. Maar ik had niet de moed om haar aan te spreken. Dit had me ook weinig geholpen, want meisjes van achttien jaar zien een jongen van zestien als een kind. En daarin hebben ze groot gelijk. Toch kwamen wij, jongens van *quarta*, altijd 's avonds op de Westermarkt om dat meisje te zien.

Nu was degene die daar voor me stond met zijn sjaal, er een keer bij. Hij was wel een paar jaar jonger dan de anderen. Hij was dus nog te kinderachtig om naar de Griekse te kijken. Maar hij was de *primus* van onze klas — want knap was hij, dit moet ik toegeven. En hij hield veel van spelen, stoeien en vechten. *Daarom* was hij bij ons. We stonden dus — we waren wel met ons tienen — vrij ver van de kraam naar die Griekse te kijken. We overlegden hoe we kennis met haar konden maken. Er werd besloten geld bij elkaar te leggen om iets in die kraam te kopen. Maar toen was goede raad duur: wie durfde het meisje aan te spreken? Ieder wilde, maar niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op mij. Nu geef ik toe dat ik niet graag gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en ik houd iedereen die het gevaar zoekt voor een gek. Dat staat ook in de Schrift. Het doet me echt plezier dat ik in mijn ideeën over gevaar en zulke dingen mezelf gelijk ben gebleven. Ik denk daar nu nog precies zo over als die avond, toen ik bij de kraam van de Griek stond. Ik had de twaalf stuivers die we samengelegd hadden, in mijn hand. Maar kijk, uit valse schaamte durfde ik niet te zeggen dat ik niet durfde. Bovendien moest ik wel vooruit, want mijn kameraden duwden me. En al gauw stond ik voor de kraam.

Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd groen en geel voor mijn ogen. Ik stamelde een *aoristus primus* van ik weet niet welk werkwoord ...

—*Plaît-il?* zei zij.

Ik herstelde me een beetje, en ging verder:

—*Meenin aeide thea*, en ... dat Egypte een geschenk van de Nijl was.

Ik ben ervan overtuigd dat de kennismaking gelukt zou zijn. Maar op dat ogenblik gaf een van mijn kameraden me, uit kinderachtige baldadigheid, een stoot in de rug. Die was zo hard, dat ik heel onzacht tegen de uitstalkast vloog. Die sloot de voorkant van de kraam op halve manshoogte af. Ik voelde een greep in mijn nek ... een tweede greep veel lager ... ik zweefde een ogenblik ... En voor ik goed begreep hoe de zaken stonden, zat ik in de kraam van de Griek. Hij zei in verstaanbaar Frans dat ik een *gamin* was, en dat hij de politie zou roepen. Nu was ik wel dicht bij het meisje, maar plezier deed het me niet. Ik huilde, en smeekte om genade, want ik was vreselijk bang. Maar het hielp niet. De Griek hield me bij de arm vast, en schopte me. Ik zocht naar mijn kameraden. We hadden juist die morgen veel over Scaevola gedaan, die zijn hand in het vuur stak. In hun Latijnse opstellen hadden ze dit zo heel mooi gevonden. Jawel! Niemand was daar gebleven om voor *mij* een hand in het vuur te steken ...

Zo dacht ik. Maar kijk, daar vloog opeens mijn Sjaalman door de achterdeur de kraam in. Hij was niet groot of sterk, en pas een jaar of dertien oud. Maar hij was een vlug en dapper mannetje. Ik zie zijn ogen nog flikkeren — anders keken ze flauw. Hij gaf de Griek een vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem flink geslagen heeft. Maar ik bemoei me nooit met dingen die me niet aangaan — dit is een vast principe van me. Daarom ben ik meteen weggelopen. Ik heb het dus niet gezien.

Daarom dus deden zijn trekken me zo aan parfum denken. En zo kan men in Amsterdam ruzie krijgen met een Griek. Op latere kermissen stond die man weer met zijn kraam op de Westermarkt. Dan ging ik me altijd ergens anders vermaken.

Ik houd veel van wijsgerige opmerkingen. Daarom moet ik u toch even zeggen, lezer, hoe wonderlijk de zaken van deze wereld samenhangen. Stel dat de ogen van dat meisje minder zwart waren geweest. Of dat ze kortere vlechten had gehad. Of dat men mij niet tegen die winkelkast had gegooid. Dan zou u nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat het zo gebeurd is. Geloof me, alles in de wereld is goed, zoals het is. Ontevreden mensen die altijd klagen, zijn mijn vrienden niet. Daar hebt u Busselinck & Waterman ... maar ik moet verder, want mijn boek moet af zijn voor de voorjaarsveiling.

Ronduit gezegd — want ik houd van de waarheid — vond ik het weerzien met die persoon niet aangenaam. Ik zag meteen dat het geen solide connectie was. Hij zag heel bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was, wist hij het niet. Dit zijn dingen waar iemand op let die zo'n twintig jaar op de beurs komt, en die zoveel heeft meegemaakt. Ik heb al heel wat huizen zien vallen!

Ik dacht dat hij rechts zou gaan, en ik zei dat ik links moest. Maar kijk, hij ging ook links, en ik kon dus een gesprek niet vermijden. Maar ik dacht steeds dat hij niet wist hoe laat het was. Bovendien merkte ik dat zijn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt, en dat is een zeer slecht merk. Daarom hield ik de toon van ons gesprek maar wat flauw. Hij vertelde me dat hij in Indië was geweest, dat hij getrouwd was, dat hij kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar ik vond er niets belangrijks aan. Bij de Kapelsteeg — ik ga anders nooit door die steeg, omdat dit niet past bij een fatsoenlijk man, vind ik. Maar deze keer wilde ik bij de Kapelsteeg rechtsaf slaan. Ik wachtte tot we dat straatje bijna voorbij waren, om goed te laten zien dat zijn weg rechtdoor ging. En toen zei ik zeer beleefd — want beleefd ben ik altijd. Men kan nooit weten hoe men iemand later nodig heeft:

—Het was me bijzonder aangenaam u weer te zien, meneer ... *r* ... *r*! En ... *en* ... *en* ... ik recommandeer me! Ik moet hierin.

Toen keek hij me heel vreemd aan, en hij zuchtte, en pakte opeens een knoop van mijn jas ...

—Beste Droogstoppel, zei hij, ik heb u iets te vragen.

Er ging een rilling door mijn lijf. Hij wist niet hoe laat het was, en hij wilde mij iets vragen! Natuurlijk antwoordde ik dat ik geen tijd had, en naar de beurs moest, hoewel het avond was. Maar als men zo'n twintig jaar op de beurs is geweest ... En iemand wil u iets vragen, zonder te weten hoe laat het is ...

Ik maakte mijn knoop los, groette heel beleefd — want beleefd ben ik altijd — en ging de Kapelsteeg in. Dat doe ik anders nooit, omdat het niet fatsoenlijk is, en fatsoen gaat mij boven alles. Ik hoop dat niemand het gezien heeft.

### Woordenlijst

- **courtage**: het geld dat een makelaar krijgt voor zijn werk
- **onderkruiper**: iemand die het werk van een ander goedkoper doet en hem zo klanten afneemt
- **knoeierij**: slecht en oneerlijk werk
- **ton**: honderdduizend gulden
- **Continentaal Stelsel**: verbod van Napoleon op handel met Engeland
- **Polen**: koffiehuis bij de beurs in Amsterdam
- **stopt en maast**: maakt gaten in kleren en sokken netjes dicht
- **veegsel**: slechte koffie die van de vloer is geveegd
- **quarta**: een klas op de Latijnse school
- **stuiver**: oude munt van vijf cent
- **aoristus primus**: een vorm van het Griekse werkwoord
- **Plaît-il?**: Frans: wat zegt u?
- **Meenin aeide thea**: de eerste woorden van een oud Grieks gedicht
- **gamin**: Frans: straatjongen
- **ik recommandeer me**: deftige groet bij het afscheid

## Derde hoofdstuk

Toen ik een dag later van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand was geweest om me te spreken. Naar de beschrijving was het de Sjaalman. Hoe hij me gevonden had ... nu ja, het adreskaartje! Ik dacht erover mijn kinderen van school te halen. Want het is lastig als men twintig, dertig jaar later nog wordt achtervolgd door een schoolkameraad. Zeker door een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan als er kramen staan.

De volgende dag kreeg ik een brief met een groot pak. Ik zal u de brief laten lezen:

*Waarde Droogstoppel!*

Ik vind dat hij wel had kunnen zeggen: *Weledele Heer Droogstoppel*, omdat ik makelaar ben.

*Ik ben gisteren bij u geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik geloof dat u in goede omstandigheden leeft ...*

Dit is waar: we zijn met ons dertienen op het kantoor.

*... en ik wilde gebruikmaken van uw krediet. Daarmee wil ik een zaak tot stand brengen die voor mij van groot belang is.*

Zou men niet denken dat het ging om een order op de voorjaarsveiling?

*Door veel omstandigheden heb ik op dit ogenblik enigszins geldgebrek.*

Enigszins? Hij had geen hemd aan. Dat noemt hij *enigszins*!

*Ik kan mijn lieve vrouw niet alles geven wat het leven aangenaam maakt. Ook de opvoeding van mijn kinderen is, wat het geld betreft, niet zoals ik zou wensen.*

Wat het leven aangenaam maakt? De opvoeding van de kinderen? Denkt u dat hij voor zijn vrouw een loge in de Opera wilde huren? En zijn kinderen op een instituut in Genève wilde doen? Het was najaar, en nogal koud ... welnu, hij woonde op een zolder, zonder vuur. Toen ik die brief kreeg, wist ik dit niet. Maar later ben ik bij hem geweest, en nu nog ben ik boos over de malle toon van zijn geschrijf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen dat hij arm is! Armen moeten er zijn, dit is nodig in de maatschappij, en het is Gods wil. Als hij maar geen aalmoes vraagt en niemand lastigvalt, heb ik er helemaal niets op tegen dat hij arm is. Maar dat mooi maken van de zaak past niet. Luister verder:

*Ik heb de plicht om voor mijn gezin te zorgen. Daarom heb ik besloten een talent te gebruiken dat mij, geloof ik, gegeven is. Ik ben dichter ...*

Poeh! U weet, lezer, hoe ik en alle verstandige mensen daarover denken.

*... en schrijver. Al sinds mijn kindertijd drukte ik mijn gevoelens in verzen uit. Ook later schreef ik elke dag op wat er in mijn ziel omging. Ik geloof dat daaronder enkele opstellen zijn die waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dat is juist het moeilijke. Het publiek kent mij niet. En de uitgevers beoordelen de werken meer naar de bekende naam van de schrijver dan naar de inhoud.*

Juist zoals wij de koffie naar de naam van de merken. Wel zeker! Hoe anders?

*Mag ik dus aannemen dat mijn werk niet helemaal zonder waarde is? Dan zou dat toch pas na de uitgave blijken. En de boekhandelaars vragen de betaling van de drukkosten enzovoort vooruit ...*

Daarin hebben ze groot gelijk.

*... wat mij op dit ogenblik niet goed uitkomt. Toch ben ik ervan overtuigd dat mijn werk de kosten zou dekken. Ik durf daarop gerust mijn woord te geven. Daarom ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van eergisteren ...*

Dat noemt hij aanmoedigen!

*... tot het besluit gekomen u iets te vragen. Zou u voor mij bij een boekhandelaar borg willen staan voor de kosten van een eerste uitgave? Al is het maar van een klein boekdeel. Ik laat de keuze van die eerste proef helemaal aan u over. In het pak dat hierbij gaat, zult u veel handschriften vinden. Daaruit zult u zien dat ik veel gedacht, gewerkt en meegemaakt heb ...*

Ik heb nooit gehoord dat hij zaken deed.

*... en stel dat de gave om het goed te zeggen mij niet helemaal ontbreekt. Dan zal het zeker niet aan gebrek aan* indrukken *liggen als ik niet slaag.*

*In afwachting van een vriendelijk antwoord noem ik mij uw oude schoolkameraad ...*

En zijn naam stond eronder. Maar die verzwijg ik, omdat ik er niet van houd iemand in opspraak te brengen.

Waarde lezer, u begrijpt hoe gek ik stond te kijken. Men wilde mij daar opeens verheffen tot makelaar in verzen. Ik zal hem maar Sjaalman blijven noemen. Ik ben er zeker van dat hij mij zo'n verzoek niet had gedaan als hij me overdag had gezien. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar het was avond, en ik trek het me dus niet aan.

Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets wilde weten. Ik had het pak door Frits laten terugbrengen, maar ik wist zijn adres niet. En hij liet niets van zich horen. Ik dacht dat hij ziek was, of dood, of zoiets.

Vorige week was er krans bij de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits ging voor het eerst mee. Hij is zestien jaar, en ik vind het goed dat een jong mens in de wereld komt. Anders loopt hij naar de Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen. Bij het dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer gebeurd leek te zijn. Wij waren toen achter aan het *gents whisten*. Frits leek er iets mee te maken te hebben. "Ja, ja, Louise, riep Betsy Rosemeyer, gehuild heb je! Papa, Frits heeft Louise aan het huilen gemaakt."

Mijn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou gaan naar de krans. Ze dacht dat hij Louise pijn had gedaan, of zoiets, en ook ik wilde er een stevig woordje aan toevoegen. Toen riep Louise:

—Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hij het nog eens deed!

*Wat dan*? Hij had haar geen pijn gedaan, hij had gereciteerd, daar hebt u het.

Natuurlijk ziet de vrouw van het huis graag dat er bij het dessert iets aardigs gebeurt. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer — de Rosemeyers laten zich *mevrouw* noemen, omdat ze in suiker doen, en een aandeel in een schip hebben. Mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan het huilen had gemaakt, ook *ons* zou vermaken. Ze vroeg Frits om een da capo, en hij zag zo rood als een kalkoen. Ik begreep voor geen geld ter wereld *wat* hij dan toch had opgezegd, want ik kende zijn repertoire precies. Dat was: de *godenbruiloft, de boeken van het Oude Testament op rijm, en een episode uit de bruiloft van Kamacho*. Dat laatste vinden de jongens altijd zo aardig, omdat er iets van een "brillekiek" in voorkomt. Wat daaronder tranen kon veroorzaken, was mij een raadsel. Het is waar, zo'n meisje huilt gauw.

"Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zo ging het, en Frits begon. Ik houd er niet van de lezer zo bestudeerd nieuwsgierig te maken. Daarom zal ik maar meteen zeggen dat ze thuis het pak van Sjaalman hadden opengemaakt. Daaruit hadden Frits en Marie een wijsneuzigheid en een sentimentaliteit gehaald die me later veel last in huis hebben gebracht. Toch moet ik toegeven, lezer, dat dit boek ook uit dat pak komt. Ik zal me daar later behoorlijk over verantwoorden. Want ik vind het belangrijk dat men mij ziet als iemand die de waarheid liefheeft. En die goed voor zijn zaken is. Onze firma is *Last & Co, makelaars in koffie, Lauriergracht nr. 37*.

Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan elkaar hing. Neen, het hing niet aan elkaar. Een jongeman schreef aan zijn moeder dat hij verliefd was geweest. Zijn meisje was met een ander getrouwd — waarin ze groot gelijk had, vind ik. Hij schreef dat hij ondanks dit alles altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt u dat daar veel woorden voor nodig zijn? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, en daarna twee peren geschild. Ik was ruim half klaar met het eten van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise huilde weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits dat hij het ding had gevonden in het pak van de man die een sjaal droeg. Hij dacht, geloof ik, dat hij iets groots had gedaan. En ik legde aan de heren uit hoe dat in mijn huis kwam. Maar over de Griekse sprak ik niet, omdat Frits erbij was, en ik zei ook niets van de Kapelsteeg. Iedereen vond dat ik heel goed had gehandeld door me van die man af te helpen. Straks zult u zien dat er ook andere dingen in dat pak zaten, van meer solide aard. Daarvan komt het een en ander in dit boek, omdat de *Koffieveilingen van de Handelmaatschappij* ermee te maken hebben. Want ik leef voor mijn vak.

Later vroeg de uitgever mij of ik hier niet wilde toevoegen wat Frits gereciteerd had. Dat wil ik wel doen, als men maar weet dat ik me niet met zulke dingen bezighoud. Alles leugens en gekheid! Ik houd mijn opmerkingen voor me, anders wordt mijn boek te dik. Ik wil hier alleen bij zeggen dat die vertelling omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is. Dat is een inferieur merk. De koffie, meen ik.

Moeder, ik ben wel ver van het land  
Waar mij het leven werd geschonken,  
Waar mijn eerste tranen blonken,  
Waar ik opgroeide aan uw hand ...  
Waar uw trouw aan mijn jonge ziel  
Al uw zorgen wilde wijden,  
En liefdevol stond aan mijn zijde,  
En mij ophief als ik viel ...  
Schijnbaar scheurde het lot de banden  
Die ons bonden, wreed uiteen ...  
Ik sta hier wel aan vreemde stranden  
Met mijzelf en God, alleen ...  
Maar toch, moeder, wat me griefde,  
Wat me vreugde gaf of verdriet,  
Moeder, twijfel aan de liefde,  
Aan het hart van uw zoon toch niet!

Het is nog maar twee paar jaren  
Dat ik het laatst op verre grond  
Zwijgend aan de oever stond  
Om de toekomst in te staren ...  
Toen ik het mooie tot me riep  
Dat ik van de toekomst wachtte,  
En het heden brutaal verachtte,  
En mij paradijzen schiep ...  
Toen, door elke moeite heen  
Die op mijn pad verscheen,  
Mijn hart zich dapper een uitweg baande,  
En zich dromend zalig waande ...

Maar die tijd, sinds 't laatste vaarwel,  
Hoe snel ook weg van onze ogen,  
Niet te vatten, bliksemsnel,  
Als een schim voorbijgevlogen ...  
O, hij liet bij het verder gaan  
Diepe, diepe sporen staan!  
Ik proefde vreugde en pijn ineen,  
Ik heb gedacht en ik heb gestreden,  
Ik heb gejuicht en ik heb gebeden:  
Het is alsof er eeuwen vlogen heen!  
Ik heb naar levensgeluk gestreefd,  
Ik heb gevonden en verloren,  
En, een kind nog kort tevoren,  
Jaren in één uur beleefd!

Maar toch, moeder! wil het geloven,  
Bij de Hemel die mij ziet,  
Moeder! wil het toch geloven,  
Neen, uw kind vergat u niet!

Ik hield van een meisje. Heel mijn leven  
Leek mij door die liefde schoon.  
Ik zag in haar een erekroon,  
Als een eindloon voor mijn streven,  
Mij door God als doel gegeven.  
Zalig door die zuivere schat  
Die Zijn zorg mij toegewogen,  
Die Zijn gunst geschonken had,  
Dankte ik met een traan in de ogen.  
Liefde was met geloof één ...  
En mijn hart, dat opgetogen,  
Dankend opsteeg tot de Hoge,  
Dankte en bad voor haar alleen!

Zorgen gaf mij die liefde,  
Onrust kwelde mij het hart,  
En ondraaglijk was de smart  
Die mijn weke ziel doorgriefde.  
Ik heb slechts angst en leed vergaard,  
Waar ik het hoogste geluk verwachtte,  
En voor het heil waarnaar ik trachtte,  
Was mij gif en pijn bewaard ...

Ik vond vreugde in lijdend zwijgen!  
Ik stond vast en hopend daar,  
Tegenslag deed haar prijs voor mij stijgen:  
Ik droeg en leed zo graag voor haar!  
Ik telde ramp noch tegenslagen,  
Vreugde maakte ik van verdriet,  
Alles, alles wilde ik dragen ...  
Als het lot mij haar maar liet!

En *dat* beeld, voor *mij* het mooiste op aarde,  
Dat ik droeg in mijn gemoed  
Als een onbetaalbaar goed,  
En zo trouw in het hart bewaarde ...  
*Vreemd* was het eens aan mijn zinnen!  
En al houdt die liefde stand  
Tot de laatste snik van het leven  
Mij in een beter vaderland  
Eindelijk haar zal teruggeven ...  
Ik was *begonnen* haar te beminnen!

Wat is liefde die eens *begon*,  
Bij de liefde *met* het leven  
Door God in het hart gegeven  
Van het kind dat nog niet stamelen kon?  
Toen het aan de moederborst,  
Nauwelijks de moederschoot onttogen,  
Het eerste vocht vond voor zijn dorst,  
Het eerste licht in moederogen?

Neen, geen band die vaster bindt,  
Vaster harten houdt omsloten,  
Dan de band, door God gesloten  
Tussen moederhart en kind!

En een hart dat zich *zo* hechtte  
Aan het moois dat even blonk,  
Dat me niets dan doornen schonk,  
En geen enkel bloempje vlechtte ...  
Zou datzelfde hart de trouw  
Van het moederhart vergeten?  
En de liefde van de vrouw  
Die mijn eerste kinderkreten  
Opving in haar bezorgd gemoed?  
Die mij, als ik huilde, suste,  
Traantjes van mijn wangen kuste,  
Die mij voedde met haar bloed?

Moeder! wil het niet geloven,  
Bij de hemel die mij ziet,  
Moeder! wil het niet geloven,  
Neen, uw kind vergat u niet!

Ik ben hier *ver* van wat het leven  
Daar ons zoets en moois kan geven,  
En het genot van de eerste jeugd,  
Vaak geroemd en hoog geprezen,  
Kan hier wel mijn deel niet wezen:  
Het eenzaam hart kent geen vreugd.  
Steil en vol doorns zijn mijn paden,  
Tegenslag drukt me diep neer,  
En de last op mij geladen  
Knelt me, en doet mijn hart zo zeer ...  
Laat alleen mijn tranen getuigen,  
Als zo menig moedeloos uur  
Mij in de boezem van de Natuur  
Het hoofd zo treurig neer doet buigen ...

Vaak, als mij de moed ontzonk,  
Is de zucht mij haast ontvloden:  
"Vader! geef me bij de doden,  
Wat het leven mij niet schonk!  
Vader! geef me aan de andere zijde,  
Als de mond van de dood mij kust,  
Vader! geef me aan de andere zijde  
Wat ik hier niet proefde ... *Rust*!"

Maar, stervend op mijn lippen,  
Steeg de bede niet tot de Heer ...  
Ik boog wel mijn beide knieën neer,  
Ik voelde wel een zucht me ontglippen,  
Maar het was: "*nog niet, o Heer!*  
*Geef mij eerst mijn moeder weer!*"

### Woordenlijst

- **drommel**: duivel; "wat drommel" betekent: wat voor de duivel
- **aalmoes**: geld dat je aan een arme geeft
- **borg staan**: beloven dat je betaalt als een ander het niet kan
- **in opspraak brengen**: iemand een slechte naam geven
- **deftigheid**: statig, voornaam gedrag
- **krans**: vaste avond waarop vrienden bij elkaar komen
- **gents whisten**: een kaartspel
- **gereciteerd**: een gedicht uit het hoofd voorgedragen
- **da capo**: nog een keer hetzelfde
- **brillekiek**: grappig woord uit een oud toneelstuk
- **wijsneuzigheid**: het gedrag van iemand die alles beter denkt te weten
- **griefde**: deed pijn in het gevoel
- **gemoed**: het hart, de gevoelens
- **onttogen**: weggehaald uit iets
- **bede**: gebed, vraag aan God

## Vierde hoofdstuk

Voor ik verderga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het is een aardig ventje. Hij lijkt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hij *schwärmt*. Marie is dertien jaar. Zijn uitzet is heel netjes. Ik heb hem aan het kopieboek gezet, om te oefenen in de Hollandse stijl. Ik ben benieuwd of er gauw orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor de jonge Stern, meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter het net gevist. Een fatsoenlijk makelaar onderkruipt niet, dat zeg *ik*!

De dag na die krans bij de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik Frits. Ik droeg hem op mij dat pak van Sjaalman te brengen. U moet weten, lezer, dat ik in mijn gezin zeer streng ben op godsdienst en zedelijkheid. Welnu, de vorige avond had ik juist mijn eerste peer geschild. Toen keek ik naar het gezicht van een van de meisjes. Ik las daar dat er iets in dat vers voorkwam dat niet in orde was. Zelf had ik niet naar het ding geluisterd. Maar ik had gezien dat Betsy haar broodje verkruimelde, en dit was me genoeg. U ziet, lezer, dat u te maken hebt met iemand die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet Frits dus dat fraaie stuk van de vorige avond voor me neerleggen. En ik vond heel gauw de regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Daar wordt gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt — dit kan ermee door. Maar: "dat nauwelijks de moederschoot onttogen is", kijk, dit vond ik niet goed — om daarover te *spreken*, meen ik. En mijn vrouw ook niet. Marie is dertien jaar. Over *kool* of *ooievaars* wordt bij ons thuis niet gesproken, ook niet over de *Volewijk*. Maar de zaken zo bij hun naam noemen, vind ik onbehoorlijk, omdat ik zo op zedelijkheid gesteld ben. Frits kende dat ding nu eenmaal "uitwendig", zoals Stern dit noemt. Ik liet hem beloven dat hij het nooit weer zou opzeggen. Tenminste niet voor hij lid is van *Doctrina*, omdat daar geen jonge meisjes komen. En toen borg ik het op in mijn lessenaar, het vers meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak zat dat aanstoot kon geven. Ik ging zoeken en bladeren. Alles lezen kon ik niet, want ik vond er talen in die ik niet begreep. Maar kijk, daar viel mijn oog op een bundel: "*Verslag over de koffiecultuur in de residentie Menado*".

Mijn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffie ben — *Lauriergracht nr. 37* — en *Menado* is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke onzedelijke verzen maakte, had ook in koffie gewerkt. Ik keek nu met heel andere ogen naar het pak. Ik vond er stukken in die ik niet allemaal begreep, maar die werkelijk kennis van zaken toonden. Er waren staten, opgaven, berekeningen met cijfers, waaraan geen rijm te bekennen was. En alles was met zoveel zorg en nauwkeurigheid gemaakt, dat ik op een idee kwam. Ronduit gezegd — want ik houd van de waarheid — dacht ik dit. Als de derde klerk eens uitviel, zou die Sjaalman heel goed zijn plaats kunnen innemen. Dat kan gebeuren, want die klerk wordt oud en stuntelig. Het spreekt vanzelf dat ik eerst inlichtingen zou nemen over eerlijkheid, geloof en fatsoen. Want ik neem niemand op het kantoor voor ik daarvan zeker ben. Dit is een vast principe van me. U hebt het gezien in mijn brief aan Ludwig Stern.

Ik wilde niet dat Frits wist dat ik enig belang begon te stellen in de inhoud van dat pak. Daarom stuurde ik hem weg. Ik werd echt duizelig toen ik de ene bundel na de andere oppakte en de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen bij, maar ik vond ook veel nuttigs. En ik stond verbaasd over de vele verschillende onderwerpen. Ik geef toe — want ik houd van de waarheid — dat ik niet van alles de waarde kan beoordelen. Ik heb immers altijd in koffie gedaan. Maar ook zonder dat oordeel was alleen de lijst van de opschriften al curieus. Ik heb u de geschiedenis van de Griek verteld. U weet dus al dat ik in mijn jeugd een beetje Latijn heb geleerd. In mijn correspondentie vermijd ik alle citaten, wat op een makelaarskantoor ook niet zou passen. Toch dacht ik bij het zien van dat alles: *multa, non multum*. Of: *de omnibus aliquid, de toto nihil*.

Maar dit kwam eigenlijk meer uit een soort ergernis. Ik voelde de drang om de geleerdheid die voor me lag, in het Latijn aan te spreken. Ik meende het niet precies zo. Want als ik een of ander stuk wat langer inkeek, moest ik toegeven dat de schrijver zijn taak wel leek aan te kunnen. Hij toonde zelfs een grote soliditeit in zijn redeneringen.

Ik vond daar verhandelingen en opstellen:

*Over het* SANSKRIET, *als moeder van de Germaanse taaltakken.*

*Over de strafbepalingen op kindermoord.*

*Over de oorsprong van de adel.*

*Over het verschil tussen de begrippen:* ONEINDIGE TIJD *en:* EEUWIGHEID.

*Over de kansrekening.*

*Over het boek van* JOB. (Ik vond nog iets over *Job*, maar dat waren verzen.)

*Over proteïne in de atmosferische lucht.*

*Over de staatkunde van Rusland.*

*Over de klinkers.*

*Over cellulaire gevangenissen.*

*Over de oude stellingen omtrent de:* HORROR VACUI.

*Over de wenselijkheid van het afschaffen van strafbepalingen op laster.*

*Over de oorzaken van de opstand van de Nederlanders tegen Spanje,* NIET *liggend in het verlangen naar godsdienstige of staatkundige vrijheid.*

*Over het* PERPETUUM MOBILE, *de cirkelkwadratuur en de wortel van wortelloze getallen.*

*Over de zwaarte van het licht.*

*Over de achteruitgang van de beschaving sinds het ontstaan van het christendom.* (Hè?)

*Over de IJslandse mythologie.*

*Over de* EMILE *van* ROUSSEAU.

*Over de burgerlijke rechtsvordering, in zaken van koophandel.*

*Over* SIRIUS *als middelpunt van een zonnestelsel.*

*Over inkomende rechten als ondoeltreffend, onkies, onrechtvaardig en onzedelijk.* (Daarvan had ik nooit iets gehoord.)

*Over verzen als oudste taal.* (Dat geloof ik niet.)

*Over witte mieren.*

*Over het tegennatuurlijke van schoolinrichtingen.*

*Over de prostitutie in het huwelijk.* (Dat is een schandelijk stuk.)

*Over hydraulische onderwerpen in verband met de rijstcultuur.*

*Over het schijnbare overwicht van de westerse beschaving.*

*Over kadaster, registratie en zegel.*

*Over kinderboekjes, fabels en sprookjes.* (Dit wil ik wel eens lezen, omdat hij op waarheid aandringt.)

*Over bemiddeling in de handel.* (Dit bevalt me helemaal niet. Ik geloof dat hij de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch opzijgelegd. Er staat het een en ander in dat ik kan gebruiken voor mijn boek.)

*Over successierecht, een van de beste belastingen.*

*Over de uitvinding van de kuisheid.* (Dit begrijp ik niet.)

*Over vermenigvuldiging.* (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er staat veel in dit stuk waaraan ik vroeger niet gedacht had.)

*Over een zeker soort geest van de Fransen, een gevolg van de armoede van hun taal.* (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hij kan het weten.)

*Over het verband tussen de romans van* AUGUST LAFONTAINE *en de tering.* (Dit wil ik eens lezen, omdat er van die *Lafontaine* boeken op zolder liggen. Maar hij zegt dat de invloed pas in de tweede generatie zichtbaar wordt. Mijn grootvader las niet.)

*Over de macht van de Engelsen buiten Europa.*

*Over het godsgericht in de middeleeuwen, en nu.*

*Over de rekenkunde bij de Romeinen.*

*Over armoede aan poëzie bij componisten.*

*Over piëtisterij, biologie en tafeldans.*

*Over besmettelijke ziekten.*

*Over de Moorse bouwstijl.*

*Over de kracht van de vooroordelen, blijkend uit ziekten die door tocht veroorzaakt heten te zijn.* (Heb ik het niet gezegd, dat de lijst curieus was?)

*Over de Duitse eenheid.*

*Over de lengte op zee.* (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal zijn als op het land.)

*Over de plichten van de regering omtrent publieke vermakelijkheden.*

*Over de overeenstemming tussen de Schotse en Friese talen.*

*Over prozodie.*

*Over de schoonheid van de vrouwen in Nîmes en Arles, met een onderzoek naar het stelsel van kolonisatie van de Feniciërs.*

*Over landbouwcontracten op Java.*

*Over het zuigvermogen van een nieuw model pomp.*

*Over de legitimiteit van dynastieën.*

*Over de volksletterkunde in Javaanse rapsoden.*

*Over de nieuwe manier van reven.*

*Over de percussie, toegepast op handgranaten.* (Dit stuk dateert van 1847, dus van voor Orsini.)

*Over het begrip eer.*

*Over de apocriefe boeken.*

*Over de wetten van* SOLON, LYCURGUS, ZOROASTER *en* CONFUCIUS.

*Over de ouderlijke macht.*

*Over* SHAKESPEARE *als geschiedschrijver.*

*Over de slavernij in Europa.* (Wat hij hiermee bedoelt, begrijp ik niet. Nu, zo is er meer!)

*Over schroefwatermolens.*

*Over het soevereine recht van gratie.*

*Over de chemische bestanddelen van de Ceylonse kaneel.*

*Over de tucht op koopvaardijschepen.*

*Over de opiumpacht op Java.*

*Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif.*

*Over het doorgraven van de landengte van Suez, en de gevolgen daarvan.*

*Over de betaling van landrenten in natura.*

*Over de koffiecultuur in Menado.* (Dit heb ik al genoemd.)

*Over de scheuring van het Romeinse rijk.*

*Over de* GEMÜTHLICHKEIT *van de Duitsers.*

*Over de Scandinavische* EDDA.

*Over de plicht van Frankrijk om zich in de Indische Archipel een tegenwicht tegen Engeland te verschaffen.* (Dit was in het Frans, ik weet niet waarom?)

*Over het azijn maken.*

*Over de verering van* SCHILLER *en* GOETHE *in de Duitse middenstand.*

*Over de aanspraken van de mens op geluk.*

*Over het recht van opstand bij onderdrukking.* (Dit was in het Javaans. Ik ben die titel pas later te weten gekomen.)

*Over ministeriële verantwoordelijkheid.*

*Over enkele punten in de criminele rechtsvordering.*

*Over het recht van een volk om te eisen dat de betaalde belasting in zijn eigen voordeel wordt gebruikt.* (Dat was weer in het Javaans.)

*Over de dubbele* A *en de Griekse* ETA.

*Over het bestaan van een onpersoonlijke God in de harten van de mensen.* (Een infame leugen!)

*Over de stijl.*

*Over een constitutie voor het Rijk* INSULINDE. (Ik heb nooit van dat Rijk gehoord.)

*Over het gebrek aan ephelkustiek in onze taalregels.*

*Over pedanterie.* (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken geschreven is.)

*Over de verplichting van Europa aan de Portugezen.*

*Over bosgeluiden.*

*Over brandbaarheid van water.* (Ik denk dat hij sterk water bedoelt.)

*Over de melkzee.* (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schijnt iets in de buurt van Banda te zijn.)

*Over zieners en profeten.*

*Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week ijzer.*

*Over eb en vloed van de beschaving.*

*Over epidemisch bederf in staatshuishoudingen.*

*Over bevoorrechte handelmaatschappijen.* (Hierin staat het een en ander dat ik nodig heb voor mijn boek.)

*Over etymologie als hulpbron bij etnologische studies.*

*Over de vogelnestklippen aan de Javaanse zuidkust.*

*Over de plaats waar de dag begint.* (Dit begrijp ik niet.)

*Over persoonlijke begrippen als maatstaf van de verantwoordelijkheid in de zedelijke wereld.* (Belachelijk! Hij zegt dat ieder zijn eigen rechter moet zijn. Waar zou dat heen?)

*Over galanterie.*

*Over de versbouw van de Hebreeën.*

*Over de* CENTURY OF INVENTIONS *van de markies van Worcester.*

*Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti bij Timor.* (Het leven moet daar goedkoop zijn.)

*Over het mensen eten van de Battah's, en het koppensnellen van de Alfoeren.*

*Over het wantrouwen in de publieke zedelijkheid.* (Hij wil, geloof ik, de slotenmakers afschaffen. Ik ben ertegen.)

*Over* "het recht" *en de* "rechten".

*Over* BÉRANGER *als wijsgeer.* (Dit begrijp ik weer niet.)

*Over de afkeer van de Maleiers voor de Javaan.*

*Over de onwaarde van het onderwijs op de zogenaamde hogescholen.*

*Over de liefdeloze geest van onze voorouders, blijkend uit hun begrippen omtrent God.* (Alweer een goddeloos stuk!)

*Over de samenhang van de zintuigen.* (Het is waar, toen ik hem zag, rook ik rozenolie.)

*Over de puntwortel van de koffieboom.* (Dit heb ik opzijgelegd voor mijn boek.)

*Over gevoel, gevoeligheid,* SENSIBLERIE, EMPFINDELEI, *enz.*

*Over het verwarren van mythologie en godsdienst.*

*Over de saguweer in de Molukken.*

*Over de toekomst van de Nederlandse handel.* (Dit is eigenlijk het stuk dat me ertoe gebracht heeft mijn boek te schrijven. Hij zegt dat er niet altijd zulke grote koffieveilingen zullen worden gehouden, en ik leef voor mijn vak.)

*Over Genesis.* (Een infaam stuk!)

*Over de geheime genootschappen van de Chinezen.*

*Over het tekenen als natuurlijk schrift.* (Hij zegt dat een pasgeboren kind kan tekenen!)

*Over waarheid in poëzie.* (Wel zeker!)

*Over de impopulariteit van de rijstpelmolens op Java.*

*Over het verband tussen poëzie en wiskundige wetenschappen.*

*Over de wajangs van de Chinezen.*

*Over de prijs van de Java-koffie.* (Dit heb ik opzijgelegd.)

*Over een Europees muntstelsel.*

*Over besproeiing van gemeenschappelijke velden.*

*Over de invloed van de vermenging van rassen op de geest.*

*Over evenwicht in de handel.* (Hij spreekt daarin over wisselagio. Ik heb het opzijgelegd voor mijn boek.)

*Over het standhouden van Aziatische gewoonten.* (Hij beweert dat *Jezus* een tulband droeg.)

*Over de denkbeelden van* MALTHUS *over het cijfer van de bevolking, in verband met de middelen van bestaan.*

*Over de oorspronkelijke bevolking van Amerika.*

*Over de havenhoofden in Batavia, Samarang en Soerabaja.*

*Over bouwkunde als uitdrukking van denkbeelden.*

*Over de verhouding van de Europese ambtenaren tot de Regenten op Java.* (Hiervan komt het een en ander in mijn boek.)

*Over het wonen in kelders, in Amsterdam.*

*Over de kracht van de dwaling.*

*Over de werkeloosheid van een Opperwezen, bij volmaakte natuurwetten.*

*Over het zoutmonopolie op Java.*

*Over de wormen in de sagopalm.* (Die worden, zegt hij, gegeten ... bah!)

*Over de Spreuken, de Prediker, het Hooglied, en de* PANTOENS *van de Javanen.*

*Over het* JUS PRIMI OCCUPANTIS.

*Over de armoede van de schilderkunst.*

*Over de onzedelijkheid van het hengelen.* (Wie heeft daar ooit van gehoord?)

*Over de misdaden van de Europeanen buiten Europa.*

*Over de wapens van de zwakkere diersoorten.*

*Over het* JUS TALIONIS. (Alweer een infaam stuk! Daarin stond een gedicht dat ik zeker allerschandelijkst zou hebben gevonden, als ik het had uitgelezen.)

En dit was nog niet alles! Om van de verzen niet te spreken — er waren er in allerlei talen — vond ik een aantal bundeltjes zonder opschrift. Romances in het Maleis, krijgsliederen in het Javaans, en wat niet al! Ook vond ik brieven, vele in talen die ik niet begreep. Sommige waren aan hem geschreven, of liever: het waren alleen afschriften. Maar hij leek daarmee een plan te hebben, want alles was door andere personen getekend voor: *gelijkluidend met het oorspronkelijke*. Verder vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aantekeningen en losse gedachten ... sommige werkelijk heel los.

Ik had, zoals ik al zei, enkele stukken opzijgelegd, omdat ze van pas leken te komen in mijn vak. En ik leef voor mijn vak. Maar ik moet toegeven dat ik met de rest verlegen zat. Het pak terugsturen kon ik niet, want ik wist niet waar hij woonde. Het was nu eenmaal open. Ik kon niet ontkennen dat ik het had ingekeken. Dit zou ik ook niet gedaan hebben, omdat ik zo van de waarheid houd. Het lukte me ook niet het weer zo te sluiten dat men niets van het openen kon merken. Bovendien moet ik eerlijk zeggen dat enkele stukken over koffie me interesseerden, en dat ik ze graag zou gebruiken. Ik las elke dag hier en daar enkele bladzijden. En ik kwam hoe langer hoe meer — Frits zegt: "hoe langs zo meer", maar dit doe ik niet. *Hoe* meer, zeg ik, tot de overtuiging. Men moet makelaar in koffie zijn om zo precies te weten wat er in de wereld omgaat. Ik ben ervan overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zoiets onder ogen hebben gehad.

Nu was ik bang dat die Sjaalman opeens weer voor me zou staan. En dat hij me weer iets te zeggen zou hebben. Ik kreeg er nu spijt van dat ik die avond de Kapelsteeg was ingegaan. Ik zag in dat men nooit de fatsoenlijke weg moet verlaten. Natuurlijk had hij me om geld gevraagd, en over zijn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven. Als hij me dan de volgende dag die massa geschrijf had gestuurd, was het mijn wettig eigendom geweest. Ik had dan de tarwe van het kaf kunnen scheiden. Ik had de nummers eruit gehaald die ik nodig had voor mijn boek. De rest had ik verbrand of in de papiermand gegooid. Dat kon ik nu niet doen. Want als hij terugkwam, zou ik het moeten teruggeven. En hij zou zien dat ik belang stelde in een paar stukken van zijn hand. Dan zou hij er zeker te veel voor vragen. Niets geeft de verkoper meer macht dan de ontdekking dat de koper zijn waar dringend nodig heeft. Een koopman die zijn vak verstaat, vermijdt zo'n positie dan ook zoveel mogelijk.

Ik had ook een ander idee — ik sprak er al over. Het kan bewijzen dat het bezoeken van de beurs iemand toch gevoelig laat voor menslievende indrukken. Het was dit. Bastiaans is de derde bediende die zo oud en stuntelig wordt. Hij was de laatste tijd van de dertig dagen zeker geen vijfentwintig aanwezig. En *als* hij op kantoor komt, doet hij zijn werk nog dikwijls slecht. Als eerlijk man heb ik een plicht tegenover de firma — *Last & Co*, sinds de Meyers eruit zijn. Ik moet zorgen dat ieder zijn werk doet. En ik mag niet uit verkeerd begrepen medelijden of overgevoeligheid het geld van de firma weggooien. Zo is mijn principe. Ik geef die Bastiaans liever uit mijn eigen zak een driegulden. Dat is beter dan dat ik hem de 700 gulden per jaar blijf betalen die hij niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man in vierendertig jaar bijna 15.000 gulden inkomen heeft gehad. Zowel van *Last & Co* als vroeger van *Last & Meyer*, maar de Meyers zijn er lang uit. Dit is voor een burgerman een aardig sommetje. Er zijn weinig mensen in die stand die zoveel bezitten. Recht om te klagen heeft hij dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen door dat stuk van Sjaalman over de vermenigvuldiging.

Die Sjaalman schrijft een goede hand, dacht ik. Bovendien zag hij er armoedig uit, en hij wist niet hoe laat het was ... Hoe zou het zijn, dacht ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem dan zeggen dat hij me "meneer" moest noemen. Maar dit zou hij zelf wel begrijpen, want een bediende kan zijn patroon toch niet bij de naam noemen. En misschien was hij dan voor zijn leven geholpen. Hij zou kunnen beginnen met vier- of vijfhonderd gulden — onze Bastiaans heeft ook lang gewerkt voor hij tot zevenhonderd kwam. En ik had een goede daad gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hij wel kunnen beginnen. Hij is immers nooit in zaken geweest, dus hij kon de eerste jaren als leertijd beschouwen. Dat is ook billijk, want hij kan zich niet gelijkstellen met mensen die veel gewerkt hebben. Ik ben er zeker van dat hij met tweehonderd gulden tevreden zou zijn. Maar ik was niet gerust over zijn gedrag ... hij had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hij woonde.

Een paar dagen daarna waren de jonge Stern en Frits samen op een boekveiling geweest in het Wapen van Bern. Ik had Frits verboden iets te kopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met enkele waardeloze dingen thuis. Dit is zijn zaak. Maar kijk, daar vertelde Frits dat hij Sjaalman had gezien, die op de veiling leek te werken. Hij had de boeken uit de kasten gehaald, en ze over de lange tafel naar de veilingmeester geschoven. Frits zei dat hij erg bleek zag. Een heer die daar de leiding leek te hebben, had hem een standje gegeven. Hij had namelijk een paar jaargangen van de *Aglaia* laten vallen. Dat vind ik dan ook zeer onhandig, want dit is een allerliefste verzameling van dameshandwerken. Marie heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt eruit ... uit de *Aglaia*, meen ik. Maar tijdens dat standje had Frits gehoord dat hij vijftien stuivers per dag verdiende. "Denk je dat ik van plan ben vijftien stuivers per dag aan jou weg te gooien?" had die heer gezegd. Ik rekende uit dat vijftien stuivers per dag 225 gulden per jaar zijn. Ik denk dat de zon- en feestdagen niet meetellen, anders had hij een maand- of jaargeld genoemd. Ik ben snel in mijn besluiten. Als men zo lang in zaken is, weet men altijd meteen wat men moet doen. De volgende morgen vroeg was ik bij Gaafzuiger. Zo heet de boekhandelaar die de veiling gehouden had. Ik vroeg naar de man die de *Aglaia* had laten vallen.

—Die heeft zijn ontslag, zei Gaafzuiger. Hij was lui, pedant en ziekelijk.

Ik kocht een doosje ouwels, en ik besloot meteen het met onze Bastiaans nog wat aan te zien. Ik kon er niet toe besluiten een oude man zo op straat te zetten. Streng, maar waar het kan zachtmoedig, is altijd mijn principe geweest. Maar ik vergeet nooit iets te weten te komen wat van pas kan komen in de zaken. Daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman woonde. Hij gaf me het adres, en ik schreef het op.

Ik dacht steeds na over mijn boek. Maar ik houd van de waarheid. Daarom moet ik ronduit zeggen dat ik niet wist hoe ik het moest aanpakken. Eén ding staat vast: het materiaal dat ik in Sjaalmans pak had gevonden, was belangrijk voor de makelaars in koffie. De vraag was maar hoe ik dat materiaal goed moest sorteren en bij elkaar brengen. Iedere makelaar weet hoe belangrijk een goede sortering van de kavels is.

Maar ... schrijven — buiten de correspondentie met de principalen — ligt niet zo op mijn terrein. Toch voelde ik dat ik moest schrijven, omdat de toekomst van het vak er misschien van afhangt. Ik vond inlichtingen in de bundels van Sjaalman. Die zijn niet van die aard dat *Last & Co* het nut daarvan voor zichzelf kunnen houden. Als dit wel zo was, zou ik natuurlijk niet de moeite nemen. Dan liet ik geen boek drukken dat Busselinck & Waterman ook te lezen krijgen. Want wie een concurrent op weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik zag in dat er een gevaar dreigt dat de hele koffiemarkt zou bederven. Het is een gevaar dat alleen door de krachten van alle makelaars samen kan worden afgeweerd. Het is zelfs mogelijk dat deze krachten niet eens genoeg zijn. Misschien zijn ook de suikerraffinadeurs nodig — Frits zegt: *raffineurs*, maar ik schrijf *nadeurs*. Dit doen de Rosemeyers ook, en die *doen* in suiker. Ik weet wel dat men zegt: *geraffineerde* schelm, en niet: *geraffinadeerde* schelm. Maar dit komt omdat ieder die met schelmen te maken heeft, zo kort mogelijk van de zaak af wil. Ook de raffinadeurs dus, en de handelaren in indigo zullen erbij nodig zijn.

Als ik zo al schrijvend nadenk, lijkt het me dat zelfs de rederijen er enigszins mee te maken hebben. En de koopvaardijvloot ... zeker, dit is waar! En de zeilmakers ook, en de minister van Financiën, en de armbesturen. En de andere ministers, en de pasteibakkers, en de galanteriehandelaren. En de vrouwen, en de scheepsbouwers, en de groothandelaren. En zij die in het klein verkopen, en de huisbewaarders, en de tuinlieden.

En — vreemd toch, hoe de gedachten bij het schrijven in iemand opkomen. Mijn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees. En hen die Holloway-pillen verkopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers. En de mensen die van de staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de touwslagers. En de wevers, en de slagers, en de klerken op een makelaarskantoor. En de aandeelhouders van de Nederlandse Handelmaatschappij, en eigenlijk, goed beschouwd, alle anderen ook.

En de Koning ook ... ja, de Koning vooral!

Mijn boek *moet* de wereld in. Hiertegen valt niets te doen! Laat Busselinck & Waterman het dan ook maar lezen ... afgunst is mijn zaak niet. Maar knoeiers en onderkruipers zijn ze, dit zeg *ik*! Ik heb het vandaag nog tegen de jonge Stern gezegd, toen ik hem in Artis introduceerde. Hij mag het gerust aan zijn vader schrijven.

Zo zat ik een paar dagen geleden nog vreselijk in de problemen met mijn boek. En kijk, Frits heeft me op weg geholpen. Ik heb dit hemzelf niet gezegd. Want ik vind het niet goed iemand te laten merken dat men hem iets verschuldigd is. Dit is een principe van me. Maar *waar* is het. Hij zei dat Stern zo'n knappe jongen was, dat hij zo snel vorderingen maakte in de taal. En dat hij Duitse verzen van Sjaalman in het Hollands had vertaald. U ziet, de verkeerde wereld was in mijn huis. De *Hollander* had in het Duits geschreven, en de *Duitser* vertaalde in het Hollands. Als ieder zich aan zijn eigen taal had gehouden, was er moeite gespaard. Maar, dacht ik, als ik mijn boek nu eens door die Stern liet schrijven? Als ik er iets aan toe te voegen heb, schrijf ik zelf van tijd tot tijd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hij heeft een lijstje van woorden die met twee *e*'s worden geschreven, en Marie kan alles in het net schrijven. Dit is tegelijk voor de lezer een waarborg tegen alle onzedelijkheid. Want dit begrijpt u toch. Een fatsoenlijk makelaar geeft zijn dochter niets in handen wat niet past bij zeden en fatsoen.

Ik heb toen met beide jongens over mijn plan gesproken, en ze vonden het goed. Stern heeft een tintje letterkunde over zich — zoals veel Duitsers. Alleen wilde hij blijkbaar meebeslissen over de manier van uitvoeren. Dit beviel me wel niet erg, maar de voorjaarsveiling komt eraan, en ik heb van Ludwig Stern nog geen orders. Daarom wilde ik hem niet te sterk tegenspreken. Hij zei dit: "als de borst hem gloeide van gevoel voor het ware en schone ... Dan kon geen macht ter wereld hem beletten de tonen aan te slaan die bij zo'n gevoel passen. Hij zweeg veel liever, dan zijn woorden omklemd te zien door de onterende kluisters van de alledaagsheid." — Frits zegt: *scheid*, maar dit doe ik niet. Het woord is zo al lang genoeg. — Ik vond dit wel heel gek van Stern, maar mijn vak gaat me boven alles. En de Oude is een goed huis. We stelden dus vast:

1° Dat hij elke week een paar hoofdstukken zou leveren voor mijn boek.

2° Dat ik in zijn geschrijf niets zou veranderen.

3° Dat Frits de taalfouten zou verbeteren.

4° Dat ik nu en dan een hoofdstuk zou schrijven, om het boek een solide voorkomen te geven.

5° Dat de titel zou zijn: *De koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij*.

6° Dat Marie het net afschrift zou maken voor de druk. Maar dat men geduld met haar zou hebben als de was kwam.

7° Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op de krans zouden worden voorgelezen.

8° Dat alle onzedelijkheid zou worden vermeden.

9° Dat mijn naam niet op de titel zou staan, omdat ik makelaar ben.

10° Dat Stern een *Duitse*, een *Franse* en een *Engelse* vertaling van mijn boek zou mogen uitgeven. Want zulke werken worden — zo beweerde hij — in het buitenland beter begrepen dan bij ons.

11° (*Hierop drong Stern zeer sterk aan.*) Dat ik Sjaalman een riem papier, een gros pennen en een kruikje inkt zou sturen.

Ik ging met alles akkoord, want er was grote haast bij mijn boek. Stern had de volgende dag zijn eerste hoofdstuk klaar. En ziedaar, lezer, het antwoord op de vraag. Hoe komt het dat een makelaar in koffie een boek schrijft dat op een roman lijkt? Ik bedoel *Last & Co, Lauriergracht nr. 37*.

Maar Stern was nauwelijks aan zijn werk begonnen, of hij stuitte op moeilijkheden. Het was al lastig om uit zoveel materiaal het nodige uit te zoeken en te ordenen. Maar bovendien kwamen er in de handschriften steeds woorden en uitdrukkingen voor die hij niet begreep. Ook mij waren ze vreemd. Het was meestal Javaans of Maleis. Ook waren er hier en daar afkortingen die moeilijk te ontcijferen waren. Ik zag in dat we Sjaalman nodig hadden. Ik vind het niet goed dat een jong mens verkeerde connecties aanknoopt. Daarom wilde ik noch Stern noch Frits daarheen sturen. Ik nam suikergoed mee dat was overgebleven van de laatste krans-avond — want ik denk altijd aan alles. En ik zocht hem op. Schitterend was zijn woning niet. Maar de gelijkheid van alle mensen, dus ook wat hun woningen betreft, is een hersenschim. Hij had dit zelf gezegd in zijn verhandeling over de aanspraken op geluk. Bovendien houd ik niet van mensen die altijd ontevreden zijn.

Het was in de Lange Leidse Dwarsstraat, in een achterkamer. Beneden woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht. Er waren kopjes, schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en wat al niet meer. Ik was erg bang iets te breken. Want in zo'n geval vragen de mensen altijd meer geld voor de dingen dan ze waard zijn. Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of meneer Sjaalman daar woonde. Ze liep weg, en de moeder kwam.

—Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en dan is uwee-d-er, want uwe komt er vanzelf. Mijntje, ga 'es eefe segge datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?

Ik zei dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie, van de Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zo hoog als gezegd was. Op het derde portaal hoorde ik een kinderstem zingen: *strakjes komt vader, die zoete papa*. Ik klopte, en de deur werd geopend door een vrouw of dame. Ik weet zelf niet goed wat ik van haar moest maken. Ze zag erg bleek. Haar gezicht droeg sporen van vermoeidheid, en deed me denken aan mijn vrouw als de was gedaan is. Ze droeg een wit lang hemd, of jak zonder pand, dat tot haar knieën hing. Aan de voorkant was het vastgemaakt met een zwart speldje. In plaats van een behoorlijke japon of rok droeg ze daaronder een stuk donker gebloemd linnen. Dat leek een paar keer om het lijf gewikkeld, en het zat vrij nauw om haar heupen en knieën. Er was geen spoor van plooien, wijdte of omvang, zoals dat bij een vrouw toch hoort. Ik was blij dat ik Frits niet gestuurd had, want haar kleding vond ik zeer onkies. Het vreemde daarvan werd nog groter door het losse gemak waarmee ze zich bewoog. Het was alsof ze zichzelf heel goed zo vond. Het mens leek helemaal niet te weten dat ze er niet uitzag als andere vrouwen. Ook leek ze helemaal niet verlegen over mijn komst. Ze verborg niets onder de tafel, schoof de stoelen niet opzij, en deed niets van wat toch gebruikelijk is. Zo hoort het toch als er een vreemdeling van deftig voorkomen komt.

Ze had, als een Chinese, haar haren naar achteren gekamd. Achter op het hoofd had ze die in een soort strik of knoop samengebonden. Later heb ik gehoord dat haar kleding een soort *Indische dracht* is, die ze daar *sarong* en *kabaai* noemen. Maar ik vond het heel lelijk.

—Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik.

—Wie heb ik de eer te spreken? zei zij, op een toon alsof ook ik wat *eer* in mijn vraag had moeten leggen.

Nu, van complimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders, en ik ben te lang in de zaken om mijn wereld niet te kennen. Maar op een derde verdieping vond ik veel omslag niet nodig. Ik zei dus kortaf dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie, *Lauriergracht nr. 37*. En dat ik haar man wilde spreken. Wel ja, waarom zou ik omslag maken?

Ze wees me een stoeltje van matten aan. Ze nam een klein meisje op schoot, dat op de grond zat te spelen. De kleine jongen die ik had horen zingen, keek me strak aan, en bekeek me van top tot teen. Die leek ook helemaal niet verlegen! Het was een jongetje van een jaar of zes. Hij was ook al vreemd gekleed, in een wijd, kort broekje. Dat vond ik helemaal niet netjes. "Kom je om papa te spreken?" vroeg hij opeens. Ik begreep meteen dat de opvoeding van dat jongetje veel te wensen overliet, anders had hij "komt u" gezegd. Maar omdat ik niet goed wist hoe ik moest doen, en wel wat wilde praten, antwoordde ik:

—Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hij gauw komen, denk je?

—Dat weet ik niet. Hij is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te kopen. (Frits zegt: *verwdoos*, maar dit doe ik niet. *Verf* is *verf*, en geen *verw*.)

—Stil, mijn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten of met de Chinese speeldoos.

—Je weet toch dat die meneer gisteren alles heeft meegenomen.

Ook zijn moeder noemde hij *je*, en er was blijkbaar een "heer" geweest die alles "meegenomen had" ... een vrolijk bezoek! De vrouw leek ook niet opgewekt, want stiekem veegde ze haar oog af. Intussen bracht ze het kleine meisje naar haar broertje. "*Daar*, zei ze, speel wat met Nonni." Een rare naam. En dit deed hij.

—Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u uw man gauw?

—Ik kan het niet zeggen, antwoordde zij.

Daar liet de kleine jongen, die met zijn zusje *schuitje varen* had gespeeld, haar opeens in de steek. Hij vroeg mij:

—Meneer, waarom zeg je tegen mama *juffrouw*?

—Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen?

—Wel ... zoals andere mensen! De *juffrouw* is beneden. Ze verkoopt schotels en priktollen.

Nu ben ik makelaar in koffie — *Last & Co, Lauriergracht nr. 37*. We zijn met ons dertienen op het kantoor, en als ik Stern meereken, die geen salaris krijgt, zijn er veertien. Welnu, *mijn* vrouw is *juffrouw*, en moest ik nu tegen *dat* mens *mevrouw* zeggen? Dit ging toch niet! Ieder moet in zijn stand blijven, en wat meer is, gisteren hadden de deurwaarders de boel weggehaald. Ik vond mijn *juffrouw* dus *wel* goed, en bleef erbij.

Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet bij mij had gemeld om zijn pak terug te halen. Ze leek ervan te weten. Ze zei dat ze op reis waren geweest, en wel naar Brussel. Dat hij daar voor de *Indépendance* had gewerkt, maar dat hij er niet had kunnen blijven. Zijn artikelen waren namelijk de oorzaak dat de krant zo dikwijls aan de Franse grens werd geweigerd. Dat ze sinds enkele dagen terug waren in Amsterdam, omdat Sjaalman hier een baan zou krijgen ...

—Zeker bij Gaafzuiger? vroeg ik.

Ja, dat was het! Maar dit was tegengevallen, zei ze. Nu, hiervan wist ik meer dan zijzelf. Hij had de *Aglaia* laten vallen, en was lui, pedant en ziekelijk ... precies, *daarom* was hij weggejaagd.

—En, ging ze verder, dat hij zeker een van deze dagen bij mij zou komen. En misschien was hij nu juist naar mij toe. Hij wilde antwoord vragen op het verzoek dat hij mij gedaan had.

Ik zei dat Sjaalman maar eens moest komen. Maar hij moest niet bellen, want dit is zo lastig voor de meid. Als hij wat wachtte, zei ik, zou de deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik weg, en nam mijn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar niet. Ik voelde me niet op mijn gemak. Een makelaar is toch geen kruier, denk ik, en ik beweer dat ik er fatsoenlijk uitzie. Ik had mijn jas met bont aan. En toch zat ze daar zo eenvoudig, en praatte ze zo kalm met haar kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien leek ze gehuild te hebben, en ontevreden mensen kan ik niet verdragen. Ook was het er koud en ongezellig — zeker omdat de boel weggehaald was. En ik houd veel van gezelligheid in een kamer. Op weg naar huis besloot ik het met Bastiaans nog eens aan te zien. Ik zet immers niet graag iemand op straat.

Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in staat wat mij niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel *twee*, en de Rosemeyers hebben het goed gevonden. Ik geloof dat ze Stern ophemelen, omdat hij in Hamburg een oom heeft die in suiker doet.

Sjaalman was er inderdaad geweest. Hij had Stern gesproken, en hem enkele woorden en zaken uitgelegd die hij niet begreep. Die Stern niet begreep, meen ik. Ik verzoek nu de lezer de volgende hoofdstukken door te bijten. Dan beloof ik later weer iets van meer solide aard, van *mij*, Batavus Droogstoppel. Makelaar in koffie: *Last & Co, Lauriergracht nr. 37*.

### Woordenlijst

- **schwärmt**: Duits: is vol dromerige, romantische gevoelens
- **uitzet**: de kleren en spullen die iemand meeneemt naar een nieuw huis
- **kopieboek**: boek waarin kopieën van brieven van een kantoor staan
- **achter het net gevist**: te laat gekomen, niets gekregen
- **onderkruipt**: doet het werk van een ander goedkoper en neemt hem zo klanten af
- **zedelijkheid**: goed en fatsoenlijk gedrag
- **onttogen**: weggehaald uit iets
- **Volewijk**: plaats waar de kinderen volgens een oud verhaal vandaan kwamen
- **Doctrina**: Amsterdamse vereniging voor heren
- **uitwendig**: Stern bedoelt: uit het hoofd
- **multa, non multum**: Latijn: veel dingen, maar niet veel diepte
- **de omnibus aliquid, de toto nihil**: Latijn: van alles iets, van het geheel niets
- **opschriften**: titels op een stuk tekst
- **de tarwe van het kaf scheiden**: het goede van het slechte apart houden
- **patroon**: de baas van een bediende
- **Aglaia**: tijdschrift voor dames met voorbeelden van handwerk
- **stuiver**: oude munt van vijf cent
- **pedant**: iemand die denkt dat hij alles beter weet
- **ouwel**: dun, droog schijfje om brieven mee dicht te plakken
- **kavels**: partijen koffie of andere waar die samen worden verkocht
- **principalen**: mensen voor wie een makelaar werkt
- **suikerraffinadeurs**: mensen die ruwe suiker zuiver maken
- **schelm**: slecht mens, bedrieger
- **galanteriehandelaren**: mensen die kleine mooie spullen verkopen
- **riem**: pak van vijfhonderd vellen papier
- **gros**: twaalf keer twaalf stuks, dus 144
- **uitdrager**: iemand die oude spullen verkoopt
- **segge**: dialect: zeggen
- **sarong en kabaai**: lange doek om het lichaam en lang jasje voor vrouwen
- **deurwaarder**: ambtenaar die spullen weghaalt als iemand niet betaalt

## Vijfde hoofdstuk

Om tien uur 's morgens was er een ongewone beweging op de grote weg tussen de afdeling Pandeglang en Lebak. "Grote weg" is misschien wat veel gezegd. Het was een breed voetpad, dat men uit beleefdheid "de weg" noemde, en omdat er niets beters was. Maar men kon met een rijtuig met vier paarden uit Serang vertrekken, de hoofdplaats van de residentie Bantam. Wilde men dan naar Rangkas-Betoeng, de nieuwe hoofdplaats van Lebak? Dan was men er bijna zeker van dat men daar ooit zou aankomen. Het was dus een weg.

Wel bleef men steeds steken in de modder. Die modder is in de lage landen van Bantam zwaar, vol klei, en hij plakt. Telkens moest men de hulp vragen van de bewoners van de dichtstbijzijnde dorpen. Die waren niet *zo* dichtbij, want er zijn in die streken niet veel dorpen. Maar eindelijk had men dan zo'n twintig boeren uit de omgeving bij elkaar. Dan duurde het meestal niet lang voordat paard en wagen weer op vaste grond stonden. De koetsier klapte met de zweep. En dan de lopers! In Europa zou men, geloof ik, zeggen "palfreniers". Of liever: er bestaat in Europa niets wat op deze lopers lijkt. Die lopers dan, met niets te vergelijken, sprongen weer naast de vier paarden, met hun korte, dikke zweepjes. Ze krijsten geluiden die niet te beschrijven zijn. En ze sloegen de paarden onder de buik om ze aan te moedigen. Zo hobbelde men dan een tijdje verder. Tot het verdrietige ogenblik weer kwam dat men tot over de assen in de modder zakte. Dan begon het roepen om hulp opnieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en ... sukkelde verder.

Vaak als ik langs die weg ging, dacht ik dat ik ergens een wagen zou vinden. Een wagen met reizigers uit de vorige eeuw, die in de modder gezakt waren, en die men vergeten was. Maar dat is me nooit gebeurd. Ik neem dus aan dat iedereen die ooit langs deze weg kwam, eindelijk is aangekomen waar hij wilde zijn.

Men zou zich sterk vergissen als men de hele grote weg op Java beoordeelde naar die weg in Lebak. De echte hoofdweg met zijn vele zijwegen is werkelijk een prachtig stuk werk. Maarschalk Daendels liet hem aanleggen, en dat kostte heel veel mensen. Men staat verbaasd over de kracht van die man. Zijn jaloerse tegenstanders in het moederland legden hem allerlei problemen in de weg. De bevolking wilde niet, en de hoofden waren ontevreden. Toch durfde hij door te zetten. Hij maakte iets wat nu nog de bewondering van elke bezoeker wekt, en ook verdient.

Er is dan ook in Europa geen postdienst met paarden die zo goed is als die op Java. Zelfs niet in Engeland, Rusland of Hongarije. Over hoge bergen en langs dieptes die u doen beven, vliegt de zwaar beladen reiswagen in één galop voort. De koetsier zit als vastgespijkerd op zijn plaats. Hij zit daar uren, ja hele dagen achter elkaar, en hij zwaait de zware zweep met een ijzeren arm. Hij weet precies waar en hoeveel hij de hollende paarden moet inhouden. Want na de vliegende afdaling van een berghelling komt ginds bij die hoek ...

—Mijn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond, gilt de reiziger zonder ervaring, daar is geen weg ... daar is de diepte!

Ja, zo lijkt het. De weg maakt een bocht. Nog één sprong, en de voorste paarden zouden geen vaste grond meer hebben. Juist dan draaien de paarden, en ze slingeren het rijtuig de hoek om. Ze vliegen de berg op die u een ogenblik eerder niet zag, en ... de afgrond ligt achter u.

Op zulke ogenblikken rust de wagen soms alleen op de wielen aan de buitenkant van de bocht. De middelpuntvliedende kracht heeft de binnenste wielen van de grond getild. Men moet heel kalm zijn om dan de ogen niet te sluiten. Wie voor het eerst op Java reist, schrijft aan zijn familie in Europa dat hij in levensgevaar is geweest. Maar wie er thuishoort, lacht om die angst.

Het is niet mijn doel de lezer lang bezig te houden met beschrijvingen van plaatsen, landschappen of gebouwen. Vooral niet aan het begin van mijn verhaal. Ik ben te bang dat ik hem afschrik met iets wat op langdradigheid lijkt. Pas later doe ik dat, als ik voel dat ik hem gewonnen heb. Dan merk ik aan zijn blik en houding dat het lot van de heldin hem interesseert. Die heldin springt ergens van het balkon van een vierde verdieping. Dan laat ik haar zweven tussen hemel en aarde, met stoute minachting voor alle wetten van de zwaartekracht. Ze blijft daar hangen tot ik mijn hart heb gelucht. Ik geef dan een nauwkeurige schets van de schoonheid van het landschap. Of ik beschrijf het gebouw dat daar ergens lijkt te staan als een smoes. Het dient alleen om een betoog van vele bladzijden te houden over de bouwkunst van de middeleeuwen. Al die kastelen lijken op elkaar. Altijd zijn ze in verschillende stijlen gebouwd. Het *corps de logis* is altijd een paar koningen ouder dan de stukken die een latere koning eraan liet bouwen. De torens zijn vervallen ...

Beste lezer, er zijn geen torens. Een toren is een idee, een droom, een ideaal, een verzinsel, onverdraaglijke opschepperij! Er zijn halve torens, en ... torentjes.

De geestdrift wilde torens zetten op de gebouwen ter ere van deze of gene heilige. Maar die geestdrift duurde niet lang genoeg om ze af te maken. De spits moet de gelovigen de weg naar de hemel wijzen. Maar meestal rust hij een paar verdiepingen te laag op het zware onderstuk. Dat doet denken aan de man zonder dijen op de kermis. Alleen *torentjes, kleine naaldjes* op dorpskerken, zijn afgemaakt.

Het is echt niet vleiend voor de westerse beschaving. Zelden bleef het idee om een groot werk te maken lang genoeg bestaan om dat werk af te zien. Ik spreek nu niet over ondernemingen die af moesten om de kosten te dekken. Wie precies wil weten wat ik bedoel, moet de Dom van Keulen gaan zien. Hij moet nadenken over het grootse plan van dat gebouw in de ziel van de bouwmeester Gerhard von Riehl. Hij moet nadenken over het geloof in de harten van het volk, waardoor dat werk begonnen en voortgezet kon worden. Hij moet nadenken over de invloed van de ideeën die zo'n reusachtig gebouw nodig hadden. Dat gebouw moest het onzichtbare godsdienstige gevoel zichtbaar maken. En dan moet hij die hoge spanning vergelijken met de richting van enkele eeuwen later. Die richting bracht het ogenblik dat men met het werk stopte.

Er ligt een diepe kloof tussen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters! Ik weet dat men al jaren bezig is die kloof te dichten. Ook in Keulen bouwt men weer aan de Dom. Maar kan men de afgebroken draad weer vastknopen? Zal men in *onze* dagen terugvinden wat *toen* de kracht was van kerkvorst en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal er wel komen, en daarvoor kan men steen en kalk kopen. Men kan de kunstenaar betalen die een plan tekent, en de metselaar die de stenen legt. Maar één ding is niet voor geld te koop: het gevoel van toen, verdwaald en toch eerbiedwaardig. Dat gevoel zag in een bouwplan een gedicht. Een gedicht van graniet, dat luid sprak tot het volk. Een gedicht van marmer, dat daar stond als een onbeweeglijk, voortdurend, eeuwig gebed.

Op de grens tussen Lebak en Pandeglang was dus op een zekere morgen een ongewone beweging. Honderden paarden met zadels bedekten de weg. Minstens duizend mensen, en dat was veel voor die plek, liepen druk wachtend heen en weer. Hier zag men de hoofden van de dorpen en de districtshoofden uit Lebak, allen met hun gevolg. Er stond ook een mooi half-Arabisch paard in rijk tuig, dat op een zilveren bit knabbelde. Daaraan kon men zien dat er ook een hoofd van hogere rang was. Dat was ook zo. De Regent van Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara, had met een groot gevolg Rangkas-Betoeng verlaten. Ondanks zijn hoge leeftijd had hij twaalf of veertien palen afgelegd. Zo ver is zijn woonplaats van de grens van de buurafdeling Pandeglang.

Er werd een nieuwe assistent-resident verwacht. De gewoonte heeft in Indië meer dan ergens anders de kracht van een wet. En die gewoonte wil dat de ambtenaar die een afdeling gaat besturen, feestelijk wordt ontvangen als hij aankomt. Ook de controleur was er, een man van middelbare leeftijd. Hij had sinds enkele maanden het bestuur waargenomen, na de dood van de vorige assistent-resident. Hij was namelijk de volgende in rang.

Zodra men wist wanneer de nieuwe assistent-resident zou komen, had men snel een *pendoppo* laten bouwen. Men had er een tafel en een paar stoelen heen gebracht, en iets te eten en te drinken klaargezet. In deze *pendoppo* wachtte de Regent met de controleur op de komst van de nieuwe chef.

Na een hoed met een brede rand, een paraplu of een holle boom is een *pendoppo* zeker de eenvoudigste vorm van het idee *dak*. Stel u vier of zes bamboepalen voor, in de grond geslagen. Aan de bovenkant zijn ze met elkaar verbonden door ander bamboe. Daarop is een dek vastgemaakt van de lange bladen van de waterpalm, die in deze streken *atap* heet. Dan kunt u zich zo'n *pendoppo* voorstellen. Het is, zoals u ziet, zo eenvoudig mogelijk. Het moest hier dan ook alleen dienen als *pied à terre* voor de Europese en inlandse ambtenaren. Zij kwamen hier aan de grens hun nieuwe chef welkom heten.

Ik heb me niet helemaal juist uitgedrukt toen ik de assistent-resident de chef noemde, ook van de Regent. Om het volgende goed te begrijpen, moet ik hier iets uitleggen over de machine van het bestuur in deze streken.

Het zogenaamde Nederlands-Indië bestaat uit twee heel verschillende delen, als het gaat om de band tussen moederland en bevolking. Het woord *Nederlands* lijkt me trouwens wat onnauwkeurig, maar het is officieel aangenomen. Het ene deel bestaat uit stammen. Hun vorsten en vorstjes hebben Nederland erkend als *suzerein*. Maar het directe bestuur is daar nog altijd, meer of minder, in handen van de eigen Hoofden. Het andere deel is rechtstreeks onderworpen aan Nederland. Daartoe behoort heel Java, met een heel kleine uitzondering, die misschien alleen maar schijn is. Hier is geen sprake van een jaarlijkse betaling aan een heer, of van een verbond. De *Javaan* is *Nederlands onderdaan*. De Koning van Nederland is zijn koning. De mensen die afstammen van zijn vroegere vorsten en heren, zijn *Nederlandse* ambtenaren. Ze worden aangesteld, verplaatst en bevorderd door de Gouverneur-generaal, die regeert in naam van de *Koning*. De misdadiger wordt veroordeeld volgens een wet die uit Den Haag komt. De belasting die de Javaan betaalt, stroomt in de schatkist van *Nederland*.

In deze bladzijden zal het vooral gaan over dit deel van de Nederlandse bezittingen. Het is dus echt een deel van het *Koninkrijk der Nederlanden*.

Naast de Gouverneur-generaal staat een Raad, maar die heeft op zijn besluiten geen *beslissende* invloed. In Batavia zijn de verschillende takken van het bestuur verdeeld in "departementen". Aan het hoofd daarvan staan Directeuren. Zij vormen de schakel tussen het hoogste bestuur van de Gouverneur-generaal en de residenten in de provincies. Bij zaken van *politieke aard* wenden deze ambtenaren zich echter rechtstreeks tot de Gouverneur-generaal.

De naam *Resident* komt uit de tijd dat Nederland de bevolking nog maar indirect beheerste, als *leenheer*. Aan de hoven van de vorsten die toen nog regeerden, liet Nederland zich vertegenwoordigen door *Residenten*. Die vorsten bestaan niet meer. De residenten zijn nu bestuurders van grote gebieden geworden, als gewestelijke Gouverneurs of *Praefecten*. Hun werk is veranderd, maar de naam is gebleven.

Het zijn deze residenten die eigenlijk het Nederlandse gezag vertegenwoordigen tegenover de Javaanse bevolking. Het volk kent de Gouverneur-generaal niet, en de Raden van Indië niet, en de Directeuren in Batavia niet. Het kent alleen de *Resident*, en de ambtenaren die onder hem besturen.

Zo'n residentie is verdeeld in drie, vier of vijf afdelingen of regentschappen. Er zijn residenties met bijna een miljoen mensen. Aan het hoofd van elke afdeling staat een *Assistent-Resident*. Onder hem wordt het bestuur gedaan door controleurs, opzichters en een groot aantal andere ambtenaren. Die zijn nodig voor het innen van de belastingen, het toezicht op de landbouw en het bouwen van gebouwen. Ook voor de waterwerken, voor de politie en voor de rechtspraak.

In elke afdeling staat naast de assistent-resident een inlands hoofd van hoge rang, met de titel *Regent*. Zo'n Regent is in zijn werk gewoon een *betaalde ambtenaar*. Toch hoort hij altijd tot de hoge adel van het land. Vaak hoort hij tot de familie van de vorsten die vroeger in die streek of daar vlakbij onafhankelijk regeerden. Zo maakt men heel slim gebruik van hun oude feodale invloed. Die invloed is in Azië over het algemeen heel belangrijk, en bij de meeste stammen hoort hij zelfs bij het geloof. Door deze hoofden tot ambtenaren te benoemen, schept men een hiërarchie. Aan de top daarvan staat het Nederlandse gezag, dat de Gouverneur-generaal uitoefent.

Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de *Rijks-, Mark-, Gau-* en *Burggraven* van het Duitse Rijk ook door de Keizer aangesteld? En werden ze niet meestal gekozen uit de Baronnen? Ik wil niet uitweiden over de oorsprong van de adel, die helemaal in de natuur ligt. Maar ik wil wel iets opmerken. In *ons* werelddeel en ginds in het verre Indië hadden dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen. Een land moet op grote afstand geregeerd worden, en daarvoor zijn ambtenaren nodig die het centrale gezag vertegenwoordigen. De Romeinen hadden een stelsel van militaire willekeur. Zij kozen hiervoor de *Praefecten*. In het begin waren dat meestal de bevelhebbers van de legioenen die het land veroverd hadden. Zulke streken bleven dan ook: *provincies*, dat is: *win*gewesten.

Maar later wilde het centrale gezag van het Duitse Rijk een ver volk aan zich binden op een andere manier dan alleen met geweld. Een verre streek werd nu gezien als een deel van het Rijk, door gelijke afkomst, taal en gewoonten. Toen moest de leiding in handen komen van iemand die in dat land thuishoorde. Maar hij moest ook door zijn stand boven zijn medeburgers staan. Zo werd het gehoorzamen aan de bevelen van de Keizer gemakkelijk. Want de mensen waren toch al geneigd zich te onderwerpen aan de man die die bevelen moest uitvoeren. Zo bespaarde men bovendien geheel of gedeeltelijk de kosten van een staand leger. Die kosten kwamen anders ten laste van de algemene staatskas. Of ze kwamen, wat meestal gebeurde, ten laste van de gewesten die door zo'n leger bewaakt moesten worden.

Zo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen van het land. Strikt genomen is het woord *graaf* dus geen adellijke titel. Het is alleen de naam van iemand met een bepaald *ambt*. Ik geloof dan ook dat men in de middeleeuwen het volgende dacht. De Duitse Keizer had wel het recht om graven te benoemen, dat is *bestuurders van een gebied*. En hij mocht hertogen benoemen, dat is *aanvoerders van een leger*. Maar de Baronnen beweerden dat ze door hun geboorte gelijk waren aan de Keizer, en alleen van God afhingen. Ze moesten de Keizer alleen dienen als hij met hun toestemming en uit hun midden gekozen was. Een graaf had een *ambt* waarvoor de Keizer hem geroepen had. Een baron zag zichzelf als baron "*door de genade Gods*." De graven vertegenwoordigden de Keizer, en voerden dus *zijn* banier, dat is de Standaard van het Rijk. Een baron bracht volk op de been onder zijn eigen vlag, als *baanderheer*.

Graven en hertogen werden dus meestal uit de baronnen gekozen. Daardoor voegden ze het gewicht van hun ambt bij de invloed die ze aan hun geboorte hadden. Hieruit is later blijkbaar de voorrang ontstaan die deze titels hadden boven die van baron. Dat gebeurde vooral toen men eraan gewend raakte dat zulke ambten erfelijk waren. Nog vandaag zou menige vrijheerlijke familie een verheffing tot graaf weigeren, omdat dat haar zou verlagen. Ik bedoel een familie zonder brief van keizer of koning, die haar adel afleidt van het ontstaan van het land. Zo'n familie was *altijd* van adel, *omdat* ze van adel was: *autochtoon*. Er zijn voorbeelden van.

De mensen die zo'n graafschap bestuurden, probeerden natuurlijk iets van de Keizer te krijgen. Hun zonen moesten hen in hun ambt opvolgen, of andere familieleden als er geen zonen waren. Dat gebeurde dan ook meestal. Toch geloof ik niet dat het recht op deze opvolging ooit als vaste regel is erkend. Dat geldt tenminste voor deze ambtenaren in de *Nederlanden*. Bijvoorbeeld de graven van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant, Gelderland enzovoort. Eerst was het een gunst, daarna een gewoonte, en ten slotte een noodzaak. Maar nooit werd deze erfelijkheid wet.

Bijna op dezelfde manier staat op Java een inlandse ambtenaar aan het hoofd van een afdeling. Dat geldt voor de keuze van de personen, want van gelijk werk is hier geen sprake. Al valt ook daarin een zekere overeenkomst op. Deze ambtenaar verbindt de rang die het gouvernement hem gaf met zijn *autochtone* invloed. Zo maakt hij het bestuur gemakkelijk voor de Europese ambtenaar die het *Nederlandse* gezag vertegenwoordigt. Ook hier is de erfelijkheid een gewoonte geworden, zonder dat een wet dat heeft vastgesteld. Meestal wordt dit al tijdens het leven van de Regent geregeld. Men belooft hem dat zijn zoon hem zal opvolgen, en dat geldt als een beloning voor ijver en trouw. Er moeten al heel belangrijke redenen zijn om van deze regel af te wijken. En ook dan kiest men de opvolger meestal uit dezelfde familie.

De verhouding tussen Europese ambtenaren en zulke hooggeplaatste Javaanse groten is heel gevoelig. De assistent-resident van een afdeling is de verantwoordelijke persoon. Hij heeft zijn instructies, en men neemt aan dat hij het hoofd van de afdeling is. Toch staat de Regent ver boven hem. Dat komt door zijn kennis van de streek, zijn geboorte en zijn invloed op de bevolking. Het komt ook door zijn inkomsten en de manier van leven die daarbij past. Bovendien vertegenwoordigt de Regent het *Javaanse element* van een streek. Men neemt aan dat hij spreekt namens de honderdduizend of meer mensen in zijn regentschap. Ook voor het gouvernement is hij dus veel belangrijker dan de eenvoudige *Europese* ambtenaar. Men hoeft niet bang te zijn als die ontevreden is, want men kan hem gemakkelijk door een ander vervangen. Maar de minder goede stemming van een Regent kan misschien het begin worden van onrust of opstand.

Hieruit volgt iets vreemds: eigenlijk geeft de *mindere* bevelen aan de *meerdere*. De assistent-resident beveelt de Regent hem gegevens te sturen. Hij beveelt hem mensen te zenden voor het werk aan bruggen en wegen. Hij beveelt hem belastingen te laten innen. Hij roept hem op om in de landraad te komen zitten, waar hij, de assistent-resident, voorzitter is. Hij berispt hem als hij zijn plicht niet doet. Deze heel bijzondere verhouding is alleen mogelijk door uiterst beleefde vormen. Die vormen sluiten hartelijkheid niet uit, en ook geen strengheid als dat nodig blijkt. Ik geloof dat de officiële regel de toon vrij goed aangeeft. De *Europese* ambtenaar moet de *inlandse* ambtenaar naast hem behandelen als zijn *jonger broeder*.

Maar hij mag niet vergeten dat deze *jonger broeder* bij de ouders heel geliefd is, of gevreesd. Als er ruzie komt, zullen zijn meerdere jaren tegen hem gebruikt worden. Men zal het hem kwalijk nemen dat hij zijn *jonger broeder* niet met meer soepelheid en tact behandelde.

De aangeboren hoffelijkheid van de Javaanse groten maakt deze schijnbaar moeilijke verhouding toch draaglijker dan ze anders zou zijn. Zelfs de eenvoudige Javaan is veel beleefder dan een Europeaan van zijn stand.

De Europeaan moet goed opgevoed en fijngevoelig zijn, en zich met vriendelijke waardigheid gedragen. Dan kan hij er zeker van zijn dat de Regent hem het bestuur gemakkelijk maakt. Een onaangenaam bevel, gegeven in de vorm van een verzoek, wordt precies uitgevoerd. Het verschil in stand, geboorte en rijkdom wordt uitgewist door de Regent zelf. Hij tilt de Europeaan, als vertegenwoordiger van de Koning van Nederland, naar zijn eigen hoogte op. Op het eerste gezicht moest deze verhouding botsingen geven. Toch wordt ze ten slotte heel vaak een bron van aangename omgang.

Ik zei dat zulke Regenten ook door hun rijkdom boven de Europese ambtenaar stonden, en dat is natuurlijk. De Europeaan moet soms een provincie besturen die zo groot is als veel Duitse hertogdommen. Hij is meestal van middelbare leeftijd of ouder, getrouwd en vader. Hij doet zijn werk *voor zijn brood*. Zijn inkomen is net genoeg, en vaak zelfs *niet* genoeg, om zijn gezin het nodige te geven. De Regent is Tommongong, Adhipatti, ja zelfs Pangerang, dat is Javaans prins. Voor hem is de vraag niet of hij kan leven. Hij moet leven zoals het volk dat van zijn adel gewend is. Waar de *Europeaan* een huis bewoont, woont *hij* vaak in een *kratoon*, met veel huizen en dorpen erin. Waar de *Europeaan* één vrouw heeft met drie of vier kinderen, onderhoudt *hij* veel vrouwen, met alles wat daarbij hoort. De *Europeaan* rijdt uit met een paar ambtenaren. Dat zijn er niet meer dan nodig is om hem op zijn inspectiereis informatie te geven. De Regent wordt begeleid door honderden mensen, en in de ogen van het volk hoort dat gevolg bij zijn hoge rang. De *Europeaan* leeft als een burger. De Regent leeft, of men neemt aan dat hij leeft, als een vorst.

Maar dit alles moet *betaald* worden. Het Nederlandse bestuur is gebouwd op de invloed van die Regenten, en het weet dit. Niets is dus natuurlijker dan dat het hun inkomsten heel hoog heeft gemaakt. Voor iemand die Indië niet kent, lijkt dat overdreven. Maar eigenlijk is het zelden genoeg om de levenswijze van zo'n inlands Hoofd te betalen. Het is niet ongewoon dat Regenten met twee- of driehonderdduizend gulden per jaar in geldnood zitten. Dat komt voor een groot deel door de bijna vorstelijke onverschilligheid waarmee ze hun geld verspillen. Het komt ook doordat ze niet goed op hun ondergeschikten letten, en door hun koopziekte. En *vooral* door het misbruik dat Europeanen vaak maken van deze eigenschappen.

De inkomsten van de Javaanse Hoofden kan men in vier delen splitsen. Ten eerste het vaste maandgeld. Ten tweede een vast bedrag als vergoeding voor rechten die ze hebben afgestaan aan het Nederlandse bestuur. Ten derde een beloning die meegroeit met de hoeveelheid producten uit hun regentschap, zoals koffie, suiker, indigo en kaneel. En ten slotte kunnen ze willekeurig beschikken over het werk en de eigendommen van hun ondergeschikten.

De laatste twee bronnen van inkomsten vragen om enige uitleg. De Javaan is van nature boer. De grond waarop hij geboren is, belooft veel voor weinig werk, en dat lokt hem. Vooral geeft hij zich met hart en ziel aan het bewerken van zijn rijstvelden, en daarin is hij heel bekwaam. Hij groeit op tussen zijn *sawah's*, *gagah's* en *tipar's*. Al heel jong gaat hij met zijn vader mee naar het veld. Daar helpt hij hem met ploeg en spade, en aan dammen en waterleidingen die de akkers nat maken. Hij telt zijn jaren bij oogsten. Hij rekent de tijd naar de kleur van de halmen op het veld. Hij voelt zich thuis bij de makkers die met hem *padie* sneden. Hij zoekt zijn vrouw onder de meisjes van de *dessah*. Die stampen 's avonds vrolijk zingend de rijst om de schil eraf te halen. Het bezit van een paar buffels die zijn ploeg zullen trekken, is het ideaal dat hem toelacht. Kortom, de rijstbouw is voor de Javaan wat de wijnoogst is in de Rijnstreek en in het zuiden van Frankrijk.

Maar toen kwamen er vreemdelingen uit het Westen, die zichzelf heer maakten van het land. Ze wilden voordeel halen uit de vruchtbaarheid van de grond. Ze bevalen de bewoner een deel van zijn werk en zijn tijd te geven aan andere producten. Die zouden meer winst opleveren op de markten van *Europa*. Om de eenvoudige man daartoe te krijgen, was maar een heel eenvoudige politiek nodig. Hij gehoorzaamt zijn hoofden. Men hoefde dus alleen deze hoofden te winnen door hun een deel van de winst te beloven, en ... dat lukte volkomen.

Let maar op de enorme massa Javaanse producten die in Nederland geveild wordt. Dan ziet men hoe goed deze politiek werkt, ook al vindt men haar niet edel. Want iemand zou kunnen vragen of de boer zelf een beloning krijgt die bij dit resultaat past. Dan moet ik daarop nee antwoorden. De Regering verplicht hem op *zijn* grond te verbouwen wat *haar* bevalt. Ze straft hem als hij het aan iemand anders verkoopt dan aan *haar*. En *zijzelf* bepaalt de prijs die ze hem daarvoor betaalt. De kosten van het vervoer naar Europa, via een handelsmaatschappij met voorrechten, *zijn* hoog. De aanmoedigingsgelden voor de Hoofden maken de inkoopprijs ook nog duurder. En ... omdat de hele zaak ten slotte winst *moet* geven, is er maar één manier om die winst te vinden. Men betaalt de Javaan juist zoveel dat hij niet sterft van de honger. Want dat zou de werkkracht van het volk verminderen.

Ook de Europese ambtenaren krijgen een beloning die meegroeit met de opbrengst.

Zo wordt de arme Javaan voortgejaagd door een dubbel gezag. Zo wordt hij vaak weggehaald van zijn rijstvelden. Zo is hongersnood vaak het gevolg van deze maatregelen. Maar ... vrolijk waaien de vlaggen op de schepen in Batavia, Samarang, Soerabaja en Passaroean. Ze waaien ook in Bezoeki, Probolingo, Patjitan en Tjilatjap. Die schepen worden geladen met de oogsten die Nederland rijk maken.

*Hongersnood*? Op het rijke, vruchtbare, gezegende Java, *hongersnood*? Ja, lezer. Een paar jaar geleden zijn hele districten uitgestorven van de honger. Moeders boden hun kinderen te koop aan voor eten. Moeders hebben hun kinderen gegeten ...

Maar toen heeft het moederland zich met die zaak bemoeid. In de zalen van de volksvertegenwoordiging was men daarover ontevreden. En de Landvoogd van die tijd heeft bevelen moeten geven. Men mocht de uitbreiding van de zogenaamde *Europese-marktproducten* voortaan niet meer doorzetten tot er hongersnood kwam ...

Ik ben daar bitter geworden. Wat zou u denken van iemand die zulke dingen kon opschrijven *zonder* bitterheid?

Ik moet nog spreken over de laatste en belangrijkste soort inkomsten van inlandse Hoofden. Dat is de willekeurige beschikking over de personen en eigendommen van hun ondergeschikten.

Volgens het algemene idee in bijna heel Azië hoort de onderdaan, met alles wat hij bezit, aan de vorst. Dat is ook op Java zo. Wie afstamt van de vroegere vorsten of familie van hen is, maakt graag gebruik van de onwetendheid van de bevolking. Die begrijpt niet goed dat haar Tommongong, Adhipatti of Pangerang nu een *betaalde ambtenaar* is. Hij heeft zijn eigen rechten en die van het volk verkocht voor een vast inkomen. Het slecht betaalde werk in de koffietuin of op het suikerveld is dus in de plaats gekomen van de belastingen. Die eisten de heren van het land vroeger van de bewoners. Niets is dus gewoner dan dat honderden gezinnen van ver worden opgeroepen. Ze moeten *zonder betaling* velden bewerken die van de Regent zijn. Niets is gewoner dan dat men onbetaald voedsel moet leveren voor de hofhouding van de Regent. En stel dat de Regent zijn oog laat vallen op het paard, de buffel, de dochter of de vrouw van de eenvoudige man. Dan zou men het ongehoord vinden als die man weigerde het begeerde zomaar af te staan.

Er zijn Regenten die deze willekeur met mate gebruiken. Ze eisen van de eenvoudige man niet meer dan echt nodig is voor hun rang. Anderen gaan iets verder, en helemaal ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeilijk, ja onmogelijk, dit misbruik *helemaal* uit te roeien. Het zit namelijk diep in de aard van de bevolking zelf, die eronder lijdt. De Javaan is gul, vooral als hij zijn band met zijn Hoofd wil tonen. Dat Hoofd stamt af van de mannen die zijn vaders gehoorzaamden. Hij zou het zelfs gebrek aan eerbied vinden om zonder geschenken de *kratoon* van zijn erfelijke heer binnen te gaan. Zulke geschenken zijn vaak zo weinig waard dat het vernederend zou zijn om ze te weigeren. Deze gewoonte lijkt dan ook vaak meer op de hulde van een kind. Dat kind probeert met een klein geschenk zijn liefde voor zijn vader te tonen. Het is dus vaak geen schatting aan een wrede heerser.

Maar ... zo wordt door een *lief gebruik* de afschaffing van *misbruik* moeilijk gemaakt. Stel dat de *aloen-aloen* voor het huis van de Regent er verwilderd bij lag. Dan zou de bevolking die daar vlakbij woont zich schamen. Men zou veel gezag nodig hebben om haar te *beletten* dat plein van onkruid te reinigen. Ze wil het in een staat brengen die bij de rang van de Regent past. Als men haar daarvoor wilde betalen, zou iedereen dat een belediging vinden. Maar naast die *aloen-aloen*, of ergens anders, liggen *sawah's*. Ze wachten op de ploeg, of op een leiding die het water aanvoert, vaak van mijlen ver. Deze *sawah's* zijn van de Regent. Om *zijn* velden te bewerken of nat te maken, roept hij de bevolking van hele dorpen op. Maar hun eigen *sawah's* moeten net zo goed bewerkt worden ... Dat is het *misbruik*.

De Regering weet dit. In de staatsbladen staan de wetten, instructies en handleidingen voor de ambtenaren. Wie die leest, juicht de liefde voor de mens toe die daaruit lijkt te spreken. Overal krijgt de Europeaan die in het binnenland gezag heeft, te horen wat een van zijn duurste plichten is. Hij moet de bevolking beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en tegen de hebzucht van de Hoofden. En alsof het niet genoeg is om deze plicht *in het algemeen* voor te schrijven, gebeurt er nog meer. Elke *assistent-resident* moet bij het begin van zijn bestuur een *aparte eed* afleggen. Hij zweert dat hij deze vaderlijke zorg voor de bevolking als een eerste plicht zal zien.

Dit is zeker een mooie roeping. Het recht verdedigen, de kleine man beschermen tegen de machtige, de zwakke beschutten tegen de overmacht van de sterke. Het ooilam van de arme terughalen uit de stallen van de vorstelijke rover ... Zie, het hart gloeit van genot bij de gedachte dat men tot iets zo moois geroepen is! Is iemand in het binnenland van Java soms ontevreden over zijn standplaats of zijn salaris? Dan moet hij kijken naar de verheven plicht die op hem rust. Hij moet denken aan het heerlijke genoegen van *zo'n* plicht. Dan zal hij geen andere beloning willen.

Maar ... gemakkelijk is deze plicht niet. Ten eerste moet men goed kunnen beoordelen waar het *gebruik* ophoudt en het *misbruik* begint. En ... waar het misbruik *bestaat*, waar er echt roof of willekeur gepleegd *is*, daar werken de slachtoffers zelf vaak mee. Ze doen dat uit te ver gedreven onderworpenheid, uit angst, of uit wantrouwen. Ze twijfelen aan de wil of de macht van de man die hen moet beschermen. Iedereen weet dat de *Europese* ambtenaar elk ogenblik naar een ander ambt geroepen kan worden. En de *Regent, de machtige Regent*, blijft *daar*.

Verder zijn er zo *veel* manieren om het eigendom van een arm, onschuldig mens af te nemen! Stel dat een *mantrie* hem zegt dat de Regent zijn paard wil hebben. Het dier staat dan al snel in de stallen van de Regent. Maar dat bewijst nog helemaal niet dat de Regent er niet een hoge prijs voor wilde betalen. O zeker! ... ooit eens. Stel dat honderden mensen zonder betaling werken op de velden van een Hoofd. Daaruit volgt nog niet dat hij dat voor *zichzelf* liet gebeuren. Kon het niet zijn bedoeling zijn om hun de oogst te laten? Uit liefde voor de mens, omdat zijn grond beter lag en vruchtbaarder was dan de hunne? Zo zou hun werk immers beter beloond worden.

Bovendien, waar haalt de Europese ambtenaar de getuigen vandaan? Wie heeft de moed te spreken tegen zijn heer, de gevreesde Regent? En stel dat hij een beschuldiging waagde *zonder die te kunnen bewijzen*. Wat blijft er dan over van de verhouding van *ouder broeder*? Die zou zijn *jonger broeder* zonder reden in zijn eer gekrenkt hebben. Wat blijft er dan over van de gunst van de Regering? Die geeft hem brood voor zijn dienst. Maar ze neemt hem dat brood weer af. Ze zou hem ontslaan als onbekwaam als hij lichtvaardig een hooggeplaatst persoon verdacht of aanklaagde. Zo iemand is een Tommongong, Adhipatti of Pangerang.

Neen, neen, gemakkelijk is die plicht niet! Dat blijkt al hieruit. Overal wordt openlijk erkend dat de inlandse Hoofden geneigd zijn de grens te overschrijden. Ze beschikken over het werk en het eigendom van hun ondergeschikten meer dan mag. Alle assistent-residenten zweren dat ze deze misdadige gewoonte zullen tegengaan. En ... toch wordt een Regent maar *heel* zelden aangeklaagd wegens willekeur of misbruik van gezag.

Er lijkt dus een bijna onoverkomelijke moeilijkheid te zijn om de eed na te komen: "*de inlandse bevolking te beschermen tegen uitzuiging en knevelarij*."

### Woordenlijst

- **palfreniers**: knechten die voor de paarden van een heer zorgen
- **zweep, zweepjes**: touw of leren riem aan een stok, om dieren te slaan
- **corps de logis**: Frans: het hoofdgebouw van een kasteel
- **palen**: een paal is een oude maat van ongeveer anderhalve kilometer
- **pied à terre**: Frans: plaats waar men even verblijft
- **inlands, inlandse**: oud woord voor wat van de bewoners van Indië is; nu beledigend
- **suzerein**: hoogste heer, boven een andere vorst
- **resident, residenten**: Nederlandse bestuurder van een groot gebied
- **Regent, regentschap, regentschappen**: hoge Javaanse bestuurder, van adel, betaald door de Nederlanders; regentschap: zijn gebied
- **kratoon**: paleis van een Javaanse vorst, met veel huizen eromheen
- **sawah's, gagah's, tipar's**: soorten velden voor rijst; sawah's zijn natte rijstvelden
- **padie**: rijst op het veld
- **dessah**: dorp
- **mantrie**: lagere Javaanse ambtenaar
- **knevelarij**: geld of goederen afpersen van arme mensen

## Zesde hoofdstuk

De controleur Verbrugge was een goed mens. Hij zat daar in zijn blauwe lakense jas, met geborduurde eiken- en oranjetakken op kraag en mouwen. Het was moeilijk om in hem niet het type te zien dat het meest voorkomt onder de Hollanders in Indië. Dat is, terloops gezegd, een soort mensen die heel anders is dan de Hollanders in Holland. Hij was traag zolang er niets te doen was. Hij had niets van de drukte die in Europa voor ijver doorgaat. Maar hij was ijverig als er werk nodig was. Hij was eenvoudig maar hartelijk voor de mensen om hem heen. Hij was open, behulpzaam en gastvrij. Hij had goede manieren, zonder stijf te zijn. Hij was gevoelig voor goede indrukken. Hij was eerlijk en oprecht, maar hij had geen zin om daarvoor martelaar te worden. Kortom, hij was een man die, zoals men dat noemt, overal op zijn plaats zou zijn. Maar niemand zou op het idee komen om de eeuw naar hem te noemen. Dat wilde hij ook niet.

Hij zat in het midden van de *pendoppo*, bij de tafel. Die was bedekt met een wit kleed en stond vol eten. Hij was wel wat ongeduldig. Van tijd tot tijd sprak hij de *mandoor*-oppasser aan, het hoofd van de politie- en kantoorbedienden van de assistent-residentie. Met de woorden van de zuster van mevrouw Blauwbaard vroeg hij of er nog niets aankwam. Soms stond hij op, en probeerde hij zijn sporen te laten kletteren op de vloer van gestampte klei. Dat lukte niet. Hij stak voor de twintigste keer zijn sigaar aan, en ging weer zitten, alsof hij teleurgesteld was. Hij zei weinig.

En toch had hij *kunnen* spreken, want hij was niet alleen. Ik bedoel niet de twintig of dertig Javanen, bedienden, *mantries* en oppassers. Die zaten in en buiten de *pendoppo* op de grond gehurkt. Ik bedoel ook niet de velen die steeds in en uit liepen. Of het grote aantal inlanders van verschillende rang die buiten de paarden vasthielden of te paard rondreden. Neen, de Regent zelf van Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara, zat tegenover hem.

Wachten is altijd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een halve dag, enzovoort. Verbrugge had best wat spraakzamer mogen zijn. De Regent van Lebak was een beschaafde oude man, die over veel dingen verstandig kon praten. Als men hem aankeek, wist men het meteen: de meeste Europeanen konden meer van hem leren dan hij van hen. Zijn levendige donkere ogen hadden een vuur dat niet paste bij zijn vermoeide gezicht en zijn grijze haar. Wat hij zei, had hij meestal lang overdacht. Dat doet trouwens elke beschaafde Oosterling. Als men met hem sprak, voelde men dat zijn woorden net brieven waren. Hij had er een kopie van in zijn archief, om er zo nodig naar te verwijzen. Dat lijkt misschien onaangenaam voor wie niet gewend is om te gaan met Javaanse groten. Maar het is niet moeilijk om onderwerpen te vermijden die aanstoot kunnen geven. Want zij zullen van *hun* kant een gesprek nooit bruusk een andere kant op sturen. Dat zou volgens oosterse ideeën in strijd zijn met de goede toon. Wie een bepaald punt wil vermijden, hoeft dus alleen over onbelangrijke dingen te spreken. Een Javaans hoofd zal het gesprek dan niet ongewenst wenden. Hij zal hem niet brengen op een terrein waar hij liever niet komt.

Over de beste manier van omgaan met die hoofden bestaan trouwens verschillende meningen. Mij lijkt gewone oprechtheid het best, zonder diplomatieke voorzichtigheid.

Hoe dan ook, Verbrugge begon met een banale opmerking over het weer en de regen.

—Ja, meneer de controleur, het is westmoesson.

Dat wist Verbrugge wel: het was januari. Maar wat *hij* over de regen gezegd had, wist de Regent ook. Daarna zwegen ze weer een tijd. De Regent gaf met een bijna onzichtbare beweging van zijn hoofd een teken aan een bediende. Die zat gehurkt bij de ingang van de *pendoppo*. Het was een kleine jongen. Hij droeg een blauw fluwelen jasje en een witte broek. Om zijn middel had hij een gouden riem die een kostbare *sarong* vasthield. Op zijn hoofd had hij een *kain kapala*. Hij kroop hurkend tot aan de voeten van de Regent en zette de gouden doos neer. In die doos zaten de tabak, de kalk, de *sirie*, de *pinang* en de *gambier*. Hij maakte de *slamat*: hij hief beide handen tegen elkaar op tot aan zijn diep gebogen voorhoofd. Daarna bood hij zijn heer de kostbare doos aan.

—De weg zal moeilijk zijn na zoveel regen, zei de Regent, terwijl hij een betelblad met kalk insmeerde.

Het leek alsof hij het lange wachten wilde verklaren.

—In het Pandeglangse is de weg zo slecht niet, antwoordde Verbrugge.

Wilde hij niets onaangenaams zeggen, dan was dat antwoord wel wat ondoordacht. Want hij had moeten bedenken dat een Regent van Lebak niet graag de wegen van Pandeglang hoort prijzen. Ook al zijn die echt beter dan in Lebak.

De Adhipatti maakte niet de fout van een te snel antwoord. De kleine *maas* was al hurkend achteruit teruggekropen tot aan de ingang van de *pendoppo*. Daar ging hij bij zijn makkers zitten. De Regent had zijn lippen en zijn paar tanden al bruinrood gekleurd met het speeksel van zijn *sirie*. Pas toen zei hij:

—Ja, er is veel volk in Pandeglang.

Wie de Regent en de controleur kende, en wie wist hoe het in Lebak stond, had iets duidelijk kunnen zien. Het gesprek was al een strijd geworden. De opmerking over de betere wegen in een buurafdeling leek namelijk een vervolg op mislukte pogingen. Men had ook in Lebak betere wegen willen aanleggen, of de bestaande beter willen onderhouden. Maar hierin had de Regent gelijk: Pandeglang was dichter bevolkt, vooral in verhouding tot het veel kleinere gebied. Daar was het werk aan de grote wegen met vereende krachten dus lichter dan in Lebak. Die afdeling had op honderden palen oppervlakte maar zeventigduizend inwoners.

—Dat is waar, zei Verbrugge, we hebben hier weinig volk, maar ...

De Adhipatti keek hem aan, alsof hij een aanval verwachtte. Hij wist dat er na dat "maar" iets kon komen wat hij niet graag zou horen. En hij was al dertig jaar Regent van Lebak. Verbrugge leek op dit ogenblik geen zin te hebben om de strijd voort te zetten. In elk geval brak hij het gesprek af. Hij vroeg weer aan de *mandoor*-oppasser of hij nog niets zag komen.

—Ik zie nog niets van de kant van Pandeglang, meneer de controleur. Maar daarginds aan de andere kant rijdt iemand te paard ... het is de *toewan kommendaan*.

—Zeker, Dongso, zei Verbrugge, en hij keek naar buiten, dat is de commandant! Hij jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg al uitgegaan. Hé, Duclari ... Duclari!

—Hij hoort u al, meneer, hij komt hierheen. Zijn jongen rijdt achter hem, met een *kidang* achter zich over het paard.

—*Pegang koedahnja toewan kommendaan*, beval Verbrugge aan een van de bedienden die buiten zaten. Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je geschoten? Kom binnen!

Een sterke man van dertig jaar kwam de *pendoppo* binnen. Hij had een flinke militaire houding, hoewel hij geen uniform droeg. Het was de eerste-luitenant Duclari, commandant van het kleine garnizoen van Rangkas-Betoeng. Verbrugge en hij waren vrienden. Ze waren extra vertrouwelijk met elkaar, omdat Duclari al een tijd bij Verbrugge woonde. Hij wachtte daar tot er een nieuw fort klaar was. Hij drukte Verbrugge de hand, groette de Regent beleefd en ging zitten met de vraag: "Wel, wat heb je hier allemaal?"

—Wil je thee, Duclari?

—Wel neen, ik heb het warm genoeg! Heb je geen klapperwater? Dat is frisser.

—Dat laat ik je niet geven. Als je het warm hebt, vind ik klapperwater heel slecht. Je wordt er stijf en jichtig van. Kijk maar naar de koelies die zware vrachten over de bergen dragen. Zij blijven vlug en lenig doordat ze heet water drinken, of *koppi dahoen*. Maar gemberthee is nog beter ...

—Wat? *Koppi dahoen*, thee van koffiebladen? Dat heb ik nog nooit gezien.

—Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is het de gewoonte.

—Geef me dan maar thee ... maar niet van koffiebladen, en ook niet van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe assistent-resident ook, niet waar?

Dit gesprek ging in het Hollands, een taal die de Regent niet verstond. Misschien voelde Duclari dat het onbeleefd was om hem zo buiten het gesprek te houden. Of misschien had hij een andere bedoeling. Opeens wendde hij zich tot de Regent en ging hij in het Maleis verder:

—Weet meneer de Adhipatti dat meneer de controleur de nieuwe assistent-resident kent?

—Wel neen, *dat* heb ik niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hij diende een paar jaar vóór mij op Sumatra. Ik heb je alleen gezegd dat ik daar veel over hem heb horen spreken, anders niet!

—Nu, dat komt op hetzelfde neer. Je hoeft iemand niet per se te zien om hem te kennen. Hoe denkt meneer de Adhipatti daarover?

De Adhipatti moest net een bediende roepen. Er ging dus wat tijd voorbij. Pas toen kon hij zeggen "dat hij het met meneer de commandant eens was". Maar het was toch vaak nodig, zei hij, iemand te zien voordat men over hem kon oordelen.

—Over het algemeen is dat misschien waar, ging Duclari nu in het Hollands verder.

Misschien lag deze taal hem beter, en vond hij dat hij genoeg beleefd was geweest. Of misschien wilde hij alleen door Verbrugge begrepen worden.

—Dat mag in het algemeen waar zijn. Maar bij Havelaar heb je echt geen persoonlijke kennismaking nodig ... hij is een gek!

—Dat heb ik niet gezegd, Duclari!

—Neen, jij hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het, na alles wat je me over hem verteld hebt. Iemand die in het water springt om een hond te redden van de haaien, noem ik een gek.

—Nu ja, verstandig is het zeker niet. Maar ...

—En, luister eens, dat versje tegen generaal Vandamme ... dat kon niet!

—Het was geestig ...

—Tot je dienst! Maar een jong mens mag niet geestig zijn tegen een generaal.

—Je moet bedenken dat hij nog heel jong was ... het is veertien jaar geleden. Hij was toen maar tweeëntwintig jaar oud.

—En dan de kalkoen die hij stal!

—Dat deed hij om de generaal te plagen.

—Juist! Een jong mens mag geen generaal plagen, die bovendien als burgerlijk gouverneur zijn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar ... dat eeuwige duelleren!

—Hij deed het meestal voor een ander. Hij koos altijd partij voor de zwakste.

—Laat dan ieder voor zichzelf duelleren, als het dan per se moet! Ik geloof dat een duel zelden nodig is. Als het echt niet anders kon, zou ook ik een uitdaging aannemen. In sommige gevallen zou ik zelf uitdagen. Maar om daar dagelijks werk van te maken ... dank je! Laten we hopen dat hij daarin veranderd is.

—Zeker, daar is geen twijfel aan! Hij is nu veel ouder, al lang getrouwd, en assistent-resident. Bovendien heb ik altijd gehoord dat zijn hart goed was, en dat hij een warm gevoel had voor recht.

—Nu, dat zal hem van pas komen in Lebak! Er is me net iets overkomen dat ... zou de Regent ons verstaan?

—Ik geloof het niet. Maar laat me iets uit je jachttas zien, dan denkt hij dat we daarover spreken.

Duclari pakte zijn jachttas en haalde er een paar bosduiven uit. Hij betastte de vogels alsof hij over de jacht sprak. Intussen vertelde hij Verbrugge dat een Javaan hem zojuist in het veld was nagelopen. Die had hem gevraagd of hij niets kon doen om de druk te verlichten waaronder de bevolking leed.

—En, ging hij verder, dat is heel sterk, Verbrugge! Niet dat de zaak zelf me verbaast. Ik ben lang genoeg in Bantam om te weten wat hier gebeurt. Maar de eenvoudige Javaan is gewoonlijk zo voorzichtig en terughoudend als het om zijn hoofden gaat. En nu vraagt hij zoiets aan iemand die er niets mee te maken heeft. Dat verbaast me!

—En wat heb je geantwoord, Duclari?

—*Wel*, dat het me niet aanging! Dat hij naar jou moest gaan, of naar de nieuwe assistent-resident als die in Rangkas-Betoeng aangekomen was. Daar moest hij zijn klachten uiten.

—*Ienie apa toewan-toewan datang!* riep opeens de oppasser Dongso. Ik zie een *mantrie* die met zijn *toedoeng* zwaait.

Iedereen stond op. Duclari wilde niet de schijn wekken dat hij ook aan de grens was om de assistent-resident te verwelkomen. Die was wel zijn meerdere, maar niet zijn chef, en bovendien een gek. Hij steeg dus te paard en reed weg, gevolgd door zijn bediende.

De Adhipatti en Verbrugge gingen bij de ingang van de *pendoppo* staan. Ze zagen een reiswagen met vier paarden naderen. Die stopte al snel, met vrij veel modder, bij het bamboe gebouwtje.

Het was moeilijk te raden wat er allemaal in die wagen zat. Dongso moest eerst alle riemen en knopen losmaken, met de lopers en een groot aantal bedienden van de Regent. Het rijtuig zat namelijk helemaal in een hoes van zwart leer. Die deed denken aan de discretie waarmee vroeger leeuwen en tijgers de stad binnenkwamen. Dat was toen de dierentuinen nog rondreizende dierenspelen waren. Nu zaten er geen leeuwen of tijgers in de wagen. Men had alles alleen zo zorgvuldig gesloten omdat het westmoesson was, en men op regen moest rekenen.

Uitstappen uit een reiswagen waarin men lang over de weg gehobbeld heeft, is niet zo gemakkelijk. Iemand die nooit of weinig gereisd heeft, denkt van wel. Denk aan de arme *Sauriers* uit de oertijd. Ze hadden niet het plan om in de klei te blijven. Maar door lang wachten werden ze ten slotte een vast deel van die klei. Bijna hetzelfde gebeurt bij reizigers die te lang in een reiswagen hebben gezeten, krap op elkaar en in gedwongen houding. Ik stel voor om dat *assimilatie* te noemen. Men weet ten slotte niet meer precies waar het leren kussen van de wagen ophoudt en waar het ik begint. Ja, ik kan me voorstellen dat men in zo'n wagen kiespijn of kramp heeft. Die ziet men dan aan voor mot in het laken, of omgekeerd.

Er zijn weinig dingen in de stoffelijke wereld waarbij een denkend mens niet iets opmerkt over de geest. Zo heb ik me vaak afgevraagd waar veel dwalingen vandaan komen die bij ons de kracht van wet hebben. En veel "scheefheden" die wij voor "recht" houden. Komt dat niet doordat men te lang met hetzelfde gezelschap in dezelfde reiswagen heeft gezeten? Denk aan het been dat u links moest uitsteken, tussen de hoedendoos en het mandje met kersen. Denk aan de knie die u tegen het portier drukte. De dame tegenover u mocht niet denken dat u haar krinoline of haar deugd wilde aanvallen. Denk aan de voet met likdoorns, die zo bang was voor de hakken van de handelsreiziger naast u. Denk aan de hals die u zo lang naar links moest draaien, omdat het rechts drupte. Zie, dat worden ten slotte allemaal halzen, knieën en voeten die iets verdraaids krijgen. Ik vind het goed om van tijd tot tijd eens te wisselen van wagen, zitplaats en medereizigers. Men kan dan zijn hals eens anders draaien. Men beweegt af en toe zijn knie. En misschien zit er eens een juffrouw naast ons met dansschoenen, of een jongetje met beentjes die de grond niet raken. Men heeft dan meer kans om *recht* te zien en *recht* te lopen. Dat geldt zodra men weer vaste grond onder de voeten heeft.

Verzette zich in de wagen die nu voor de *pendoppo* stopte ook iets tegen die "oplossing van de continuïteit"? Dat weet ik niet. Maar het is zeker dat het lang duurde voordat er iets naar buiten kwam. Er leek een strijd van hoffelijkheid gevoerd te worden. Men hoorde de woorden: "Alstublieft, mevrouw!" en "Resident!" Hoe dan ook, eindelijk stapte er een heer uit. In zijn houding en uiterlijk deed hij wel wat denken aan de Sauriers waarover ik zojuist sprak. Wij zullen hem later terugzien. Daarom zeg ik u nu al dat zijn onbeweeglijkheid niet alleen kwam door de assimilatie met de reiswagen. Ook als er op mijlen afstand geen rijtuig was, toonde hij kalmte, traagheid en voorzichtigheid. Menige Saurier zou daar jaloers op zijn. In de ogen van velen zijn dat de kenmerken van deftigheid, bezonnenheid en wijsheid. Hij was, zoals de meeste Europeanen in Indië, heel bleek. Dat geldt daar helemaal niet als een teken van minder goede gezondheid. Hij had fijne trekken, die wel van verstand getuigden. Alleen was er iets kouds in zijn blik, iets wat u deed denken aan een logaritmetafel. Zijn uiterlijk was over het algemeen niet onaangenaam of afstotend. Toch kon men een verdenking niet onderdrukken: zijn vrij grote, magere neus verveelde zich op dat gezicht. Want er gebeurde zo weinig op.

Beleefd bood hij zijn hand aan een dame, om haar te helpen uitstappen. Zij nam van een heer die nog in de wagen zat een kind aan, een kleine blonde jongen van een jaar of drie. Daarna gingen ze de *pendoppo* in. Toen volgde die heer zelf. Wie Java kende, zou iets bijzonders zijn opgevallen: hij wachtte bij het portier om een oude Javaanse *baboe* te helpen uitstappen. Drie bedienden hadden zichzelf bevrijd uit het kastje van wasdoek. Dat zat achter de wagen vastgeplakt als een jonge oester op de rug van zijn mama.

De heer die het eerst was uitgestapt, had de Regent en de controleur Verbrugge een hand gegeven. Zij namen die met eerbied aan. In hun hele houding was te zien dat ze tegenover een belangrijk persoon stonden. Het was de resident van Bantam. Dat is de grote streek waarvan Lebak een afdeling is, een regentschap, of, zoals men officieel zegt, een *assistent-residentie*.

Bij het lezen van verzonnen verhalen heb ik me vaak geërgerd. De schrijvers hebben zo weinig eerbied voor de smaak van het publiek. Vooral als ze iets grappigs of burlesks wilden maken. Over *humor* wil ik nu maar niet spreken. Die wordt bijna altijd jammerlijk verward met het *komische*. Men laat iemand spreken die de taal niet verstaat of slecht uitspreekt. Men laat een Fransman zeggen: "ka kauw na de krote krak" of "krietje kooit keen kare kroente kraak wek." Is er geen Fransman, dan neemt men iemand die stamelt. Of men "schept" iemand met een stokpaardje van een paar woorden die steeds terugkomen. Ik zag eens een heel dwaas toneelstukje "reüsseren" omdat er iemand in voorkwam die steeds zei: "*mijn naam is Meyer*." Zulke grappen vind ik wat goedkoop. En om de waarheid te zeggen: ik ben boos op u als u zoiets grappig vindt.

Maar nu moet ik zelf iets dergelijks aan u voorstellen. Ik moet van tijd tot tijd iemand op het toneel brengen. Ik zal dat zo weinig mogelijk doen. Die man had echt een manier van spreken die me bang maakt. U kunt denken dat ik u op een mislukte manier wil laten lachen. Daarom verzeker ik u uitdrukkelijk: het is niet *mijn* schuld. De hoogst deftige resident van Bantam, over wie ik hier spreek, had iets heel eigenaardigs in zijn manier van spreken. Het is moeilijk dat weer te geven zonder de schijn te wekken dat ik grappig wil doen met een *tic*. Hij sprak namelijk op een toon alsof er achter elk woord een punt stond, of zelfs een lange rust. De ruimte tussen zijn woorden kan ik het best vergelijken met een stilte in de kerk. Dat is de stilte na het "amen" van een lang gebed. Zoals iedereen weet, heeft men dan tijd om anders te gaan zitten, te hoesten of zijn neus te snuiten.

Wat hij zei, was meestal goed overdacht. Stel dat hij die ontijdige rustpunten had kunnen afleren. Dan hadden zijn zinnen er meestal gezond uitgezien, tenminste als taal. Maar al dat afbrokkelen, dat stotende en hobbelige, maakte het luisteren lastig. Men viel er dan ook vaak over. Want meestal begon men te antwoorden in de goede mening dat de zin klaar was. Men dacht dat hij het ontbrekende aan de scherpzinnigheid van zijn luisteraar overliet. Maar dan kwamen de ontbrekende woorden nog achteraan, als *trainards* van een verslagen leger. En dan voelde u dat u hem had onderbroken, wat altijd onaangenaam is. Het publiek van de hoofdplaats Serang noemde zijn gesprekken "slijmerig". Ik bedoel het publiek dat niet voor het gouvernement werkte, want die verhouding maakt de meesten voorzichtig. Ik vind dit woord niet erg smaakvol. Maar ik moet toegeven dat het de hoofdeigenschap van de welsprekendheid van de resident vrij goed uitdrukte.

Ik heb nog niets gezegd over Max Havelaar en zijn vrouw. Want dat waren de twee mensen die na de resident met hun kind en de *baboe* uit de wagen waren gekomen. Misschien was het genoeg om hun uiterlijk en karakter over te laten aan het verloop van de gebeurtenissen. En aan de fantasie van de lezer. Maar omdat ik nu toch aan het beschrijven ben, wil ik u zeggen dat mevrouw Havelaar niet mooi was. Wel had ze in blik en spraak iets heel liefs. Door haar gemakkelijke, ongedwongen manieren liet ze duidelijk zien dat ze in de wereld geweest was. Ze hoorde thuis in de hogere klassen van de maatschappij. Ze had niets van dat stijve en onaangename van het burgerlijke fatsoen. Dat denkt dat het zichzelf en anderen met *gêne* moet plagen om "gedistingeerd" te lijken. Ze gaf dan ook niet om veel uiterlijke dingen die voor sommige andere vrouwen waarde lijken te hebben. Ook in haar kleding was ze een voorbeeld van eenvoud. Haar reiskleding was een wit *baadjoe* van mousseline, met een blauwe *cordelière*. Ik geloof dat men zo'n kledingstuk in Europa een *peignoir* zou noemen. Om haar hals had ze een dun zijden koordje met twee kleine medaillons, die u echter niet te zien kreeg. Ze zaten verborgen in de plooien op haar borst. Verder de haren *à la chinoise*, en een kransje *melatti* in de *kondeh* ... dat was al haar opschik.

Ik zei dat ze niet mooi was, en toch wil ik niet dat u denkt dat ze lelijk was. Ik hoop dat u haar mooi zult vinden zodra ik haar kan laten zien. Dan gloeit ze van verontwaardiging over wat ze de "miskenning van het genie" noemde. Dat deed ze als het om haar aanbeden Max ging. Of dan is ze bezield door een idee over het welzijn van haar kind. Men heeft al te vaak gezegd dat het gezicht de spiegel van de ziel is. Daarom hecht ik geen waarde aan een onbeweeglijk gezicht dat niets weerspiegelt, omdat er geen ziel in schijnt. Welnu, *zij* had een mooie ziel. En men moest wel blind zijn om haar gezicht niet mooi te vinden als die ziel daarop te lezen stond.

Havelaar was een man van vijfendertig jaar. Hij was slank en vlug in zijn bewegingen. Hij had een korte, beweeglijke bovenlip en grote bleekblauwe ogen. Die ogen hadden iets dromerigs als hij rustig was, maar ze schoten vuur als een groot idee hem beheerste. Verder was er niets bijzonders aan zijn uiterlijk te zien. Zijn blonde haar hing sluik langs zijn slapen. Ik begrijp heel goed dat weinigen het meteen zouden denken als ze hem voor het eerst zagen. Maar hij hoorde, in hoofd en in hart, tot de zeldzaamheden.

Hij was een "vat vol tegenstrijdigheid". Hij was scherp als een mes en zacht als een meisje. Hij voelde zelf altijd het eerst de wond die zijn bittere woorden hadden gemaakt. Hij leed daaronder meer dan de gekwetste. Hij begreep snel, en hij greep meteen het hoogste en het moeilijkste. Hij speelde graag met het oplossen van moeilijke vragen, en daarvoor had hij alle moeite en studie over. En toch begreep hij vaak de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Hij was vol liefde voor waarheid en recht. Toch verwaarloosde hij vaak zijn eenvoudigste plichten dichtbij, om een onrecht te herstellen dat hoger, verder of dieper lag. Want de strijd daarvoor was waarschijnlijk zwaarder, en dat lokte hem meer aan. Hij was ridderlijk en moedig, maar hij verspilde zijn dapperheid, als die andere Don Quichot, vaak op een windmolen. Hij gloeide van een eerzucht die nooit verzadigd was. Alle gewone eerbewijzen in de maatschappij leken hem daardoor niets waard. En toch vond hij zijn grootste geluk in een rustig, huiselijk, vergeten leven. Hij was dichter in de hoogste zin van het woord. Bij een vonk droomde hij zich zonnestelsels, en die bevolkte hij met schepsels van zijn eigen maaksel. Hij voelde zich heer van een wereld die hij zelf gemaakt had. En meteen daarna kon hij zonder enige dromerij spreken over de rijstprijs of de regels van de taal. Of over de economische voordelen van een Egyptische kippenbroederij.

Geen wetenschap was hem helemaal vreemd. Wat hij niet wist, voelde hij aan. Hij had in hoge mate een bijzondere gave. Ieder mens weet weinig, en ook hij wist weinig, al wist hij misschien meer dan sommige anderen. Maar dat weinige gebruikte hij op een manier die zijn kennis vermenigvuldigde. Hij was stipt en ordelijk, en bovendien buitengewoon geduldig. Maar dat was hij juist omdat stiptheid, orde en geduld hem moeilijk vielen, want zijn geest had iets wilds. Hij was langzaam en voorzichtig in zijn oordeel over zaken. Dat leek niet zo voor wie hem zijn conclusies zo haastig hoorde uitspreken. Zijn indrukken waren te levendig om blijvend te lijken, en toch bewees hij vaak dat ze blijvend waren. Alles wat groot en verheven was, lokte hem aan, en tegelijk was hij onnozel en naïef als een kind. Hij was eerlijk, vooral als eerlijkheid grootmoedig werd. Hij kon honderden die hij schuldig was onbetaald laten, omdat hij duizenden had weggegeven. Hij was geestig en onderhoudend als hij voelde dat men zijn geest begreep, maar anders stug en teruggetrokken. Hij was hartelijk voor zijn vrienden. Van iedereen die leed maakte hij zijn vriend, soms wat te snel.

Hij was gevoelig voor liefde en aanhankelijkheid. Hij was trouw aan zijn gegeven woord. Hij was zwak in kleine dingen, maar standvastig tot koppigheid toe als karakter hem de moeite waard leek. Hij was bescheiden en vriendelijk voor wie zijn geestelijke kracht erkenden, maar lastig voor wie zich daartegen verzetten. Hij was open uit trots, en soms gesloten als hij bang was dat men zijn openheid dom zou vinden. Hij was even gevoelig voor zinnelijk als voor geestelijk genot. Als hij dacht dat men hem niet begreep, was hij verlegen en sprak hij slecht. Maar hij was welsprekend als hij voelde dat zijn woorden op goede grond vielen. Hij was traag als niets uit zijn eigen ziel hem aanzette. Maar hij was ijverig, vurig en krachtig als dat wel zo was. Verder was hij vriendelijk, beschaafd in zijn manieren en onberispelijk van gedrag. Dat is nagenoeg Havelaar!

Ik zeg: nagenoeg. Want alle definities zijn al moeilijk, en vooral die van iemand die ver van de gewone vorm afwijkt. Daarom maken romanschrijvers van hun helden waarschijnlijk meestal duivels of engelen. Zwart of wit is gemakkelijk te schilderen. Moeilijker is het om de tinten daartussen juist weer te geven, als men aan de waarheid gebonden is. Dan mag men niet te donker en niet te licht kleuren. Ik voel dat de schets die ik van Havelaar probeerde te geven, heel onvolmaakt is. De papieren die voor mij liggen, zijn zo verschillend en zo rijk dat ze mijn oordeel in de weg zitten. Ik kom daar dus misschien nog op terug, als ik de gebeurtenissen vertel die ik wil meedelen. Dit is zeker: hij was een ongewoon mens, en het bestuderen waard. Ik merk nu al dat ik een van zijn hoofdtrekken vergeten ben. Hij zag de belachelijke en de ernstige kant van de dingen even snel en tegelijk. Daardoor had zijn manier van spreken, zonder dat hij het wist, een soort *humor*. Zijn luisteraars twijfelden daardoor steeds. Waren ze geraakt door het diepe gevoel in zijn woorden? Of moesten ze lachen om de grap die de ernst opeens afbrak?

Opvallend was dat zijn uiterlijk, en zelfs zijn gevoelens, zo weinig sporen droegen van zijn leven. Trots zijn op ervaring is een belachelijke gemeenplaats geworden. Er zijn mensen die vijftig of zestig jaar meedreven met het stroompje waarin ze zeggen te zwemmen. Van al die tijd kunnen ze weinig anders vertellen dan dat ze verhuisd zijn van de A-gracht naar de B-straat. Niets is gewoner dan dat juist zulke mensen trots zijn op ervaring, die zo gemakkelijk aan hun grijze haren kwamen. Anderen denken dat ze ervaring hebben omdat hun lot echt vaak veranderd is. Maar uit niets blijkt dat die veranderingen hen in hun innerlijk geraakt hebben. Ik kan me voorstellen dat grote gebeurtenissen weinig of geen invloed hebben op sommige mensen. Dat geldt ook als ze er zelf in meedoen. Hun gemoed is er niet voor gemaakt om indrukken op te vangen en te verwerken. Wie daaraan twijfelt, moet zich iets afvragen. Mag men ervaring toekennen aan alle bewoners van Frankrijk die in 1815 veertig of vijftig jaar oud waren? Toch hadden zij allemaal het grote drama gezien dat in 1789 begon. Ze hadden dat drama zelfs meegespeeld, in een grotere of kleinere rol.

En omgekeerd: hoeveel mensen gaan door een reeks van gevoelens, zonder dat de uiterlijke omstandigheden daartoe aanleiding lijken te geven! Denk aan de Crusoë-romans, aan de gevangenschap van Silvio Pellico, aan het allerliefste *Picciola* van Saintine. Denk aan de strijd in de borst van een "oude vrijster" die haar hele leven één liefde koesterde. Ze verraadde nooit met één woord wat er in haar hart omging. Denk aan de gevoelens van de mensenvriend die niet zelf aan de gebeurtenissen meedoet. Toch geeft hij vurig om het welzijn van zijn medeburger en medemens. Stel u voor hoe hij beurtelings hoopt en vreest. Hoe hij elke verandering volgt, en zich opwindt voor een mooi idee. Hij gloeit van verontwaardiging als hij ziet hoe dat idee wordt weggedrongen en vertrapt. Dat doen de velen die, voor een ogenblik tenminste, sterker waren dan mooie ideeën. Denk aan de wijsgeer die vanuit zijn cel het volk probeert te leren wat waarheid is. Hij moet merken dat zijn stem wordt overschreeuwd door vrome huichelarij en kwakzalvers die op winst uit zijn. Stel u Socrates voor. Niet als hij de gifbeker leegdrinkt, want ik bedoel hier de ervaring van het gemoed, niet die van uiterlijke omstandigheden. Denk aan hoe bitter bedroefd zijn ziel moet zijn geweest. Hij zocht het goede en het ware, en hij hoorde zich noemen "een bederver van de jeugd en een verachter van de goden."

Of beter nog: denk aan Jezus, als hij zo treurig naar Jeruzalem staart, en klaagt "dat het niet gewild heeft."

Zo'n kreet van smart, vóór gifbeker of kruis, komt niet uit een ongedeerd hart. *Daar* moet geleden zijn, veel geleden, daar is *ervaren*!

Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en ze mag blijven. Havelaar had veel ervaren. Wilt u iets dat opweegt tegen de verhuizing van de A-gracht? Hij had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hij had brand, oproer, sluipmoord, oorlog, duels, weelde, armoede, honger, cholera, liefde en "liefden" in zijn dagboek staan. Hij had veel landen bezocht. Hij was omgegaan met mensen van allerlei ras en stand, zeden, vooroordelen, godsdienst en huidskleur.

Wat zijn levensomstandigheden betreft, *kon* hij dus veel ervaren hebben. En hij had ook echt veel ervaren. Hij was niet door het leven gegaan zonder de indrukken op te vangen die het hem zo ruim aanbood. Daarvoor staan de snelheid van zijn geest en de ontvankelijkheid van zijn gemoed borg.

Allen die wisten of konden raden hoeveel hij had meegemaakt en geleden, verbaasden zich dan ook. Er was zo weinig van te lezen op zijn gezicht. Wel was er iets als vermoeidheid in zijn trekken. Maar dat deed eerder denken aan een vroegrijpe jeugd dan aan de naderende ouderdom. En naderende ouderdom had het toch moeten zijn, want in Indië is een man van vijfendertig niet jong meer.

Ook zijn gevoelens, zei ik, waren jong gebleven. Hij kon spelen met een kind, en als een kind. Vaak klaagde hij dat "kleine Max" nog te jong was om te vliegeren. Want "de grote Max" hield daar zo van. Met jongens sprong hij haasje-over, en hij tekende heel graag een patroon voor het borduurwerk van de meisjes. Soms nam hij hun zelfs de naald uit de hand en borduurde hij voor zijn plezier. Toch zei hij vaak dat ze wel iets beters konden dan dat "machinale steken tellen". Bij jongelui van achttien jaar was hij een jonge student, die graag zijn *Patriam canimus* zong, of *Gaudeamus igitur*. Ja, ik ben er niet helemaal zeker van of hij het volgende niet nog heel kort geleden heeft gedaan. Toen hij met verlof in Amsterdam was, heeft hij misschien een uithangbord afgebroken. Het beviel hem niet, omdat er een neger op geschilderd was. Die zat geboeid aan de voeten van een Europeaan met een lange pijp in zijn mond. En daaronder stond natuurlijk: *de rokende jonge koopman*.

De *baboe* die hij uit de wagen had geholpen, leek op alle *baboes* in Indië, als ze oud zijn. Als u dit soort bedienden kent, hoef ik u niet te zeggen hoe ze eruitzag. En als u ze niet kent, kan ik het u niet zeggen. Alleen dit onderscheidde haar van andere kindermeisjes in Indië: ze had heel weinig te doen. Want mevrouw Havelaar was een voorbeeld van zorg voor haar kind. Wat er voor of met kleine Max te doen was, deed ze zelf. Dat verbaasde veel andere dames. Zij keurden het niet goed dat men zichzelf "slavin van zijn kinderen" maakte.

### Woordenlijst

- **resident**: Nederlandse bestuurder van een groot gebied
- **gehurkt, hurkend**: zittend op de voeten, met de knieën sterk gebogen
- **mantries**: lagere Javaanse ambtenaren
- **kain kapala, toedoeng**: kain kapala: hoofddoek; toedoeng: grote, brede hoed
- **inlanders**: oud woord voor de bewoners van Indië; nu beledigend
- **sirie, pinang, gambier**: planten om op te kauwen, met kalk en tabak
- **maas**: Javaanse jongen van goede familie, bediende
- **kidang**: klein hert
- **Pegang koedahnja toewan kommendaan**: houd het paard van meneer de commandant vast
- **koelies**: oud woord voor arme arbeiders die zwaar werk doen; nu beledigend
- **Ienie apa toewan-toewan datang**: kijk, daar komen de heren
- **trainards**: Frans: soldaten die achter het leger aan komen
- **baboe**: kindermeid
- **melatti, kondeh**: melatti: kleine witte, sterk geurende bloem; kondeh: haarknot
- **neger**: oud woord voor een zwart mens; nu beledigend

## Zevende hoofdstuk

De resident van Bantam stelde de Regent en de controleur aan de nieuwe assistent-resident voor. Havelaar begroette beide ambtenaren hoffelijk. Er is altijd iets pijnlijks in de ontmoeting met een nieuwe chef. Daarom stelde hij de controleur gerust met een paar vriendelijke woorden. Het leek alsof hij meteen een soort vertrouwelijkheid wilde invoeren, die de omgang gemakkelijk zou maken. Met de Regent ging hij om zoals het hoorde bij iemand die de gouden *pajong* voert. Maar die man moest ook zijn "jonger broeder" zijn. Met deftige vriendelijkheid verweet hij hem zijn te grote ijver. In *zulk* weer was de Regent helemaal naar de grens van zijn afdeling gekomen. Strikt genomen was dat volgens de regels van de etiquette niet nodig.

—Werkelijk, meneer de Adhipatti, ik ben boos op u dat u zoveel moeite voor mij hebt gedaan! Ik dacht u pas in Rangkas-Betoeng te ontmoeten.

—Ik wilde meneer de assistent-resident zo snel mogelijk zien om vriendschap te sluiten, zei de Adhipatti.

—Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet graag dat iemand van uw rang en uw jaren zich te veel inspant. En dan nog te paard!

—Ja, meneer de assistent-resident! Als de dienst me roept, ben ik nog altijd vlug en sterk.

—Dit is te veel gevraagd van uzelf! Niet waar, resident?

—De heer Adhipatti. Is. Zeer.

—Goed, maar er is een grens.

—IJverig, sleepte de resident achterna.

—Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nog eens zeggen, alsof hij het vorige wilde terugslikken. Als u het goed vindt, resident, maken we plaats in de wagen. De *baboe* kan hier blijven, we sturen haar een *tandoe* uit Rangkas-Betoeng. Mijn vrouw neemt Max op schoot ... niet waar, Tine? Dan is er plaats genoeg.

—Het. Is. Mij.

—Verbrugge, wij geven ook u een plaats, ik zie niet in ...

—*Wel!* zei de resident.

—Ik zie niet in waarom u zonder noodzaak te paard door de modder zou klepperen. Er is plaats genoeg voor ons allemaal. Dan kunnen we meteen kennismaken. Niet waar, Tine, we zullen wel schuiven? Hier, Max ... kijk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is mijn kleine jongen ... dat is Max!

De resident was met de Adhipatti in de *pendoppo* gaan zitten. Havelaar riep Verbrugge om te vragen van wie die schimmel met het rode zadelkleed was. Verbrugge liep naar de ingang van de *pendoppo* om te zien welk paard hij bedoelde. Havelaar legde hem de hand op de schouder en vroeg:

—Is de Regent altijd zo ijverig?

—Hij is sterk voor zijn jaren, meneer Havelaar. En u begrijpt dat hij graag een goede indruk op u zou maken.

—Ja, dat begrijp ik. Ik heb veel goeds over hem gehoord ... hij is beschaafd, niet waar?

—O ja ...

—En hij heeft een grote familie?

Verbrugge keek Havelaar aan, alsof hij deze overgang niet begreep. Dat was vaak moeilijk voor wie hem niet kende. Door zijn snelle geest sloeg hij in gesprekken vaak een paar schakels van de redenering over. In *zijn* gedachten ging die overgang heel geleidelijk. Maar men kon het iemand die minder vlug was, of niet aan zijn snelheid gewend, niet kwalijk nemen. Zo iemand keek hem bij zo'n gelegenheid aan met een stille vraag op de lippen: ben je gek ... of hoe is het?

Zoiets lag er ook op het gezicht van Verbrugge. Havelaar moest de vraag herhalen voordat hij antwoordde:

—Ja, hij heeft een zeer uitgebreide familie.

—En worden er *medjiets* gebouwd in de afdeling? ging Havelaar verder.

Hij zei het weer op een toon die helemaal niet bij de woorden paste. Die toon leek te zeggen dat er verband was tussen die moskeeën en de "grote familie" van de Regent.

Verbrugge antwoordde dat er inderdaad veel aan moskeeën gewerkt werd.

—Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, is er veel achterstand in de betaling van de landrenten?

—Ja, dat kon wel beter zijn ...

—Juist, en vooral in het district Parang-Koedjang, zei Havelaar, alsof hij het gemakkelijker vond zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit jaar? ging hij verder.

Hij merkte dat Verbrugge wat aarzelde, alsof hij over het antwoord nadacht. Daarom was Havelaar hem voor, en hij ging in één adem verder:

—Goed, goed, ik weet het al. Zesentachtigduizend en een paar honderd ... vijftienduizend meer dan vorig jaar ... maar slechts zesduizend boven '45. We zijn sinds '43 maar achtduizend vooruitgegaan ... en de bevolking is ook heel dun ... nu ja, Malthus! In twaalf jaar zijn we maar elf procent gestegen. En dat is nog de vraag, want de tellingen waren vroeger heel onnauwkeurig ... en nog! Van '50 op '51 was er zelfs een daling. Ook de veestapel gaat niet vooruit ... dat is een slecht teken, Verbrugge! Wat drommel, kijk dat paard eens springen, ik geloof dat het gek is geworden ... kom eens kijken, Max!

Verbrugge merkte dat hij de nieuwe assistent-resident weinig zou kunnen leren. Van een voorsprong door "lokale anciënniteit" was geen sprake. Dat wilde de goede jongen dan ook niet.

—Maar het is natuurlijk, ging Havelaar verder, terwijl hij Max op zijn arm nam. In Tjikandi en Bolang zijn ze er heel blij om ... en de opstandelingen in de Lampongs ook. Ik reken op uw hulp, meneer Verbrugge! De Regent is een man op leeftijd, en dus moeten we ... zeg eens, is zijn schoonzoon nog altijd districtshoofd? Alles bij elkaar vind ik hem iemand die soepelheid verdient ... de Regent, bedoel ik. Ik ben zeer blij dat hier alles zo achterlijk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blijven.

Daarop gaf hij Verbrugge een hand. Verbrugge liep met hem terug naar de tafel waar de resident, de Adhipatti en mevrouw Havelaar zaten. Hij voelde al iets beter dan vijf minuten eerder dat "die Havelaar niet zo gek was" als de commandant dacht. Verbrugge was helemaal niet dom. Hij kende de afdeling Lebak bijna zo goed als één persoon zo'n groot gebied kan kennen, waar niets gedrukt wordt. Hij begon te zien dat er toch verband was tussen de schijnbaar losse vragen van Havelaar. Ook zag hij dat de nieuwe assistent-resident iets wist van wat er gebeurde. En dat terwijl hij nooit in de afdeling geweest was. Die vreugde over de armoede in Lebak begreep hij nog altijd niet. Maar hij hield zichzelf voor dat hij die woorden verkeerd verstaan had. Later zei Havelaar hem echter nog vaak hetzelfde. Toen zag hij hoeveel groots en edels er in die vreugde lag.

Havelaar en Verbrugge gingen aan de tafel zitten. Ze dronken thee en praatten over onbelangrijke dingen. Men wachtte tot Dongso de resident kwam melden dat de verse paarden waren aangespannen. Men stapte zo goed mogelijk in de wagen, en reed weg. Door het schudden en stoten was praten moeilijk. Kleine Max werd rustig gehouden met *pisang*. Zijn moeder had hem op schoot. Havelaar bood aan de zware jongen over te nemen, maar zij wilde absoluut niet toegeven dat ze moe was. Op een ogenblik van gedwongen rust in een moddergat stelde Verbrugge de resident een vraag. Had hij al met de nieuwe assistent-resident gesproken over mevrouw Slotering?

—Meneer. Havelaar. Heeft. Gezegd.

—Zeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan bij ons blijven. Ik zou niet graag ...

—Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite bij.

—Ik zou niet graag mijn huis weigeren aan een dame in *haar* omstandigheden! Dat spreekt vanzelf ... niet waar, Tine?

Ook Tine vond dat het vanzelf sprak.

—U hebt twee huizen in Rangkas-Betoeng, zei Verbrugge. Er is ruimte genoeg voor twee gezinnen.

—Maar, ook als dat niet zo was.

—Ik. Durfde. Het. Haar.

—Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, daar is geen twijfel aan!

—Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.

—Al waren ze met hun tienen, als ze het maar goed vinden bij ons.

—Een. Grote. Last. En. Zij. Is.

—Maar reizen is in haar toestand onmogelijk, resident!

Een hevige schok van de wagen, die uit de modder kwam, was als een uitroepteken. Het stond achter Tines woorden dat reizen onmogelijk was voor mevrouw Slotering. Iedereen riep het gewone *hè!* dat op zo'n stoot volgt. Max vond op de schoot van zijn moeder de *pisang* terug die hij door de schok verloren had. Men was alweer een heel eind dichter bij de volgende diepe modder. Pas toen kon de resident zijn zin afmaken, en hij voegde eraan toe:

—Een. Inlandse. Vrouw.

—O, dat is precies hetzelfde, probeerde mevrouw Havelaar verstaanbaar te maken.

De resident knikte, alsof hij het goed vond dat de zaak zo geregeld was. Praten was zo moeilijk dat men het gesprek afbrak.

Deze mevrouw Slotering was de weduwe van Havelaars voorganger, die twee maanden geleden gestorven was. Verbrugge moest daarna tijdelijk het ambt van assistent-resident waarnemen. In die tijd had hij het recht gehad in de ruime ambtswoning in Rangkas-Betoeng te gaan wonen. Zo'n woning is er in elke afdeling, gebouwd door het land, voor het hoofd van het bestuur. Maar hij had dat niet gedaan. Misschien deels omdat hij bang was dat hij te snel weer zou moeten verhuizen. Deels ook om het huis over te laten aan die dame en haar kinderen. Er was anders ruimte genoeg geweest. Want naast de vrij grote woning van de assistent-resident stond op hetzelfde "erf" nog een ander huis. Dat had vroeger als ambtswoning gediend. Het was een beetje vervallen, maar nog altijd heel goed te bewonen.

Mevrouw Slotering had de resident gevraagd een goed woord voor haar te doen bij de opvolger van haar man. Ze wilde in dat oude huis mogen wonen tot na haar bevalling, die over enkele maanden zou komen. Dit verzoek hadden Havelaar en zijn vrouw zo graag toegestaan. Dat lag helemaal in hun aard, want ze waren heel gastvrij en behulpzaam.

We hoorden de resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandse vrouw" was. Dit moet ik uitleggen voor lezers die Indië niet kennen. Anders denkt men misschien ten onrechte dat ze een echte Javaanse was.

De Europese samenleving in Nederlands-Indië is vrij scherp in twee delen gesplitst. Er zijn de echte Europeanen. En er zijn de mensen die niet in Europa geboren zijn, en min of meer inlands bloed hebben. Volgens de wet zijn die laatsten precies gelijk. Ter ere van de menselijkheid in Indië voeg ik er snel iets aan toe. In de omgang wordt een scherpe lijn getrokken tussen die twee soorten mensen, die voor de inlander allebei *Hollander* heten. Toch is deze scheiding helemaal niet zo barbaars als de scheiding tussen de standen in Amerika.

Ik ontken niet dat er nog altijd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding zit. Het woord *liplap* klonk me vaak in de oren als een bewijs. Het toonde hoe ver de niet-liplap, de blanke, vaak van echte beschaving af staat. Het is waar dat de liplap maar bij uitzondering in gezelschappen wordt toegelaten. Meestal wordt hij, om een heel gewone uitdrukking te gebruiken, "niet voor vol aangezien". Maar men hoort zelden dat zulke uitsluiting of minachting als een *grondbeginsel* wordt voorgesteld en verdedigd. Het staat natuurlijk iedereen vrij zijn eigen omgeving en gezelschap te kiezen. Men mag het de echte Europeaan niet kwalijk nemen als hij liever omgaat met mensen van zijn eigen land. Ik laat de zedelijke en verstandelijke waarde van de anderen in het midden. Maar zij delen zijn indrukken en ideeën niet. Of hun *vooroordelen hebben een andere richting genomen* dan de zijne. Dat is bij een vermeend verschil in *beschaving* misschien vaak de hoofdzaak.

Een *liplap* heeft veel goeds. Om de beleefdere term te gebruiken, zou ik moeten zeggen: een "*zogenaamd inlands kind*". Maar ik vraag toestemming om me te houden aan het gewone woord, dat uit allitteratie geboren lijkt. Ik bedoel er niets beledigends mee, en wat betekent het woord eigenlijk? Een liplap heeft dus veel goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Allebei hebben ze veel verkeerds, en daarin lijken ze dus op elkaar. Maar het goede en het verkeerde van beiden lopen te ver uit elkaar. Daardoor is hun omgang over het algemeen voor geen van beiden een genoegen. Bovendien is de liplap vaak slecht onderwezen, en daaraan heeft de Regering veel schuld. De vraag is niet hoe de Europeaan zou zijn, als hij van jongs af zo in zijn ontwikkeling gehinderd was. Maar één ding is zeker. De geringe scholing van de liplap *in het algemeen* staat zijn gelijkstelling met de Europeaan in de weg. Dat geldt zelfs als hij *als individu* misschien beter is dan een bepaalde Europeaan, in beschaving, wetenschap of kunst.

Ook hieraan is weer niets nieuws. Het hoorde bijvoorbeeld bij de politiek van Willem de Veroveraar om de onbelangrijkste Normandiër boven de beschaafdste Saks te stellen. Elke Normandiër beriep zich graag op de macht van de Normandiërs *in het algemeen*. Zo liet hij zich ook gelden waar hij de mindere zou zijn geweest *zonder* de macht van zijn volksgenoten.

Hierdoor ontstaat natuurlijk een zekere gedwongenheid in de omgang. Alleen wijze, ruimdenkende ideeën en maatregelen van het bestuur kunnen die wegnemen.

De Europeaan staat in deze verhouding aan de winnende kant. Dat hij zich gemakkelijk schikt in deze kunstmatige voorsprong, spreekt vanzelf. Maar vaak is er iets grappigs te horen. Iemand die zijn beschaving en taal grotendeels opdeed in de Rotterdamse Zandstraat, lacht de liplap uit. Hij lacht omdat deze *een glas water* en *het gouvernement* mannelijk maakt, of *zon* en *maan* onzijdig.

Een liplap kan beschaafd zijn, goed onderwezen of geleerd. Die zijn er! Neem nu de Europeaan die zich ziek hield om achter te blijven van het schip waarop hij borden waste. Zijn aanspraak op beleefdheid baseert hij op "uwee" en "verexkuseer". Hij staat aan het hoofd van de handelszaak die zo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800 zoveel. Neen, lang voordat hij de *toko* had waarin hij hammen en jachtgeweren verkoopt, is het al zo. Zo'n Europeaan merkt op dat de beschaafdste liplap moeite heeft de *h* en de *g* uit elkaar te houden. En dan lacht hij om de domheid van de man. Die weet het verschil niet tussen een *gouden hek* en een *houten gek*.

Maar om daarover niet te lachen, had hij iets moeten weten. In het Arabisch en het Maleis worden de *cha* en de *hha* met één teken geschreven. *Hieronymus* wordt via *Geronimo* tot *Jérôme*. Wij maken van *huano* het woord *guano*. Een *want* is een *handschoen*, en *kous* komt van *hose*. En voor *Guild Heaume* zeggen wij in het Hollands *Huillem* of *Willem*. Zoveel geleerdheid is te veel gevraagd van iemand die zijn fortuin maakte "in" de indigo. Zijn beschaving haalde hij uit geluk bij het gokken ... of erger!

En zo'n Europeaan kan toch niet omgaan met zo'n liplap!

Ik begrijp hoe *Willem* van *Guillaume* komt. En ik moet toegeven dat ik, vooral in de Molukken, vaak "liplappen" heb leren kennen. Ze verbaasden me door hun grote kennis. Zij brachten me op een gedachte. Wij Europeanen hebben alle hulpmiddelen, en toch blijven we vaak ver achter bij de arme paria's. Dat is niet alleen zo als men ons vergelijkt. Die paria's moesten van de wieg af strijden tegen kunstmatig onrecht en het dwaze vooroordeel tegen hun kleur.

Maar mevrouw Slotering was voor eens en altijd veilig voor fouten in het Hollands. Want ze sprak nooit iets anders dan Maleis. We zullen haar later zien, als we met Havelaar, Tine en kleine Max thee drinken. Dat gebeurt in de voorgalerij van de woning van de assistent-resident in Rangkas-Betoeng. Daar kwam ons reisgezelschap, na lang schudden en stoten, eindelijk veilig aan.

De resident was alleen meegekomen om de nieuwe assistent-resident in zijn ambt te bevestigen. Hij zei dat hij nog dezelfde dag naar Serang wilde terugkeren:

—Omdat. Hij.

Havelaar zei dat ook hij bereid was tot alle spoed ...

—Het. Zo. Druk. Had.

... en men sprak af om over een half uur bij elkaar te komen. Dat zou zijn in de grote voorgalerij van de woning van de Regent. Verbrugge was hierop voorbereid. Hij had al vele dagen eerder opdracht gegeven. Dat gold voor de Districtshoofden, de Patteh, de Kliwon, de Djaksa, de belastingcollecteur en enkele *mantries*. Zij en alle andere inlandse ambtenaren die bij deze ceremonie moesten zijn, moesten naar de hoofdplaats komen.

De Adhipatti nam afscheid en reed naar zijn huis. Mevrouw Havelaar bekeek haar nieuwe woning en was er erg blij mee. Vooral de grote tuin beviel haar, want kleine Max moest veel in de buitenlucht zijn. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan om zich om te kleden. Want bij de ceremonie die zou plaatsvinden, leek het officiële kostuum nodig te zijn. Rondom het huis stonden honderden mensen. Sommigen hadden de wagen van de resident te paard begeleid. Anderen hoorden bij het gevolg van de samengeroepen Hoofden. De politie- en kantooroppassers liepen druk heen en weer. Kortom, de eentonigheid op dat vergeten plekje in de westhoek van Java werd even doorbroken door wat leven.

Al snel reed de mooie wagen van de Adhipatti het voorplein op. De resident en Havelaar stapten in, schitterend van goud en zilver, maar een beetje struikelend over hun degens. Ze reden naar de woning van de Regent, waar ze met muziek van *gongs* en *gamlangs* ontvangen werden. Ook Verbrugge was daar al. Hij had zijn kleren vol modder uitgedaan. De lagere Hoofden zaten op oosterse wijze in een grote kring op matten op de grond. Aan het eind van de lange galerij stond een tafel. Daaraan zaten de resident, de Adhipatti, de assistent-resident, de controleur en zes Hoofden. Men diende thee met gebak op, en de eenvoudige ceremonie begon.

De resident stond op en las het besluit van de Gouverneur-generaal voor. Daarin werd Max Havelaar aangesteld tot assistent-resident van de afdeling Bantan-Kidoel of Zuid-Bantam. Zo noemen de inlanders Lebak. Daarna nam hij het staatsblad met de eed die voor alle ambtenaren bij de aanvaarding van hun ambt is voorgeschreven. Die eed luidde:

"*Dat men, om tot het ambt van ... benoemd of bevorderd te worden, niemand iets beloofd of gegeven heeft. Dat men dat ook niet zal doen. Dat men hou en trouw zal zijn aan Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden. Dat men gehoorzaam zal zijn aan de vertegenwoordiger van Zijne Majesteit in Indië. Dat men de wetten en regels die gegeven zijn of nog gegeven worden, precies zal opvolgen en laten opvolgen. En dat men zich in alles zal gedragen zoals het een goed ...* (hier: assistent-resident) *betaamt*."

Daarna volgde natuurlijk het plechtige: "*zo waarlijk helpe mij God Almachtig*."

Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Eigenlijk had men in deze eed ook een belofte moeten zien. Namelijk: *de inlandse bevolking te zullen beschermen tegen uitzuiging en onderdrukking*. Want men zwoer dat men de bestaande wetten en regels zou handhaven. Men hoefde maar te kijken naar de vele voorschriften daarover. Dan zag men dat een aparte eed eigenlijk niet nodig was. Maar de wetgever dacht blijkbaar dat een overvloed van goed niet kan schaden. In elk geval eist men van de assistent-residenten een aparte eed. Daarin wordt die plicht tegenover de eenvoudige man nog eens uitdrukkelijk genoemd. Havelaar moest dus opnieuw "God Almachtig" als getuige nemen bij een belofte. Hij beloofde dat hij "*de inlandse bevolking beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en knevelarij*."

Voor een fijn opmerker was het de moeite waard geweest om hierbij ergens op te letten. Dat was het verschil tussen de resident en Havelaar, in houding en in toon. Ze hadden allebei zo'n ceremonie al vaak meegemaakt. Het verschil dat ik bedoel, kwam dus niet doordat de een meer geraakt was door iets nieuws. Het kwam alleen door hun verschillende karakters en ideeën. De resident sprak wel iets sneller dan anders, want hij hoefde het besluit en de eden alleen voor te lezen. Dat spaarde hem de moeite om naar zijn slotwoorden te zoeken. Toch deed hij alles met deftigheid en ernst. Een oppervlakkige toeschouwer moest wel denken dat hij de zaak heel belangrijk vond. Havelaar daarentegen sprak de eden na met opgeheven vinger. Hij had iets in gezicht, stem en houding. Het was alsof hij wilde zeggen: "dat spreekt vanzelf, ook *zonder God Almachtig* zou ik dat doen." Wie mensenkennis had, zou meer vertrouwd hebben op zijn ongedwongenheid en schijnbare onverschilligheid. Op de ambtelijke deftigheid van de resident zou hij minder vertrouwd hebben.

Is het niet echt belachelijk? De man die recht moet spreken, krijgt het wel of wee van duizenden in handen. En dan denkt men dat een paar uitgesproken klanken hem binden? Dat kan alleen zijn eigen hart, ook zonder die klanken.

Wij geloven van Havelaar dat hij de armen en onderdrukten zou hebben beschermd, waar hij ze ook vond. Ook als hij bij "God Almachtig" het tegendeel had beloofd.

Daarop volgde een toespraak van de resident tot de Hoofden. Hij stelde hun de assistent-resident voor als hoofd van de Afdeling. Hij vroeg hun hem te gehoorzamen en hun plichten precies na te komen, en zei nog meer van zulke gemeenplaatsen. Daarna werden de Hoofden één voor één bij hun naam aan Havelaar voorgesteld. Hij gaf ieder een hand, en de "installatie" was afgelopen.

Bij de Adhipatti thuis at men daarna het middagmaal, en ook commandant Duclari was uitgenodigd. Meteen daarna ging de resident weg, want hij wilde graag nog die avond in Serang terug zijn:

—Omdat. Hij. Het. Zo. Bijzonder. Druk. Had.

... Hij stapte weer in zijn reiswagen, en zo werd het in Rangkas-Betoeng al snel weer stil. Dat is te verwachten van een plaats in het binnenland van Java. Er woonden maar weinig Europeanen, en ze lag niet aan de grote weg.

Duclari en Havelaar leerden elkaar snel kennen, en ze gingen gemakkelijk met elkaar om. De Adhipatti toonde dat hij blij was met zijn nieuwe "ouder broeder". Verbrugge vertelde later iets over de resident. Hij had hem op zijn terugreis naar Serang een eind begeleid. De familie Havelaar had op doorreis naar Lebak een paar dagen bij de resident gelogeerd. En de resident had heel gunstig over hen gesproken. Ook zei hij dat Havelaar goed aangeschreven stond bij de Regering. Hij zou hoogstwaarschijnlijk snel tot een hoger ambt bevorderd worden. Of hij zou in elk geval naar een meer "voordelige" afdeling gaan.

Max en "zijn Tine" waren nog maar pas teruggekomen van een reis naar Europa. Ze waren moe van wat ik eens heel goed een koffertjesleven heb horen noemen. Na veel rondzwerven waren ze dus gelukkig dat ze weer op een plek woonden waar ze thuishoorden. Vóór hun reis naar Europa was Havelaar assistent-resident van Amboina geweest. Daar had hij met veel moeilijkheden moeten strijden. De bevolking van dat eiland was onrustig en opstandig, door de vele verkeerde maatregelen van de laatste tijd.

Niet zonder veerkracht had hij dit verzet weten te onderdrukken. Maar hij had verdriet van de weinige hulp die hij van hogerhand kreeg. En hij ergerde zich aan het ellendige bestuur van de heerlijke streken van de Molukken. Dat bestuur neemt ze al eeuwen hun mensen af en bederft ze ...

De lezer die belangstelling heeft, moet proberen te lezen wat baron Van der Capellen hierover al in 1825 schreef. Hij kan de Publicaties van deze mensenvriend vinden in het Indische Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sindsdien niet beter op geworden!

Hoe dan ook, Havelaar deed in Amboina wat hij mocht en kon. Maar hij ergerde zich aan het gebrek aan steun van de mensen die hem het eerst hadden moeten helpen. Daardoor was hij ziek geworden, en dat was de reden dat hij naar Europa vertrok. Strikt genomen had hij bij zijn terugkeer recht op iets beters dan de arme afdeling Lebak. Zijn werk in Amboina was namelijk belangrijker geweest, en daar had hij zonder resident boven zich helemaal zelfstandig gewerkt. Bovendien was er, nog voordat hij naar Amboina ging, sprake van geweest hem resident te maken. Sommigen verbaasden zich dus dat hij nu een Afdeling kreeg die zo weinig extra inkomsten uit de cultures gaf. Want velen meten het belang van een ambt af aan de inkomsten die erbij horen. Hij klaagde daar zelf helemaal niet over, want zijn eerzucht was niet van die aard. Hij zou niet bedelen om een hogere rang of meer geld.

En dat laatste zou hem toch goed van pas zijn gekomen! Want op zijn reizen in Europa had hij het beetje uitgegeven dat hij in vorige jaren had gespaard. Hij had daar zelfs schulden achtergelaten, en hij was dus, in één woord, arm. Maar nooit had hij zijn ambt gezien als een manier om geld te verdienen. Bij zijn benoeming in Lebak nam hij zich tevreden voor de achterstand met zuinigheid in te halen. Zijn vrouw, die zo eenvoudig was in smaak en behoeften, zou hem daarbij met veel plezier steunen.

Maar zuinig zijn viel Havelaar moeilijk. Voor zichzelf kon hij zich beperken tot het strikt nodige. Dat kostte hem helemaal geen moeite. Maar als anderen hulp nodig hadden, was helpen en geven een echte hartstocht voor hem. Hij zag deze zwakte zelf in. Met al zijn gezonde verstand redeneerde hij hoe *onrecht* hij deed. Hij hielp anderen, terwijl hij zijn eigen hulp zelf meer nodig had. Hij voelde dit onrecht nog sterker als "zijn Tine" en Max, van wie hij zo hield, leden onder zijn vrijgevigheid. Hij verweet zichzelf zijn goedheid als zwakte, of ijdelheid, of de wens om voor een verkleed prins door te gaan. Hij beloofde zichzelf beterschap, en toch ... Telkens als iemand zich wist voor te doen als slachtoffer van tegenspoed, vergat hij alles om te helpen. En dat ondanks de bittere ervaring met de gevolgen van deze deugd, die door overdrijving een fout was geworden. Acht dagen vóór de geboorte van zijn kleine Max had hij het geld niet voor het ijzeren wiegje. En daarin moest zijn lieveling slapen. Kort daarvoor had hij nog de weinige sieraden van zijn vrouw opgeofferd om iemand te helpen. En die had het zeker beter dan hijzelf.

Maar dit alles lag alweer ver achter hen toen ze in Lebak waren aangekomen! Vrolijk en rustig namen ze bezit van het huis: "waar ze nu toch enige tijd hoopten te blijven." Met bijzonder genot hadden ze in Batavia de meubels besteld, die alles zo *comfortable* en gezellig zouden maken. Ze lieten elkaar de plekken zien waar ze zouden ontbijten en waar kleine Max zou spelen. Ook de plek van de bibliotheek. En de plek waar hij haar 's avonds zou voorlezen wat hij die dag geschreven had. Want hij was altijd bezig zijn ideeën op papier uit te werken. En: "eens zou dat gedrukt worden, vond Tine, en dan zou men zien wie haar Max was!" Maar nooit had hij iets laten drukken van wat er in zijn hoofd omging. Hij voelde een zekere verlegenheid, die wel wat leek op eerbaarheid. Hij kon die verlegenheid zelf niet beter beschrijven dan met een vraag. Die stelde hij aan wie hem tot publiceren aanspoorden: "zou u uw dochter op straat laten lopen zonder hemd?"

Dit was weer een van de vele *boutades* waardoor zijn omgeving zei dat "die Havelaar toch een vreemd mens was". Ik beweer niet het tegendeel. Maar men had de moeite kunnen nemen zijn ongewone manier van spreken te vertalen. Dan had men in die vreemde vraag misschien de tekst gevonden voor een betoog over de kuisheid van de geest. Die geest is schuw voor de blikken van de lompe voorbijganger, en trekt zich terug in een omhulsel van verlegenheid.

Ja, ze zouden gelukkig zijn in Rangkas-Betoeng, Havelaar en zijn Tine! Hun enige zorg waren de schulden die ze in Europa hadden achtergelaten. Daarbij kwamen de nog onbetaalde kosten van de terugreis naar Indië, en de uitgaven voor de meubels van hun huis. Maar nood was er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde van zijn inkomen? Misschien, ja waarschijnlijk, zou hij snel resident worden, en dan was alles in korte tijd geregeld ...

—Hoewel ik het erg zou vinden, Tine, om Lebak te verlaten, want er is hier veel te doen. Je moet heel zuinig zijn, beste, dan kunnen we misschien alles betalen, ook zonder bevordering. En dan hoop ik hier lang te blijven, heel lang!

Hij hoefde *haar* niet tot zuinigheid aan te sporen. *Zij* had er echt geen schuld aan dat sparen nodig was geworden. Maar ze was zo één geworden met haar Max, dat ze dit niet als een verwijt opvatte. Dat was het ook niet. Want Havelaar wist heel goed dat alleen *hij* gefaald had, door zijn overdreven vrijgevigheid. Als *zij* al een fout gemaakt had, dan was het deze: ze had uit liefde voor Max altijd alles goedgevonden wat hij deed.

Ja, *zij* had het goedgevonden toen hij die twee arme vrouwen uit de Nieuwstraat rondleidde op de Haarlemmer kermis. Die vrouwen hadden Amsterdam nooit verlaten en waren nooit "uit geweest". Hij deed dat onder het grappige voorwendsel dat de Koning hem een opdracht had gegeven: "het amuseren van oude vrouwtjes die zich zo goed gedragen hadden".

*Zij* vond het goed dat hij de weeskinderen uit alle tehuizen van Amsterdam op koek en amandelmelk trakteerde. Hij overlaadde ze met speelgoed.

*Zij* begreep volkomen dat hij de hotelrekening betaalde van de arme familie zangers. Zij wilden terug naar hun land, maar ze wilden niet graag hun bezit achterlaten. Daarbij hoorden de harp, de viool en de bas, die ze zo nodig hadden voor hun armoedige beroep.

*Zij* kon het niet afkeuren dat hij de vrouw bij haar bracht die hem 's avonds op straat had aangesproken. Hij gaf haar eten en onderdak. Hij zei niet het al te goedkope "ga heen, en zondig niet meer!" Eerst maakte hij dat "niet zondigen" voor haar mogelijk.

*Zij* vond het heel mooi van haar Max dat hij de piano liet terugbrengen in de voorkamer van de huisvader. Hij had die man horen zeggen hoe erg hij het vond dat de meisjes geen muziek hadden "na dat bankroet".

*Zij* begreep heel goed dat haar Max de slavenfamilie in Menado vrijkocht. Die familie was zo bitter bedroefd omdat ze op de tafel van de veilingmeester moest klimmen.

*Zij* vond het natuurlijk dat Max paarden teruggaf aan de Alfoeren in de Minahassa. Hun paarden waren doodgereden door de officieren van de Bayonnaise.

*Zij* had er niets op tegen dat hij schipbreukelingen bij zich haalde en verzorgde, in Menado en Amboina. Het waren de mannen van de Amerikaanse *whalers*. Hij voelde zich te veel *grand seigneur* om een hotelrekening aan het Amerikaanse gouvernement te sturen.

*Zij* begreep volkomen waarom de officieren van bijna elk oorlogsschip dat aankwam, meestal bij Max logeerden. En waarom zijn huis hun geliefde *pied-à-terre* was.

Was hij niet *haar* Max? Hij dacht zo vorstelijk! Was het dan niet te klein, te nietig, ja onzinnig om hem te binden aan de regels van zuinigheid voor anderen? En bovendien, soms was er misschien even geen evenwicht tussen inkomsten en uitgaven. Maar was Max, *haar* Max, niet bestemd voor een schitterende loopbaan? Moest hij niet snel in een betere positie komen? Dan kon hij zijn grootmoedige neigingen vrij spel geven, zonder boven zijn inkomen uit te gaan. Moest *haar* Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indië, of ... een koning? Was het niet zelfs vreemd dat hij niet al koning *was*?

Als ze een fout had, dan kwam dat door haar bewondering voor Havelaar. En als ergens, dan gold hier: men moet veel vergeven aan wie veel heeft liefgehad!

Maar men hoefde haar niets te vergeven. Men hoeft haar overdreven ideeën over haar Max niet te delen. Toch mag men aannemen dat hij een goede loopbaan voor zich had. Als die goede verwachting uitgekomen was, had men de onaangename gevolgen van zijn vrijgevigheid snel kunnen oplossen. Maar er was nog een reden, van heel andere aard, die haar en zijn schijnbare zorgeloosheid verontschuldigde.

Ze had heel jong haar beide ouders verloren en was door haar familie opgevoed. Toen ze trouwde, vertelde men haar dat ze een klein vermogen had, en dat werd ook uitbetaald. Maar Havelaar vond enkele oude brieven en losse aantekeningen, die zij bewaarde in een cassette van haar moeder. Daaruit bleek dat haar familie heel rijk was geweest, zowel van vaders- als van moederskant. Hij kon echter niet te weten komen waar, waardoor of wanneer die rijkdom verloren was gegaan. Zij had nooit belang gesteld in geldzaken. Ze wist weinig of niets te zeggen toen Havelaar aandrong op informatie over de vroegere bezittingen van haar familie.

Haar grootvader, baron Van W., was met Willem de Vijfde naar Engeland gevlucht. Hij was ritmeester geweest bij het leger van de hertog van York. Hij leidde blijkbaar een vrolijk leven met de gevluchte leden van de familie van de stadhouder. Velen noemden dat dan ook als de oorzaak van het verlies van zijn fortuin. Later sneuvelde hij bij Waterloo, in een charge onder de huzaren van Boreel. Het was ontroerend om de brieven van haar vader te lezen. Hij was toen een jongeman van achttien jaar, luitenant bij datzelfde korps. In dezelfde charge kreeg hij een sabelhouw op zijn hoofd. Acht jaar later zou hij daaraan krankzinnig sterven. In brieven aan zijn moeder klaagde hij dat hij op het slagveld tevergeefs zijn vaders lijk had gezocht.

Over haar familie van moederskant herinnerde ze zich dat haar grootvader zeer rijk had geleefd. Uit sommige papieren bleek dat hij de postdiensten in Zwitserland in bezit had gehad. Dat was op dezelfde manier als nu nog in een groot deel van Duitsland en Italië. Daar is die tak van inkomsten de *apanage* van de vorsten van Turn en Taxis. Dat liet een groot vermogen vermoeden. Maar ook daarvan was, om onbekende redenen, niets of heel weinig overgegaan op de volgende generatie.

Havelaar hoorde het weinige dat er te horen was pas na zijn huwelijk. Bij zijn onderzoek verbaasde het hem dat de cassette waarover ik net sprak, op onbegrijpelijke wijze verloren was gegaan. De cassette was met inhoud uit *piëteit* bewaard, en niemand vermoedde dat er misschien waardevolle papieren in zaten. Hij was niet op geld uit, maar door dit en veel andere dingen dacht hij dat hier een *roman intime* achter zat. Men mag het hem niet kwalijk nemen dat hij die roman graag een blij einde zag krijgen. Want zijn dure aard had veel nodig. Hoe het ook zat met die roman, en of er al dan niet *spoliatie* had plaatsgevonden, één ding is zeker. Er werd iets geboren in Havelaars verbeelding. Men zou het een *rêve aux millions* kunnen noemen.

Maar weer was het merkwaardig. Het recht van een ander zou hij heel nauwkeurig en scherp hebben onderzocht en verdedigd. Ook als dat recht diep begraven lag onder stoffige akten en dikke spinnenwebben van *chicanes*. Maar hier ging het om zijn eigen belang. Hier liet hij slordig het ogenblik voorbijgaan waarop de zaak misschien aangepakt had moeten worden. Hij leek zich te schamen omdat het om zijn eigen voordeel ging. Stel dat "zijn Tine" met een ander getrouwd was geweest. Stel dat die man hem had gevraagd het spinnenweb te breken waarin haar familiefortuin was blijven hangen. Dan zou hij er, dat geloof ik zeker, in geslaagd zijn "de interessante wees" haar vermogen te geven. Maar nu was die interessante wees *zijn* vrouw, en *haar* vermogen was *het zijne*. Hij vond het dus koopmansachtig, iets onwaardigs, om in haar naam te vragen: "bent u mij niet nog iets schuldig?"

En toch kon hij die miljoenendroom niet van zich afschudden. Al was het maar om een excuus te hebben bij het vaak terugkerende zelfverwijt dat hij te veel geld uitgaf.

Pas kort voor de terugkeer naar Java had hij zijn traagheid of zijn verlegenheid kunnen overwinnen. Hij had toen al veel geleden onder geldgebrek. Hij had zijn fiere hoofd moeten buigen onder de *furca caudina* van menige schuldeiser. Toen pas ging hij werk maken van de miljoenen die hij meende nog tegoed te hebben. En men antwoordde hem met een oude rekening-courant ... een argument, zoals men weet, waartegen niets in te brengen is.

Maar ze zouden zo zuinig zijn in Lebak! En waarom ook niet? In zo'n onbeschaafd land dwalen 's avonds laat geen vrouwen over straat die wat eer verkopen voor wat eten. Daar zwerven geen mensen rond die leven van twijfelachtige beroepen. Daar gebeurt het niet dat een gezin opeens ten onder gaat door het verlies van zijn fortuin. En van die aard waren meestal de klippen waarop de goede voornemens van Havelaar stukliepen. Er waren zo weinig Europeanen in die Afdeling dat ze niet meetelden. En de Javaan in Lebak was te arm om, bij welke tegenslag ook, belangwekkend te worden door nog grotere armoede.

Tine dacht hier niet zo over na. Daarvoor had ze beter moeten kijken naar de oorzaken van hun geldzorgen, en dat wilde ze uit liefde voor Max niet. Maar in hun nieuwe omgeving was iets dat rust ademde. Alle aanleidingen ontbraken, met hun min of meer vals-romantische kleur. Die aanleidingen hadden Havelaar vroeger zo vaak doen zeggen:

—Niet waar, Tine, *dat* is nu toch een geval waaraan ik me niet kan onttrekken?

En daarop had zij altijd geantwoord:

—Wel neen, Max, *daaraan* kan je je niet onttrekken!

We zullen zien hoe het eenvoudige, schijnbaar onbewogen Lebak Havelaar meer kostte dan alle vroegere uitspattingen van zijn hart samen. Maar dat wisten ze niet! Ze keken met vertrouwen naar de toekomst, en voelden zich zo gelukkig in hun liefde en met hun kind ...

—Wat een rozen in de tuin, riep Tine, en kijk, ook *rampeh* en *tjempaka*, en zoveel *melatti*, en kijk eens al die mooie lelies ...

En, kinderen als ze waren, hadden ze plezier met hun nieuwe huis. 's Avonds gingen Duclari en Verbrugge, na een bezoek bij Havelaar, terug naar hun gezamenlijke woning. Ze spraken veel over de kinderlijke vrolijkheid van de pas aangekomen familie.

Havelaar ging naar zijn kantoor, en bleef daar de hele nacht, tot de volgende morgen.

### Woordenlijst

- **resident**: Nederlandse bestuurder van een groot gebied
- **pajong**: pronkparaplu; de gouden is teken van hoge rang
- **Adhipatti**: hoge Javaanse titel, hoger dan Tommongong
- **ijver, IJverig, ijverig**: ijver: de wil om hard en goed te werken; ijverig: hard en goed werkend
- **tandoe**: draagstoel
- **landrenten**: belasting op grond
- **Wat drommel**: oude uitroep: wat is dat nu!
- **pisang**: banaan
- **inlands, inlandse, inlander**: oud woord voor de bewoner van Indië; nu beledigend
- **inlands kind, liplap**: oud woord voor iemand van Europese en Indische afkomst; liplap is beledigend
- **indigo**: plant waaruit men blauwe verf maakt
- **Patteh, Kliwon, Djaksa**: Javaanse ambtenaren. Patteh: eerste helper van de Regent; Kliwon: hoofd op de hoofdplaats; Djaksa: brengt misdaden voor de rechter
- **mantries**: lagere Javaanse ambtenaren
- **gamlangs**: Javaanse orkesten van koperen slaginstrumenten
- **knevelarij**: geld of goederen afpersen van arme mensen
- **cultures**: gewassen die de boeren voor de regering moesten verbouwen, zoals koffie en suiker
- **vrijgevigheid**: de neiging om graag en veel weg te geven
- **boutades**: Frans: plotselinge, vreemde en grappige uitspraken
- **pied-à-terre**: Frans: plaats waar men even verblijft
- **grand seigneur**: Frans: voorname heer die veel geeft
- **whalers**: Engels: schepen die op walvissen jagen
- **Alfoeren**: bewoners van het binnenland op de Molukken en Celebes
- **charge**: aanval van soldaten te paard
- **piëteit**: eerbied en liefde voor overleden familie
- **spoliatie**: het stelen van iemands bezit of erfenis
- **chicanes**: Frans: trucs om een rechtszaak moeilijk te maken
- **furca caudina**: Latijn: vernederende poort; hier de vernedering door schuldeisers
- **rekening-courant**: lijst van wat iemand heeft betaald en ontvangen
- **rampeh, tjempaka, melatti**: geurende planten en bloemen

## Achtste hoofdstuk

Havelaar had de controleur gevraagd de hoofden die in Rangkas-Betoeng waren, uit te nodigen tot de volgende dag te blijven. Dan konden ze naar de *Sebah* komen, die hij wilde houden. Zo'n vergadering was gewoonlijk één keer per maand. Misschien wilde hij sommige hoofden die wat ver van de hoofdplaats woonden, de onnodige reis heen en terug besparen. Want de afdeling Lebak is heel groot. Misschien wilde hij ook meteen op een ernstige, officiële manier tot hen spreken, zonder op de vaste dag te wachten. In ieder geval had hij de eerste dag van de *Sebah* op de volgende morgen gezet.

Links voor zijn huis stond een gebouw, op hetzelfde "erf" en tegenover het huis waar mevrouw Slotering woonde. In een deel van dat gebouw waren de kantoren van de assistent-residentie. Daar hoorde ook de kas van het land bij. Het andere deel was een tamelijk grote open galerij. Die was heel geschikt voor zo'n vergadering. Daar waren de hoofden de volgende morgen dan ook vroeg bij elkaar. Havelaar kwam binnen, groette en ging zitten. Hij kreeg de geschreven maandberichten over landbouw, vee, politie en justitie. Hij legde ze opzij om ze later te bekijken.

Iedereen verwachtte nu een toespraak zoals de resident die de vorige dag had gehouden. Het is ook niet helemaal zeker of Havelaar zelf van plan was iets anders te zeggen. Maar men moest hem bij zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben. Alleen dan kon men zich voorstellen hoe opgewonden hij raakte bij zulke toespraken. Door zijn eigen manier van spreken gaf hij de bekendste dingen een nieuwe kleur. Dan richtte hij zich op. Zijn blik schoot vuur. Zijn stem ging van strelend zacht over naar snijdend scherp. De beelden stroomden van zijn lippen, alsof hij iets kostbaars om zich heen strooide dat *hem* toch niets kostte. En als hij stopte, keek iedereen hem met open mond aan. Het was alsof ze wilden vragen: "mijn God, wie bent u?"

Het is waar dat hij bij zulke gelegenheden sprak als een apostel, als een ziener. Maar later wist hij zelf niet precies hoe hij gesproken had. Zijn welsprekendheid kon de mensen dan ook vooral verbazen en raken. Ze kon hen minder goed overtuigen met korte, duidelijke redeneringen. Stel dat de Atheners tot de oorlog tegen Philippus hadden besloten. Dan had hij hun strijdlust tot waanzin kunnen opvoeren. Maar het was hem waarschijnlijk minder goed gelukt als hij hen met redeneren tot die oorlog had moeten brengen. Zijn toespraak tot de hoofden van Lebak was natuurlijk in het Maleis. Ook dat gaf haar iets bijzonders. Want door de eenvoud van de oosterse talen krijgen veel uitdrukkingen een grote kracht. In *onze* talen is die kracht verloren gegaan door literaire kunstjes. Aan de andere kant is de zachte klank van het Maleis moeilijk in een andere taal weer te geven. Men moet ook bedenken dat de meeste toehoorders eenvoudige mensen waren, maar zeker niet dom. En het waren oosterlingen, die heel andere indrukken krijgen dan wij.

Havelaar moet ongeveer dit gezegd hebben:

Meneer de Radhen Adhipatti, Regent van Bantan-Kidoel! En u, Radhens Dhemang, die hoofden bent van de districten in deze afdeling! En u, Radhen Djaksa, die de justitie als ambt hebt! En ook u, Radhen Kliwon, die het gezag hebt op de hoofdplaats! En u, Radhens, Mantries, en allen die hoofden bent in de afdeling Bantan-Kidoel! Ik groet u!

En ik zeg u dat ik vreugde voel in mijn hart. Want ik zie u hier allen bij elkaar, en u luistert naar de woorden van mijn mond.

Ik weet dat er onder u mensen zijn die uitblinken in kennis en in een goed hart. Ik hoop mijn kennis door die van u te vergroten, want ze is niet zo groot als ik zou willen. En ik houd wel van het goede, maar vaak merk ik dat er fouten in mijn hart zijn. Die fouten werpen hun schaduw over het goede en houden de groei ervan tegen … U weet allen hoe de grote boom de kleine verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op wie van u uitblinken in deugd. Zo zal ik proberen beter te worden dan ik ben.

Ik groet u allen zeer.

Toen de Gouverneur-generaal mij opdracht gaf naar u toe te gaan als assistent-resident in deze afdeling, was mijn hart blij. U weet misschien dat ik nog nooit in Bantan-Kidoel geweest was. Daarom liet ik mij geschriften geven over uw afdeling. En ik zag dat er veel goeds is in Bantan-Kidoel. Uw volk heeft rijstvelden in de dalen, en er zijn rijstvelden op de bergen. En u wilt in vrede leven, en u wilt niet wonen in de streken waar anderen wonen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in Bantan-Kidoel!

Maar niet alleen hierom was mijn hart blij. Want ook in andere streken zou ik veel goeds gevonden hebben.

Maar ik zag dat uw bevolking arm is, en daarover was ik blij, diep in mijn ziel.

Want ik weet dat Allah de arme liefheeft, en dat Hij rijkdom geeft aan wie Hij op de proef wil stellen. Maar naar de armen zendt Hij iemand die Zijn woord spreekt, zodat zij zich oprichten in hun ellende.

Geeft Hij geen regen waar de halm uitdroogt, en een druppel dauw in de bloem die dorst heeft?

En is het niet mooi om uitgezonden te worden om de vermoeiden te zoeken? Zij bleven achter na het werk en zakten neer langs de weg. Want hun knieën waren niet sterk meer om naar de plaats van het loon te gaan. Zou ik niet blij zijn dat ik de hand mag reiken aan wie in de kuil viel? En dat ik een staf mag geven aan wie de bergen beklimt? Zou mijn hart niet opspringen, nu het ziet dat het uit velen gekozen is? Gekozen om van klagen een gebed te maken, en van huilen een dankzegging?

Ja, ik ben heel blij dat ik geroepen ben in Bantan-Kidoel!

Ik heb gezegd tot de vrouw die mijn zorgen deelt en mijn geluk groter maakt: "Wees blij! Want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van ons kind! Hij heeft mij gezonden naar een plaats waar nog niet al het werk gedaan is. En Hij vond mij waardig daar te zijn vóór de tijd van de oogst. Want de vreugde zit niet in het snijden van de *padie*. De vreugde zit in het snijden van de *padie* die men zelf geplant heeft. En de ziel van de mens groeit niet van het loon, maar van het werk dat het loon verdient."

En ik zei tot haar: "Allah heeft ons een kind gegeven. Dat kind zal ooit zeggen: 'weet u dat ik zijn zoon ben?' En dan zullen er mensen in het land zijn die hem met liefde groeten. Zij zullen de hand op zijn hoofd leggen en zeggen: 'ga zitten aan onze maaltijd, en woon in ons huis. Neem uw deel van wat wij hebben, want ik heb uw vader gekend.'"

Hoofden van Lebak, er is veel werk te doen in uw streek!

Zeg mij, is de boer niet arm? Rijpt uw *padie* niet vaak als voedsel voor mensen die niet geplant hebben? Zijn er niet veel verkeerde dingen in uw land? Is het aantal van uw kinderen niet klein?

Is er geen schaamte in uw zielen als de bewoner van Bandoeng, dat in het oosten ligt, uw streken bezoekt? En als hij vraagt: "waar zijn de dorpen, en waar de boeren? En waarom hoor ik de *gamlang* niet, die vreugde spreekt met koperen mond? En waarom hoor ik het stampen van de *padie* van uw dochters niet?"

Is het niet bitter voor u om van hier naar de zuidkust te reizen? En dan de bergen te zien die geen water dragen op hun hellingen? Of de vlakten waar nooit een buffel de ploeg trok?

Ja, ja, ik zeg u dat uw ziel en de mijne daarover bedroefd zijn! En juist daarom zijn wij Allah dankbaar dat Hij ons de macht heeft gegeven om hier te werken.

Want wij hebben in dit land akkers voor velen, hoewel er weinig bewoners zijn. En het is niet de regen die ontbreekt. Want de toppen van de bergen zuigen de wolken uit de hemel naar de aarde. En niet overal zijn er rotsen die geen plaats geven aan de wortel. Want op veel plaatsen is de grond zacht en vruchtbaar. Hij roept om de graankorrel, die hij ons wil teruggeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die de *padie* vertrapt als ze nog groen is. Er is ook geen ziekte die de *patjol* nutteloos maakt. De zonnestralen zijn niet heter dan nodig is om het graan te laten rijpen. Dat graan moet u en uw kinderen voeden. En er zijn geen *banjirs* die u laten jammeren: "wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb!"

Waar Allah waterstromen zendt die de akkers wegnemen … Waar Hij de grond hard maakt als dorre steen … Waar Hij Zijn zon laat gloeien en alles verbrandt … Waar Hij oorlog zendt die de velden omkeert … Waar Hij slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de aren doodt … Daar, hoofden van Lebak, buigen wij nederig het hoofd en zeggen: "Hij wil het zo!"

Maar niet aldus in Bantan-Kidoel!

Ik ben hier gezonden om uw vriend te zijn, uw oudere broer. Zou u uw jongere broer niet waarschuwen als u een tijger zag op zijn weg?

Hoofden van Lebak, we hebben vaak fouten gemaakt, en ons land is arm omdat we zoveel fouten maakten.

Want er zijn veel mensen die in ons land geboren zijn en die ons land verlaten hebben. Ze zijn in Tjikandi en Bolang, en in de streek van Krawang, en in het land rond Batavia.

Waarom zoeken zij werk, ver van de plaats waar ze hun ouders begroeven? Waarom vluchten zij uit de *dessah* waar ze besneden zijn? Waarom houden ze meer van de koelte van de boom die *daar* groeit, dan van de schaduw van onze bossen?

En ginds in het noordwesten, over de zee, zijn velen die *onze* kinderen zouden moeten zijn. Maar zij hebben Lebak verlaten om rond te zwerven in vreemde streken, met *kris* en *klewang* en geweer. En ze komen ellendig om, want daar is de macht van de regering, die de opstandelingen verslaat.

Ik vraag u, hoofden van Bantan-Kidoel, waarom gingen zoveel mensen weg, om niet begraven te worden waar ze geboren zijn? Waarom vraagt de boom waar de man is die hij als kind aan zijn voet zag spelen?

* * * * *

Havelaar hield hier even op. Om de indruk van zijn taal een beetje te begrijpen, had men hem moeten horen en zien. Toen hij over zijn kind sprak, klonk er iets zachts in zijn stem, iets onbeschrijflijk ontroerends. Men wilde dan vragen: "waar is de kleine? Ik wil het kind nu al kussen dat zijn vader zo laat spreken!" Maar kort daarna ging hij over op de vragen waarom Lebak arm was, en waarom zoveel bewoners naar elders verhuisden. Die overgang leek weinig geleidelijk. Toen klonk er iets in zijn toon dat deed denken aan het geluid van een boor. Die wordt met kracht in hard hout geschroefd. Toch sprak hij niet luid, en hij legde geen bijzondere nadruk op enkele woorden. Er was zelfs iets eentonigs in zijn stem. Misschien kwam het door studie, misschien was het zijn natuur. Maar juist die eentonigheid maakte zijn woorden nog sterker, bij mensen die zo bijzonder openstonden voor zulke taal.

Zijn beelden kwamen altijd uit het leven om hem heen. Voor hem waren ze echt een hulpmiddel om duidelijk te maken wat hij bedoelde. Bij veel sprekers zijn beelden lastige aanhangsels. Die maken hun zinnen zwaar, maar de zaak die ze zeggen uit te leggen wordt er niet duidelijker door. We zijn nu gewend aan de onzinnige uitdrukking "sterk als een leeuw". Maar wie dit beeld in Europa het eerst gebruikte, liet iets zien. Hij had zijn vergelijking niet uit de poëzie van de ziel gehaald. Die poëzie geeft beelden in plaats van redeneringen, en ze *kan* niet anders spreken. Nee, hij had die versleten uitdrukking gewoon overgeschreven uit een of ander boek. Misschien uit de Bijbel, waarin een *leeuw* voorkwam. Want geen van zijn toehoorders had ooit de sterkte van een leeuw ervaren. Het was dus eerder nodig geweest om hun die sterkte duidelijk te maken. Dan had hij de leeuw moeten vergelijken met iets waarvan ze de kracht uit ervaring kenden. Niet andersom.

Men moet toegeven dat Havelaar echt een dichter was. Hij sprak over de rijstvelden op de bergen. Iedereen voelt dat hij toen door de open kant van de zaal daarheen keek. En iedereen voelt dat hij die velden ook echt zag. Hij liet de boom vragen waar de man was die als kind aan zijn voet gespeeld had. Dan begrijpt men dat die boom daar stond. In de verbeelding van de toehoorders keek hij echt rond, op zoek naar de weggegane bewoners van Lebak. Hij verzon ook niets. Hij hoorde de boom spreken, en hij dacht alleen maar te herhalen wat hij als dichter zo duidelijk verstaan had.

Misschien zal iemand opmerken dat Havelaars manier van spreken niet zo oorspronkelijk is. Want zijn taal doet denken aan de stijl van de profeten uit het Oude Testament. Dan moet ik herinneren aan wat ik al gezegd heb. In momenten van vervoering had hij echt iets van een ziener. Hij had veel indrukken gekregen van het leven in bossen en op bergen. Om hem heen was de lucht van het oosten, die vol poëzie is. Zo putte hij uit dezelfde soort bron als de profeten van vroeger, met wie men hem soms wel moest vergelijken. Wij denken daarom dat hij niet *anders* zou hebben gesproken. Ook niet als hij nooit de prachtige gedichten van het Oude Testament had gelezen. Vinden we niet al in de verzen uit zijn jeugd regels als deze? Hij schreef ze op de Salak. Dat is een van de reuzen onder de bergen van de Preanger Regentschappen, maar niet de grootste. Het begin toont weer hoe zacht zijn gevoelens zijn. Dan gaat het opeens over in het nazeggen van de donder die hij onder zich hoort:

't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven...  
't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij...  
Veel meer dan ginds rijst hier het hart naar boven:  
Men is zijn God op bergen meer nabij!  
Hier schiep Hijzelf altaar en tempelkoren,  
Nog door geen tred van 's mensen voet ontwijd,  
Hier doet Hij zich in 't rat'lend onweer horen...  
En rollend roept Zijn donder: Majesteit!(*)

(*)Frits zegt: *ijd* en *eit* rijmt niet, althans niet in Friesland en Zeeland. Die Sjaalman schijnt dus niet eens verzen te maken die deugen. 't Is waar, het was in zijn jeugd. B. Droogstoppel

… en voelt men niet dat hij de laatste regels anders niet *zo* had kunnen schrijven? Hij moet echt gedacht hebben dat hij het hoorde en verstond. Hij meende dat Gods donder hem die regels toeriep, trillend en daverend tegen de wanden van de bergen.

Maar hij hield niet van verzen. "Het was een lelijk rijglijf", zei hij. Soms kreeg men hem zover iets te lezen van wat hij "begaan" had, zoals hij het noemde. Dan had hij er plezier in zijn eigen werk te bederven. Soms las hij het voor op een toon die het belachelijk moest maken. Soms brak hij opeens af, vooral bij een heel ernstige passage, en gooide er een grap tussen. Zijn toehoorders vonden dat pijnlijk. Maar voor hem was het alleen een bloedige spot met de wanverhouding tussen dat rijglijf en zijn ziel. Want zijn ziel voelde zich daarin zo benauwd.

Er waren maar weinig hoofden die iets gebruikten van wat er rondging. Havelaar had namelijk met een teken laten weten dat de thee met *maniessan* rondgedeeld moest worden. Die hoorde nu eenmaal bij zo'n gelegenheid. Het leek erop dat hij met opzet een rustpunt wilde na de laatste zin van zijn toespraak. Daar was reden voor. "Hoe?" moesten de hoofden denken. "Weet hij nu al dat er zoveel mensen onze afdeling hebben verlaten, met bitterheid in het hart? Weet hij nu al hoeveel gezinnen naar naburige streken zijn verhuisd, om aan de armoede hier te ontkomen? En weet hij zelfs dat er zoveel Bantammers zijn bij de benden in de Lampongs? Die benden zijn daar in opstand gekomen tegen het Nederlandse gezag. Wat wil hij? Wat bedoelt hij? Voor wie zijn zijn vragen bedoeld?"

En sommigen keken naar Radhen Wiera Koesoema, het districtshoofd van Parang-Koedjang. Maar de meesten sloegen de ogen neer.

"Kom eens hier, Max!" riep Havelaar. Hij zag zijn kind op het erf spelen. De Regent nam de kleine op schoot. Maar de jongen was te wild om daar lang te blijven. Hij sprong weg en liep de grote kring rond. Hij amuseerde de hoofden met zijn gepraat en speelde met de handvatten van hun krissen. Toen hij bij de Djaksa kwam, trok die zijn aandacht, omdat hij mooier gekleed was dan de anderen. De Djaksa leek iets op het hoofd van kleine Max aan te wijzen aan de Kliwon, die naast hem zat. De Kliwon leek een gefluisterde opmerking daarover te bevestigen.

—Ga nu heen, Max, zei Havelaar, papa heeft die heren iets te zeggen.

De kleine liep weg, nadat hij met kushandjes had gegroet.

Daarop ging Havelaar zo verder:

—Hoofden van Lebak! Wij allen staan in dienst van de Koning van Nederland. Maar Hij die rechtvaardig is en wil dat wij onze plicht doen, is *ver* van hier. Dertig miljoen zielen, ja, meer dan dat, moeten zijn bevelen gehoorzamen. Maar hij kan niet dicht zijn bij allen die van zijn wil afhangen.

De Grote Heer in Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zijn plicht doet. Hij is machtig. Hij beveelt allen die gezag hebben in de steden, en allen die in de dorpen de oudsten zijn. Hij beschikt over de macht van het leger en over de schepen die op zee varen. Maar ook hij kan niet zien waar onrecht gedaan is, want het onrecht blijft ver van hem.

En de resident in Serang is heer over de streek Bantam, waar vijfhonderdduizend mensen wonen. Hij wil dat er recht gedaan wordt in zijn gebied. Hij wil dat er rechtvaardigheid heerst in de streken die hem gehoorzamen. Maar waar onrecht is, woont hij ver weg. En wie kwaad doet, verbergt zich voor zijn gezicht, omdat hij straf vreest.

En de heer Adhipatti, die Regent is van Zuid-Bantam, wil dat ieder leeft die het goede doet. En hij wil dat er geen schande is over de streek waar hij Regent is.

En ik heb gisteren de Almachtige God tot getuige genomen. Ik heb gezworen dat ik rechtvaardig en mild zou zijn, dat ik recht zou doen zonder vrees en zonder haat. Ik heb gezworen dat ik "een goed assistent-resident" zal zijn … Ook ik wil doen wat mijn plicht is.

Hoofden van Lebak! Dit willen wij allen!

Maar misschien zijn er onder ons mensen die hun plicht verwaarlozen voor winst. Misschien zijn er die het recht verkopen voor geld. Of die de buffel van de arme nemen, en de vruchten die behoren aan wie honger hebben … Wie zal hen straffen?

Als een van u het wist, zou hij het beletten. En de Regent zou niet toestaan dat zoiets gebeurde in zijn gebied. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar als u het niet wist, en de Adhipatti niet, en ik niet …

Hoofden van Lebak! Wie toch zal dan recht doen in Bantan-Kidoel?

Luister naar mij, als ik u zal zeggen hoe er dan recht gedaan zal worden.

Er komt een tijd dat onze vrouwen en kinderen zullen huilen terwijl ze onze doodskleren klaarmaken. En de voorbijganger zal zeggen: "daar is een mens gestorven." Dan zal wie in de dorpen aankomt, het nieuws brengen van de dood van hem die gestorven is. En wie hem onderdak geeft, zal vragen: "wie was de man die gestorven is?" En men zal zeggen:

"Hij was goed en rechtvaardig. Hij sprak recht en stuurde wie kwam klagen niet weg van zijn deur. Hij luisterde geduldig naar wie bij hem kwam, en gaf terug wat afgenomen was. Er waren mensen die de ploeg niet door de grond konden trekken, omdat de buffel uit de stal was gehaald. Hen hielp hij zoeken naar de buffel. En waar de dochter uit het huis van de moeder was gestolen, zocht hij de dief en bracht haar terug. En waar men gewerkt had, hield hij het loon niet in. En hij nam de vruchten niet af van wie de boom geplant hadden. Hij kleedde zich niet met de kleren die anderen moesten bedekken. En hij at geen voedsel dat van de arme was."

Dan zal men zeggen in de dorpen: "Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zijn wil is gedaan … er is een goed mens gestorven."

Maar een andere keer zal de voorbijganger stilstaan bij een huis en vragen: "wat is dit, dat de *gamlang* zwijgt, en het zingen van de meisjes?" En weer zal men zeggen: "er is een man gestorven."

En wie rondreist in de dorpen, zal 's avonds bij zijn gastheer zitten. Om hem heen zitten de zonen en dochters van het huis, en de kinderen van de dorpsbewoners. En hij zal zeggen:

"Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zijn, en hij verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hij mestte zijn veld met het zweet van de arbeider, die hij had weggeroepen van diens eigen veld. Hij hield het loon van de werkman in, en at het voedsel van de arme. Hij is rijk geworden van de armoede van anderen. Hij had veel goud en zilver en edelstenen in overvloed. Maar de boer die in de buurt woont, kon de honger van zijn kind niet stillen. Hij glimlachte als een gelukkig mens, maar men hoorde de tanden knarsen van de man die klaagde en recht zocht. Er was tevredenheid op zijn gezicht, maar geen melk in de borsten van de moeders die hun kind voedden."

Dan zullen de dorpsbewoners zeggen: "Allah is groot … wij vloeken niemand!"

Hoofden van Lebak, eens sterven wij allen!

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wij gezag hadden? En *wat* zullen de voorbijgangers zeggen die de begrafenis zien?

En wat zullen wij antwoorden als er na onze dood een stem tot onze ziel spreekt? Die stem vraagt: "waarom wordt er gehuild op de velden, en waarom verbergen de jonge mannen zich? Wie nam de oogst uit de schuren, en uit de stallen de buffel die het veld moest ploegen? Wat hebt u gedaan met de broeder die ik u gaf om te bewaken? Waarom is de arme treurig, en vloekt hij de vruchtbaarheid van zijn vrouw?"

Hier hield Havelaar weer op. Hij zweeg een tijdje. Daarna ging hij verder, op de eenvoudigste toon van de wereld. Het leek alsof er helemaal niets gezegd was dat indruk moest maken:

—Ik zou graag in goede verstandhouding met u leven, en daarom vraag ik u mij als een vriend te zien. Wie een fout gemaakt heeft, kan op een mild oordeel van mij rekenen. Want ik maak zelf zo vaak fouten, en daarom zal ik niet streng zijn … Tenminste niet bij de gewone fouten en nalatigheden in de dienst. Alleen waar nalatigheid een gewoonte zou worden, zal ik die tegengaan. Over fouten van ernstiger aard … over knevelarij en onderdrukking, spreek ik niet. Zo iets zal niet voorkomen, niet waar, meneer de Adhipatti?

—O nee, meneer de assistent-resident, zo iets zal niet voorkomen in Lebak.

—Welnu, mijne heren hoofden van Bantan-Kidoel, laten we blij zijn dat onze afdeling zo achterlijk en zo arm is. Wij hebben iets moois te doen. Als Allah ons in leven laat, zullen wij zorgen dat er welvaart komt. De grond is vruchtbaar genoeg en de bevolking is bereid. Als ieder mag genieten van de vruchten van zijn werk, zal de bevolking snel groeien. Dat staat vast. Ze zal groeien in aantal, en ook in bezit en beschaving, want dat gaat meestal hand in hand. Ik vraag u nogmaals mij te zien als een vriend die u zal helpen waar hij kan. Vooral waar onrecht moet worden tegengegaan. En hiermee vraag ik zeer om uw medewerking.

Ik zal de berichten over landbouw, veeteelt, politie en justitie met mijn beslissingen aan u laten terugsturen.

Hoofden van Bantan-Kidoel! Ik heb gezegd. U kunt teruggaan, ieder naar zijn huis. Ik groet u allen zeer!

Hij boog, bood de oude Regent zijn arm en bracht hem over het erf naar het woonhuis. Daar stond Tine hem op te wachten in de voorgalerij.

—Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom … een glas madeira? En … ja, dit moet ik weten, Radhen Djaksa, luister eens!

Havelaar riep dit toen alle hoofden na veel buigingen klaar waren om naar huis te gaan. Ook Verbrugge wilde net het erf verlaten, maar hij kwam met de Djaksa terug.

—Tine, ik wil madeira drinken, Verbrugge ook. Djaksa, zeg eens, wat hebt u toch tegen de Kliwon gezegd over mijn kleine jongen?

—*Mintah ampong*, meneer de assistent-resident, ik keek naar zijn hoofd omdat meneer gesproken had.

—Wat drommel heeft zijn hoofd daarmee te maken? Ik weet zelf al niet meer wat ik gezegd heb.

—Meneer, ik zei tegen de Kliwon …

Tine kwam erbij zitten: er werd over kleine Max gesproken.

—Meneer, ik zei tegen de Kliwon dat de *Sienjo* een koningskind was.

*Dat* deed Tine goed: dat vond zij ook!

De Adhipatti bekeek het hoofd van de kleine. En inderdaad, ook hij zag boven op het hoofd de dubbele kruin. Volgens het bijgeloof op Java is die bestemd om een kroon te dragen.

De etiquette stond niet toe de Djaksa een plaats aan te bieden als de Regent erbij was. Daarom nam hij afscheid. Een tijdlang zat men bij elkaar zonder iets te zeggen over de "dienst". Maar opeens deed de Regent iets wat in strijd was met de zeer beleefde aard van het volk. Hij vroeg of bepaalde gelden die de belastingcollecteur nog tegoed had, niet konden worden uitbetaald.

—Wel nee, riep Verbrugge, meneer de Adhipatti weet dat dit niet mag voordat zijn verantwoording is afgerond.

Havelaar speelde met Max. Maar dat belette hem niet op het gezicht van de Regent te lezen dat Verbrugges antwoord hem niet beviel.

—Kom, Verbrugge, laten we niet lastig zijn, zei hij. En hij liet een klerk van het kantoor roepen. We zullen dat maar uitbetalen … die verantwoording zal wel goedgekeurd worden.

Toen de Adhipatti vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de Staatsbladen:

—Maar, meneer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van de collecteur wordt nog altijd onderzocht in Serang … en als er nu eens iets aan ontbreekt?

—Dan leg ik het erbij, zei Havelaar.

Verbrugge begreep maar niet waar die grote toegeeflijkheid tegenover de belastingcollecteur vandaan kwam. De klerk kwam al snel terug met wat papieren. Havelaar tekende, en zei dat men de uitbetaling snel moest regelen.

—Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De Regent heeft geen cent in huis: zijn schrijver heeft het mij gezegd. En bovendien … die bruuske vraag! De zaak is duidelijk. *Hijzelf* heeft dat geld nodig, en de collecteur wil het hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen verantwoordelijkheid een regel. Anders breng ik een man van zijn rang en leeftijd in verlegenheid. Bovendien, Verbrugge, in Lebak wordt gruwelijk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't?

Verbrugge zweeg. Hij wist het.

—Ik weet het, ging Havelaar verder, *ik weet het*! Is meneer Slotering niet gestorven in november? Welnu, *de dag na zijn dood* heeft de Regent mensen opgeroepen om op zijn *sawahs* te werken … zonder betaling! Je had dit moeten weten, Verbrugge. *Wist* je 't?

Dit wist Verbrugge niet.

—Als controleur had je het *moeten* weten! Ik weet het, ging Havelaar verder. *Daar* liggen de maandstaten van de districten. En hij liet het pak papieren zien dat hij in de vergadering had gekregen. Kijk, ik heb niets geopend. Daarin staan onder andere de opgaven van de arbeiders die op de hoofdplaats voor herendienst geleverd zijn. Welnu, kloppen die opgaven?

—Ik heb ze nog niet gezien …

—Ik ook niet! Maar toch vraag ik je of ze kloppen. Klopten de opgaven van de vorige maand?

Verbrugge zweeg.

—Ik zal het je zeggen: ze waren *vals*! Want er waren drie keer meer mensen opgeroepen om voor de Regent te werken dan de regels voor herendienst toestaan. Dat durfde men natuurlijk niet in de staten te zetten. Is het waar wat ik zeg?

Verbrugge zweeg.

—Ook de staten die ik vandaag kreeg, zijn vals, ging Havelaar verder. De Regent is arm. De Regenten van Bogor (Buitenzorg) en Tjanjor zijn leden van de familie waarvan hij het hoofd is. Die laatste heeft maar de rang van Tommongong, en onze Regent is Adhipatti. Toch heeft onze Regent te weinig inkomsten, want Lebak is niet geschikt voor koffie. Daarom brengt het hem geen extra inkomsten op. Zo kan hij niet eens in pracht en praal wedijveren met een eenvoudige Dhemang in de Preanger. En zo'n Dhemang zou de stijgbeugel vasthouden als de neven van onze Regent op hun paard stappen. Is dit waar?

—Ja, dat is zo.

—Hij heeft niets dan zijn salaris, en daarop wordt iets ingehouden. Daarmee betaalt hij een voorschot terug dat de regering hem gegeven heeft, toen hij … *weet* je 't?

—Ja, ik weet het.

—Toen hij een nieuwe *medjiet* wilde laten bouwen, waarvoor veel geld nodig was. Bovendien, veel leden van zijn familie … *weet* je 't?

—Ja, dat weet ik.

—Veel leden van zijn familie scharen zich als een plunderbende om hem heen. Die familie hoort eigenlijk niet thuis in Lebak, en daarom houdt het volk er niet van. Ze persen hem geld af. Is dit waar?

—Het is de waarheid, zei Verbrugge.

—En als zijn kas leeg is, en dat gebeurt vaak, nemen zij *in zijn naam* van de bevolking af wat hun bevalt. Is dit zo?

—Ja, het is zo.

—Ik ben dus goed onderricht, maar daarover later meer. De Regent wordt oud en vreest de dood. Daarom wil hij verdiensten verzamelen door giften aan geestelijken. Hij geeft veel geld uit aan de reiskosten van pelgrims naar Mekka. Die brengen hem allerlei vodden van relikwieën, talismans en *djimats* mee terug. Is het niet zo?

—Ja, dat is waar.

—Welnu, door dit alles is hij zo arm. De Dhemang van Parang-Koedjang is zijn schoonzoon. Waar de Regent zelf niet durft te nemen, uit schaamte voor zijn rang, daar neemt die Dhemang. Maar hij is niet de enige. Hij maakt de Adhipatti het hof door geld en goederen af te persen van de arme bevolking. En hij haalt de mensen weg van hun eigen rijstvelden en drijft ze naar de *sawahs* van de Regent. En de Regent … kijk, ik wil geloven dat hij het graag anders wilde. Maar de nood dwingt hem zulke middelen te gebruiken. Is dit allemaal niet waar, Verbrugge?

—Ja, het is waar, zei Verbrugge. Hij begon steeds meer te zien dat Havelaar een scherpe blik had.

—Ik wist, ging Havelaar verder, dat hij geen geld in huis had. Dat was toen hij net over de afrekening met de ondercollecteur begon. Je hebt vanmorgen gehoord dat ik van plan ben mijn plicht te doen. Onrecht sta ik niet toe, bij God, dat sta ik niet toe!

En hij sprong op, en zijn toon was heel anders dan de vorige dag bij zijn *officiële* eed.

—Maar, ging hij verder, ik wil mijn plicht doen met zachtheid. Ik wil niet te precies weten wat er gebeurd *is*. Maar wat er *vanaf vandaag* gebeurt, is *mijn* verantwoordelijkheid, daarvoor zal *ik* zorgen! Ik hoop lang hier te blijven. Weet je wel, Verbrugge, dat onze roeping heerlijk mooi is? Maar weet je ook wel dat ik alles wat ik je net zei, eigenlijk van *u* had moeten horen? Ik ken u even goed als ik weet wie er *garem glap* maken aan de zuidkust. Je bent een braaf mens … ook dat weet ik. Maar waarom heb je mij niet gezegd dat hier zoveel verkeerd was? Twee maanden ben je waarnemend assistent-resident geweest, en je bent hier al lang controleur … Je moest het dus weten, niet waar?

—Meneer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. U hebt iets heel bijzonders, neem me niet kwalijk.

—Helemaal niet! Ik weet wel dat ik niet ben zoals alle mensen, maar wat doet dat ertoe?

—Dit doet ertoe: u geeft iemand begrippen en ideeën die er vroeger niet waren.

—Nee! Die lagen te slapen onder de vervloekte officiële routine. Die routine zoekt haar stijl in "*ik heb de eer*", en de rust van haar geweten in "*de hoge tevredenheid van de regering*". Nee, Verbrugge, spreek geen kwaad van jezelf! Je hoeft van mij niets te leren. Heb ik je vanmorgen in de *Sebah* bijvoorbeeld iets nieuws verteld?

—Nee, nieuws niet, maar u sprak anders dan anderen.

—Ja, dat komt … omdat mijn opvoeding wat verwaarloosd is: ik praat maar raak. Maar je zou me zeggen waarom je tot nu toe zo berust hebt in alles wat verkeerd was in Lebak.

—Ik heb nooit zo de indruk gehad van een *initiatief*. Bovendien, dat is in deze streken altijd zo geweest.

—Ja, ja, dat weet ik wel! Niet iedereen kan een profeet of apostel zijn … hm, het hout zou duur worden van het kruisigen! Maar je wilt me toch wel helpen om alles recht te zetten? Je wilt toch wel je *plicht* doen?

—Zeker! Vooral bij u. Maar niet iedereen zou dit zo streng eisen of het zelfs goed opvatten. En dan komt men zo gemakkelijk in de positie van iemand die tegen windmolens vecht.

—Nee! Dan zeggen zij die het onrecht liefhebben omdat ze ervan leven, dat er geen onrecht *was*. Zo hebben ze het plezier om u en mij uit te maken voor Don Quichotten. En tegelijk houden ze *hun* windmolens draaiende. Maar, Verbrugge, je had niet op *mij* hoeven te wachten om je plicht te doen! Meneer Slotering was een bekwaam en eerlijk man. Hij wist wat er gebeurde, hij keurde het af en hij verzette zich ertegen … kijk hier!

Havelaar nam twee vellen papier uit een map. Hij liet ze aan Verbrugge zien en vroeg:

—Van wie is dit handschrift?

—Dat is het handschrift van meneer Slotering.

—Juist! Welnu, dit zijn kladnota's. Er staan blijkbaar onderwerpen op waarover hij met de resident wilde spreken. Ik lees hier … kijk: 1° *Over de rijstbouw*. 2° *Over de woningen van de dorpshoofden*. 3° *Over het innen van de landrenten, enz.* Daarachter staan twee uitroeptekens. Wat bedoelde meneer Slotering daarmee?

—Hoe kan *ik* dat weten? riep Verbrugge.

—Ik wel! Het betekent dat er veel meer landrenten worden opgehaald dan er in de kas van het land komen. Maar ik zal je iets tonen dat wij allebei weten, omdat het in letters en niet in tekens geschreven is. Kijk hier:

"12° *Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillende woningen op kosten van de bevolking, enz.)*"

Is dit duidelijk? Je ziet dat de heer Slotering *wel* iemand was die een *initiatief* kon nemen. Je had je dus bij hem kunnen aansluiten. Luister verder:

"15° *Veel personen van de families en bedienden van de inlandse hoofden staan op de uitbetalingslijsten. In werkelijkheid doen zij niet mee aan de cultuur. Zo krijgen zij de voordelen daarvan, ten préjudice van de echte deelnemers. Ook krijgen zij onrechtmatig sawah-velden in bezit. Die velden horen alleen toe aan degenen die aandeel hebben in de cultuur.*"

Hier heb ik een andere nota, in potlood. Kijk eens, ook *daarop* staat iets heel duidelijks:

"*Het wegtrekken van mensen uit Parang-Koedjang is alleen te wijten aan het VERREGAAND misbruik dat van de bevolking wordt gemaakt.*"

Wat zeg je *daarvan*? Zie je wel dat ik niet zo excentriek ben als het lijkt, als ik werk maak van recht? Zie je nu dat ook anderen dit deden?

—Het is waar, zei Verbrugge, de heer Slotering heeft vaak met de resident over dat alles gesproken.

—En wat kwam daarna?

—Dan werd de Regent geroepen: er werd *geaboucheerd* …

—Juist! En verder?

—De Regent ontkende meestal alles. Dan moesten er getuigen komen … Niemand durfde tegen de Regent te getuigen … Och, meneer Havelaar, die zaken zijn zo moeilijk!

De lezer zal, voordat hij mijn boek uit heeft, even goed als Verbrugge weten waarom die zaken zo bijzonder moeilijk waren.

—Meneer Slotering ergerde zich daar erg aan, ging de controleur verder, hij schreef scherpe brieven aan de hoofden …

—Ik heb ze gelezen … vannacht, zei Havelaar.

—En ik heb hem vaak iets horen zeggen. Als er geen verandering kwam, en als de resident niet *doortastte*, zou hij zich rechtstreeks tot de Gouverneur-generaal wenden. Dat heeft hij ook tegen de hoofden zelf gezegd, op de laatste *Sebah* die hij heeft geleid.

—Daar zou hij heel verkeerd aan gedaan hebben. De resident was zijn chef, en die mocht hij in geen geval passeren. En waarom zou hij dat ook doen? Men kan toch niet veronderstellen dat de resident van Bantam onrecht en willekeur zou goedkeuren?

—Goedkeuren … nee! Maar men klaagt niet graag een hoofd aan bij de regering.

—Ik klaag niet graag iemand aan, wie dan ook. Maar als het *moet*, een hoofd net zo goed als een ander. Maar van aanklagen is hier nu, goddank, nog geen sprake! Morgen ga ik de Regent bezoeken. Ik zal hem wijzen op het verkeerde van onwettig gezag, vooral waar het om het bezit van arme mensen gaat. Maar totdat alles in orde komt, zal ik hem in zijn moeilijke situatie helpen zoveel ik kan. Je begrijpt nu toch waarom ik dat geld meteen aan de collecteur heb laten uitbetalen, niet waar? Ook ben ik van plan de regering te vragen de Regent zijn voorschot kwijt te schelden. En u, Verbrugge, stel ik voor samen stipt onze plicht te doen. Zolang het *kan*, met zachtheid, maar als het *moet*, zonder vrees! Je bent een eerlijk man, dit weet ik, maar je bent bang en verlegen. Zeg voortaan duidelijk waar het op staat, *advienne que pourra*! Gooi die halfheid van je af, beste kerel … En blijf nu bij ons eten. We hebben Hollandse bloemkool in blik … Maar alles is heel eenvoudig, want ik moet erg zuinig zijn … Ik sta ver achter met mijn geldzaken: de reis naar Europa, weet je? Kom, Max … sakkerloot, jongen, wat word je zwaar!

En met Max als een ruiter op zijn schouder ging hij de binnengalerij in, met Verbrugge achter zich aan. Daar wachtte Tine hen aan de gedekte tafel. Die was inderdaad wel *heel* eenvoudig, zoals Havelaar gezegd had! Duclari kwam aan Verbrugge vragen of hij thuis zou zijn voor het middageten. Ook hij werd aan tafel uitgenodigd. En als de lezer prijs stelt op wat afwisseling in mijn verhaal, dan verwijs ik hem naar het volgende hoofdstuk. Daarin vertel ik wat er zoal gesproken werd bij die maaltijd.

### Woordenlijst

- **Sebah**: vergadering van de hoofden
- **resident**: Nederlandse bestuurder van een groot gebied
- **ziener**: iemand die dingen ziet die anderen niet zien, een soort profeet
- **Adhipatti**: hoge Javaanse titel, hoger dan Tommongong
- **Regent**: hoge Javaanse bestuurder, van adel, betaald door de Nederlanders
- **padie**: rijst op het veld
- **gamlang**: Javaans orkest van koperen slaginstrumenten
- **patjol**: schoffel, werktuig voor de grond
- **banjirs**: overstromingen
- **dessah**: dorp
- **kris**: Javaanse dolk
- **klewang**: lange, brede sabel
- **maniessan**: zoetigheid
- **Grote Heer**: de Gouverneur-generaal, de hoogste baas van Nederlands-Indië, namens de koning
- **rijglijf**: strak kledingstuk dat het lichaam insnoert; hier: de vaste vorm van een gedicht
- **knevelarij**: geld of goederen afpersen van arme mensen
- **Mintah ampong**: ik vraag vergeving
- **Sienjo**: jongeheer
- **kruin**: de plaats boven op het hoofd waar het haar in een cirkel groeit
- **sawahs**: natte rijstvelden
- **herendienst**: verplicht werk zonder loon voor het bestuur
- **medjiet**: moskee
- **djimats**: voorwerpen die geluk brengen
- **garem glap**: zout dat in het geheim wordt gemaakt
- **landrenten**: belasting op grond
- **inlandse**: van de bewoners van Indië; oud woord, nu beledigend
- **ten préjudice van**: ten nadele van (Frans)
- **geaboucheerd**: onder vier ogen besproken om iets te regelen
- **advienne que pourra**: er mag gebeuren wat wil (Frans)

## Negende hoofdstuk

Ik zou er veel voor geven om iets precies te weten, lezer. Hoe lang kan ik nu een heldin in de lucht laten zweven? Wanneer legt u bij de beschrijving van een kasteel mijn boek moedeloos weg? U wacht dan niet eens tot het mens op de grond komt. Als ik in mijn verhaal zo'n sprong door de lucht nodig had, zou ik voorzichtig zijn. Ik zou dan toch altijd een eerste verdieping kiezen als punt waar ze begint te springen. En ik zou een kasteel kiezen waarover weinig te zeggen viel. Maar wees voorlopig gerust: Havelaars huis had geen verdieping. En de heldin van mijn boek — goede hemel, de lieve, trouwe, *anspruchlose* Tine, een heldin! — is nooit uit een raam gesprongen.

Ik sloot het vorige hoofdstuk met een verwijzing naar wat afwisseling in het volgende. Eigenlijk was dat meer een kunstje van een redenaar, om een slot te maken dat goed "knipte". Ik dacht niet echt dat het volgende hoofdstuk alleen "als afwisseling" waarde zou hebben. Een schrijver is ijdel als … een man. Spreek kwaad van zijn moeder of van de kleur van zijn haar. Zeg dat hij een Amsterdams accent heeft, wat een Amsterdammer nooit toegeeft. Misschien vergeeft hij u die dingen. Maar … raak nooit de buitenkant aan van het kleinste onderdeel van een bijzaak van iets dat naast zijn geschrijf lag … Want *dat* vergeeft hij u niet! Als u mijn boek dus niet mooi vindt, en u mocht mij ontmoeten, doe dan alsof wij elkaar niet kennen.

Nee, zelfs zo'n hoofdstuk "als afwisseling" lijkt me zeer belangrijk en zelfs onmisbaar, door het vergrootglas van mijn schrijversijdelheid. Stel dat u het oversloeg, en daarna niet tevreden genoeg was over mijn boek. Dan zou ik u dat overslaan zonder te twijfelen verwijten. Ik zou zeggen dat u mijn boek daarom niet kon beoordelen, omdat u juist het *essentiële* niet gelezen had. *Zo* zou ik, want ik ben man en schrijver, elk hoofdstuk *essentieel* vinden dat u had overgeslagen. En u zou dat gedaan hebben met een onvergeeflijke lezerslichtzinnigheid.

Ik stel me voor dat uw vrouw vraagt: "is er nogal wat *aan* dat boek?" En u zegt bijvoorbeeld — *horribile auditu* voor mij — met de woordenrijkdom die gehuwde mannen eigen is:

—Hm … zo … ik weet nog niet.

Welnu, barbaar, lees verder! Het belangrijke komt er zo aan. En met een trillende lip staar ik u aan. Ik meet de dikte van de omgedraaide bladen. En ik zoek op uw gezicht naar de weerschijn van het hoofdstuk "dat zo mooi is" …

Nee, zeg ik, hij is er nog niet. Straks zal hij opspringen en in vervoering iets omhelzen, zijn vrouw misschien.

Maar u leest verder. Het "mooie hoofdstuk" moet nu voorbij zijn, denk ik. U bent helemaal niet opgesprongen, u hebt niets omhelsd.

En de stapel bladen onder uw rechterduim wordt steeds dunner. En mijn hoop op die omhelzing wordt steeds kleiner … ja, echt waar, ik had zelfs op een traan gerekend!

En u hebt de roman uitgelezen tot "waar ze elkaar krijgen". En u zegt gapend — een andere vorm van welsprekendheid in het huwelijk:

—Zo … zo! Het is een boek dat … hm! Och, ze schrijven tegenwoordig zo *veel*!

Maar weet u dan niet, ondier, tijger, *Europeaan*, lezer? Weet u dan niet dat u daar een uur lang hebt gebeten op *mijn* geest, als op een tandenstoker? Dat u hebt geknaagd en gekauwd op vlees en been van uw eigen soort? Menseneter, daarin zat mijn ziel, *mijn* ziel, die u hebt vermalen als gras dat al eens gegeten is! Het was *mijn* hart dat u daar hebt doorgeslikt als een snoepje! Want in dat boek had ik dat hart en die ziel gelegd. Er vielen zoveel tranen op dat handschrift. Mijn bloed trok weg uit mijn aderen, terwijl ik verder schreef. En ik gaf u dat alles, en u kocht het voor een paar stuivers … en u zegt: *hm*!

De lezer begrijpt dat ik hier niet spreek van *mijn* boek.

Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken …

—Wie is dat, Abraham Blankaart? vroeg Louise Rosemeyer. En Frits vertelde het haar, en dat deed me groot genoegen. Want nu kon ik eens opstaan, en voor die avond tenminste een eind maken aan de voorlezing. U weet dat ik makelaar in koffie ben, Lauriergracht nr. 37, en dat ik leef voor mijn vak. Iedereen kan dus nagaan hoe weinig tevreden ik was met het werk van Stern. Ik had op koffie gehoopt, en hij gaf ons … ja, de hemel weet *wat*!

Met zijn opstel heeft hij ons al drie kransavonden beziggehouden. En het ergste is: de Rosemeyers vinden het mooi. Dat zeggen ze tenminste. Als ik een opmerking maak, beroept hij zich op Louise. "*Haar* goedkeuring, zegt hij, weegt voor hem zwaarder dan alle koffie van de wereld." En bovendien: "als de borst me gloeit … enz." Zie deze tirade op bladzijde zoveel, of liever, zie ze niet. Daar sta ik dan, en ik weet niet wat ik moet doen! Dat pak van Sjaalman is een echt Trojaans paard. Ook Frits wordt erdoor bedorven. Hij heeft Stern geholpen, merk ik, want die Abraham Blankaart is veel te Hollands voor een Duitser. Ze zijn allebei zo pedant dat ik echt niet meer weet wat ik met de zaak moet doen. Het ergste is dit: ik heb met Gaafzuiger een overeenkomst gesloten. Hij geeft een boek uit dat over de *koffieveilingen* moet gaan, en heel Nederland wacht erop. En daar gaat die Stern me nu een heel andere weg op! Gisteren zei hij: "wees gerust, alle wegen leiden naar Rome. Wacht nu eerst het slot van de inleiding af." Is dat alles nog maar *inleiding*? "*Ik* beloof u" — hij zei eigenlijk: "ik verspreek u". "Ten slotte zal de zaak uitkomen op koffie, koffie, op niets dan koffie! Denk aan Horatius, ging hij verder. Heeft hij niet al gezegd: *omne tulit punctum, qui miscuit* … koffie met wat anders? Doet u zelf niet hetzelfde, als u suiker en melk in uw kopje doet?"

En dan moet ik zwijgen. Niet omdat hij gelijk heeft, maar omdat ik iets verplicht ben aan de firma Last & Co. Ik moet ervoor zorgen dat de oude Stern niet in handen valt van Busselinck & Waterman. Die zouden hem slecht bedienen, omdat het knoeiers zijn.

Bij u, lezer, stort ik mijn hart uit. Want na Sterns geschrijf — hebt u het echt gelezen? — stort u misschien uw toorn uit over een onschuldig hoofd. En ik vraag u, wie neemt er nu een makelaar die hem voor menseneter uitscheldt? Daarom vind ik het belangrijk dat u overtuigd bent van mijn onschuld. Ik kan die Stern toch niet uit de firma van mijn boek duwen. Want de zaken zijn nu *zo* ver dat Louise Rosemeyer iets vraagt als ze uit de kerk komt. De jongens schijnen haar op te wachten. Ze vraagt of hij die avond wat vroeg komt, om toch maar veel van Max en Tine voor te lezen.

Maar u hebt het boek gekocht of gehuurd omdat u vertrouwde op de deftige titel, die iets degelijks belooft. Daarom erken ik dat u recht hebt op iets goeds voor uw geld. Daarom schrijf ik nu zelf weer eens een paar hoofdstukken. U zit niet in de krans van de Rosemeyers, lezer, en dus bent u gelukkiger dan ik. Want ik moet alles aanhoren. U mag de hoofdstukken overslaan die naar Duitse opgewondenheid ruiken. U kunt zich alleen bezighouden met wat er geschreven is door mij, een deftig man, en makelaar in koffie.

Tot mijn verbazing heb ik uit Sterns geschrijf gehoord dat er in die afdeling Lebak geen koffie wordt geplant. Uit Sjaalmans pak heeft hij me bewezen dat het waar is. Dit is heel verkeerd. Ik zal mijn moeite ruim beloond vinden als de regering door mijn boek op die fout wordt gewezen. Uit de papieren van Sjaalman zou blijken dat de grond in die streken niet geschikt is voor de koffiecultuur. Maar dat is helemaal geen excuus. Ik beweer dat men onvergeeflijk zijn plicht verzuimt tegenover Nederland in het algemeen en de koffiemakelaars in het bijzonder. Ja, ook tegenover de Javanen zelf. Want men moet die grond veranderen — de Javaan heeft toch niets anders te doen. Of, als men denkt dat dit niet kan, moet men de mensen die *daar* wonen naar andere streken sturen. Daar is de grond *wel* goed voor koffie.

Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb. Ik durf te beweren dat ik hier met kennis van zaken spreek. Want ik heb hier goed over nagedacht, vooral sinds de preek van dominee Wawelaar. Die hoorde ik in de bidstond voor het bekeren van de heidenen.

Dat was woensdagavond. U moet weten, lezer, dat ik mijn plichten als vader stipt vervul. De zedelijke opvoeding van mijn kinderen gaat me zeer aan het hart. Nu heeft Frits sinds enige tijd iets in zijn toon en manieren dat me niet bevalt. Het komt allemaal uit dat vervloekte pak! Daarom heb ik hem eens goed onder handen genomen. Ik heb gezegd:

"Frits, ik ben niet tevreden over je! Ik heb je altijd het goede voorgehouden, en toch wijk je af van de rechte weg. Je bent pedant en lastig, en je maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De vreze des Heren is het begin van alle wijsheid. Je moet dus de Rosemeyers niet zoenen, en niet zo pedant zijn. Zedeloosheid brengt je in het verderf, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op die Sjaalman. Hij heeft de wegen van de Heer verlaten: nu is hij arm en woont hij in een klein kamertje … Dat zijn de gevolgen van onzedelijkheid en slecht gedrag! Hij heeft verkeerde artikelen in de *Indépendance* geschreven en de *Aglaia* laten vallen. Zo gaat het als men wijs is in zijn eigen ogen. Hij weet nu niet eens hoe laat het is, en zijn jongetje heeft maar een half broekje aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is. En bedenk dat je vader altijd hard heeft moeten werken voor de kost. 't Is de waarheid! Sla dus je ogen naar boven, en probeer op te groeien tot een fatsoenlijk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al de mensen die niet willen luisteren naar goede raad. Zij trappen godsdienst en zedelijkheid met voeten: spiegel je aan die mensen. En vergelijk je niet met Stern, wiens vader zo rijk is. Die zal altijd geld genoeg hebben, ook als hij geen makelaar wil worden. En ook als hij af en toe iets verkeerds doet. Bedenk toch dat al het kwade gestraft wordt. Kijk maar weer naar die Sjaalman, die geen winterjas heeft en eruitziet als een komediespeler. Luister toch goed in de kerk. Zit daar niet zo heen en weer te draaien op je bank, alsof je je verveelt, jongen. Want … wat moet God daarvan denken? De kerk is *Zijn* heiligdom, zie je? En wacht geen jonge meisjes op als het uit is, want dan gaat de stichting verloren. Laat ook Marie niet lachen als ik bij het ontbijt uit de Schrift lees. Dat hoort niet in een fatsoenlijk huishouden. Ook heb je poppetjes getekend op het legblad van Bastiaans, toen de man weer niet binnen was. Want hij heeft telkens de jicht. Dat houdt de mensen op het kantoor van hun werk. En in Gods Woord staat dat zulke dwaasheden naar het verderf leiden. Die Sjaalman deed ook verkeerde dingen toen hij jong was. Hij heeft als kind op de Westermarkt een Griek geslagen … Nu is hij lui, pedant en ziekelijk, ziedaar! Maak dus niet altijd grappen met Stern, jongen: *zijn* vader is rijk, moet je denken. Doe alsof je het niet ziet als hij gezichten trekt tegen de boekhouder. En als hij buiten het kantoor met verzen bezig is, zeg hem dan eens iets. Zeg dat hij het hier bij ons zo goed heeft. Zeg ook dat Marie pantoffels voor hem heeft geborduurd met echte floszijde. Vraag hem, zo eens uit jezelf, weet je, of hij gelooft dat zijn vader naar Busselinck & Waterman zal gaan. En zeg hem dat het knoeiers zijn. Zie je, dat is men zijn naaste verschuldigd, zo breng je hem op de goede weg, meen ik … En al dat verzen maken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam, Frits. En trek de meid niet aan haar rokken als ze thee brengt op het kantoor. Maak me niet te schande, want dan morst ze. En Paulus zegt dat een zoon zijn vader nooit verdriet mag doen. Ik bezoek twintig jaar de beurs, en ik durf te zeggen dat ik geacht ben bij mijn pilaar. Luister dus naar mijn vermaningen, Frits, en wees braaf. En haal je hoed, en trek je jas aan, en ga mee naar de bidstond, dat zal je goed doen!"

*Zo* heb ik gesproken, en ik ben ervan overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt heb. Vooral omdat dominee Wawelaar als onderwerp van zijn rede had gekozen: *de liefde Gods, blijkend uit Zijn toorn tegen ongelovigen*. Hij ging uit van de berisping van Samuel aan Saul: *Sam. XV:33b*.

Bij het horen van die preek dacht ik steeds hoe hemelsbreed het verschil toch is tussen menselijke en goddelijke wijsheid. Ik zei al dat er in het pak van Sjaalman veel vodden zaten. Maar er zat ook iets in dat opviel door degelijke redeneringen. Maar och, hoe weinig betekent zoiets, als men het vergelijkt met de taal van dominee Wawelaar! En dat niet uit eigen kracht — want ik ken Wawelaar, en ik vind hem echt niet iemand die hoog vliegt. Nee, door de kracht die van boven komt. Dit verschil bleek des te duidelijker, omdat hij sommige punten noemde die ook Sjaalman behandeld had. Want u hebt gezien dat er in zijn pak veel stond over Javanen en andere heidenen. Frits zegt dat de Javanen geen heidenen zijn, maar ik noem iedereen die een verkeerd geloof heeft een heiden. Want ik houd me aan Jezus Christus, en die gekruisigd, en dit zal elke fatsoenlijke lezer ook wel doen.

Ik zal hier enkele brokstukken uit de preek geven, die bijzonder treffend waren. Dat doe ik om twee redenen. Uit de rede van Wawelaar heb ik mijn mening gehaald dat men de koffiecultuur in Lebak niet had mogen intrekken. Daar kom ik straks op terug. En als eerlijk man wil ik niet dat de lezer helemaal niets krijgt voor zijn geld.

Hij had kort Gods liefde bewezen uit de tekst die hij had aangehaald. Hij was al snel gekomen bij het punt waar het hier eigenlijk om ging. Dat was de bekering van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk ook mag heten. Hier is wat hij daarover zei:

"*Zo*, mijn geliefden, was de heerlijke roeping van Israël — hij bedoelde het uitroeien van de bewoners van Kanaän. En *zo* is de roeping van Nederland! Nee, er zal niet gezegd worden dat het licht dat ons beschijnt, onder de korenmaat wordt gezet. En ook niet dat wij gierig zijn in het uitdelen van het brood van het eeuwige leven! Sla uw ogen op naar de eilanden van de Indische Oceaan. Daar wonen miljoenen en miljoenen kinderen van de verstoten zoon — en terecht verstoten — van de edele Noach, die God behaagde! *Daar* kruipen zij rond in de walgelijke slangenholen van heidense onwetendheid! Daar buigen zij het zwarte kroesharige hoofd onder het juk van zelfzuchtige priesters! *Daar* aanbidden zij God en roepen ze een valse profeet aan, die een gruwel is in de ogen van de Heer! En, geliefden, er zijn er zelfs die het niet genoeg vinden een valse profeet te gehoorzamen! Zij aanbidden een andere God, wat zeg ik, *goden*! Goden van hout of steen, die ze zelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelijk, met platte neuzen en duivels! Ja, geliefden, de tranen beletten mij bijna verder te gaan: nog dieper is de verdorvenheid van Cham's geslacht! Er zijn er onder hen die *geen* God kennen, onder welke naam ook! Die menen dat het genoeg is de wetten van de burgerlijke maatschappij te gehoorzamen! Die een oogstlied zingen, vol vreugde dat hun werk geslaagd is. En die dat genoeg dank vinden aan het Opperwezen, dat die oogst liet rijpen! Er leven daar verdoolden, mijn geliefden — als zo'n gruwelijk bestaan de naam *leven* mag dragen! Daar vindt men wezens die beweren dat het genoeg is vrouw en kind lief te hebben. En van hun naaste niet te nemen wat hun niet toebehoort! Dan zouden ze 's avonds rustig het hoofd kunnen neerleggen om te slapen! Huivert u niet bij dit tafereel? Krimpt uw hart niet ineen bij de gedachte aan het lot van al die dwazen, zodra de bazuin klinkt? Die bazuin roept de doden op om de rechtvaardigen te scheiden van de onrechtvaardigen! Hoort u niet? Ja, u hoort het! Want uit de voorgelezen tekst hebt u gezien dat uw God een machtig God is, een God van rechtvaardige wraak! Ja, u hoort het kraken van de beenderen en het knetteren van de vlammen in het eeuwige Gehenna! Daar is geween en tandengeknars! *Daar*, *daar* branden zij, en ze vergaan niet, want de straf is eeuwig! *Daar* likt de vlam met nooit verzadigde tong aan de gillende slachtoffers van het ongeloof! *Daar* sterft de worm niet die *door en door* aan hun harten knaagt, zonder ze ooit te vernietigen. Zo blijft er altijd een hart om aan te knagen in de borst van de Godloochenaar! Zie, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind! Nauwelijks geboren werd het weggeslingerd van de borst van de moeder, in de poel van de eeuwige verdoemenis …"

Toen viel er een juffrouw flauw …

"Maar, geliefden, ging dominee Wawelaar verder, God is een God van liefde! Hij wil niet dat de zondaar verloren gaat. Hij wil dat hij zalig wordt *met* de genade, *in* Christus, *door* het geloof! En daarom is Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat er te redden valt! *Daartoe* heeft Hij in Zijn ondoorgrondelijke Wijsheid macht gegeven aan een land. Dat land is klein van omvang, maar groot en sterk door de kennis van God. Het heeft macht over de bewoners van die gewesten. Zo kunnen zij door het heilige, nooit volprezen Evangelie gered worden van de straffen van de hel! De schepen van Nederland varen over de grote wateren, en brengen beschaving, godsdienst, christendom aan de verdoolde Javaan! Nee, ons gelukkig Nederland wil de zaligheid niet alleen voor zichzelf. Wij willen die ook delen met de ongelukkige schepselen op verre stranden! Zij liggen daar gebonden in de boeien van ongeloof, bijgeloof en zedeloosheid! Het bekijken van de plichten die hierbij op ons rusten, zal het zevende deel van mijn rede zijn."

Want wat eraan voorafging was het *zesde*. Onder de plichten die wij tegenover die arme heidenen moeten vervullen, werden genoemd:

1° *Het geven van ruime bijdragen in geld aan de zendelingsvereniging.*

2° *Het steunen van de bijbelgenootschappen, zodat zij bijbels kunnen uitdelen op Java.*

3° *Het bevorderen van "Oefeningen" in Harderwijk, ten dienste van het koloniale werfdepot.*

4° *Het schrijven van preken en godsdienstige gezangen die soldaten en matrozen aan de Javanen kunnen voorlezen en voorzingen.*

5° *Het oprichten van een vereniging van invloedrijke mannen. Hun taak zou zijn onze geëerbiedigde Koning te smeken:*

*a) Alleen gouverneurs, officieren en ambtenaren te benoemen van wie men kan zeggen dat ze vaststaan in het ware geloof.*

*b) De Javaan toe te staan de kazernes te bezoeken, en ook de oorlogs- en koopvaardijschepen op de rede. Zo kan hij door de omgang met Nederlandse soldaten en matrozen opgeleid worden voor het Rijk van God.*

*c) Te verbieden dat bijbels of godsdienstige traktaatjes in drankhuizen als betaling worden aangenomen.*

*d) In de voorwaarden van de opiumpacht op Java deze regel op te nemen. In elke opiumkit moet een voorraad bijbels zijn, in verhouding tot het verwachte aantal bezoekers van zo'n gesticht. En de pachter moet beloven geen opium te verkopen, tenzij de koper er een godsdienstig traktaatje bij neemt.*

*e) Te bevelen dat de Javaan door arbeid tot God wordt gebracht.*

6° *Het geven van ruime bijdragen aan de zendelingsgenootschappen.*

Ik weet wel dat ik dit laatste punt al onder nummer één heb genoemd. Maar hij herhaalde het, en in het vuur van de rede vind ik deze herhaling heel begrijpelijk.

Doch, lezer, hebt u op nummer 5, *e* gelet? Welnu, juist dat voorstel deed me zo denken aan de koffieveilingen. En ook aan de zogenaamde onvruchtbaarheid van de grond in Lebak. Het zal u dus niet meer zo vreemd lijken wat ik nu zeg. Dit punt is sinds woensdagavond geen moment uit mijn gedachten geweest. Dominee Wawelaar heeft de berichten van de zendelingen voorgelezen, dus niemand kan hem een grondige kennis van de zaken betwisten. Welnu, hij beweert, met die rapporten voor zich en met het oog op God, dat veel arbeid gunstig zal werken. Zo kunnen de Javaanse zielen veroverd worden voor het Rijk van God. Dan ben ik toch niet zo ver van de waarheid. Want ik zeg dat er in Lebak heel goed koffie geplant kan worden. En sterker nog: misschien heeft het Opperwezen die grond juist daarom alleen ongeschikt gemaakt voor de koffiecultuur. Want er zal arbeid nodig zijn om andere grond daarheen te verleggen. Door die arbeid moet de bevolking van die streek rijp worden voor de zaligheid.

Ik hoop toch dat mijn boek onder de ogen van de Koning komt. En ik hoop dat er weldra grotere veilingen zullen komen. Daaruit zal blijken hoe nauw de kennis van God samenhangt met het goed begrepen belang van de hele burgerij! Zie eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar mij daar opeens een wenk geeft. Hij heeft geen wijsheid naar de mens — de man heeft nooit een voet op de beurs gezet. Maar hij wordt voorgelicht door het Evangelie, dat een lamp op zijn pad is. En hij geeft mij, makelaar in koffie, een wenk die voor heel Nederland belangrijk is. Bovendien zal die wenk mij misschien in staat stellen vijf jaar vroeger naar Driebergen te gaan. Tenminste als Frits goed oppast — hij heeft redelijk stil gezeten in de kerk. Ja, arbeid, arbeid, dat is mijn wachtwoord! Arbeid voor de Javaan, dat is mijn principe! En mijn principes zijn me heilig.

Is niet het Evangelie het hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid? Is het dus niet onze plicht die mensen zalig te maken? En als arbeid daarbij nodig is — ikzelf heb twintig jaar de beurs bezocht — mogen we de Javaan dan arbeid weigeren? Zijn ziel heeft die zo dringend nodig om later niet te branden! Zelfzucht zou het zijn, schandelijke zelfzucht, als we niet alles deden voor die arme verdoolde mensen. We moeten hen beschermen tegen de verschrikkelijke toekomst die dominee Wawelaar zo welsprekend beschreven heeft. Er is een juffrouw flauwgevallen toen hij over dat zwarte kind sprak … Misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag. Vrouwen zijn zo!

En zou ik niet aandringen op arbeid, *ik*, die zelf van de morgen tot de avond aan de zaken denk? Neem nu dit boek, dat Stern me zo zuur maakt. Is het niet al een bewijs hoe goed ik het meen met de welvaart van ons vaderland? En dat ik daar alles voor overheb? En ik moet zo zwaar werken, *ik* die gedoopt ben — in de Amstelkerk. Mag men dan niet iets eisen van de Javaan? Hij moet zijn zaligheid nog verdienen, dus hij moet de handen uit de mouwen steken!

Als die vereniging — van nummer 5, *e* meen ik — tot stand komt, sluit ik me daarbij aan. En ik zal ook proberen de Rosemeyers daarvoor te winnen, omdat ook de suikerraffinadeurs er belang bij hebben. Maar ik geloof niet dat ze erg zuiver zijn in hun begrippen — de Rosemeyers meen ik. Want ze houden een roomse meid.

Hoe het ook zij, *ik* zal mijn plicht doen. Dat heb ik mezelf beloofd toen ik met Frits van de bidstond naar huis ging. In mijn huis zal de Heer gediend worden, daarvoor zal *ik* zorgen. En dit met des te meer ijver, omdat ik steeds beter zie hoe wijs alles geregeld is. Ik zie hoe liefdevol de wegen zijn waarlangs wij aan Gods hand worden geleid. En ik zie hoe Hij ons wil behouden voor het eeuwige en voor het tijdelijke leven. Want die grond in Lebak kan zeer goed geschikt worden gemaakt voor de koffiecultuur.

### Woordenlijst

- **anspruchlose**: eenvoudig, zonder hoge eisen (Duits)
- **lezerslichtzinnigheid**: de fout van een lezer die niet serieus en zorgvuldig leest
- **horribile auditu**: vreselijk om te horen (Latijn)
- **krans**: vaste avond waarop vrienden bij elkaar komen
- **knoeiers**: mensen die slecht en oneerlijk werken
- **pedant**: iemand die denkt dat hij alles beter weet
- **zedeloosheid**: slecht gedrag, leven zonder goede normen
- **bidstond**: kerkdienst om samen te bidden
- **heidenen**: oud woord voor mensen die niet christelijk zijn; hier neerbuigend bedoeld
- **Cham's geslacht**: de nakomelingen van Cham, de zoon van Noach; oude, racistische naam voor zwarte mensen
- **bazuin**: oud blaasinstrument, een soort trompet; in de Bijbel roept de bazuin de doden op
- **Gehenna**: de hel
- **opiumkit**: huis waar mensen opium kopen en roken
- **zendelingsvereniging**: club die geld geeft om mensen in verre landen christelijk te maken
- **roomse**: rooms-katholiek; hier neerbuigend bedoeld

## Tiende hoofdstuk

Waar het om principes gaat, spaar ik niemand. Toch heb ik begrepen dat ik met Stern een andere weg moet nemen dan met Frits. Het is namelijk te verwachten dat mijn naam in aanraking komt met een boek. De firma is Last & Co, maar ik heet *Droogstoppel: Batavus Droogstoppel*. In dat boek staan zaken die niet passen bij de eerbied die elk fatsoenlijk man en makelaar zichzelf verschuldigd is. Daarom vind ik het mijn plicht u iets te vertellen. Ik vertel u hoe ik geprobeerd heb ook die Stern terug te brengen op de ware weg.

Ik heb hem niet over de Heer gesproken, omdat hij Luthers is. Maar ik heb gewerkt op zijn gemoed en zijn eer. Hier ziet u hoe ik dat heb aangepakt, en let erop hoever men komt met mensenkennis. Ik had hem horen zeggen: *auf Ehrenwort*, en ik vroeg wat hij daarmee bedoelde.

—*Wel*, zei hij, dat ik mijn eer inzet voor de waarheid van wat ik zeg.

—Dat is heel veel, antwoordde ik. Ben je er zo zeker van dat je altijd de waarheid zegt?

—Ja, verklaarde hij, de waarheid zeg ik altijd. Als de borst me gloeit ...

De lezer weet de rest.

—Dat is werkelijk heel mooi, zei ik, en ik hield me heel onnozel, alsof ik het geloofde.

Maar juist hierin lag de slimheid van de strik die ik voor hem spande. Ik wilde niet het gevaar lopen dat de oude Stern in handen van Busselinck & Waterman viel. Toch wilde ik dat jonge kereltje eens goed op zijn plaats zetten. Hij moest voelen hoe groot de afstand is. Aan de ene kant staat iemand die pas begint, al doet zijn vader dan ook grote zaken. Aan de andere kant staat een makelaar die twintig jaar de beurs bezocht heeft. Ik wist namelijk dat hij allerlei tuig van verzen uit het hoofd kende—hij zegt: "uitwendig". En omdat verzen altijd leugens bevatten, wist ik zeker dat ik hem heel snel op een leugen zou betrappen. Dat duurde dan ook niet lang. Ik zat in de zijkamer, en hij was in de *suite* ... want we hebben een *suite*. Marie was aan het breien, en hij zou haar wat vertellen. Ik luisterde aandachtig. Toen het uit was, vroeg ik of hij het boek had met dat ding dat hij zojuist had opgezegd. Hij zei ja, en bracht het me. Het was een deeltje van de werken van een zekere Heine. De volgende morgen gaf ik hem—aan Stern, meen ik—het volgende stuk:

*Beschouwingen over de waarheidsliefde van iemand die dit prul van Heine opzegt voor een jong breiend meisje in de* suite.

Auf Flügeln des Gesanges,  
Herzliebchen, trag ich dich fort,

*Herzliebchen*? Marie, jouw *Herzliebchen*? Weten je oudelui daarvan, en Louise Rosemeyer? Is het braaf om dat te zeggen tegen een kind? Door zoiets kan ze heel makkelijk ongehoorzaam worden aan haar moeder. Ze haalt zich dan in het hoofd dat ze volwassen is, omdat men haar *Herzliebchen* noemt. Wat betekent dat: *voortdragen op je vleugels*? Je hebt geen vleugels, en je gezang ook niet. Probeer het eens over de Lauriergracht, die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je zoiets dan voorstellen aan een meisje dat nog geen belijdenis heeft gedaan? En al *was* het kind aangenomen, wat betekent dan dat aanbod om samen weg te vliegen? Foei!

Fort nach den Fluren des Ganges,  
Da weiss ich den schönsten Ort;

Ga er dan alleen heen, en huur er een buitenhuisje! Maar neem geen meisje mee dat haar moeder moet helpen in het huishouden! Maar je meent het ook niet! Ten eerste heb je de Ganges nooit gezien. Je kunt dus niet weten of het daar goed leven is. Wil *ik* je eens zeggen hoe de zaken staan? Het zijn allemaal leugens. Je vertelt ze alleen omdat je in al die verzen jezelf tot slaaf maakt van maat en rijm. Stel dat de eerste regel was geëindigd op *koek, wijn, kina*. Dan had je Marie gevraagd of ze meeging naar *Broek, Berlijn, China*, enzovoort. Je ziet dus dat je voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was. Alles komt neer op een flauw geklingel van woorden zonder slot of zin. Hoe zou het zijn als Marie nu eens echt zin kreeg om die malle reis te maken? Ik spreek nu nog niet eens over de ongemakkelijke manier die je voorstelt! Maar zij is, de Hemel zij dank, te verstandig. Ze verlangt niet naar een land waarvan je zegt:

Da liegt ein rothblühender Garten  
Im stillen mondesschein;  
Die Lotosblumen erwarten  
Ihr trautes Schwesterlein;

Die Veilchen kichern und kosen,  
Und schau'n nach den Sternen empor;  
Heimlich erzählen die Rosen  
Sich düftende Märchen in 's Ohr.

Wat moet Marie in die tuin bij maanlicht, Stern? Is dat zedelijk, is dat braaf, is dat fatsoenlijk? Wil je dat ik beschaamd moet staan, net als Busselinck & Waterman? Daarmee wil geen fatsoenlijk handelshuis iets te maken hebben, omdat hun dochter weggelopen is, en omdat het knoeiers zijn. Stel dat men mij op de beurs vraagt waarom mijn dochter zo lang in die rooie tuin is gebleven. Wat moet ik dan antwoorden? Want dit begrijp je toch: niemand zou me geloven als ik zei dat ze daar op bezoek was. Op bezoek bij de lotusbloemen, die volgens jou al lang op haar gewacht hebben! Net zo zou ieder verstandig mens me uitlachen als ik gek genoeg was om dit te zeggen. Marie is daar in die rooie tuin—waarom *rood*, en niet *geel* of *paars*?—om te luisteren. Ze luistert naar het praten en giechelen van de viooltjes. Of ze luistert naar de sprookjes die de rozen elkaar in het geheim in het oor blazen. Al *kon* zoiets waar zijn, wat zou Marie eraan hebben? Het gebeurt toch zo stiekem dat ze er niets van verstaat. Maar leugens zijn het, flauwe leugens! En lelijk zijn ze ook, want neem eens een potlood, en teken een roos met een oor. Kijk eens hoe dat eruitziet! En wat betekent het dat die *Märchen* zo *düftend* zijn? Wil *ik* je dat eens zeggen in goed rond Hollands? Dat wil zeggen dat er een luchtje aan die malle sprookjes zit ... zo is het!

Da hüpfen herbei, und lauschen  
Die frommen, klugen Gazellen;  
Und in der Ferne rausche  
Des heiligen Stromes Wellen…

Da wollen wir niedersinken  
Unter den Palmenbaum,  
Und Ruhe und Liebe trinken,  
Und träumen seligen Traum.

Kun je niet naar Artis gaan? Je hebt immers aan je vader geschreven dat ik lid ben. Zeg, kun je niet in Artis terecht, als je per se vreemde dieren wilt zien? Moeten het juist die gazellen aan de Ganges zijn? Die kun je in het wild toch nooit zo goed bekijken als in een nette omheining van geteerd ijzer. Waarom noem je die dieren vroom en verstandig? Dat laatste laat ik gelden—ze maken tenminste niet zulke dwaze verzen. Maar: *vroom*? Wat betekent dat! Is dat geen misbruik van een heilig woord, dat alleen gebruikt mag worden voor mensen van het ware geloof? En dan die heilige stroom? Mag je Marie dingen vertellen die haar tot een heidin zouden maken? Mag je haar laten twijfelen aan de overtuiging dat er geen ander heilig water is dan dat van de doop? En dat er geen andere heilige rivier is dan de Jordaan? Is dat geen ondermijning van zedelijkheid, deugd, godsdienst, christendom en fatsoen?

Denk over dit alles eens na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis. Ik weet zeker dat hij het goedvindt dat ik zo op je gemoed werk. Ik weet ook zeker dat hij graag zaken doet met iemand die opkomt voor deugd en godsdienst. Ja, principes zijn me heilig, en ik schaam me niet om ronduit te zeggen wat ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg. Schrijf gerust aan je vader dat je hier in een solide familie bent. Schrijf ook dat ik je zo op het goede wijs. En vraag jezelf eens af wat er van je geworden zou zijn als je bij Busselinck & Waterman was gekomen. *Daar* zou je ook zulke verzen hebben opgezegd. En *daar* had men niet op je gemoed gewerkt, omdat het knoeiers zijn. Schrijf dit gerust aan je vader, want als er principes in het spel zijn, spaar ik niemand. *Daar* zouden de meisjes met je zijn meegegaan naar de Ganges. Dan lag je daar nu misschien onder die boom in het natte gras. Nu kun je hier bij ons blijven in een fatsoenlijk huis, omdat *ik* je zo vaderlijk waarschuwde. Schrijf dat alles aan je vader. Zeg hem dat je zo dankbaar bent dat je bij ons bent gekomen. Zeg ook dat ik zo goed voor je zorg, en dat de dochter van Busselinck & Waterman is weggelopen. En groet hem hartelijk van mij. En schrijf dat ik nog 1/16 procent courtage laat vallen onder hun bod. Want ik kan geen onderkruipers lijden, die een concurrent het brood uit de mond stelen met gunstiger voorwaarden.

En doe me toch het genoegen om in je voorlezingen uit Sjaalmans pak wat meer degelijks te brengen. Ik heb er opgaven gezien van de koffieproductie van de laatste twintig jaar, uit alle residenties op Java. Lees zoiets eens voor! Zie je, dan kunnen de Rosemeyers, die in suiker doen, eens horen wat er eigenlijk omgaat in de wereld. En je moet ook de meisjes en ons allemaal niet zo uitmaken voor kannibalen die wat van je hebben opgeslikt ... Dit is niet fatsoenlijk, mijn beste jongen. Geloof toch iemand die weet wat er in de wereld te koop is! Ik heb je vader al bediend voor zijn geboorte—zijn firma, meen ik, neen ... *onze* firma, meen ik: Last & Co. Vroeger was het Last & Meyer, maar de Meyers zijn er lang uit. Je begrijpt dus dat ik het goed met je meen. En spoor Frits aan om wat beter op te passen, en leer hem geen verzen maken. Doe alsof je het niet ziet als hij gezichten trekt tegen de boekhouder, en al zulke dingen meer. Geef hem een goed voorbeeld, omdat je zoveel ouder bent. Probeer hem kalmte en deftigheid bij te brengen, want hij moet makelaar worden.

Ik ben je vaderlijke vriend  
Batavus Droogstoppel.  
(firma: Last & Co, makelaars in koffie, Lauriergracht nr. 37.)

### Elfde hoofdstuk

Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik dit hoofdstuk als "essentieel" beschouw. Het laat Havelaar namelijk, meen ik, beter kennen, en hij schijnt nu eenmaal de held van de geschiedenis te zijn.

—Tine, wat is dat voor *ketimon*? Lieve meid, doe nooit plantenzuur bij vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pompelmoes met zout, alles wat uit de grond komt, met zout. Azijn bij vis en bij vlees ... er staat iets van in Liebig ...

—Beste Max, vroeg Tine lachend, hoe lang denk je dat we hier zijn? Die *ketimon* is van mevrouw Slotering.

En Havelaar had moeite om zich te herinneren dat hij pas gisteren was aangekomen. Tine had met de beste wil nog niets kunnen regelen in keuken of huishouding. Hijzelf was al lang in Rangkas-Betoeng! Had hij niet de hele nacht in het archief zitten lezen? En was er niet al te veel door zijn ziel gegaan dat met Lebak te maken had? Hoe kon hij dan meteen weten dat hij er pas sinds gisteren was? Tine begreep dit wel: *zij* begreep hem altijd!

—Ach ja, dat is waar, zei hij. Maar toch moet je eens wat van Liebig lezen. Verbrugge, heb *jij* veel van Liebig gelezen?

—Wie is dat? vroeg Verbrugge.

—Dat is iemand die veel geschreven heeft over het inleggen van augurken. Ook heeft hij ontdekt hoe men gras in wol verandert ... begrijp je?

—Neen, zeiden Verbrugge en Duclari tegelijk.

—*Wel*, de zaak zelf was natuurlijk altijd bekend: stuur een schaap het land in ... en je zult het zien! Maar hij heeft onderzocht op *welke* manier het gebeurt. Andere wijze mannen zeggen weer dat hij er weinig van weet. Nu zoekt men naar middelen om het hele schaap over te slaan in dat werk ... O, die geleerden! Molière wist het wel ... ik houd veel van Molière. Als je wilt, houden we samen een cursus, 's avonds, een paar keer per week. Tine doet ook mee, als Max naar bed is.

Duclari en Verbrugge wilden dit graag. Havelaar zei dat hij niet veel boeken had. Maar daaronder waren toch Schiller, Goethe, Heine, Vondel, Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shakespeare, Byron ...

Verbrugge zei dat hij geen Engels las.

—Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al die tijd gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je zijn geweest in Padang, waar zoveel Engels gesproken wordt. Heb je Miss Mata-api gekend?

—Neen, die naam ken ik niet.

—Het was ook haar naam niet. We noemden haar zo, in 1843, omdat haar ogen zo schitterden. Ze zal wel getrouwd zijn ... het is al zo lang geleden! Nooit heb ik zoiets gezien ... ja toch, in Arles ... *daar* moet je eens heen gaan! Dat is het mooiste wat ik gevonden heb op al mijn reizen. Er bestaat niets, lijkt me, dat je de schoonheid in het abstracte zo duidelijk laat zien als een mooie vrouw. Ze is het zichtbare beeld van het *ware*, van het *onstoffelijk-reine*. Geloof me, ga eens naar Arles en Nîmes ...

Duclari, Verbrugge en—ik moet het toegeven!—ook Tine konden een luide lach niet onderdrukken. Ze dachten eraan hoe je zomaar van de westhoek van Java naar Arles of Nîmes in Zuid-Frankrijk zou stappen. Havelaar stond waarschijnlijk in gedachten op de toren die de Saracenen bouwden op de rand van de *arena* in Arles. Hij moest zich dus wat inspannen voor hij begreep waarom ze lachten, en toen ging hij verder:

—Nu ja, ik bedoel ... als je daar in de buurt komt. Zoiets ben ik nooit ergens meer tegengekomen. Ik was gewend aan teleurstellingen bij alles wat zo hoog wordt geprezen. Kijk eens bijvoorbeeld naar de watervallen waarover men zoveel spreekt en schrijft. Wat mij betreft, ik heb weinig of niets gevoeld in Tondano, in Maros, in Schaffhausen, bij de Niagara. Men moet zijn boekje raadplegen om de juiste maat van bewondering bij de hand te hebben. Daar staat dan in: "zoveel voet verval" en "zoveel kubieke voet water per minuut". En als die cijfers hoog zijn, moet men *hè* zeggen. Ik wil nooit meer watervallen zien, tenminste niet als ik er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! Gebouwen spreken wat luider tot me, vooral wanneer het bladzijden uit de geschiedenis zijn. Maar daarbij spreekt een heel ander soort gevoel! Men roept het verleden op, en laat de geesten van vroeger voorbijgaan. Daaronder zijn heel afschuwelijke geesten. Dus hoe belangrijk dat soms ook is, het geeft je schoonheidsgevoel niet altijd voldoening ... zuiver in elk geval nooit! En *zonder* de geschiedenis erbij te roepen is er wel veel moois in sommige gebouwen. Maar dat wordt gewoonlijk bedorven door gidsen—van papier, van vlees en been ... het komt op hetzelfde neer! Die gidsen stelen je indruk weg met hun eentonig: "Deze kapel is opgericht door de bisschop van Munster in 1423 ... De zuilen zijn 63 voet hoog, en rusten op ..." Ik weet niet wat, en het kan me ook niet schelen. Dat gebabbel is vervelend. Men voelt namelijk dat men dan juist drieënzestig voet bewondering klaar moet hebben. Anders gaat men in de ogen van sommigen door voor een Vandaal of *geschäfts*-reiziger ... *dat* is een ras!

—De Vandalen?

—Neen, die anderen. Nu zou men zeggen: houd dan je gids in je zak, als hij gedrukt is. En laat hem buiten staan of zwijgen in het andere geval. Maar om een beetje juist te oordelen heeft men echt vaak inlichtingen nodig. En ook al kon men die altijd missen, dan nog zou men in een gebouw tevergeefs zoeken. Men vindt er niets dat langer dan een heel kort ogenblik antwoord geeft op ons verlangen naar het mooie. Want een gebouw *beweegt* niet. Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk en schilderijen. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, voelen is beweging ... stilstand is de dood! Zonder beweging geen pijn, geen genot, geen ontroering! Probeer eens daar te zitten zonder je te bewegen. Je zult zien hoe snel je een spookachtige indruk maakt op ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. Bij het mooiste *tableau vivant* verlangt men al gauw naar een volgend nummer. En toch was de indruk in het begin heerlijk. Onze zucht naar schoonheid is niet tevreden met één blik op iets moois. Ze heeft behoefte aan een reeks blikken na elkaar, op de *beweging van het schone*. Daarom missen we iets bij het bekijken van *die* soort kunstwerken. En daarom beweer ik dat een mooie vrouw het dichtst bij het ideaal van het goddelijke komt. Ik bedoel dan geen portretschoonheid die stilstaat. Hoe groot de behoefte aan beweging is, kun je enigszins zien aan een danseres, al was ze Elssler of Taglioni. Ze wekt walging wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en naar het publiek grijnst.

—Dat geldt hier niet, zei Verbrugge, want dat is *absoluut* lelijk.

—Dat vind ik ook. Maar *zij* geeft het toch als mooi, en als *climax* op alles wat eraan voorafging. Daarin kan echt veel moois geweest zijn. Ze geeft het als de *pointe* van het epigram. Ze geeft het als het *aux armes!* van de *marseillaise* die ze zong met haar voeten. Ze geeft het als het ruisen van de wilgen op het graf van de liefde. Die liefde is zojuist met sprongen bezongen. O, misselijk! De toeschouwers baseren hun smaak gewoonlijk—zoals wij allemaal, min of meer—op gewoonte en navolging. Ook zij vinden *dat* ogenblik het treffendste. Dat blijkt hieruit: men barst juist *dan* uit in applaus. Het is alsof men wil zeggen: "Al het vorige was ook wel heel mooi. Maar *nu* kan ik het echt niet langer uithouden van bewondering!" Je zei dat die slot-*pose* *volstrekt* lelijk was—ik ook! Maar waar komt dat vandaan? Dat komt omdat de *beweging* ophield, en daarmee de *geschiedenis* die de danseres vertelde. Geloof me, stilstand is de dood!

—Maar, merkte Duclari op, u hebt ook de watervallen verworpen als uitdrukking van het schone. Watervallen *bewegen* toch!

—Ja, maar ... zonder *geschiedenis*! Ze bewegen, maar ze komen niet van hun plaats. Ze bewegen als een hobbelpaard, en dan nog zonder het *va et vient*. Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: *hrroe ... hrroe ... hrroe ...* en nooit iets anders! Roep jij eens zesduizend jaar, of langer: *hrroe, hrroe ...* En kijk eens hoe weinig mensen je dan een onderhoudend mens vinden.

—Ik zal het niet proberen, zei Duclari. Maar ik ben het nog niet met u eens dat de beweging die u eist zo absoluut noodzakelijk zou zijn. Ik geef u de watervallen nu cadeau, maar een goed *schilderij* kan toch, lijkt me, veel uitdrukken.

—Wel zeker, maar slechts voor één ogenblik. Ik zal proberen mijn mening uit te leggen met een voorbeeld. Het is vandaag 18 februari ...

—Wel neen, zei Verbrugge, het is nog januari ...

—Neen, neen, het is vandaag 18 februari 1587, en jij zit opgesloten in het kasteel Fotheringhay ...

—*Ik*? vroeg Duclari, die dacht dat hij het niet goed verstaan had.

—Ja, jij. Je verveelt je, en je zoekt afleiding. *Daar* in die muur is een opening, maar die is te hoog om erdoor te kijken. En dat wil je toch. Je zet je tafel ervoor, en daarop een stoel met drie poten, waarvan één wat zwak. Je zag eens op de kermis een acrobaat die zeven stoelen op elkaar zette. Daarop stond hij zelf, met het hoofd naar beneden. Eigenliefde en verveling dwingen je iets dergelijks te doen. Je klimt waggelend op die stoel ... je bereikt je doel ... je kijkt door de opening, en je roept: o god! En je valt! Kun je me nu zeggen waarom je o god! riep, en gevallen bent?

—Ik denk dat de derde poot van de stoel brak, zei Verbrugge plechtig.

—Nu ja, die poot brak misschien, maar *daarom* ben je niet gevallen. Die poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere opening had je het een jaar lang op die stoel uitgehouden. Maar nu *moest* je vallen, al waren er dertien poten onder die stoel geweest. Ja, al had je op de grond gestaan.

—Goed, zei Duclari. Ik zie dat u het in uw hoofd hebt gezet om mij *coûte que coûte* te laten vallen. Ik lig daar nu zo lang als ik ben ... maar ik weet echt niet waarom.

—*Wel*, dat is toch heel eenvoudig! Je zag daar een vrouw, in het zwart gekleed, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank als zilver was de hals die afstak tegen het zwarte fluweel. En daar stond een man met een groot zwaard, en hij hield het hoog. Zijn blik staarde op die blanke hals. Hij zocht de boog die zijn zwaard moest maken, om *daar* ... *daar*, tussen die wervels door te gaan. Met precisie en kracht ... en toen viel je, Duclari. Je viel omdat je dat alles zag, en *daarom* riep je: o god! Helemaal niet omdat er maar drie poten aan je stoel waren. Je werd uit Fotheringhay verlost—op verzoek van je neef, denk ik. Of misschien waren de mensen het beu om je daar gratis te eten te geven, als een kanarievogeltje. Maar lang daarna, ja, tot vandaag toe, droom je overdag nog van die vrouw. En in je slaap schrik je zelfs op, en val je met een zware schok neer op je bed. Dat komt omdat je de arm van de beul wilt grijpen. Is dat niet waar?

—Ik wil het wel geloven, maar helemaal zeker weet ik het echt niet. Ik heb namelijk nooit in Fotheringhay door een gat in de muur gekeken.

—Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schilderij dat de onthoofding van Maria Stuart voorstelt. Laten we aannemen dat het volmaakt is geschilderd. Daar hangt het, in een vergulde lijst, aan een rood koord als je dat wilt ... Ik weet wat je wilt zeggen, goed! Neen, neen, je ziet die lijst niet. Je vergeet zelfs dat je je wandelstok hebt afgegeven bij de ingang van de schilderijenzaal ... Je vergeet je naam, je kind, de politiemuts van het nieuwe model, en dus *alles*. Je ziet geen *schilderij*, maar je ziet daar echt Maria Stuart: *precies* zoals in Fotheringhay. De beul staat er precies zoals hij werkelijk gestaan moet hebben. Ja, ik wil zo ver gaan dat je je arm uitstrekt om de slag tegen te houden! Zo ver dat je roept: "Laat die vrouw leven, misschien verbetert ze zich!" Je ziet, ik geef je *beau jeu* wat de *uitvoering* van het schilderij betreft ...

—Ja, maar wat dan verder? Is de indruk dan niet even sterk als toen ik hetzelfde in werkelijkheid zag in Fotheringhay?

—Neen, helemaal niet, en wel omdat je niet op een stoel met drie poten bent geklommen. Je neemt een stoel—met vier poten deze keer, en liefst een fauteuil. Je gaat voor het schilderij zitten, om goed en lang te genieten—we *genieten* nu eenmaal bij iets akeligs. En welke indruk denk je dat het op je maakt?

—*Wel*, schrik, angst, medelijden, ontroering ... net als toen ik door de opening in de muur keek. We hebben gezegd dat het schilderij *volmaakt* is. Ik moet er dus precies dezelfde indruk van krijgen als van de werkelijkheid.

—Neen! Binnen twee minuten voel je pijn in je rechterarm, uit sympathie met de beul. Die moet dat zware stuk staal zo lang stil omhooghouden.

—*Sympathie* met de *beul*?

—Ja! *Even-lijden, gelijk-voelen*, weet je? En tegelijk met de vrouw die daar zo lang voor dat blok ligt. Ze ligt in een ongemakkelijke houding, en waarschijnlijk in een onaangename stemming. Je hebt nog altijd medelijden met haar. Maar nu niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat men haar zo lang laat wachten. Misschien voel je de drang om je ermee te bemoeien. Dan zou je ten slotte alleen dit zeggen of roepen: "Sla toch in godsnaam toe, man, het mens wacht erop!" En stel dat je dat schilderij later terugziet, en *vaker* terugziet. Dan is zelfs je *eerste* indruk: "Is die geschiedenis nog niet afgelopen? Staat hij, en ligt zij daar *nog*?"

—Maar wat voor beweging is er dan in de schoonheid van de vrouwen in Arles? vroeg Verbrugge.

—O, *dat* is iets anders! Zij spelen een geschiedenis *uit* in hun trekken. Carthago bloeit en bouwt schepen op hun voorhoofd ... Hoor de eed van Hannibal tegen Rome ... Daar vlechten ze touwen voor de bogen ... Daar brandt de stad ...

—Max, Max, ik geloof echt dat je in Arles je hart verloren hebt, plaagde Tine.

—Ja, voor een ogenblik ... maar ik vond het terug: dat zullen jullie horen. Stel je voor ... ik zeg niet: daar heb ik een vrouw gezien die zo of zo mooi was. Neen: ze waren allemaal mooi. Het was dus onmogelijk om daar *pour tout de bon* verliefd te worden. Want elke volgende verdrong de vorige weer uit je bewondering. Ik dacht daarbij echt aan Caligula of Tiberius—van wie vertellen ze dat fabeltje? Die wenste de hele mensheid maar één hoofd toe. Zo kwam namelijk vanzelf de wens in me op dat de vrouwen in Arles ...

—Samen maar één hoofd hadden?

—Ja ...

—Om het af te slaan?

—Wel neen! Om ... het op het voorhoofd te kussen, wilde ik zeggen, maar dat is het niet! Neen, om ernaar te staren, en ervan te dromen, en om ... *goed te zijn*!

Duclari en Verbrugge vonden dit slot waarschijnlijk weer heel vreemd. Maar Max merkte hun verrassing niet, en ging verder:

—Want die trekken waren zo edel dat men zich bijna schaamde. Men was maar een mens, en geen vonk ... een straal—neen, dat zou stof zijn!—een gedachte! Maar ... dan zat daar opeens een broer of een vader naast die vrouwen. En ... god bewaar me, ik heb er een gezien die haar neus snoot!

—Ik wist wel dat je er weer een zwarte streep overheen zou halen, zei Tine verdrietig.

—Kan *ik* het helpen? *Ik* had ze liever dood zien vallen! Mag zo'n meisje zichzelf zo verlagen?

—Maar, meneer Havelaar, vroeg Verbrugge, als ze nu eens verkouden is?

—*Wel*, ze *moest* niet verkouden zijn met zo'n neus!

—Ja, maar ...

Alsof een boze macht ermee speelde, moest Tine opeens niezen, en ... voor ze eraan dacht, had ze haar neus gesnoten!

—Beste Max, wil je er niet boos om worden? vroeg ze, en ze hield haar lach in.

Hij antwoordde niet. En, hoe gek het ook lijkt of is ... ja, hij *was* er boos om! En, wat ook vreemd klinkt, Tine was blij dat hij boos was. Ze was blij dat hij van *haar* eiste dat ze meer was dan de Phocese vrouwen in Arles. Dat was dan wel niet omdat ze reden had om trots te zijn op haar neus.

Als Duclari nog dacht dat Havelaar "gek" was, had men hem niet kwalijk kunnen nemen dat die mening sterker werd. Hij zag immers de korte ergernis op Havelaars gezicht, na en om dat neussnuiten. Maar Havelaar was teruggekeerd uit Carthago. Hij las met de snelheid waarmee hij lezen *kon*, als hij met zijn geest niet te ver van huis was. En op de gezichten van zijn gasten las hij dat ze de twee volgende stellingen dachten:

1° *Wie niet wil dat zijn vrouw haar neus snuit, is een gek.*

2° *Wie gelooft dat een mooi getekende neus niet gesnoten mag worden, moet dat niet toepassen op mevrouw Havelaar. Haar neus is namelijk een beetje* en pomme de terre.

De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar ... de tweede!

Zijn gasten waren te beleefd geweest om hun stellingen uit te spreken. Toch riep hij, alsof hij moest antwoorden:

—O, *dat* zal ik u uitleggen. Tine is ...

—Beste Max! zei ze smekend.

Dit betekende: "Vertel die heren toch niet waarom ik in jouw ogen verheven moest zijn boven verkoudheid!"

Havelaar scheen te begrijpen wat Tine bedoelde, want hij antwoordde:

—Goed, kind! Maar weten jullie wel, heren, dat men zich vaak vergist in de rechten van sommige mensen op stoffelijke onvolmaaktheid?

Ik weet zeker dat de gasten nooit van die rechten gehoord hadden.

—Ik heb op Sumatra een meisje gekend, ging hij verder, de dochter van een *datoe* ... Nu, ik vind dat *zij* geen recht had op die onvolmaaktheid. En toch heb ik haar bij een schipbreuk in het water zien vallen ... net als een ander. Ik, een mens, heb haar moeten helpen om aan land te komen.

—Maar ... had ze dan moeten vliegen als een meeuw?

—Wel zeker, of ... neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Zal ik jullie vertellen hoe ik haar heb leren kennen? Het was in '42. Ik was controleur van Natal ... ben je daar geweest, Verbrugge?

—Ja.

—*Wel*, dan weet je dat er pepercultuur is in het Natalse. De pepertuinen liggen in Taloh-Baleh, ten noorden van Natal, aan de kust. Ik moest ze inspecteren. Omdat ik geen verstand van peper had, nam ik in de *prahoe* een *datoe* mee, die er meer van wist. Zijn dochtertje, toen een kind van dertien jaar, ging mee. We zeilden langs de kust, en we verveelden ons ...

—En toen hebt u schipbreuk geleden?

—Wel neen, het was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk die je bedoelt, kwam veel later. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zo zeilden we langs de kust, en het was stikheet. Zo'n prauw biedt weinig afleiding, en bovendien was ik juist in een verdrietige stemming. Daarvoor waren veel oorzaken. Ik had, *primo*, een ongelukkige liefde, ten tweede, een ... ongelukkige liefde, ten derde ... Nu ja, *nog* iets van die aard, enzovoort. Och, dat hoort erbij. Maar bovendien zat ik tussen twee aanvallen van eerzucht in. Ik had mezelf koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een toren geklommen, en weer op de grond gevallen ... ik zal nu maar overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur gezicht en een slecht humeur. Ik was, wat de Duitsers noemen: *ungeniessbar*. Ik vond onder andere dat het niet gepast was mij pepertuinen te laten inspecteren. Ik had al lang benoemd moeten zijn tot gouverneur van een zonnestelsel. Ook leek het me een morele moord. Men zette een geest als de mijne in één prauw met die domme *datoe* en zijn kind.

Ik moet je zeggen dat ik de Maleise Hoofden anders goed mocht, en dat ik goed met hen overweg kon. Ze hebben zelfs veel waardoor ik hen verkies boven de Javaanse Groten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat je het daar niet mee eens bent. Er zijn maar weinig mensen die me gelijk geven ... maar dit laat ik nu rusten.

Stel dat ik dat reisje op een andere dag had gemaakt—met wat minder muizenissen in mijn hoofd, bedoel ik. Dan was ik waarschijnlijk meteen met die *datoe* in gesprek gekomen. Misschien had ik gevonden dat hij mijn gezelschap wel waard was. Misschien had ik dan ook het meisje aan het praten gekregen. Dat had me misschien beziggehouden en vermaakt, want een kind heeft meestal iets oorspronkelijks. Maar ik moet toegeven dat ik toen zelf nog te veel kind was om daarin belang te stellen. Nu is dat anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaar een handschrift waarin nog weinig of niets is doorgestreken.

Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen daarvoor al haar aandacht nodig te hebben. Drie rode, één zwarte ... drie rode, één zwarte: het was mooi!

Ze heette Si Oepi Keteh. Dat betekent op Sumatra zoveel als: *kleine freule* ... Ja, Verbrugge, jij weet dat wel, maar Duclari heeft altijd op Java gediend. Ze heette Si Oepi Keteh, maar in mijn gedachten noemde ik haar "stumpert" of zoiets. Ik vond mezelf namelijk hemelhoog boven haar verheven.

Het werd middag ... bijna avond, en de kralen werden weggelegd. Het land schoof langzaam naast ons weg, en de Ophir werd kleiner en kleiner, rechts achter ons. Links in het westen lag de wijde, wijde zee, zonder grens tot Madagaskar, en Afrika daarachter. Daarboven zakte de zon, en ze liet haar stralen in steeds stompere hoeken over de golven kiskassen. En ze zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was dat ding ook weer?

—Wat voor ding ... de zon?

—Ach, neen ... ik maakte verzen in die dagen! O, heerlijk! Luister eens:

U vraagt waarom toch de O,  
die Natals ree bespoelt,  
wel elders zacht is en gedwee,  
maar wild alleen op Natals ree,  
voortdurend kookt en woelt?

U vraagt, en de arme vissersjongen  
heeft nauwelijks uw vraag verstaan,  
of wenkend met het donker oog  
wijst hij u aan de eindeloze boog  
het verre Westen aan.

Hij keert de blik van 't donker oog  
en staart naar 't Westen heen,  
en toont u, als u rondom ziet,  
slechts water, water, in 't verschiet,  
en zee, en zee alleen!

En daarom schuurt hier de oceaan  
zo fel het oeverzand:  
't Is zee slechts, waar u rondom ziet,  
en water, water, anders niet,  
tot Madagaskars strand!

En menig offer werd gebracht  
als boete voor de oceaan!  
En menige kreet, in 't nat gesmoord,  
door vrouw, noch kind, noch neef gehoord,  
werd slechts door God verstaan!

En menige hand, voor 't laatst gestrekt,  
stak omhoog uit 't meer,  
en voelde en greep en plaste in 't rond,  
en zocht of ze ergens steun nog vond,  
en zonk voor eeuwig neer!

En ...

—En ... en ... *ik weet de rest niet meer*.

—Die is terug te vinden als u schrijft aan Krijgsman, uw klerk in Natal. Die heeft het, zei Verbrugge.

—Hoe komt *hij* daaraan? vroeg Max.

—Misschien uit uw papiermand. Maar het is zeker *dat* hij het heeft! Volgt er niet de legende van de eerste zonde, die het eiland deed zinken? Dat eiland beschermde vroeger de ree van Natal. De geschiedenis van Djiwa met de twee broers?

—Ja, *dat* is waar. Die legende ... was geen legende. Het was een parabel die ik maakte. Misschien wordt het over een paar eeuwen een legende, als Krijgsman dat ding nogal vaak opdreunt. Zo begonnen alle mythologieën. *Djiwa* is: ziel, zoals je weet, *ziel, geest* of zoiets. Ik maakte er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva ...

—*Wel*, Max, waar blijft onze kleine freule met haar kraaltjes? vroeg Tine.

—De kralen waren weggelegd. Het was zes uur, daar onder de evenaar. Natal ligt maar een paar minuten ten noorden ervan. Als ik over land naar Ayer-Bangie ging, stapte ik te paard over de lijn heen, of bijna ... Je zou erover struikelen, echt waar! *Daar* was zes uur het sein voor avondgedachten. Nu vind ik dat een mens 's avonds altijd iets beter is dan 's morgens, of liever minder ondeugend. En dat is logisch. 's Morgens houdt men zich samen. Ik weet wel dat dit een *germanisme* is, maar hoe moet ik het in het *Hollands* zeggen? Men is ... deurwaarder of controleur, of ... neen, dat is genoeg! Een deurwaarder *hält sich zusammen* om die dag eens goed zijn plicht te doen ... god, wat een plicht! Hoe moet dat *zusammen gehalten* hart eruitzien! Een controleur—ik zeg dit niet voor u, Verbrugge!—een controleur wrijft in zijn ogen. Hij ziet ertegen op de nieuwe assistent-resident te ontmoeten. Die wil een bespottelijk overwicht hebben, alleen door een paar dienstjaren meer. Hij heeft zoveel vreemds over hem gehoord ... op Sumatra. Of hij moet die dag velden opmeten, en staat *in dubio* tussen zijn eerlijkheid en ... Jij weet dit niet zo, Duclari, omdat je militair bent, maar er zijn werkelijk eerlijke controleurs! Dan staat hij te waggelen tussen die eerlijkheid en de vrees. Hij is bang dat Radhen Dhemang zus-of-zo de schimmel zal terugvragen, die zo goed *telt*. Of hij moet die dag flink *ja* of *neen* zeggen op brief nummer zoveel. Kortom, 's morgens bij het wakker worden valt de wereld op je hart. En dat is zwaar voor een hart, ook al is het sterk. Maar 's avonds heeft men pauze. Er liggen tien volle uren tussen nu en het ogenblik dat men zijn deftige jas terugziet. Tien uren: zesendertigduizend seconden om mens te zijn! Dat lacht iedereen toe. Dat is het ogenblik waarop ik hoop te sterven, om daarginds aan te komen met een onofficieel gezicht. Dat is het ogenblik waarop je vrouw iets terugvindt in je gezicht. Het is wat haar *ving* toen ze je die zakdoek liet houden, met een gekroonde *E* op de punt ...

—En toen ze nog niet het recht had om verkouden te zijn, zei Tine.

—Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avonds *gemütlicher* is.

Toen de zon dus langzaam verdween, ging Havelaar verder, werd ik een beter mens. En als eerste bewijs van die verbetering kan gelden dat ik tegen de kleine freule zei:

"Het zal nu gauw wat koeler worden."

"Ja, *toewan*!" antwoordde ze.

Maar ik boog mijn hoogheid nog dieper neer naar die "stumpert", en ik begon een gesprek met haar. Mijn verdienste was des te groter, omdat ze heel weinig antwoordde. Ik had gelijk in alles wat ik zei ... wat ook vervelend wordt, al is men nog zo verwaand.

"Zou je de volgende keer graag weer meegaan naar Taloh-Baleh?" vroeg ik.

"Zoals toewan commandeur beveelt."

"Neen, ik vraag *jou* of *jij* zo'n reisje prettig vindt."

"Als mijn vader het wil," antwoordde ze.

Zeg eens, heren, was het niet om gek te worden? Nu, ik werd niet gek. De zon was onder, en ik voelde me *gemüthlich* genoeg om me nog niet te laten afschrikken door zoveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik plezier begon te krijgen in het horen van mijn eigen stem. Er zijn er weinig onder ons die niet graag naar zichzelf luisteren. Maar na mijn *mutisme* van de hele dag was ik eindelijk aan het praten. Ik vond dat ik iets beters verdiende dan de al te onnozele antwoorden van Si Oepi Keteh.

Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik. Dan hoor ik het zelf meteen, en hoeft ze me niet te antwoorden. Nu weten jullie hoe het gaat bij het lossen van een schip. De laatst ingeladen *krandjang* suiker komt het eerst weer tevoorschijn. Zo lossen ook wij gewoonlijk het eerst de gedachte of het verhaal dat het laatst is ingeladen. In het *Tijdschrift van Nederlands-Indië* had ik kort daarvoor een verhaal van Jeronimus gelezen: *de Japanse Steenhouwer* ...

Hoor eens, die Jeronimus heeft mooie dingen geschreven! Hebben jullie zijn *Vendutie in een sterfhuis* gelezen? En zijn *Graven*? En vooral de *Pedatti*? Ik zal het jullie geven.

Ik had dus net *de Japanse Steenhouwer* gelezen. Ach, nu herinner ik me opeens hoe ik zojuist verdwaald ben geraakt in dat liedje. Daarin laat ik het "donker oog" van die vissersjongen "rondom dwalen" in één richting, tot hij er scheel van wordt ... Heel gek! Dat was een aaneenschakeling van gedachten. Mijn ergernis van die dag had te maken met het gevaarlijke van de ree van Natal. Je weet, Verbrugge, dat geen oorlogsschip die ree mag aandoen, vooral niet in juli. Ja, Duclari, de westmoesson is daar in juli het sterkst, precies andersom dan hier. Nu, dat gevaar van die ree hing vast aan mijn gekwetste eerzucht. En die eerzucht hangt weer samen met dat liedje over Djiwa. Ik had de resident herhaaldelijk voorgesteld om in Natal een zeewering te maken. Of tenminste een kunstmatige haven in de monding van de rivier. Zo wilde ik handel brengen in de afdeling Natal, die de zo belangrijke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf miljoen mensen in het binnenland wisten geen weg met hun product. De ree van Natal had namelijk—en terecht!—een heel slechte naam. Nu, die voorstellen werden door de resident niet goedgekeurd. Of hij beweerde tenminste dat de Regering ze niet zou goedkeuren. En je weet dat behoorlijke residenten alleen iets voorstellen waarvan ze vooraf weten dat het Gouvernement het goedvindt. Een haven in Natal maken ging in principe in tegen het stelsel van afsluiting. Men wilde er geen schepen heen lokken. Het was zelfs verboden raschepen op de ree *toe te laten*, behalve bij *force majeure*. Soms kwam er toch een schip. Dat waren meestal Amerikaanse walvisvaarders, of Fransen die peper hadden geladen in de onafhankelijke rijkjes op de noordhoek. Dan liet ik me altijd een brief schrijven door de kapitein, waarin hij toestemming vroeg om drinkwater in te nemen. Mijn pogingen om iets voor Natal te doen waren mislukt. Daarover was ik boos, of liever: mijn ijdelheid was gekwetst ... Was het niet hard voor me dat ik nog zo weinig betekende? Ik kon niet eens een haven laten maken waar ik wilde! Nu, dit alles had me die dag zo onbeminnelijk gemaakt, samen met mijn kandidatuur voor het regelen van een zonnestelsel. De ondergang van de zon genas me een beetje, want ontevredenheid is een ziekte. En juist die ziekte bracht me *de Japanse Steenhouwer* in gedachten. Misschien vertelde ik dat verhaal alleen *daarom* hardop. Ik maakte mezelf wijs dat ik het deed uit vriendelijkheid voor dat kind. Zo nam ik misschien stiekem de laatste druppel van het drankje dat ik nodig had. Maar zij, dat kind, genas me—tenminste voor een paar dagen—beter dan mijn verhaal. Dat moet ongeveer zo geklonken hebben:

"Oepi, er was een man die stenen hakte uit de rots. Zijn werk was heel zwaar, en hij werkte veel, maar zijn loon was klein. En tevreden was hij niet.

Hij zuchtte omdat zijn werk zwaar was. En hij riep: och, was ik maar rijk, om te rusten op een *baleh-baleh* met een *klamboe* van rode zijde.

En er kwam een engel uit de hemel, die zei: het zal zijn zoals u gezegd hebt.

En hij *was* rijk. En hij rustte op een *baleh-baleh*, en de *klamboe* was van rode zijde.

En de koning van het land trok voorbij, met ruiters voor zijn wagen. En ook achter de wagen waren ruiters, en men hield de gouden *pajong* boven het hoofd van de koning.

En toen de rijke man dit zag, ergerde het hem dat er geen gouden *pajong* boven zijn hoofd werd gehouden. En tevreden was hij niet.

Hij zuchtte, en riep: ik wilde dat ik koning was.

En er kwam een engel uit de hemel, die zei: het zal zijn zoals u gezegd hebt.

En hij *was* koning. En voor zijn wagen reden veel ruiters, en ook achter zijn wagen waren ruiters. En boven zijn hoofd hield men de gouden *pajong*.

En de zon scheen met hete stralen, en verbrandde de aarde, zodat het gras dor werd.

En de koning klaagde dat de zon hem in het gezicht brandde, en macht had over hem. En tevreden was hij niet.

Hij zuchtte, en riep: ik wilde dat ik de zon was.

En er kwam een engel uit de hemel, die zei: het zal zijn zoals u gezegd hebt.

En hij *was* de zon. En hij zond zijn stralen naar boven en naar beneden, naar rechts en naar links, en overal.

En hij verbrandde het gras op de aarde, en het gezicht van de vorsten die op de aarde waren.

En een wolk ging tussen de aarde en hem staan, en de stralen van de zon stuitten daarop terug.

En hij werd boos dat men zijn macht weerstond, en hij klaagde dat die wolk macht had over hem. En tevreden was hij niet.

Hij wilde de wolk zijn, die zo machtig was.

En er kwam een engel uit de hemel, die zei: het zal zijn zoals u gezegd hebt.

En hij werd een wolk, en ging tussen de zon en de aarde staan. En hij ving de stralen op, zodat het gras groen werd.

En de wolk regende in grote druppels op de aarde, en deed de rivieren zwellen. En *banjirs* voerden de kudden weg.

En hij verwoestte het veld met veel water.

En hij viel neer op een rots, die niet week. En hij kletterde in grote stromen, maar de rots week niet.

En hij werd boos omdat de rots niet wilde wijken, en omdat de kracht van zijn stromen nutteloos was. En tevreden was hij niet.

Hij riep: aan die rots is macht gegeven over mij. Ik wilde dat ik die rots was.

En er kwam een engel uit de hemel, die zei: het zal zijn zoals u gezegd hebt.

En hij *werd* rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het regende.

En daar kwam een man met een houweel, en met een puntige beitel, en met een zware hamer. Hij hakte stenen uit de rots. En de rots zei: wat is dit, dat die man macht heeft over mij, en stenen hakt uit mijn schoot? En tevreden was hij niet.

Hij riep: ik ben zwakker dan deze man ... ik wilde dat ik die man was.

En er kwam een engel uit de hemel, die zei: het zal zijn zoals u gezegd hebt.

En hij was een steenhouwer. En hij hakte stenen uit de rots, met zwaar werk. En hij werkte heel zwaar voor weinig loon, en hij was tevreden."

—Heel aardig, riep Duclari, maar u moet ons nog het bewijs geven dat die kleine Oepi imponderabel had moeten zijn.

—Neen, dat bewijs heb ik niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen hoe ik haar heb leren kennen. Toen mijn verhaaltje uit was, vroeg ik:

"En jij, Oepi, wat zou jij kiezen, als een engel uit de hemel je kwam vragen wat je wilde?"

"Voorzeker, meneer, ik zou hem bidden mij mee te nemen naar de hemel."

—Is dat niet beeldig? vroeg Tine aan haar gasten, die het misschien heel gek vonden ...

Havelaar stond op, en veegde iets weg van zijn voorhoofd.

### Woordenlijst

- **suite**: twee of meer kamers die in elkaar overlopen; in die tijd iets deftigs
- **uitwendig**: Stern bedoelt: uit het hoofd; een fout die uit het Duits komt
- **auf Ehrenwort**: Duits: op mijn erewoord
- **Herzliebchen**: Duits: lieveling, schat
- **Märchen, düftend**: Duits: sprookjes, geurend
- **prul**: iets dat niets waard is
- **belijdenis**: plechtige verklaring waarmee iemand volwassen lid van de kerk wordt
- **Artis**: dierentuin in Amsterdam, met leden
- **courtage**: het geld dat een makelaar krijgt voor zijn werk
- **onderkruiper**: iemand die het werk van een ander goedkoper doet en hem zo klanten afneemt
- **ketimon**: komkommer
- **tableau vivant**: Frans: mensen die stil staan en samen een schilderij nadoen
- **va et vient**: Frans: het heen en weer gaan
- **coûte que coûte**: Frans: wat het ook kost
- **beau jeu**: Frans: alle kans, een groot voordeel
- **en pomme de terre, pour tout de bon**: Frans: in de vorm van een aardappel; echt, helemaal
- **datoe**: hoofd op Sumatra
- **prahoe, prauw**: boot
- **ungeniessbar, gemütlicher**: Duits: niet te genieten, onaangenaam in de omgang; gezelliger, op zijn gemak
- **freule**: ongetrouwde jonge vrouw van adel
- **kiskassen**: een plat steentje over het water laten springen
- **de O**: de oceaan
- **ree**: plaats in zee voor de kust waar schepen voor anker gaan
- **toewan**: heer, meneer
- **krandjang**: mand
- **baleh-baleh**: bank of bed van bamboe
- **klamboe**: net rond een bed tegen muggen
- **pajong**: pronkparaplu; de gouden is teken van hoge rang
- **banjirs**: overstromingen
- **imponderabel**: zonder gewicht, niet van stof

## Twaalfde hoofdstuk

—Beste Max, zei Tine, ons dessert is zo mager. Zou je niet ... je weet wel ... Madame Geoffrin?

—Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben hees. Verbrugge is aan de beurt.

—Ja, meneer Verbrugge! Lost u Max wat af, vroeg mevrouw Havelaar.

Verbrugge dacht even na, en begon:

—Er was eens een man die een kalkoen stal ...

—O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je uit Padang! En hoe gaat het verder?

—Het is uit. Wie kent het einde van die geschiedenis?

—*Wel*, *ik*! Ik heb hem opgegeten, samen met ... iemand. Weet je waarom ik in Padang gesuspendeerd was?

—Men zei dat er een tekort was in uw kas in Natal, antwoordde Verbrugge.

—Dat was niet helemaal onwaar, maar *waar* was het ook niet. Ik was in Natal door allerlei oorzaken heel slordig geweest met mijn geldzaken. Op mijn verantwoording was echt veel aan te merken. Maar dat kwam in die dagen zo vaak voor! Het noorden van Sumatra was kort na de inname van Baroes, Tapoes en Singkel heel verward en onrustig. Daarom kon men het een jong mens niet kwalijk nemen dat niet alles zo ordelijk en geregeld ging. Zo'n jong mens zat liever te paard dan dat hij geld telde of kasboeken bijhield. Orde kon men wel eisen van een Amsterdamse boekhouder die niets anders te doen heeft. De Battahlanden waren onrustig, en je weet, Verbrugge, dat alles wat daar gebeurt, altijd doorwerkt in het Natalse. Ik sliep 's nachts helemaal gekleed om snel klaar te zijn, en dat was dan ook vaak nodig. Daarbij heeft het gevaar ... Enige tijd voor mijn komst was er een complot ontdekt, om mijn voorganger te vermoorden en opstand te maken. Het gevaar heeft iets aantrekkelijks, vooral als men pas tweeëntwintig jaar oud is. Dat aantrekkelijke maakt iemand soms ongeschikt voor kantoorwerk. Of voor de stijve nauwkeurigheid die nodig is voor een goed beheer van geld. Bovendien had ik allerlei gekheden in mijn hoofd ...

—*Traoessa*? riep mevrouw Havelaar tegen een bediende.

—*Wat* hoeft niet?

—Ik had gezegd dat er nog iets klaargemaakt moest worden in de keuken ... een omelet of zoiets.

—Ah! En dat hoeft niet meer, nu ik over mijn gekheden begin? Je bent ondeugend, Tine! Mij is het goed, maar die heren hebben ook een stem. Verbrugge, wat kies je, je deel van de omelet of de geschiedenis?

—Dat is een moeilijke positie voor een beleefd mens, zei Verbrugge.

—En ook ik zou liever niet kiezen, zei Duclari, want het gaat hier om een uitspraak tussen meneer en mevrouw. En: *entre l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt*.

—Ik zal u helpen, heren, de omelet is ...

—Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel evenveel waard zijn als ...

—Als de geschiedenis? Zeker, *als* ze wat waard was! Maar er is een bezwaar ...

—Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat toch bij mij halen wat u nodig hebt!

—Suiker is er ... van mevrouw Slotering. Neen, daaraan ligt het niet. Als de omelet verder goed was, zou dat geen bezwaar zijn, maar ...

—Hoe dan, mevrouw, is ze in het vuur gevallen?

—Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in het vuur vallen. Ze is ...

—Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch?

—Ze is imponderabel, Max, zoals je vrouwen in Arles ... hadden moeten zijn! Ik heb geen omelet ... ik heb niets meer!

—Dan in hemelsnaam de geschiedenis! zuchtte Duclari in grappige wanhoop.

—Maar koffie hebben we, riep Tine.

—Goed! Koffiedrinken in de voorgalerij, en laten we mevrouw Slotering met de meisjes erbij roepen, zei Havelaar. Daarop ging het kleine gezelschap naar buiten.

—Ik denk dat ze zal bedanken, Max! Je weet dat ze ook liever niet met ons eet, en ik kan haar geen ongelijk geven.

—Ze zal gehoord hebben dat ik verhalen vertel, zei Havelaar, en dat heeft haar bang gemaakt.

—Wel neen, Max, daar zou ze geen last van hebben: ze verstaat geen Hollands. Neen, ze heeft me gezegd dat ze haar eigen huishouden wil blijven voeren, en dat begrijp ik heel goed. Weet je nog hoe je mijn naam vertaald hebt?

—*E.H.V.W.: eigen haard veel waard*.

—Daarom! Ze heeft groot gelijk. Bovendien lijkt ze me wat bang voor mensen. Stel je voor dat ze alle vreemden die het erf betreden, laat wegjagen door de oppassers ...

—Ik vraag om de geschiedenis of de omelet, zei Duclari.

—Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben recht op een volledige maaltijd, en daarom eis ik de geschiedenis van de kalkoen.

—Die heb ik je al gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen van generaal Vandamme, en heb het opgegeten ... met iemand.

—Voor die "iemand" ten hemel voer, zei Tine plagend.

—Neen, dat is valsspelen! riep Duclari. We moeten weten waarom u die kalkoen ... weggenomen hebt.

—*Wel*, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van generaal Vandamme, die me gesuspendeerd had.

—Als ik er niet meer over te weten kom, breng ik de volgende keer zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.

—Geloof me, er zat niets meer achter dan *dat*. Hij had heel *veel* kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren langs mijn deur ... Ik nam er een, en ik sprak met de man die dacht dat hij erop paste. Ik zei: "Zeg de generaal dat ik, Max Havelaar, deze kalkoen neem omdat ik eten wil."

—En dan dat epigram?

—Heeft Verbrugge je daarover verteld?

—Ja.

—Dat had niets met de kalkoen te maken. Ik maakte dat ding omdat hij zoveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er in Padang zeker zeven of acht die hij met meer of minder recht geschorst had. Veel van hen verdienden dat veel minder dan ik. De assistent-resident van Padang zelf was gesuspendeerd. De reden was, denk ik, een heel andere dan die in het besluit stond. Ik wil je dat wel vertellen, maar ik kan niet verzekeren dat ik alles juist weet. Ik vertel alleen na wat men in de *Chinese kerk* in Padang voor waar hield. Het *kan* ook waar geweest zijn, vooral gezien de bekende eigenschappen van de generaal.

Hij had, moet je weten, zijn vrouw getrouwd om een weddenschap te winnen, en daarmee een anker wijn. Hij ging dus vaak 's avonds uit, om ... overal rond te lopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje zijn incognito heel streng gerespecteerd hebben. Hij zou hem namelijk een pak slaag gegeven hebben, net als een *gewone* straatschender. Niet ver daarvandaan woonde Miss X. Er ging een gerucht dat die Miss het leven zou hebben gegeven aan een kindje dat ... verdwenen was. De assistent-resident was als hoofd van de politie verplicht zich met die zaak te bemoeien. Hij was dat ook echt van plan. Hij schijnt daarover iets gezegd te hebben op een kaartavond bij de generaal. Maar kijk, de volgende dag krijgt hij het bevel naar een bepaalde afdeling te gaan. De controleur die daar de leiding had, was geschorst wegens echte of vermoede oneerlijkheid. De assistent-resident moest *in loco* bepaalde zaken onderzoeken en daarover "dienen van bericht". Hij was *wel* verbaasd dat hem iets werd opgedragen dat zijn afdeling helemaal niet aanging. Maar strikt genomen kon hij deze opdracht zien als een eervolle onderscheiding. Ook stond hij op heel vriendschappelijke voet met de generaal. Hij had dus geen reden om aan een valstrik te denken. Daarom nam hij de opdracht aan. Hij ging naar ... ik wil vergeten zijn waarheen, om te doen wat hem bevolen was. Na enige tijd komt hij terug, en hij biedt een verslag aan dat niet ongunstig is voor die controleur. Maar kijk, in die tijd had het publiek in Padang—dat is: niemand en iedereen—iets ontdekt. Die ambtenaar was alleen gesuspendeerd om de assistent-resident uit de plaats weg te krijgen. Zo kon men zijn onderzoek naar de verdwijning van dat kind voorkomen. Of men kon het tenminste uitstellen tot een tijd waarin de zaak moeilijker op te helderen was. Ik herhaal dat ik niet weet of dit waar was. Maar door wat ik later zelf over generaal Vandamme te weten kwam, lijkt dit me geloofwaardig. In Padang was er niemand die hem niet tot zoiets in staat achtte, gezien het lage peil van zijn zedelijkheid. De meesten gaven hem maar één goede eigenschap: hij was onverschrokken in gevaar. Ik heb hem in gevaar gezien. Stel dat ik vond dat hij *après tout* een dapper man was. Dan zou dat alleen al reden zijn om dit verhaal niet te vertellen. Het is waar, hij had op Sumatra veel laten "sabreren". Maar wie sommige gebeurtenissen van dichtbij had gezien, voelde de neiging om iets af te doen aan zijn dapperheid. Hoe vreemd het ook lijkt, ik geloof dat hij zijn soldatenroem grotendeels te danken had aan de zucht naar tegenstelling. Die zit min of meer in ons allemaal. Men zegt graag: het is waar dat Peter of Paul *dit*, *dit* of *dit* is. Maar ... *dat* is hij, *dat* moet men hem laten! En men is nooit zo zeker van lof als wanneer men een heel opvallend gebrek heeft. Jij, Verbrugge, bent alle dagen dronken ...

—Ik? vroeg Verbrugge, die een voorbeeld was van matigheid.

—Ja, *ik* maak je nu dronken, alle dagen! Je vergeet jezelf zo erg dat Duclari 's avonds in de galerij over je struikelt. Dat zal hij onaangenaam vinden. Maar meteen zal hij zich herinneren dat hij iets goeds in je gezien heeft, dat hem vroeger niet opviel. En als ik dan kom, en ik vind je zo erg ... *horizontaal*, dan legt hij zijn hand op mijn arm. Dan roept hij uit: "Och, geloof toch dat hij verder zo'n beste, brave, knappe jongen is!"

—Dat zeg ik *toch* van Verbrugge, riep Duclari, al is hij *verticaal*.

—Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je hoe vaak men hoort zeggen: "O, als *die* man op zijn zaken wilde letten, *dat* zou iemand zijn! Maar ..." En dan volgt het betoog hoe hij *niet* op zijn zaken let en dus *niemand* is. Ik denk dat ik hiervan de reden weet. Ook van de doden hoort men altijd goede eigenschappen die we vroeger niet merkten. De oorzaak zal wel zijn dat ze niemand *in de weg staan*. Alle mensen zijn min of meer concurrenten. We zouden graag *elk* ander *helemaal* en *in alles* onder ons plaatsen. Maar dat hardop zeggen verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang. Want heel snel zou niemand ons meer geloven, ook al zeiden we iets waars. Er moet dus een omweg gezocht worden, en kijk hoe we dat doen. Als jij, Duclari, zegt: "De luitenant Slobkous is een goed soldaat, echt, hij is een goed soldaat. Ik kan je niet genoeg zeggen wat een goed soldaat luitenant Slobkous is ... maar een *theoreticus* is hij niet ..."

Heb je dat niet zo gezegd, Duclari?

—Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien.

—Goed, verzin er dan een, en zeg dat van hem.

—*Wel*, ik verzin hem, en ik zeg het.

—Weet je wat je nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jij, Duclari, *à cheval* bent op de *theorie*. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen verkeerd als we zo boos worden op iemand die heel slecht is. Want de goeden onder ons zijn zo dicht bij het slechte! Laat de volmaaktheid eens nul heten, en honderd graden slecht betekenen. Wij dobberen tussen achtennegentig en negenennegentig! Hoe verkeerd doen we dan als we *haro* roepen over iemand die op honderdeen staat! En ik geloof dat velen die honderdste graad alleen niet halen omdat ze goede eigenschappen missen. Moed bijvoorbeeld, om helemaal te zijn wat men is.

—Op hoeveel graden sta ik, Max?

—Ik heb een vergrootglas nodig voor de onderdelen, Tine.

—Ik protesteer, riep Verbrugge—neen, mevrouw, niet tegen uw nabijheid bij de nul! Neen, maar er zijn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind zoek, een generaal is in staat van beschuldiging ... Ik vraag: *la pièce*!

—Tine, zorg toch dat er de volgende keer wat in huis is! Neen, Verbrugge, je krijgt *la pièce* niet voor ik nog een beetje heb rondgereden op mijn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk mens in zijn medemens een soort concurrent ziet. Men mag niet altijd afkeuren—dat zou opvallen! Daarom prijzen we graag een goede eigenschap te veel. Zo laten we de slechte eigenschap opvallen, en daar gaat het ons eigenlijk alleen om. Dan lijkt het niet alsof we partijdig zijn. Stel dat iemand bij mij klaagt omdat ik gezegd heb: "Zijn dochter is heel mooi, maar hij is een dief." Dan antwoord ik: "Hoe kun je daarover zo boos zijn! Ik heb immers gezegd dat je dochter een lief meisje is!" Zie je, dat wint dubbel! Wij zijn allebei kruideniers. Ik neem hem zijn klanten af, want die willen geen rozijnen kopen bij een dief. En tegelijk zegt men van mij dat ik een goed mens ben, omdat ik de dochter van een concurrent prijs.

—Neen, zo erg is het niet, zei Duclari, *dat* is wat sterk!

—Dat lijkt u nu zo, omdat ik de vergelijking wat kort en bruusk gemaakt heb. We moeten ons dat "hij is een dief" wat ingepakt voorstellen. De bedoeling van de vergelijking blijft waar. Soms moeten we iemand eigenschappen toekennen die recht geven op achting, eerbied of ontzag. Dan doet het ons plezier om naast die eigenschappen iets anders te ontdekken. Dat bevrijdt ons van die schuld, helemaal of voor een deel. "Voor *zo'n* dichter zou men het hoofd buigen, maar ... hij slaat zijn vrouw!" Zie je, dan gebruiken we graag de blauwe plekken van die vrouw als excuus om ons hoofd overeind te houden. En uiteindelijk doet het ons zelfs plezier dat hij dat mens slaat, wat toch anders heel lelijk is. Soms moeten we erkennen dat iemand eigenschappen heeft die hem de eer van een voetstuk waard maken. We *kunnen* zijn recht daarop niet langer ontkennen zonder door te gaan voor onwetend, gevoelloos of jaloers. Dan zeggen we ten slotte: "Goed, zet hem erop!" Maar we zijn nog bezig hem erop te zetten, en hij denkt nog dat we verrukt zijn over zijn grootheid. Dan leggen we al de strik in de *lasso*. Die moet dienen om hem bij de eerste gunstige gelegenheid naar beneden te halen. Hoe meer *mutatie* onder de *inhabers* van de voetstukken, hoe beter. Dan hebben anderen meer kans om ook eens aan de beurt te komen. Dat is zo waar dat we dit ook doen uit gewoonte en als oefening. Net als een jager die op kraaien schiet en ze toch laat liggen, halen we ook *die* standbeelden neer. Hun voetstuk kunnen we toch nooit beklimmen. Kappelman, die leeft van zuurkool en dun bier, zoekt verheffing in de klacht: "Alexander *was* niet groot ... hij was onmatig." Toch heeft Kappelman niet de minste kans om ooit met Alexander te concurreren in het veroveren van de wereld.

Hoe dit ook zij, ik ben er zeker van dat velen generaal Vandamme nooit zo dapper zouden hebben gevonden. Dat deden ze alleen omdat zijn dapperheid kon dienen als voertuig voor de vaste toevoeging: "Maar ... zijn zedelijkheid!" Ik ben ook zeker van dit: velen waren zelf op dit punt niet onaantastbaar. Zij zouden zijn onzedelijkheid niet zo hoog hebben opgenomen, als ze die niet nodig hadden gehad. Ze hadden haar nodig als tegenwicht tegen zijn roem van dapperheid, die sommigen uit hun slaap hield.

Eén eigenschap had hij werkelijk in hoge mate: wilskracht. Wat hij zich voornam, moest gebeuren, en het gebeurde ook meestal. Maar—zie je dat ik meteen weer de tegenstelling bij de hand heb? Maar in de keuze van de middelen was hij dan ook wat ... vrij. Zoals Van der Palm van Napoleon zei, ten onrechte naar ik geloof: "Hindernissen van zedelijkheid stonden hem nooit in de weg!" Nu, dan is het zeker makkelijker je doel te bereiken dan wanneer je je daaraan *wel* gebonden voelt.

De assistent-resident van Padang had dus een bericht ingediend dat gunstig was voor die gesuspendeerde controleur. Daardoor kreeg diens schorsing een tint van onrecht. De praatjes in Padang gingen door: men sprak nog altijd over het verdwenen kind. De assistent-resident voelde zich opnieuw geroepen die zaak op te pakken. Maar voor hij iets had kunnen ophelderen, kreeg hij een besluit van de Gouverneur van Sumatra's Westkust. Daarin werd hij gesuspendeerd "wegens oneerlijkheid in ambtsbetrekking". Men zei dat hij uit vriendschap of medelijden de zaak van die controleur, tegen beter weten in, verkeerd had voorgesteld.

Ik heb de stukken over deze zaak niet gelezen. Maar ik weet dat de assistent-resident helemaal geen band had met die controleur. Dat blijkt al hieruit dat men juist *hem* had gekozen om die zaak te onderzoeken. Verder weet ik dat hij een achtenswaardig man was, en dat ook de Regering dat vond. Dat blijkt uit het ongedaan maken van de schorsing, nadat de zaak buiten Sumatra's Westkust was onderzocht. Ook die controleur heeft later zijn eer helemaal teruggekregen. Hun schorsing gaf me het puntdicht in. Ik liet het op de ontbijttafel van de generaal leggen. Dat deed iemand die toen bij hem, en vroeger bij mij in dienst was.

Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,  
Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,  
Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...  
Als 't niet voor lange tijd finaal reeds ware ontslagen.

—Neem me niet kwalijk, meneer Havelaar, ik vind dat zoiets niet gepast was, zei Duclari.

—Ik ook ... maar ik moest toch *iets* doen! Stel je voor dat ik geen geld had, niets ontving, en van dag tot dag vreesde van honger te sterven. Dat is dan ook bijna gebeurd. Ik had weinig of geen relaties in Padang. Bovendien had ik de generaal geschreven dat *hij* verantwoordelijk was als ik omkwam van ellende. Ik schreef ook dat ik van niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden hoorden mensen hoe het met me ging, en ze nodigden me uit om bij hen te komen. Maar de generaal verbood dat men me daarvoor een pas gaf. Naar Java vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden. Misschien ook *daar*, als men niet zo bang was geweest voor de machtige generaal. Het leek zijn plan om me te laten verhongeren. Dat heeft negen maanden geduurd!

—En hoe bent u zo lang in leven gebleven? Of had de generaal *veel* kalkoenen!

—O ja! Maar dat hielp me niet ... zoiets doet men maar *één* keer, nietwaar? Wat ik in die tijd deed? Och ... ik maakte verzen, schreef komedies ... en meer van dat soort dingen.

—En was daarvoor in Padang rijst te koop?

—Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet hoe ik geleefd heb.

Tine drukte hem de hand, *zij* wist het.

—Ik heb een paar regels gelezen die u in die dagen geschreven zou hebben, achter op een kwitantie, zei Verbrugge.

—Ik weet wat je bedoelt. Die regels laten mijn positie zien. In die dagen bestond er een tijdschrift, *de Kopiist*, waarop ik geabonneerd was. Het stond onder de bescherming van de Regering—de redacteur was ambtenaar bij de algemene Secretarie. Daarom werd het abonnementsgeld in de kas van het land gestort. Men bood me een kwitantie van twintig gulden aan. Dat geld moest op de kantoren van de Gouverneur betaald worden. Als de kwitantie onbetaald bleef, moest ze door die kantoren terug naar Batavia. Van die gelegenheid maakte ik gebruik om achter op dat stuk te protesteren tegen mijn armoede:

Vingt-florins… quel trésor! Adieu, littérature,  
Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:  
Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,  
Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!

Si j'avais vingt florins je serais mieux chaussé,  
Mieux nourri, mieux logé, j'en ferais bonne chère…  
Il faut vivre avant tout, soit vie de misère:  
Le crime fait la honte, et non la pauvreté!

Later kwam ik in Batavia mijn twintig gulden brengen bij de redactie van de *Kopiist*. Maar toen was ik niets schuldig. Het schijnt dat de generaal dat geld zelf voor me betaald heeft. Zo hoefde hij die geïllustreerde kwitantie niet terug te sturen naar Batavia.

—Maar wat deed hij na het ... na het ... wegnemen van die kalkoen? Het was toch ... een diefstal! En na dat epigram?

—Hij strafte me verschrikkelijk! Hij had me voor die zaken kunnen laten berechten, als schuldig aan oneerbiedigheid tegenover de Gouverneur van Sumatra's Westkust. Met een beetje goede wil kon dat toen heten: "*poging tot ondermijning van het Nederlandse gezag, en aanzetten tot opstand*". Of: "*diefstal op de openbare weg*". Dan had hij getoond een goedhartig mens te zijn. Maar neen, hij strafte me beter ... akelig! De man die op de kalkoenen moest passen, liet hij bevelen voortaan een andere weg te nemen. En mijn puntdicht ... ach, *dat* is nog erger ... hij zei *niets*, en deed *niets*! Zie je, dat was wreed! Hij gunde me niet de minste martelaarshouding. Ik werd niet interessant door vervolging, en ik mocht niet ongelukkig zijn door mijn grote geestigheid! O, Duclari ... o, Verbrugge ... het was om voorgoed te walgen van puntdichten en kalkoenen! Zo weinig aanmoediging dooft de vlam van het genie uit tot de laatste vonk ... Inclusief: ik heb het nooit weer gedaan!

### Woordenlijst

- **Madame Geoffrin**: Franse dame met een beroemde kring van gasten; Tine bedoelt: vertel iets in plaats van gebak
- **gesuspendeerd**: tijdelijk uit zijn ambt gezet, geschorst
- **traoessa**: niet nodig
- **entre l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt**: Frans spreekwoord: bemoei je niet met een zaak tussen twee mensen die bij elkaar horen
- **imponderabel**: zonder gewicht, niet van stof
- **epigram**: kort, scherp gedicht; ook puntdicht genoemd
- **Chinese kerk**: hier: de plek in Padang waar de roddels vandaan kwamen
- **anker wijn**: oude maat: een vaatje wijn
- **surnumerair, straatschender**: jonge ambtenaar die nog geen vaste plaats heeft; iemand die op straat anderen lastigvalt
- **kalkoen**: grote vogel die men eet
- **incognito, in loco**: zonder dat men weet wie iemand is; ter plaatse
- **sabreren**: met de sabel neerslaan
- **haro**: *haro* roepen: luid protesteren tegen iemand
- **la pièce**: Frans: het stuk, hier: het echte verhaal
- **kwitantie**: bewijs dat iemand iets moet betalen of betaald heeft

## Dertiende hoofdstuk

—En mogen we nu weten waarom u eigenlijk gesuspendeerd was? vroeg Duclari.

—O ja, graag! Want alles wat ik hierover te zeggen heb, kan ik als waar vertellen. Een deel kan ik zelfs bewijzen. Daaruit zullen jullie zien dat ik niet zonder nadenken handelde bij mijn verhaal over dat verdwenen kind. Ik wees de praatjes van Padang toen niet af als helemaal onzinnig. Men zal ze zeer geloofwaardig vinden, zodra men onze dappere generaal leert kennen in de zaken die *mij* betreffen.

Er waren dus onnauwkeurigheden en fouten in mijn kasboeken van Natal. Jullie weten dat elke onnauwkeurigheid op verlies uitloopt: door slordigheid houdt men nooit geld over. De boekhoudchef in Padang — die nu juist niet mijn beste vriend was — beweerde dat er duizenden tekort waren. Maar let op: zolang ik in Natal was, had men mij daar niet op gewezen. Helemaal onverwacht kreeg ik een overplaatsing naar de bovenlanden van Padang. Je weet, Verbrugge, hoe men daarover denkt op Sumatra. Een plaats in de bovenlanden van Padang vindt men voordeliger en prettiger dan in de noordelijke residentie. Nog maar een paar maanden eerder had ik de Gouverneur bij mij gehad. Zo meteen zullen jullie horen waarom, en hoe. Tijdens zijn verblijf in Natal, en zelfs in mijn huis, waren er dingen gebeurd. Daarin had ik me volgens mij zeer flink gedragen. Daarom zag ik die overplaatsing als een gunstige onderscheiding, en ik vertrok van Natal naar Padang. Ik maakte de reis met een Frans schip, de *Baobab* van Marseille. Dat schip had in Atjeh peper geladen, en had ... natuurlijk in Natal "gebrek aan drinkwater."

Zodra ik in Padang aankwam, wilde ik meteen doorreizen naar het binnenland. Maar eerst wilde ik, volgens gebruik en plicht, de Gouverneur bezoeken. Hij liet me echter zeggen dat hij me niet kon ontvangen. Ook liet hij zeggen dat ik mijn vertrek naar mijn nieuwe post moest uitstellen tot nader bevel. Jullie begrijpen dat ik hierover zeer verbaasd was. Temeer omdat hij in Natal in een stemming van mij was weggegaan die me iets deed denken. Ik dacht namelijk dat ik een vrij goede naam bij hem had.

Ik had maar weinig kennissen in Padang. Van die weinigen hoorde ik — of liever: ik merkte het aan hen — dat de generaal zeer boos op me was. Ik zeg dat ik het *merkte*. Want op een buitenpost zoals Padang toen was, was de vriendelijkheid van velen een soort thermometer. Daarop kon men aflezen hoeveel genade men had gevonden in de ogen van de Gouverneur. Ik voelde dat er een storm aankwam, zonder te weten uit welke hoek de wind zou komen.

Ik had geld nodig, en ik vroeg deze en gene om me te helpen. Ik stond werkelijk verbaasd, want overal kreeg ik een weigerend antwoord. In Padang, net als elders in Indië, speelt krediet een grote rol, zelfs een *te* grote rol. Men was op dat punt dus meestal vrij ruim. Anders had men graag een paar honderd gulden voorgeschoten aan een controleur op reis die onverwacht ergens werd opgehouden. Maar mij weigerde men alle hulp. Bij sommigen drong ik aan om de oorzaak van dit wantrouwen te noemen. En *de fil en aiguille* kwam ik eindelijk te weten wat er aan de hand was. Men had in mijn geldbeheer in Natal fouten en verzuimen ontdekt. Daardoor werd ik verdacht van ontrouwe administratie.

Dat er fouten in mijn administratie waren, verbaasde me helemaal niet. Het tegendeel zou me juist hebben verbaasd. Maar ik vond iets anders wel vreemd. De Gouverneur had het zelf gezien. Ik moest steeds ver van mijn bureau vechten tegen de ontevredenheid van de bevolking, en tegen aanhoudende pogingen tot opstand. Hij had me zelf geprezen voor wat hij "kordaatheid" noemde. En nu kon hij de ontdekte fouten ontrouw of oneerlijkheid noemen! Niemand kon beter dan hij weten dat het in deze zaken alleen om *force majeure* kon gaan.

En stel dat men deze *force majeure* ontkende. Stel dat men mij verantwoordelijk hield voor fouten die in mijn afwezigheid waren gemaakt. Ik was dan ver weg van de kas en alles wat daarop leek, vaak in levensgevaar! Het beheer moest ik op die momenten aan anderen toevertrouwen. Stel dat men eiste dat ik het ene had moeten doen zonder het andere na te laten. Zelfs dan was ik alleen schuldig geweest aan een slordigheid die niets gemeen had met "ontrouw." Er waren bovendien, vooral in die dagen, veel voorbeelden dat de Regering de moeilijke positie van ambtenaren op Sumatra begreep. Het leek dan ook een vast principe om bij zulke gelegenheden iets door de vingers te zien. Men was tevreden als de betrokken ambtenaren het ontbrekende geld terugbetaalden. Er moesten al zeer duidelijke bewijzen zijn, voordat men het woord "ontrouw" uitsprak of er zelfs maar aan dacht. Dit was zo'n vaste regel, dat ik er in Natal met de Gouverneur zelf over had gesproken. Ik had gezegd dat ik bang was veel te moeten betalen, als de bureaus in Padang mijn verantwoording hadden onderzocht. Toen antwoordde hij met een schouderophalen: "och ... die geldzaken!" Het was alsof hij zelf voelde dat het mindere moest wijken voor het meerdere.

Nu geef ik toe dat geldzaken belangrijk zijn. Maar hoe belangrijk ook, ze waren in dit geval minder belangrijk dan mijn andere zorgen en bezigheden. Stel dat er door slordigheid of verzuim een paar duizend gulden tekort waren in mijn beheer. Dat noem ik *op zichzelf* geen kleinigheid. Maar stel dat die duizenden ontbraken omdat ik met succes een opstand had voorkomen. Die opstand dreigde de streek Mandhéling in vuur en vlam te zetten. Hij kon ook de Atjinezen laten terugkeren naar de gebieden waaruit wij hen net hadden verjaagd. Dat verjagen had ons veel geld en mensen gekost. In zo'n geval weegt zo'n tekort niet meer. Het was zelfs al een beetje onredelijk om terugbetaling te eisen van iemand die oneindig grotere belangen had gered.

En toch vond ik zo'n terugbetaling goed. Want als men die niet eiste, zou men de deur te wijd openzetten voor oneerlijkheid.

Na dagen wachten — jullie begrijpen in welke stemming! — kreeg ik een brief van het secretariaat van de Gouverneur. Daarin liet men mij weten dat ik werd verdacht van ontrouw. Ik kreeg het bevel me te verantwoorden voor een hele reeks opmerkingen over mijn beheer. Sommige kon ik meteen ophelderen. Maar voor andere moest ik bepaalde stukken kunnen inzien. Vooral was het voor mij belangrijk om die zaken in Natal zelf na te gaan. Daar kon ik bij mijn medewerkers onderzoeken waar de gevonden verschillen vandaan kwamen. Waarschijnlijk zou het me daar gelukt zijn om alles op te helderen. Misschien was er bijvoorbeeld vergeten geld af te schrijven dat naar Mandhéling was gestuurd. Je weet, Verbrugge, dat de troepen in het binnenland uit de kas van Natal worden betaald. Of misschien was het iets dergelijks. Dat had ik hoogstwaarschijnlijk meteen gezien als ik ter plaatse had kunnen onderzoeken. En misschien waren die vervelende fouten daardoor ontstaan. Maar de generaal wilde me niet naar Natal laten gaan. Door deze weigering lette ik nog meer op de vreemde manier waarop die beschuldiging van ontrouw tegen mij was ingebracht. Waarom was ik zo onverwacht uit Natal overgeplaatst, en dan nog onder verdenking van ontrouw? Waarom vertelde men mij deze onterende verdenking pas toen ik ver was van de plaats waar ik me kon verantwoorden? En vooral, waarom liet men die zaken meteen zo ongunstig mogelijk zien, tegen de gewoonte in en tegen de billijkheid?

Ik had nog niet alle opmerkingen beantwoord, zo goed als dat kon zonder archief of mondelinge inlichtingen. Toen hoorde ik via anderen waarom de generaal zo boos op me was. "*Omdat ik hem in Natal zo gecontrarieerd had. En dat had ik, voegde men eraan toe, heel verkeerd gedaan*."

Toen ging er een licht voor me op. Ja, ik had hem gecontrarieerd, maar ik dacht naïef dat hij me daarom zou respecteren! Ik *had* hem gecontrarieerd, maar bij zijn vertrek had niets me laten vermoeden dat hij daarover boos was! Dom genoeg had ik de gunstige overplaatsing naar Padang gezien als een bewijs. Ik dacht dat hij mijn "contrariëren" mooi had gevonden. Jullie zullen zien hoe weinig ik hem toen kende.

Maar nu hoorde ik dat dit de oorzaak was van de scherpe kritiek op mijn geldbeheer. Zodra ik dat wist, had ik vrede met mezelf. Ik beantwoordde punt voor punt, zo goed als ik kon. Ik eindigde mijn brief — ik heb daarvan nog het klad — met deze woorden:

"*Ik heb de opmerkingen over mijn administratie beantwoord, zo goed als ik kon zonder archief of onderzoek ter plaatse. Ik verzoek Uhoogedelgestrenge mij alle welwillende consideraties te besparen. Ik ben jong, en onbeduidend vergeleken met de macht van de heersende ideeën. Mijn principes dwingen mij tegen die ideeën op te staan. Maar ik blijf toch trots op mijn morele onafhankelijkheid, trots op mijn eer*."

De volgende dag was ik gesuspendeerd wegens "ontrouwe administratie." De officier van justitie — toen zeiden we nog *fiscaal* — kreeg bevel tegenover mij "ambt en plicht" te doen.

En zo stond ik daar in Padang, nog geen drieëntwintig jaar oud. Ik keek naar de toekomst die mij oneer zou brengen! Men raadde mij aan me op mijn jonge leeftijd te beroepen. Ik was nog minderjarig toen de zogenaamde vergrijpen plaatsvonden. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde me niet achter mijn jeugd verschuilen. Ik had immers al te veel gedacht en geleden, en ... ik durf te zeggen: al te veel gewerkt. Jullie zien uit het slot van die brief dat ik niet als een kind behandeld wilde worden. Ik had immers in Natal tegenover de generaal mijn plicht gedaan als een man. En ook kunnen jullie uit die brief zien hoe ongegrond de beschuldiging tegen mij was. Echt, wie schuldig is aan lage vergrijpen, schrijft anders!

Men nam me niet gevangen, en dat had toch moeten gebeuren als die criminele verdenking ernstig was bedoeld. Maar misschien was dit schijnbare verzuim niet zonder reden. Een gevangene moet men immers onderdak en eten geven. Ik kon Padang niet verlaten, dus in werkelijkheid was ik *toch* een gevangene. Maar ik was een gevangene zonder dak en zonder brood. Ik schreef herhaaldelijk aan de generaal, maar elke keer zonder resultaat. Ik schreef dat hij mijn vertrek uit Padang niet *mocht* tegenhouden. Want al was ik schuldig aan het allerergste, geen enkele misdaad mocht worden gestraft met *honger lijden*.

De rechtsraad wist blijkbaar niet goed raad met de zaak. Hij vond een uitweg en verklaarde zich onbevoegd. Vervolging wegens een misdrijf in dienst mag namelijk alleen gebeuren met toestemming van de Regering in Batavia. Daarna hield de generaal me, zoals ik zei, negen maanden in Padang. Eindelijk kreeg hij van hogerhand het bevel me naar Batavia te laten vertrekken.

Een paar jaar later had ik wat geld — beste Tine, *jij* had het me gegeven! Toen betaalde ik een paar duizend gulden om de kasboeken van Natal van 1842 en 1843 in orde te maken. Daarna sprak ik iemand die men kon zien als vertegenwoordiger van de Regering van Nederlands-Indië. Hij zei: "dat had ik in uw plaats niet gedaan ... ik zou een wissel op de eeuwigheid hebben gegeven." *Ainsi va le monde!*

* * * * *

Havelaar wilde net beginnen met het verhaal waarop zijn gasten wachtten. Dat verhaal zou uitleggen waarin en waarom hij generaal Vandamme in Natal zo had "gecontrarieerd." Maar op dat moment verscheen mevrouw Slotering in de voorgalerij van haar woning. Ze wenkte de politieoppasser, die naast Havelaars huis op een bank zat. Hij ging naar haar toe. Daarna riep hij iets naar een man die net het erf was opgekomen. Die man ging waarschijnlijk naar de keuken achter het huis. Ons gezelschap had hier waarschijnlijk niet op gelet, maar Tine had die middag aan tafel iets gezegd. Ze had gezegd dat mevrouw Slotering zo schuw was, en dat ze iedereen leek te controleren die het erf opkwam. Men zag de man die door de oppasser geroepen was, naar haar toe gaan. Het leek wel of ze hem ondervroeg, en dat liep niet goed voor hem af. Hij draaide zich tenminste om en liep weer naar buiten.

—Dat spijt me wel, zei Tine. Dat was misschien iemand die kippen te koop had, of groente. Ik heb nog niets in huis.

—Wel, laat dan maar iemand daarvoor op pad gaan, antwoordde Havelaar. Je weet dat inlandse dames graag gezag uitoefenen. Haar man was hier vroeger de eerste persoon. Een assistent-resident betekent eigenlijk weinig, maar in zijn afdeling is hij een kleine koning. Zij is er nog niet aan gewend dat ze van die troon af is. Laten we die arme vrouw dit kleine plezier niet afnemen. Doe maar alsof je het niet merkt.

Dat viel Tine niet zwaar: *zij* hield niet van gezag.

Een uitweiding is hier nodig, en ik wil zelfs eens uitweiden over uitweidingen. Voor een schrijver is het soms niet gemakkelijk om precies tussen twee rotsen in zee door te varen. De ene rots is het te veel, de andere het te weinig. Dat wordt nog moeilijker als men toestanden beschrijft die de lezer naar een onbekend land moeten brengen. Plaatsen en gebeurtenissen hangen te nauw samen om de beschrijving van die plaatsen helemaal te kunnen missen. En die twee rotsen vermijden is dubbel moeilijk voor iemand die Indië heeft gekozen als toneel van zijn verhaal. Want een schrijver over Europese toestanden kan veel zaken als bekend aannemen. Maar wie zijn stuk in Indië laat spelen, moet zich steeds iets afvragen. Zal de lezer die Indië niet kent, dit of dat goed begrijpen? De Europese lezer denkt misschien dat mevrouw Slotering bij de Havelaars "logeert," zoals dat in Europa zou gaan. Dan moet hij het onbegrijpelijk vinden dat ze er niet bij was toen het gezelschap koffie dronk in de voorgalerij. Ik heb wel al gezegd dat zij in een apart huis woonde. Maar om dit goed te begrijpen, en ook latere gebeurtenissen, moet ik hem iets vertellen over Havelaars huis en erf.

De grote meester die de *Waverley* schreef, krijgt vaak een verwijt. Men zegt dat hij het geduld van zijn lezers misbruikt, omdat hij te veel bladzijden aan beschrijvingen van plaatsen geeft. Dat verwijt lijkt me ongegrond. Om te beoordelen of zo'n opmerking juist is, moet men zich volgens mij één eenvoudige vraag stellen. Was deze beschrijving nodig om de indruk goed te begrijpen die de schrijver u wilde geven? Zo ja, neem *hem* dan niet kwalijk dat hij iets van u verwacht. Hij verwacht dat u de moeite neemt te *lezen* wat hij de moeite nam te *schrijven*. Zo nee, gooi het boek dan weg. Want sommigen zijn leeg genoeg in hun hoofd om *zonder noodzaak* plaatsen te beschrijven in plaats van ideeën te geven. Zo'n schrijver is zelden de moeite van het lezen waard. Ook niet op het punt waar zijn beschrijving eindelijk ophoudt. Maar vergeet niet dat het oordeel van de lezer over wat wel of niet nodig is, vaak fout is. Want vóór de catastrofe kan hij niet weten wat nodig is om de toestanden langzaam te laten groeien. Stel dat hij na de catastrofe het boek opnieuw oppakt. Over boeken die men maar één keer leest, spreek ik niet. Stel dat hij dan nog denkt dat deze of gene uitweiding gemist had kunnen worden. Hij denkt dat dit de indruk van het geheel niet zou schaden. Dan blijft het altijd de vraag of hij wel dezelfde indruk van het geheel zou hebben gekregen. Want de schrijver heeft hem daartoe gebracht op een min of meer kunstige manier, juist door die uitweidingen. En een oppervlakkige lezer vindt ze overbodig.

Stel dat u een vreemde was geweest in de hallen van Kenilworth. Denkt u dat de dood van Amy Robsart u dan zo zou raken? De onwaardige Leicester liet zich aan haar zien in rijke kleding, en zijn ziel was zwart. Gelooft u dat daartussen geen verband is — een verband door tegenstelling? Voelt u niet dat Leicester oneindig lager stond dan hij in de *Kenilworth* wordt getekend? Iedereen die de man niet alleen uit de roman kent, weet dit. Maar de grote romanschrijver boeide liever door de kleuren kunstig te rangschikken dan door grove kleuren. Aan de onwaardige gunsteling van Elizabeth kleefde veel slijk en bloed. Hij vond het beneden zijn waardigheid om zijn penseel daarin te dopen. Hij wilde maar één stip aanwijzen in de poel van vuil. Maar hij wist zulke stippen te laten opvallen door de kleuren die hij er in zijn onsterfelijke werken naast zette.

Sommigen menen dat al dat ernaast gezette overbodig is en weg kan. Maar zij vergeten iets. Om effect te krijgen, zou men dan moeten overgaan naar een andere school. Die school heeft sinds 1830 lang in Frankrijk gebloeid. Sommige schrijvers zondigden hierin het meest tegen de goede smaak. Tot eer van Frankrijk moet ik zeggen: zij hadden juist in het buitenland het meeste succes, niet in Frankrijk zelf. Die school — ik hoop en geloof dat ze is uitgebloeid — vond het gemakkelijk werk. Ze greep met volle hand in plassen bloed. Daarmee gooide ze grote klodders op het schilderij, zodat men die van ver kon zien! Die ruwe strepen rood en zwart zijn dan ook met minder moeite te schilderen. De fijne lijnen in de kelk van een lelie kosten meer werk. Daarom koos die school meestal koningen als helden van haar verhalen. Het liefst koos ze koningen uit de tijd dat de volken nog onmondig waren. Kijk, het verdriet van de koning vertaalt men op papier in het gehuil van het volk. *Zijn* woede geeft de schrijver de kans om duizenden te doden op het slagveld. *Zijn* fouten geven ruimte om hongersnood en pest te schilderen. Dat alles geeft werk aan grove penselen! Bent u niet geraakt door het stomme, akelige van een lijk dat daar ligt? Er is plaats in mijn verhaal voor een slachtoffer dat nog stuiptrekt en gilt! Hebt u niet gehuild bij die moeder, die tevergeefs haar kind zoekt? Wel, ik toon u een andere moeder, die ziet hoe haar kind wordt gevierendeeld! Bleef u ongevoelig bij de marteldood van die man ... ik vermenigvuldig uw gevoel honderd keer! Ik laat naast hem negenennegentig andere mannen martelen! Neem de soldaat in een belegerde vesting, die uit honger zijn linkerarm opeet. Bent u hard genoeg om daarbij niet te rillen ...

Epicurist! Ik stel u voor te commanderen: "rechts en links, vormt de kring! Ieder ete de linkerarm op van zijn rechterbuurman ... mars!"

Ja, zo gaat akelige kunst over in dwaasheid ... en dat wilde ik even bewijzen.

En daarin zou men terechtkomen als men een schrijver te snel veroordeelt. Zo'n schrijver wil u langzaam voorbereiden op zijn catastrofe, zonder die schreeuwende kleuren te gebruiken.

Het gevaar aan de andere kant is echter *nog* groter. U veracht de pogingen van de grove literatuur, die met zulke ruwe wapens uw gevoel wil bestormen. Maar ... soms gaat de schrijver naar het andere uiterste. Hij zondigt door *te veel* af te wijken van de hoofdzaak, door *te veel* gekunsteld schilderwerk. Dan is uw woede nog sterker, en terecht. Want dan heeft hij u verveeld, en dat is onvergeeflijk.

Stel dat wij samen wandelen, en u gaat telkens van de weg af. U roept me in de struiken, alleen om de wandeling langer te maken. Dan vind ik dat onaangenaam, en ik neem me voor de volgende keer alleen te gaan. Maar misschien kunt u me daar een plant aanwijzen die ik niet kende. Of een plant met iets wat mij eerder niet was opgevallen. Misschien laat u me af en toe een bloem zien, die ik graag pluk en in mijn knoopsgat draag. Dan vergeef ik u dat afwijken van de weg, ja, dan ben ik er dankbaar voor.

En ook zonder bloem of plant: soms roept u mij opzij om me tussen de bomen door het pad te wijzen. Dat pad zullen we straks nemen, maar het ligt nu nog ver voor ons in de diepte. Het kronkelt als een bijna onzichtbaar streepje door het veld daar beneden. Ook dan neem ik u de afwijking niet kwalijk. Want als we eindelijk zover zijn, weet ik hoe onze weg door de bergen heeft gekronkeld. Dan weet ik waarom de zon, die zojuist *daar* stond, nu links van ons staat. Dan weet ik *waarom* die heuvel nu achter ons ligt, terwijl we de top eerst voor ons zagen ... Kijk, dan hebt u me door die afwijking het *begrijpen* van mijn wandeling gemakkelijk gemaakt. En begrijpen is genot.

Ik, lezer, heb u in mijn verhaal vaak op de grote weg gelaten. Het kostte me moeite om u niet mee te nemen in de struiken. Ik was bang dat de wandeling u zou vervelen. Ik wist namelijk niet of u plezier zou hebben in de bloemen en planten die ik u wilde wijzen. Maar ik geloof dat u het later prettig vindt dat u het pad hebt gezien dat we straks zullen nemen. Daarom voel ik me nu verplicht u iets te vertellen over Havelaars huis.

Men zou verkeerd doen door zich een huis in Indië voor te stellen naar Europese ideeën. Men moet niet denken aan een massa steen, met kamers en kamertjes op elkaar gestapeld. Met de straat ervoor, en links en rechts buren van wie de huisgoden tegen de onze aanleunen. En erachter een tuintje met drie bessenstruiken. Met weinig uitzonderingen hebben de huizen in Indië geen verdieping. Dit vindt de Europese lezer vreemd. Want het is typisch voor de beschaving — of voor wat daarvoor doorgaat — om alles vreemd te vinden wat natuurlijk is. De Indische huizen zijn heel anders dan de onze, maar niet *zij* zijn vreemd, *onze* huizen zijn vreemd. Iemand kon zich voor het eerst de luxe veroorloven om niet in één kamer met zijn koeien te slapen. Die zette de tweede kamer van zijn huis niet *op*, maar *naast* de eerste. Want gelijkvloers bouwen is eenvoudiger, en zo'n huis is ook gemakkelijker om in te wonen. Onze hoge huizen zijn geboren uit gebrek aan ruimte. We zoeken in de lucht wat we op de grond niet hebben. Neem een dienstmeisje dat 's avonds het raam sluit van het zolderkamertje waar ze slaapt. Zij is eigenlijk een levend protest tegen de overbevolking ... al denkt ze zelf aan iets anders, wat ik graag geloof.

Er zijn dus landen waar beschaving en overbevolking de mensen nog niet naar boven hebben geperst. Beneden zijn ze er nog niet samengedrukt. Daar zijn de huizen zonder verdieping, en het huis van Havelaar was geen van de weinige uitzonderingen op deze regel. Als men binnenkomt ... maar neen, ik wil bewijzen dat ik afzie van alle schilderachtigheid. *Gegeven is*: een rechthoek die u wel in eenentwintig vakken wilt verdelen, drie breed en zeven diep. We nummeren die vakken. We beginnen linksboven en gaan naar rechts, zodat *vier* onder *één* komt, *vijf* onder *twee*, enzovoort.

De eerste drie nummers samen vormen de voorgalerij. Die is aan drie kanten open, en haar dak rust aan de voorkant op zuilen. Van daar komt men door twee dubbele deuren in de binnengalerij. Die wordt gevormd door de drie volgende vakken. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 18 zijn kamers. De meeste daarvan zijn met deuren verbonden met de kamers ernaast ... De drie hoogste nummers vormen de open achtergalerij. Wat ik oversloeg, is een soort open binnengalerij, gang of doorloop. Ik ben echt trots op deze beschrijving.

Het is moeilijk te zeggen welke Nederlandse uitdrukking het idee weergeeft dat men in Indië bij het woord "erf" heeft. Erf is daar geen tuin, geen park, geen veld en geen bos. Het is iets daarvan, of alles samen, of niets van dat alles. Het is de grond die bij het huis hoort, voor zover het huis die niet bedekt. In Indië zou de uitdrukking "tuin *en* erf" dan ook twee keer hetzelfde zeggen. Er *zijn* daar geen of weinig huizen zonder zo'n erf. Sommige erven hebben bos en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Andere zijn bloementuinen. Elders is het hele erf één groot grasveld. En ten slotte zijn er heel eenvoudige erven, die helemaal zijn gemaakt tot een verhard plein. Dat is misschien minder mooi voor het oog, maar het houdt de huizen schoner. Veel soorten insecten komen namelijk op gras en bomen af.

Havelaars erf was erg groot. Ja, hoe vreemd het ook klinkt, aan één kant kon men het oneindig noemen. Het grensde daar aan een ravijn, dat doorliep tot aan de oevers van de Tjioedjoeng. Dat is de rivier die met een van haar vele bochten om Rangkas-Betoeng heen loopt. Het was moeilijk te bepalen waar het erf van de woning van de assistent-resident ophield, en waar de gemeentegrond begon. Het water in de Tjioedjoeng steeg en daalde namelijk sterk. Soms trok de rivier zich terug, zo ver als men kon zien. Dan weer vulde ze het ravijn tot vlak bij Havelaars huis. Zo veranderden de grenzen voortdurend.

Dit ravijn was dan ook altijd een doorn in het oog geweest van mevrouw Slotering, wat heel begrijpelijk is. De planten groeien overal in Indië al zo snel. Maar hier groeiden ze bijzonder sterk, door de modder die het water steeds achterliet. Soms steeg of daalde het water zo krachtig, dat het de struiken ontwortelde en meenam. Maar dan was er maar heel weinig tijd nodig om de grond weer te bedekken met al die wilde planten. Daardoor was het moeilijk om het erf schoon te houden, ook vlak bij het huis. En dit gaf veel verdriet, ook aan wie geen huismoeder was. Over allerlei insecten spreek ik nog niet eens. Die vlogen 's avonds meestal in zulke grote aantallen om de lamp, dat lezen en schrijven onmogelijk werd. Dat is op veel plaatsen in Indië lastig. Maar in die struiken leefden ook heel veel slangen en andere dieren. Die bleven niet in het ravijn. Ze werden ook telkens gevonden in de tuin naast en achter het huis, of op het gras van het voorplein.

Dit plein had men recht voor zich, als men in de buitengalerij stond met zijn rug naar het huis. Links daarvan lag het gebouw met de bureaus, de kas en de vergaderzaal. Daar had Havelaar die morgen de Hoofden toegesproken. Daarachter lag het ravijn, dat men kon overzien tot aan de Tjioedjoeng. Recht tegenover de bureaus stond de oude woning van de assistent-resident, waar nu tijdelijk mevrouw Slotering woonde. Men kwam van de grote weg op het erf via twee wegen, die langs beide kanten van het grasveld liepen. Daaruit volgt vanzelf iets. Wie het erf opkwam en naar de keuken of de stallen achter het hoofdgebouw ging, kwam altijd ergens langs. Hij moest langs de bureaus of langs de woning van mevrouw Slotering. Opzij van het hoofdgebouw en daarachter lag de vrij grote tuin. Tine was blij geweest om de vele bloemen die ze daar vond, en vooral omdat kleine Max daar zo vaak zou spelen.

Havelaar had zich bij mevrouw Slotering laten verontschuldigen, omdat hij haar nog geen bezoek had gebracht. Hij nam zich voor de volgende dag te gaan. Maar Tine was er geweest en had kennisgemaakt. We hoorden al dat die dame een zogenaamd "inlands kind" was, die alleen Maleis sprak. Ze had laten weten dat ze haar eigen huishouding wilde blijven voeren, en Tine vond dat goed. Dat kwam niet doordat Tine ongastvrij was. Het kwam vooral doordat ze bang was dat ze mevrouw Slotering niet goed genoeg kon ontvangen. Ze was pas in Lebak aangekomen en nog niet "op orde." En de bijzondere omstandigheden waarin deze dame verkeerde, vroegen om een goede ontvangst. Zij verstond geen Nederlands, dus zou ze wel niet "gedeerd" worden door de verhalen van Max, zoals Tine het had genoemd. Maar Tine begreep dat er meer nodig was dan de familie Slotering niet te *deren*. De schrale keuken en de geplande zuinigheid deden haar het plan van mevrouw Slotering echt heel verstandig vinden.

Of de omgang onder andere omstandigheden tot wederzijds plezier had geleid, blijft de vraag. Mevrouw Slotering sprak maar één taal, en daarin is niets gedrukt wat de geest beschaaft. Tine zou haar zo goed mogelijk gezelschap hebben gehouden. Ze zou veel met haar hebben gepraat over keukenzaken, over *sambal-sambal*, over het inmaken van *ketimon* — zonder Liebig, o goden! Maar zoiets blijft toch altijd een opoffering. Men vond het dus heel goed dat mevrouw Slotering zich uit vrije wil afzonderde. Zo hadden beide partijen volkomen vrijheid. Maar vreemd was het wel dat die dame niet alleen weigerde mee te eten aan de gezamenlijke maaltijden. Ze maakte zelfs geen gebruik van het aanbod om haar eten te laten klaarmaken in de keuken van Havelaars huis. "Deze bescheidenheid, zei Tine, ging wat ver, want de keuken was ruim genoeg."

### Woordenlijst

- **gesuspendeerd**: tijdelijk uit zijn ambt gezet, geschorst
- **gecontrarieerd**: tegengewerkt, iemand dwarsgezeten
- **de fil en aiguille**: Frans: stap voor stap, het ene na het andere
- **force majeure**: Frans: overmacht, iets waar iemand niets aan kan doen
- **Uhoogedelgestrenge**: oude, beleefde aanspreektitel voor een hoge ambtenaar
- **consideraties**: hier: vriendelijke toegeeflijkheid, rekening houden met iemand
- **ontrouw**: hier: oneerlijk met geld dat iemand beheert
- **wissel op de eeuwigheid**: een wissel is een papier met de belofte later te betalen; "op de eeuwigheid" betekent: nooit
- **Ainsi va le monde**: Frans: zo gaat het in de wereld
- **uitweiding**: een stuk tekst dat van het hoofdonderwerp afgaat
- **ravijn**: diepe, smalle vallei
- **huisgoden**: oude goden van het huis; hier grappig: het huis en alles wat erbij hoort
- **inlandse, inlands kind**: oud woord voor: van de bewoners van Indië, nu beledigend; een inlands kind is iemand van Europese en Indische afkomst
- **bijzondere omstandigheden**: hier: zwanger
- **ketimon**: komkommer

## Veertiende hoofdstuk

Jullie weten, begon Havelaar, dat de Nederlandse bezittingen aan de westkust van Sumatra grenzen aan onafhankelijke rijken in de noordhoek. Atjeh is daarvan het belangrijkste. Men zegt dat er een geheim artikel staat in het verdrag van 1824. Dat verplicht ons tegenover de Engelsen om de rivier van Singkel niet over te steken. Generaal Vandamme breidde zijn gebied met een *faux-air Napoléon* graag zo ver mogelijk uit. In die richting stuitte hij dus op een hindernis waar hij niet langs kon. Ik moet wel geloven dat dit geheime artikel bestaat. Anders zou het me verbazen dat de Radjahs van Troeman en Analaboe niet allang onder Nederlands gezag zijn gebracht. Hun provincies zijn niet onbelangrijk, door de peperhandel daar. Jullie weten hoe gemakkelijk men een excuus vindt om zulke kleine landen de oorlog aan te doen. Daarna neemt men ze in. Een stuk land stelen zal altijd makkelijker blijven dan een molen stelen. Ik geloof van generaal Vandamme dat hij zelfs een molen zou hebben afgepakt, als hij daar zin in had. Ik begrijp dus niet waarom hij die gebieden in het noorden zou hebben gespaard. Daarvoor moesten er steviger redenen zijn dan recht en eerlijkheid.

Hoe dit ook zij, hij keek als veroveraar niet naar het noorden, maar naar het oosten. Mandhéling en Ankola heette de assistent-residentie die was gevormd uit de pas tot rust gebrachte Battahlanden. Deze streken waren nog niet vrij van invloed uit Atjeh. Want waar fanatisme eenmaal wortel schiet, is het moeilijk uit te roeien. Maar de Atjinezen zelf waren er niet meer. Dat was de Gouverneur echter niet genoeg. Hij breidde zijn gezag uit tot aan de oostkust. Er werden Nederlandse ambtenaren en Nederlandse garnizoenen gestuurd naar Bila en Pertibie. Die posten zijn later — zoals je weet, Verbrugge — weer ontruimd.

Toen kwam er op Sumatra een Regeringscommissaris aan. Hij vond deze uitbreiding zinloos en keurde ze af. Vooral omdat ze in strijd was met de wanhopige zuinigheid waarop het moederland zo aandrong. Maar generaal Vandamme beweerde dat die uitbreiding de begroting niet hoefde te belasten. De nieuwe garnizoenen bestonden immers uit troepen waarvoor al geld was toegestaan. Hij had dus een heel groot gebied onder Nederlands bestuur gebracht, zonder dat dit geld had gekost. En hoe zat het met andere plaatsen, vooral in Mandhéling, waar nu minder troepen waren? Hij meende dat hij daar geen probleem in hoefde te zien. Volgens hem kon hij genoeg rekenen op de trouw en de aanhankelijkheid van Jang di Pertoean. Dat was het belangrijkste hoofd in de Battahlanden.

Met tegenzin gaf de Regeringscommissaris toe. Dat deed hij omdat de generaal herhaaldelijk verklaarde zich *persoonlijk* borg te stellen voor de trouw van Jang di Pertoean.

Nu was de controleur die vóór mij de afdeling Natal bestuurde, de schoonzoon van de assistent-resident in de Battahlanden. En die ambtenaar leefde in onmin met Jang di Pertoean. Later heb ik veel horen vertellen over klachten tegen die assistent-resident. Maar men moest voorzichtig zijn met het geloven van die beschuldigingen. Ze kwamen grotendeels uit de mond van Jang di Pertoean. Op dat moment werd hij zelf van veel zwaardere vergrijpen beschuldigd. Daardoor moest hij zich misschien verdedigen met de fouten van zijn beschuldiger ... wat vaker gebeurt. Hoe dit ook zij, de bestuurder van Natal koos de kant van zijn schoonvader tegen Jang di Pertoean. Hij deed dat misschien des te vuriger omdat hij goed bevriend was met ene Soetan Salim. Dat was een hoofd uit Natal, die ook erg gebeten was op de Battakse chef. Er heerste al lang een vete tussen de families van deze twee hoofden. Er waren huwelijksvoorstellen afgewezen. Er was jaloezie over invloed. Jang di Pertoean, die van betere afkomst was, was trots. En nog meer oorzaken zorgden ervoor dat Natal en Mandhéling tegen elkaar opgezet bleven.

Plotseling ging het gerucht dat er in Mandhéling een complot was ontdekt, waarbij Jang di Pertoean betrokken zou zijn. Het doel was de heilige vlag van de opstand uit te steken en alle Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking was in Natal gedaan. Dat is natuurlijk, want in buurprovincies weet men altijd beter hoe de zaken staan dan op de plaats zelf. Veel mensen durven namelijk thuis uit angst voor een betrokken hoofd niet te vertellen wat ze weten. Maar die angst overwinnen ze min of meer, zodra ze in een gebied zijn waar dat hoofd geen invloed heeft.

Dat is ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemde ben in de zaken van Lebak. Ik wist al redelijk veel van wat hier gebeurt, voordat ik dacht hier ooit te komen. In 1846 was ik in het Krawangse, en ik heb veel rondgezworven in de Preanger. Daar ontmoette ik al in 1840 mensen die uit Lebak gevlucht waren. Ook ken ik sommige eigenaren van particuliere landen bij Buitenzorg en rond Batavia. Ik weet dat die landheren altijd al blij zijn geweest met de slechte toestand van deze afdeling. Daardoor komen er immers mensen wonen op hun land.

Zo zou dan ook in Natal de samenzwering ontdekt zijn. Ze liet Jang di Pertoean kennen als verrader — *als* ze heeft bestaan, wat ik niet weet. De controleur van Natal nam verklaringen af van getuigen. Volgens hen zou Jang di Pertoean samen met zijn broer Soetan Adam de Battakse Hoofden hebben laten verzamelen. Dat was in een heilig bos. Daar zouden ze hebben gezworen niet te rusten voordat het gezag van de "christenhonden" in Mandhéling vernietigd was. Het spreekt vanzelf dat hij hiervoor een ingeving uit de hemel had gekregen. Jullie weten dat die bij zulke gelegenheden nooit uitblijft.

Of Jang di Pertoean dit plan echt heeft gehad, kan ik niet met zekerheid zeggen. Ik heb de verklaringen van de getuigen gelezen. Maar jullie zullen meteen zien waarom men die niet zonder meer mag geloven. Zeker is dat de man door zijn islamitische fanatisme wel tot zoiets in staat kan zijn geweest. Hij was, met de hele Battakse bevolking, pas kort daarvoor door de Padries overgehaald tot het ware geloof. En nieuwe bekeerlingen zijn meestal fanatiek.

Dit was het gevolg van die echte of vermeende ontdekking: de assistent-resident van Mandhéling nam Jang di Pertoean gevangen. Hij stuurde hem naar Natal. Daar sloot de controleur hem voorlopig op in het fort. Bij de eerste geschikte gelegenheid liet hij hem per schip als gevangene naar Padang brengen. Het spreekt vanzelf dat men de Gouverneur alle stukken gaf met de zware getuigenissen. Die moesten de strenge maatregelen rechtvaardigen. Onze Jang di Pertoean was dus uit Mandhéling vertrokken als *gevangene*. In Natal was hij *gevangen*. Aan boord van het oorlogsschip dat hem overbracht, was hij natuurlijk ook een *gevangene*. Hij verwachtte dus ook in Padang als gevangene aan te komen. Of hij schuldig was of niet, doet hier niet ter zake. Hij was op wettige wijze en door de bevoegde autoriteit beschuldigd van hoogverraad. Hij moet dus zeer verbaasd zijn geweest toen hij bij het uitstappen hoorde dat hij *vrij* was. En niet alleen dat: het rijtuig van de generaal wachtte hem aan wal op. De generaal zou het een eer vinden hem in zijn eigen huis te ontvangen en te laten logeren. Zeker is nooit iemand die van hoogverraad beschuldigd was, aangenamer verrast.

Kort daarna werd de assistent-resident van Mandhéling in zijn ambt geschorst, wegens allerlei vergrijpen die ik hier niet beoordeel. Jang di Pertoean logeerde enige tijd in Padang bij de generaal, die hem met de grootste onderscheiding behandelde. Daarna keerde hij via Natal terug naar Mandhéling. Hij kwam niet terug met het gevoel van iemand die onschuldig is verklaard. Hij had de trots van iemand die zo hoog staat dat hij geen verklaring van onschuld nodig heeft. Want *onderzocht* was de zaak immers niet! Stel dat men de beschuldiging tegen hem vals vond. Dan was alleen al daarom een onderzoek nodig, om de valse getuigen te straffen. En vooral ook degenen die hen tot die valsheid hadden aangezet. Het lijkt erop dat de generaal zijn redenen had om dit onderzoek niet te laten doen. De aanklacht tegen Jang di Pertoean werd beschouwd als *non avenu*. Ik ben er zeker van dat de stukken daarover nooit onder de ogen van de Regering in Batavia zijn gekomen.

Kort na de terugkeer van Jang di Pertoean kwam ik in Natal aan. Ik moest het bestuur van die afdeling overnemen. Mijn voorganger vertelde me natuurlijk wat er kort geleden in Mandhéling was gebeurd. Hij gaf me de nodige inlichtingen over de politieke verhouding tussen die streek en mijn afdeling. Men kon het hem niet kwalijk nemen dat hij erg klaagde. Hij vond de behandeling van zijn schoonvader onrechtvaardig. En hij begreep niet waarom de generaal Jang di Pertoean zo beschermde. Hij noch ik wisten op *dat* moment hoe de zaak in elkaar zat. Als Jang di Pertoean naar Batavia was gestuurd, was dat een vuistslag in het gezicht van de generaal geweest. De generaal had zich persoonlijk borg gesteld voor de trouw van dat hoofd. Hij had dus goede redenen om hem tegen een beschuldiging van hoogverraad te beschermen, wat het ook kostte. Dat was voor de generaal des te belangrijker om een andere reden. De Regeringscommissaris die ik noemde, was intussen zelf Gouverneur-generaal geworden. Die zou de generaal zeer waarschijnlijk van zijn post hebben teruggeroepen. Hij zou boos zijn geweest over het ongegronde vertrouwen in Jang di Pertoean. En ook over de koppigheid waarmee de generaal zich daarom had verzet tegen het ontruimen van de oostkust.

"Maar, zei mijn voorganger, de generaal neemt alle beschuldigingen tegen mijn schoonvader zomaar aan. De veel zwaardere klachten tegen Jang di Pertoean vindt hij niet eens een onderzoek waard. Wat hem daartoe ook beweegt, de zaak is niet uit! En misschien heeft men in Padang de getuigenissen vernietigd, zoals ik vermoed. Maar kijk, hier is iets anders, dat niet vernietigd *kan* worden."

En hij liet me een vonnis zien van de Rappat-raad in Natal, waarvan hij voorzitter was. Daarin stond: VEROORDELING VAN ZEKERE Si Pamaga TOT DE STRAF VAN GESELING EN BRANDMERK, EN — ik meen — TWINTIGJARIGE DWANGARBEID. WEGENS POGING TOT MOORD OP DE TOEANKOE VAN NATAL.

"Lees eens het proces-verbaal van de zitting, zei mijn voorganger, en oordeel dan zelf. Zal mijn schoonvader in Batavia niet geloofd worden, als hij Jang di Pertoean daar aanklaagt wegens hoogverraad?"

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "*de bekentenis van de beklaagde*" was Si Pamaga omgekocht om drie mensen te vermoorden. Dat waren in Natal de Toeankoe, diens pleegvader Soetan Salim en de controleur die daar het gezag had. Om dit plan uit te voeren, was hij naar de woning van de Toeankoe gegaan. Daar was hij met de bedienden op de trap van de buitengalerij gaan praten over een *Sewah*. Zo wilde hij blijven tot hij de Toeankoe zou zien. Die verscheen dan ook spoedig, omringd door enkele familieleden en bedienden. Pamaga was met zijn *Sewah* op de Toeankoe losgegaan. Maar om onbekende redenen had hij zijn moordplan niet kunnen uitvoeren. De Toeankoe was geschrokken uit het raam gesprongen, en Pamaga vluchtte. Hij verstopte zich in het bos, en een paar dagen later werd hij door de politie van Natal opgepakt.

"Aan de beschuldigde gevraagd: *wat hem tot deze aanslag had gebracht? En wat tot de geplande moord op* Soetan Salim *en de controleur van Natal*?" antwoordt hij: "DAARTOE TE ZIJN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHÉLING."

"Is dit duidelijk of niet? vroeg mijn voorganger. Het vonnis is na *fiat executie* van de resident uitgevoerd, wat de zweepslagen en het brandmerk betreft. Si Pamaga is op weg naar Padang. Vandaar wordt hij als kettingganger naar Java gestuurd. Tegelijk met hem komen de processtukken in Batavia. Dan kan men daar zien wie de man is op wiens aanklacht mijn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat vonnis kan de generaal niet vernietigen, ook al zou hij willen."

Ik nam het bestuur van de afdeling Natal over, en mijn voorganger vertrok. Na enige tijd kreeg ik bericht dat de generaal met een oorlogsstoomschip naar het noorden zou komen. Hij zou ook Natal bezoeken. Hij kwam met veel gevolg bij mij thuis aan. Hij wilde onmiddellijk de originele processtukken zien van: "de arme man die men zo vreselijk had mishandeld."

"Zijzelf hadden zweepslagen en een brandmerk verdiend!" voegde hij eraan toe.

Ik begreep er niets van. Want ik wist toen nog niet waar de strijd over Jang di Pertoean vandaan kwam. Het kon dus niet in me opkomen dat mijn voorganger bewust een onschuldige tot zo'n zware straf had veroordeeld. En evenmin dat de generaal een misdadiger zou beschermen tegen een rechtvaardig vonnis. Ik kreeg het bevel om Soetan Salim en de Toeankoe gevangen te laten nemen. De jonge Toeankoe was erg geliefd bij de bevolking, en we hadden maar een klein garnizoen in het fort. Daarom vroeg ik de generaal hem vrij te mogen laten, en dat werd toegestaan. Maar voor Soetan Salim, de bijzondere vijand van Jang di Pertoean, was er geen genade. De bevolking was zeer gespannen. De mensen van Natal vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van de haat uit Mandhéling. En in *die* omstandigheden kon ik van tijd tot tijd iets doen wat hij "kordaat" vond. Vooral omdat hij me geen bescherming gaf als ik naar de plaatsen reed waar mensen samenkwamen. Hij gaf *mij* niet de weinige soldaten die het fort kon missen. Hij gaf me ook niet de mariniers die hij van boord had meegebracht. Ik heb toen gemerkt dat generaal Vandamme heel goed voor zijn eigen veiligheid zorgde. Daarom mag ik zijn roem van dapperheid niet onderschrijven, voordat ik daar meer van gezien heb, of iets anders.

Hij vormde in grote haast een Raad, die ik *ad hoc* zou kunnen noemen. De leden waren: een paar adjudanten, andere officieren, de officier van justitie of fiscaal, en ik. Die fiscaal had hij uit Padang meegenomen. Deze Raad moest onderzoeken hoe het proces tegen Si Pamaga onder mijn voorganger was gevoerd. Ik moest een groot aantal getuigen laten oproepen, van wie men verklaringen nodig had. De generaal zat natuurlijk voor en stelde de vragen. De fiscaal schreef de processen-verbaal. Maar deze ambtenaar verstond weinig Maleis, en helemaal niet het Maleis dat in het noorden van Sumatra wordt gesproken. Daarom moesten de antwoorden van de getuigen vaak voor hem worden vertaald. Dat deed meestal de generaal zelf.

De zittingen van die Raad leverden stukken op. Die leken heel duidelijk het volgende te bewijzen. Dat Si Pamaga nooit van plan was geweest iemand te vermoorden, wie dan ook. Dat hij noch Soetan Adam, noch Jang di Pertoean ooit had gezien of gekend. Dat hij *niet* op de Toeankoe van Natal was afgesprongen. Dat deze *niet* uit het raam was gevlucht ... enzovoort! Verder: dat het vonnis tegen de ongelukkige Si Pamaga onder druk was uitgesproken. Die druk kwam van de voorzitter — mijn voorganger — en van het raadslid Soetan Salim. Die personen hadden de zogenaamde misdaad van Si Pamaga verzonnen. Zo wilden ze de gesuspendeerde assistent-resident van Mandhéling een wapen geven voor zijn verdediging. En ook wilden ze lucht geven aan hun haat tegen Jang di Pertoean.

De manier waarop de generaal toen ondervroeg, deed denken aan het whistspel van een zekere keizer van Marokko. Die zei tegen zijn partner: "speel harten, of ik snij je de hals af." Ook de vertalingen die hij de fiscaal in de pen gaf, lieten veel te wensen over.

Hebben Soetan Salim en mijn voorganger druk uitgeoefend op de rechtsraad van Natal om Si Pamaga schuldig te verklaren? Dat weet ik niet. Maar ik weet wel dat generaal Vandamme druk uitoefende op de verklaringen die de *onschuld* van de man moesten bewijzen. Ik begreep toen nog niet waar het om ging, maar ik heb me verzet tegen die ... onnauwkeurigheid. Dat ging zo ver dat ik moest weigeren enkele processen-verbaal mee te ondertekenen. En dat is nu de zaak waarin ik de generaal zo had "gecontrarieerd." Jullie begrijpen nu waar de woorden op slaan aan het eind van mijn antwoord op de opmerkingen over mijn geldbeheer. Dat zijn de woorden waarin ik vroeg mij alle welwillende consideraties te besparen.

—Dat was inderdaad heel sterk voor iemand van uw leeftijd, zei Duclari.

—Ik vond het natuurlijk. Maar het is zeker dat generaal Vandamme zoiets niet gewend was. Ik heb dan ook veel geleden onder de gevolgen van die zaak. O neen, Verbrugge, ik zie wat je wilt zeggen, *spijt* heb ik er nooit van gehad. Ik moet er zelfs iets aan toevoegen. Ik zou niet alleen hebben geprotesteerd tegen de manier waarop de generaal de getuigen ondervroeg. Ik zou ook niet alleen mijn handtekening onder enkele processen-verbaal hebben geweigerd. Ik zou meer hebben gedaan, als ik toen had kunnen vermoeden wat ik pas later hoorde. Alles kwam namelijk voort uit een vooraf bedacht plan om mijn voorganger te beschadigen. Ik dacht dat de generaal overtuigd was van de onschuld van Si Pamaga. Ik dacht dat hij zich liet meeslepen door een eerbare wens. Hij wilde een onschuldig slachtoffer redden van de gevolgen van een rechterlijke dwaling. Voor zover dat na de zweepslagen en het brandmerk nog mogelijk was. Door die mening verzette ik me wel tegen de valsheid. Maar ik was er niet zo verontwaardigd over als ik anders zou zijn geweest. Ik wist immers niet dat het hier helemaal niet ging om het redden van een onschuldige. Deze valsheid moest de bewijzen vernietigen die de politiek van de generaal in de weg stonden. En dat ten koste van de eer en het welzijn van mijn voorganger.

—En hoe ging het verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge.

—Gelukkig voor hem was hij al naar Java vertrokken voordat de generaal in Padang terugkwam. Hij heeft zich blijkbaar bij de Regering in Batavia kunnen verantwoorden, want hij is in dienst gebleven. De resident van Ayer-Bangie, die *fiat executie* op het vonnis had gegeven, werd ...

—Gesuspendeerd?

—Natuurlijk! Jullie zien dat ik niet zo heel erg ongelijk had. In mijn epigram zei ik dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.

—En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?

—O, er waren er nog veel meer! Ze zijn allemaal, de een na de ander, in hun ambt hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer hoge functies gehad.

—En Soetan Salim?

—De generaal nam hem als gevangene mee naar Padang, en vandaar werd hij als balling naar Java gestuurd. Hij woont nu nog in Tjanjor, in de Preanger regentschappen. Toen ik daar in 1846 was, heb ik hem bezocht. Weet je nog wat ik in Tjanjor kwam doen, Tine?

—Neen, Max, dat ben ik helemaal vergeten.

—Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heren!

—Maar, vroeg Duclari, nu u toch aan het vertellen bent, mag ik iets vragen? Is het waar dat u in Padang zo vaak geduelleerd hebt?

—Ja, heel vaak, en daar was reden voor. Ik heb u al gezegd: op zo'n buitenpost meten velen hun vriendelijkheid af aan de gunst van de Gouverneur. De meesten waren dus heel *on*vriendelijk tegen mij, en vaak werd dat grofheid. Ik van mijn kant was prikkelbaar. Een groet die niet werd beantwoord. Een spottende opmerking over de "dwaasheid van iemand die het tegen de generaal wil opnemen." Een toespeling op mijn armoede, op mijn honger, op het slechte voedsel dat er blijkbaar in morele onafhankelijkheid zat ... Dat alles, begrijpt u, maakte me bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de generaal het niet erg vond als er geduelleerd werd. Vooral niet met iemand die zo uit de gunst was als ik. Misschien maakte men me dus expres boos. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander die volgens mij onrecht was aangedaan. Hoe dit ook zij, het duel was daar in die tijd aan de orde van de dag. Het is meer dan eens gebeurd dat ik twee afspraken had op één ochtend. O, er is iets heel aantrekkelijks in het duel. Vooral met de sabel, of "op" de sabel, zoals ze het noemen ... ik weet niet waarom. Maar u begrijpt dat ik zoiets nu niet meer zou doen, ook al was er evenveel reden als toen ... Kom eens hier, Max — neen, vang dat beestje niet — kom hier! Hoor eens, je moet nooit vlinders vangen. Dat arme dier heeft eerst lang als rups op een boom rondgekropen, dat was geen vrolijk leven! Nu heeft het net vleugeltjes gekregen. Het wil wat rondvliegen in de lucht, en plezier hebben. Het zoekt voedsel in de bloemen, en het doet niemand kwaad ... Kijk, is het niet veel leuker om het daar zo te zien rondfladderen?

Zo ging het gesprek van de duels naar de vlinders, en naar de ontferming van de rechtvaardige over zijn vee. Toen ging het naar het plagen van dieren en naar de *loi Grammont*. Daarna ging het naar de Nationale Vergadering die deze wet had aangenomen, naar de republiek, en wat niet al!

Eindelijk stond Havelaar op. Hij verontschuldigde zich bij zijn gasten, omdat hij werk had. De volgende morgen kwam de controleur bij hem op kantoor. Hij wist niet dat de nieuwe assistent-resident de vorige dag na de gesprekken in de voorgalerij was weggereden naar Parang-Koedjang. Dat was het district van de "*verregaande* misbruiken." Hij was pas die ochtend vroeg teruggekomen.

* * * * *

Ik vraag de lezer iets te geloven. Havelaar was te beleefd om aan zijn eigen tafel zoveel te praten als ik in de laatste hoofdstukken heb opgeschreven. Door mij lijkt het alsof hij het hele gesprek heeft overgenomen, en zijn plichten als gastheer heeft verwaarloosd. Die plichten eisen dat hij zijn gasten de kans laat of geeft om "goed uit te komen." Ik heb uit het vele materiaal dat voor mij ligt, maar een paar grepen gedaan. Ik had de tafelgesprekken nog lang kunnen voortzetten, met minder moeite dan het me kostte om ze af te breken. Ik hoop echter dat het meegedeelde voldoende is om mijn beschrijving van Havelaars karakter en eigenschappen enigszins te rechtvaardigen. Ook hoop ik dat de lezer met enige belangstelling volgt wat hem en de zijnen te wachten stond in Rangkas-Betoeng.

Het kleine gezin leefde stil verder. Havelaar was overdag vaak weg, en bracht halve nachten door aan zijn bureau. De verhouding tussen hem en de commandant van het kleine garnizoen was heel aangenaam. Ook in de huiselijke omgang met de controleur was geen spoor van het verschil in rang. In Indië maakt dat het contact anders vaak stijf en vervelend. Bovendien wilde Havelaar helpen waar hij maar kon, en daar had de Regent vaak voordeel van. Die was dan ook zeer ingenomen met zijn "oudere broeder." En ten slotte was mevrouw Havelaar zeer lieftallig. Dat droeg veel bij aan de prettige omgang met de weinige Europeanen ter plaatse en de inlandse Hoofden. De briefwisseling in dienst met de resident in Serang was van beide kanten vriendelijk. De resident gaf zijn bevelen beleefd, en ze werden precies opgevolgd.

Tine had haar huishouding snel geregeld. Na lang wachten waren de meubels uit Batavia aangekomen, en er waren *ketimons* in zout gelegd. Als Max aan tafel iets vertelde, kwam dat voortaan niet meer door gebrek aan eieren voor de omelet. Toch was aan het leven van het kleine gezin altijd duidelijk te zien dat de geplande zuinigheid goed werd volgehouden.

Mevrouw Slotering verliet haar huis zelden. Ze dronk maar een paar keer thee bij de familie Havelaar in de voorgalerij. Ze sprak weinig, en ze hield altijd iedereen scherp in de gaten die haar huis of dat van Havelaar naderde. Maar men was gewend geraakt aan wat men haar *monomanie* begon te noemen, en men lette er al snel niet meer op.

Alles leek rustig. Want voor Max en Tine was het in verhouding een kleinigheid om met tekorten te leven. Op een binnenpost ver van de grote weg zijn die niet te vermijden. Er werd in de plaats geen brood gebakken, dus at men geen brood. Men had het uit Serang kunnen laten komen, maar het vervoer was te duur. Max wist net als ieder ander dat er veel manieren waren om *zonder betaling* brood naar Rangkas-Betoeng te laten brengen. Maar *onbetaalde arbeid*, die Indische kanker, vond hij verschrikkelijk. Zo was er in Lebak veel wat men door gezag gratis kon krijgen, maar niet kopen voor een eerlijke prijs. En onder zulke omstandigheden deden Havelaar en zijn Tine er graag zonder. Ze hadden wel andere tekorten meegemaakt! Had die arme vrouw niet maanden doorgebracht op een Arabisch schip? Ze had daar geen ander bed dan het scheepsdek. Tegen de zonnehitte en de buien van de westmoesson had ze alleen een tafeltje. Tussen de poten daarvan moest ze zich vastklemmen. Had ze zich op dat schip niet tevreden moeten stellen met een klein rantsoen droge rijst en vuil water? En was ze daarbij en bij veel meer niet altijd tevreden geweest, als ze maar bij haar Max mocht zijn?

Eén ding in Lebak deed haar echter verdriet. Kleine Max kon niet in de tuin spelen, omdat daar zoveel slangen waren. Toen ze dit merkte en erover klaagde bij Havelaar, loofde hij een prijs uit voor de bedienden. Ze kregen geld voor elke slang die ze vingen. Maar al in de eerste dagen betaalde hij zoveel premies, dat hij zijn belofte voor de toekomst moest intrekken. Zelfs onder gewone omstandigheden, zonder de zuinigheid die voor hem zo nodig was, had hij dat niet lang kunnen betalen. Er werd dus besloten dat kleine Max voortaan niet meer buiten het huis mocht komen. Voor de frisse lucht moest hij het doen met spelen in de voorgalerij. Ondanks deze voorzorg was Tine toch altijd bang, vooral 's avonds. Men weet immers dat slangen vaak de huizen in kruipen, en zich voor de warmte in de slaapkamers verbergen.

Slangen en ander ongedierte vindt men weliswaar overal in Indië. Maar in de grotere hoofdplaatsen, waar de mensen dichter op elkaar wonen, zijn ze natuurlijk zeldzamer. In wildere streken, zoals bij Rangkas-Betoeng, zijn er meer. Stel dat Havelaar had kunnen besluiten om zijn erf schoon te laten maken tot aan de rand van het ravijn. Dan hadden de slangen zich nog wel eens in de tuin laten zien, maar niet zoveel als nu. Deze dieren houden van nature meer van donker en schuilplaatsen dan van het licht op open plekken. Als Havelaars erf schoon was gehouden, zouden de slangen de wilde planten in het ravijn niet graag hebben verlaten. Ze zouden het alleen als het ware tegen hun zin hebben gedaan, en omdat ze verdwaald waren. Maar Havelaars erf was niet schoon. Ik wil de reden hiervan uitleggen. Want daarmee krijgt men opnieuw een blik op de misbruiken die bijna overal in Nederlands-Indië heersen.

De woningen van de bestuurders in het binnenland staan op grond die aan de gemeenten toebehoort. Tenminste, voor zover men van gemeentebezit kan spreken in een land waar de Regering alles in bezit neemt. Genoeg: die erven zijn niet van de ambtenaar die er woont. Als dat wel zo was, zou hij wel oppassen. Dan zou hij geen grond kopen of huren die hij niet kon onderhouden. Maar soms is het erf bij de woning die hij krijgt, te groot om goed te onderhouden. Met de sterke tropische plantengroei zou dat dan binnen korte tijd een wildernis worden. En toch ziet men zelden of nooit zo'n erf in slechte staat. Vaak staat de reiziger zelfs verbaasd over het mooie park rond de woning van een resident. Geen ambtenaar in het binnenland heeft genoeg inkomen om dit werk behoorlijk te betalen. Toch moet de woning van de bestuurder er deftig uitzien. De bevolking hecht zeer aan uiterlijkheden, en anders zou slordigheid voor haar een reden zijn om hem te minachten. Dan komt de vraag: hoe bereikt men dit doel?

Op de meeste plaatsen hebben de bestuurders een aantal kettinggangers tot hun beschikking. Dat zijn misdadigers die elders veroordeeld zijn. In Bantam waren zulke werklieden er echter niet, om min of meer geldige politieke redenen. Maar ook op plaatsen met zulke veroordeelden is hun aantal zelden genoeg voor het werk aan een groot erf. Zeker omdat er ook ander werk moet gebeuren. Er moeten dus andere middelen worden gevonden, en het oproepen van arbeiders voor *herendienst* ligt voor de hand. De Regent of de Dhemang die zo'n oproep krijgt, haast zich om eraan te voldoen. Hij weet heel goed hoe het zit. De ambtenaar die zijn gezag misbruikt, kan later moeilijk een inlands Hoofd straffen voor dezelfde fout. En zo dient het vergrijp van de een als vrijbrief voor de ander.

Het lijkt mij echter dat zo'n fout van een bestuurder *in sommige gevallen* niet al te streng moet worden beoordeeld. En vooral niet volgens Europese ideeën. De bevolking zelf is dat misschien niet gewend. Ze zou het heel vreemd vinden als hij zich *altijd* en *in alle gevallen* precies hield aan de regels. Die regels bepalen hoeveel mensen voor zijn erf herendienst moeten doen. Want er kunnen omstandigheden zijn waaraan de regels niet hebben gedacht. Zodra men echter de grens van het strikt wettige is overgegaan, wordt het moeilijk een punt vast te stellen. Waar gaat zo'n overschrijding over in misdadige willekeur? Men moet vooral heel voorzichtig zijn als men weet dat de Hoofden alleen wachten op een slecht voorbeeld. Dat voorbeeld zullen ze dan in veel grotere mate volgen.

Er is een verhaal over een zekere koning. Hij trok aan het hoofd van zijn leger door het land. Bij zijn eenvoudige maaltijd had hij één korrel zout gebruikt, en hij wilde niet dat men vergat die te betalen. Dat was volgens hem het begin van een onrecht dat ten slotte zijn hele rijk zou vernietigen. Misschien heette hij Timoerleng, Noereddien of Dzjengis Khan, maar één ding is zeker. Die fabel, of als het geen fabel is, de gebeurtenis zelf, komt uit Azië. Als men zeedijken ziet, gelooft men dat er hoog water kan komen. Zo mag men ook aannemen dat er neiging tot *zulke* misbruiken is in een land waar *zulke* lessen worden gegeven.

Het kleine aantal mensen waarover Havelaar wettig mocht beschikken, kon maar een heel klein deel van zijn erf schoonhouden. Dat was het deel vlak bij de woning, dat ze vrijhielden van onkruid en struiken. De rest was binnen een paar weken een volslagen wildernis. Havelaar schreef aan de resident over manieren om hier iets aan te doen. Dat kon met extra geld. Of men kon de Regering voorstellen om in de residentie Bantam, net als elders, kettinggangers te laten werken. Hij kreeg een weigerend antwoord. Men wees hem op een ander recht dat hij immers had. Sommige mensen had hij door een politievonnis veroordeeld tot "arbeid aan de openbare weg." Die mocht hij op zijn erf laten werken. Dat wist Havelaar wel. Tenminste, hij wist meer dan genoeg dat zulk gebruik van veroordeelden overal de gewoonste zaak van de wereld was. Maar nooit had hij van dat vermeende recht gebruik willen maken. Niet in Rangkas-Betoeng, niet in Amboina, niet in Menado en niet in Natal. Hij vond het stuitend om zijn tuin te laten onderhouden als boete voor kleine vergrijpen. Vaak had hij zich afgevraagd hoe de Regering zulke regels kon laten bestaan. Zo kunnen ze de ambtenaar in verleiding brengen. De straf voor kleine, vergeeflijke fouten hangt dan niet af van het vergrijp. Ze hangt af van de toestand of de grootte van zijn erf. Alleen al het idee dat de gestrafte zou denken dat er eigenbelang achter het vonnis zat, was genoeg. Ook iemand die rechtvaardig gestraft was, kon dat denken. Daarom koos hij, als hij moest straffen, altijd voor opsluiting, hoewel hij die anders erg afkeurde.

En daardoor mocht kleine Max niet spelen in de tuin. En daardoor had ook Tine niet zoveel plezier van de bloemen als ze had gedacht. Dat had ze gedacht op de dag dat ze in Rangkas-Betoeng aankwam.

Het spreekt vanzelf dat deze en andere kleine ergernissen geen invloed hadden op de stemming van het gezin. Het had genoeg om een gelukkig huiselijk leven te bouwen. Als Havelaar soms met een bewolkt voorhoofd binnenkwam, kwam dat dan ook niet door zulke kleinigheden. Dat gebeurde als hij terugkwam van een tocht, of nadat hij mensen had aangehoord die hem wilden spreken. In zijn toespraak tot de Hoofden hebben we gehoord dat hij zijn plicht wilde doen, en onrecht wilde bestrijden. Ook hoop ik dat de lezer hem uit de gesprekken heeft leren kennen als iemand die dingen kon uitzoeken. Hij kon iets ophelderen wat voor anderen verborgen of duister bleef. Men mocht dus aannemen dat hem niet veel zou ontgaan van wat er in Lebak gebeurde. Ook zagen we dat hij al vele jaren eerder op die afdeling had gelet. Daarom liet hij al de eerste dag zien dat hij geen vreemde was in zijn nieuwe werk. Dat was toen Verbrugge hem ontmoette in de *pendoppo* waar mijn verhaal begint. Door onderzoek ter plaatse had hij veel bevestigd gevonden van wat hij vroeger vermoedde. En vooral uit het archief was hem iets gebleken. Het gebied dat aan zijn zorg was toevertrouwd, was echt in een zeer treurige toestand.

Uit brieven en aantekeningen van zijn voorganger merkte hij dat die dezelfde dingen had opgemerkt. De briefwisseling met de Hoofden bevatte verwijt op verwijt, bedreiging op bedreiging. Zo begreep men goed wat die ambtenaar ten slotte zou hebben gezegd. Hij zou zich rechtstreeks tot de Regering wenden, als er geen einde kwam aan die toestand.

Toen Verbrugge dit aan Havelaar vertelde, had die geantwoord dat zijn voorganger daarin verkeerd zou hebben gedaan. De assistent-resident van Lebak mocht de resident van Bantam in geen geval passeren. Hij had eraan toegevoegd dat dit ook door niets gerechtvaardigd zou zijn. Het was immers niet te denken dat die hoge ambtenaar partij zou kiezen voor afpersing en knevelarij.

Zo'n partij kiezen mocht men inderdaad niet aannemen, in de zin zoals Havelaar het bedoelde. Dus niet alsof de resident enig voordeel of winst zou hebben van die vergrijpen. Maar er was *wel* een oorzaak waardoor hij maar heel ongraag iets deed aan de klachten van Havelaars voorganger. We hebben gezien dat die voorganger vaak met de resident over de misbruiken had gesproken — *geaboucheerd*, zei Verbrugge. En we zagen hoe weinig hem dat had geholpen. Het is dus niet onbelangrijk om iets te onderzoeken. Waarom meende zo'n hoge ambtenaar bijna altijd reden te hebben om het recht tegen te houden? Hij was het hoofd van de hele residentie. Net als de assistent-resident, ja, nog meer dan hij, moest hij zorgen dat er recht gebeurde.

Al in Serang, toen Havelaar bij de resident logeerde, had hij met hem over de misbruiken in Lebak gesproken. Hij kreeg als antwoord: "dat dit alles in meer of mindere mate overal het geval was." Dat kon Havelaar niet ontkennen. Wie zou immers beweren dat hij een land heeft gezien waar niets verkeerds gebeurt? Maar hij vond dit geen reden om misbruiken te laten bestaan, waar men ze ook vond. Vooral niet als men uitdrukkelijk was aangesteld om ze tegen te gaan. Ook vond hij, na alles wat hij van Lebak wist, dat het hier niet ging om *meer of mindere* mate. Het ging hier om een *zeer grote* mate. Daarop antwoordde de resident onder andere: "dat het in de afdeling Tjiringien — die ook tot Bantam behoort — nog erger was."

Men kan aannemen dat een resident geen direct voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken over de bevolking. Dan komt de vraag op: wat beweegt er dan zovelen toe om zulke misbruiken te laten bestaan? Ze doen dat tegen hun eed en plicht in, zonder de Regering iets te vertellen. En wie hierover nadenkt, moet het heel vreemd vinden dat men zo koelbloedig toegeeft dat die misbruiken bestaan. Alsof het om iets ging dat buiten hun macht of bevoegdheid lag. Ik zal proberen de oorzaken hiervan uit te leggen.

In het algemeen is het al onaangenaam om slecht nieuws over te brengen. Het lijkt wel of iets van de slechte indruk blijft kleven aan wie de vervelende taak had het te vertellen. Voor sommigen zou dat alleen al een reden zijn om iets slechts te ontkennen, ook al weten ze beter. Hoeveel te meer als er nog een ander gevaar is. Men krijgt dan niet alleen de ongenade die nu eenmaal het lot lijkt van iedereen die slecht nieuws brengt. Men kan ook worden gezien als de *oorzaak* van de slechte toestand die men uit plicht bekendmaakt.

De Regering van Nederlands-Indië schrijft het liefst aan haar meesters in het moederland dat alles goed gaat. De residenten melden dit graag aan de Regering. De assistent-residenten krijgen van hun controleurs bijna alleen gunstige berichten. Zij sturen ook op hun beurt liever geen onaangenaam nieuws aan de residenten. Daaruit wordt in de officiële, schriftelijke behandeling van de zaken een gekunsteld optimisme geboren. Dat is in strijd met de waarheid. Het is ook in strijd met de eigen mening van die optimisten zelf, zodra ze mondeling over dezelfde zaken praten. En — nog vreemder! — vaak zelfs in strijd met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel voorbeelden kunnen geven van rapporten die de gunstige toestand van een residentie hoog prijzen. Maar tegelijk, vooral waar de *cijfers* spreken, spreken ze zichzelf tegen. Als de gevolgen niet zo ernstig waren, zouden deze voorbeelden aanleiding geven tot lachen en spotten. Men staat verbaasd over de naïviteit waarmee vaak in zulke gevallen de grofste onwaarheden worden volgehouden en aangenomen. En dat terwijl de schrijver zelf een paar zinnen verder de wapens geeft om die onwaarheden te bestrijden.

Ik beperk me tot één voorbeeld, en ik zou er nog heel veel kunnen geven. Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een residentie. De resident prijst de handel die daar bloeit. Hij beweert dat er in het hele gebied de grootste welvaart en bedrijvigheid te zien zijn. Maar iets verder spreekt hij over de kleine middelen die hij heeft om smokkel tegen te gaan. De Regering zou dan kunnen denken dat er in die residentie veel invoerrecht wordt ontdoken. Die onaangename indruk wil hij meteen wegnemen. "Neen, zegt hij, daarvoor hoeft men niet bezorgd te zijn! Er wordt in mijn residentie weinig of niets gesmokkeld, want ... Er gaat in deze streken zo weinig om, dat niemand hier zijn kapitaal in de handel zou wagen."

Ik heb een soortgelijk verslag gelezen dat begon met de woorden: "in het afgelopen jaar is de rust rustig gebleven." Zulke zinnen tonen wel een zeer rustige gerustheid. Men is gerust op de inschikkelijkheid van de Regering voor iedereen die haar onaangenaam nieuws bespaart. Of die, zoals men het noemt: "haar niet lastigvalt" met vervelende berichten!

Waar de bevolking niet groeit, ligt dat aan de onjuiste tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stijgen, maakt men daar een verdienste van. Dan zegt men dat lage belastingen de landbouw moeten aanmoedigen. Die landbouw begint zich juist *nu* te ontwikkelen. Spoedig — liefst als de schrijver van het bericht vertrokken is — moet hij onbegrijpelijk veel opleveren. Waar onrust was die niet verborgen *kon* blijven, was dat het werk van een paar kwaadwilligen. Die hoeft men in de toekomst niet meer te vrezen, want er is nu *algemene* tevredenheid. Waar gebrek of hongersnood de bevolking heeft uitgedund, kwam dat door een mislukte oogst, door droogte, regen of zoiets. Nooit door slecht bestuur.

De nota van Havelaars voorganger ligt voor mij. Daarin schreef hij "het vertrek van mensen uit het district Parang-Koedjang toe aan *verregaand* misbruik." Deze nota was *niet*-officieel. Ze bevatte punten waarover die ambtenaar met de resident van Bantam moest *spreken*. Maar tevergeefs zocht Havelaar in het archief naar een bewijs. Had zijn voorganger die zaak ooit ronduit bij de ware naam genoemd in een *openbare dienstbrief*? Dat bewijs vond hij niet.

Kortom, er zijn de officiële berichten van de ambtenaren aan het Gouvernement. En er zijn de rapporten aan de Regering in het moederland, die daarop steunen. Die zijn voor het grootste en belangrijkste deel: *onwaar*.

Ik weet dat deze beschuldiging zwaar is. Maar ik houd haar vol, en ik voel me volkomen in staat om haar met bewijzen te steunen. Misschien is iemand boos omdat ik mijn mening zo open zeg. Die moet bedenken hoeveel miljoenen aan geld en hoeveel mensenlevens Engeland had kunnen sparen. Dat zou gelukt zijn als men daar op tijd de ogen van de natie had geopend. Ze moesten zien wat er echt gebeurde in Brits-Indië. Hoe dankbaar zou men zijn geweest aan de man die de moed had om de Jobsbode te zijn. Dan was het nog niet te laat geweest om het verkeerde te herstellen. Dat had op een minder bloedige manier gekund dan nu nodig is geworden.

Ik zei dat ik mijn beschuldiging kon bewijzen. Waar nodig zal ik aantonen dat er vaak hongersnood was in streken die werden geprezen als voorbeelden van welvaart. Een bevolking die rustig en tevreden heette, stond ook vaak op het punt om uit te barsten in woede. Ook dat zal ik laten zien. Ik ben niet van plan deze bewijzen in *dit* boek te geven. Maar ik vertrouw erop dat men het niet zal wegleggen zonder te geloven dat ze bestaan.

Voorlopig beperk ik me tot nog één voorbeeld van het belachelijke optimisme waarover ik sprak. Iedereen zal dit voorbeeld gemakkelijk begrijpen, of hij de zaken van Indië nu kent of niet.

Elke resident geeft elke maand een opgave van de rijst die in zijn gebied is ingevoerd. Ook staat daarin wat er van daar naar elders is verstuurd. In die opgave wordt het vervoer in twee delen gesplitst: binnen Java zelf, of verder. Let nu op de hoeveelheid rijst die volgens die opgaven is vervoerd *uit* residenties op Java *naar* residenties op Java. Dan blijkt die vele duizenden pikols *meer* te zijn dan een andere hoeveelheid. Dat is de rijst die volgens dezelfde opgaven *in* residenties op Java is ingevoerd *uit* residenties op Java.

Ik zwijg nu over wat men moet denken van het inzicht van de Regering, die zulke opgaven aanneemt en publiceert. Ik wil de lezer alleen wijzen op de *bedoeling* van deze valsheid.

Europese en inlandse ambtenaren kregen een beloning in procenten voor producten die in Europa verkocht moesten worden. Daardoor werd de rijstbouw zo verwaarloosd, dat er in sommige streken een hongersnood heerste. Die kon men niet voor de ogen van de natie weggoochelen. Ik heb al gezegd dat er toen voorschriften zijn gegeven om het niet weer zover te laten komen. Uit deze voorschriften kwamen veel dingen voort, en daartoe behoorden ook die opgaven van uit- en ingevoerde rijst. Zo kon de Regering voortdurend letten op de eb en vloed van dat voedsel. *Uitvoer* uit een residentie betekent welvaart, *invoer* betekent betrekkelijk gebrek.

Als men die opgaven nu onderzoekt en vergelijkt, blijkt dat de rijst overal heel overvloedig is. Zo overvloedig, *dat alle residenties samen meer rijst uitvoeren dan er in alle residenties samen wordt ingevoerd*. Ik herhaal dat het hier niet gaat om uitvoer over zee, want die wordt apart opgegeven. De uitkomst is dus de onzinnige stelling: *dat er op Java meer rijst is dan er rijst is*. *Dat* is nog eens welvaart!

Ik zei al dat men de Regering altijd alleen goed nieuws wil brengen. Dat zou belachelijk zijn, als de gevolgen niet zo treurig waren. Welke verbetering kan men immers hopen van al dat verkeerde? Men is vooraf van plan om in de berichten aan het bestuur alles te verbuigen en te verdraaien! Wat kan men bijvoorbeeld verwachten van een bevolking die van nature zacht en gedwee is? Al jaren en jaren klaagt ze over onderdrukking. Ze ziet de ene resident na de andere vertrekken, met verlof, met pensioen, of naar een ander ambt. En er is *niets* gedaan aan het onrecht waaronder ze lijdt! Moet de gebogen veer niet eindelijk terugspringen? Moet de zo lang onderdrukte ontevredenheid — onderdrukt, zodat men die kon blijven ontkennen! — niet eindelijk omslaan? Moet ze niet omslaan in woede, in wanhoop, in razernij? Ligt er geen *Jacquerie* aan het eind van deze weg?

En waar zullen dan de ambtenaren zijn, die elkaar jarenlang opvolgden? Nooit kwamen ze op het idee dat er iets hogers bestaat dan de "gunst van de Regering." Iets hogers dan de "tevredenheid van de Gouverneur-generaal." Waar zullen ze dan zijn, de schrijvers van flauwe berichten, die de ogen van het Bestuur met hun onwaarheden verblindden? Zullen zij die vroeger de moed misten om een flink woord op papier te zetten, dan naar de wapens grijpen? Zullen zij de Nederlandse bezittingen behouden voor Nederland? Zullen zij Nederland de schatten teruggeven die nodig zijn om oproer neer te slaan en omwenteling te voorkomen? Zullen zij het leven teruggeven aan de duizenden die gevallen zijn door *hun* schuld?

En die ambtenaren, die controleurs en residenten, zijn niet de *meest* schuldigen. De Regering zelf is het. Alsof ze is geslagen met onbegrijpelijke blindheid, moedigt ze gunstige berichten aan, lokt ze uit en beloont ze. Dit gebeurt vooral als het gaat om de onderdrukking van de bevolking door inlandse Hoofden.

Velen zeggen dat men de Hoofden beschermt uit een onedele berekening. De Hoofden moeten pracht en praal tonen, om invloed op de bevolking te hebben. Die invloed heeft de Regering nodig om haar eigen gezag te behouden. Daarvoor zouden ze een veel hoger salaris nodig hebben dan nu het geval is. Tenzij men hun de vrijheid laat om het tekort aan te vullen. En dat doen ze door onwettig te beschikken over de bezittingen en de arbeid van het volk. Hoe dit ook zij, de Regering past niet graag de regels toe tegen afpersing en roof. Die heten de Javaan te beschermen. Meestal weet men een reden te vinden om *die* Regent of *dat* Hoofd te sparen. Dat zijn redenen van politiek die niemand kan beoordelen, en die vaak uit de lucht zijn gegrepen. In Indië is het dan ook een spreekwoordelijke mening dat het Gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan één Regent. Ook die zogenaamde politieke redenen — als ze ergens op steunen — zijn meestal gebaseerd op valse opgaven. Want elke resident heeft er belang bij de invloed van zijn Regenten op de bevolking groot te maken. Daarachter kan hij zich dan verschuilen, als men later zijn te grote toegeeflijkheid tegenover die Hoofden verwijt.

Ik laat nu de afschuwelijke huichelarij rusten van de mensvriendelijk klinkende regels — en van de eden! Die beschermen de Javaan tegen willekeur ... op papier. Ik vraag de lezer zich iets te herinneren. Bij het nazeggen van die eden liet Havelaar iets merken dat aan minachting deed denken. Op dit moment wil ik alleen wijzen op de moeilijke toestand van een man. Hij voelde zich aan zijn plicht gebonden, maar heel *anders* dan door de kracht van een uitgesproken formule.

Voor hem was dit nog moeilijker dan het voor sommige anderen zou zijn, omdat zijn hart zacht was. Dat was helemaal in strijd met zijn inzicht, dat de lezer nu wel als vrij scherp heeft leren kennen. Hij moest dus niet alleen strijden tegen angst voor mensen, of tegen zorgen over zijn loopbaan en bevordering. En ook niet alleen met de plichten die hij als echtgenoot en huisvader had. Hij moest een vijand overwinnen in zijn eigen hart. Hij kon geen leed zien zonder zelf te lijden. Hij beschermde altijd de kant van een tegenstander tegen zichzelf, ook als hij gekrenkt en beledigd was. Het zou me te ver voeren om daarvan voorbeelden te geven. Hij vertelde Duclari en Verbrugge dat hij in zijn jeugd iets aantrekkelijks had gevonden in het duel met de sabel. Dat was de waarheid ... Maar hij vertelde er niet bij dat hij meestal huilde als hij zijn tegenstander had verwond. En dat hij zijn vroegere vijand als een verpleegster verzorgde tot hij genezen was. Ik zou kunnen vertellen hoe hij in Natal de kettingganger bij zich nam die op hem had geschoten. Hij sprak vriendelijk met de man, liet hem eten geven en gaf hem meer vrijheid dan alle anderen. Hij meende namelijk te zien dat de bitterheid van die veroordeelde kwam door een te streng vonnis van elders. Meestal werd de zachtheid van zijn hart ontkend, of men vond die belachelijk. Ontkend door wie zijn hart verwarde met zijn geest. Belachelijk gevonden door wie niet begreep waarom een verstandig mens moeite deed om een vlieg uit een spinnenweb te redden. Weer ontkend door iedereen — behalve Tine — die hem daarna hoorde schelden op die "domme dieren." En op de "domme natuur" die zulke dieren schiep.

Maar er was nog een andere manier om hem neer te halen van het voetstuk. Zijn omgeving moest hem daar wel op plaatsen, of men nu van hem hield of niet. "Ja, hij *is* geestig, maar ... er is iets oppervlakkigs in zijn geest." Of: "hij *is* verstandig, maar ... hij gebruikt zijn verstand niet goed." Of: "ja, hij *is* goedhartig, maar ... hij koketteert ermee!"

Voor zijn geest, voor zijn verstand, kies ik geen partij. Maar zijn hart? Arme spartelende vliegjes die hij redde als hij helemaal alleen was, willen *jullie* dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar jullie zijn weggevlogen, en jullie hebben je niet om Havelaar bekommerd. Jullie konden niet weten dat hij ooit jullie getuigenis nodig zou hebben!

Was het koketterie van Havelaar toen hij in Natal een hond achterna sprong in de riviermonding? Die hond heette Sappho. Het dier was nog jong. Hij was bang dat het niet goed genoeg kon zwemmen om de haaien te ontwijken, die daar zo talrijk zijn. Ik vind zulk koketteren met goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt. Tenminste, als u niet verstijfd bent door winterkou en dood, zoals de geredde vliegen. Of verdroogd door de hitte daarginds onder de evenaar! Ik roep u op om te getuigen van zijn hart, u allen die hem hebt gekend! Vooral nu roep ik u op met vertrouwen. Want u hoeft niet meer te zoeken waar het touw moet worden vastgehaakt. Dat touw diende om hem neer te halen, van welke kleine hoogte ook.

Intussen geef ik hier plaats aan een paar regels van zijn hand, hoe bont dit ook lijkt. Misschien maken ze zulke getuigenissen overbodig. Max was eens ver, ver weg van vrouw en kind. Hij had haar in Indië moeten achterlaten, en hij was in Duitsland. Hij was snel van geest, zoals ik al heb gezegd, maar ik verdedig dat niet als men het wil aanvallen. Met die snelheid leerde hij de taal van het land waar hij een paar maanden was. Hier zijn die regels. Ze laten tegelijk zien hoe innig de band was die hem aan de zijnen bond.

—Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!  
Der Nachtwind säuselt, und die Luft wird kühl,  
Zu kühl für dich vielleicht: dein Stirnchen glüht!  
Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,  
Und bist wohl müde, komm, dein *Tikar* harret.

—Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!  
Es ist so sanft zu ruhen hier… und dort,  
Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich,  
Und weiss nicht einmal was ich träume! Hier  
Kann ich doch gleich dir sagen was ich träume.  
Und fragen was mein Traum bedeutet… hör,  
Was war das?

—'s War ein *Klapper* der da fiel.

—Thut das dem Klapper weh?

—Ich glaube nicht.  
Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefühl.

—Doch eine Blume, fühlt die auch nicht?

—Nein,  
Man sagt, sie fühle nicht.

—Warum denn, Mutter,  
Als gestern ich die *Pukul ampat* brach  
Hast du gesagt: es thut der Blume weh?

—Mein Kind, die *Pukul ampat* war so schön  
Du zogst die zarten Blättchen roh entzwei,  
Das that mir für die arme Blume leid.  
Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefühlt,  
*Ich* fühlt' es für die Blume, weil sie schön war.

—Doch, Mutter, bist du auch schön?

—Nein, mein Kind,  
Ich glaube nicht.

—Allein *du* hast Gefühl?

—Ja, Menschen haben's… doch nicht allen gleich.

—Und kann *dir* etwas weh thun? Thut dir's weh,  
Wenn dir im Schooss so schwer mein Köpfchen ruht?

—Nein, *das* thut mir nicht weh!

—Und, Mutter, ich…  
Hab' *ich* Gefühl?

—Gewis! Erinn're dich  
Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein  
Dein Händchen hast verwundet, und geweint.  
Auch weintest du, als *Saudien* dir erzählte  
Dass auf den Hügeln dort, ein Schäflein tief  
In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.  
Da hast du lang geweint… das war Gefühl.

—Doch, Mutter, ist Gefühl denn Schmerz?

—Ja, oft!  
Doch… immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,  
Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,  
Und krähend dir 's Gesichtchen nahe drückt,  
Dann lachst du freudig, das ist auch Gefühl.

—Und dann mein Schwesterlein… es weint so oft,  
Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefühl?

—Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,  
Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.

—Doch, Mutter… höre, was war das?

—Ein Hirsch  
Der sich verspätet im Gebüsch, und jetzt  
Mit Eile heimwärts kehrt, und Ruhe sucht  
Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.

—Mutter,  
Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?  
Und eine Mutter auch?

—Ich weiss nicht, Kind.

—Das würde traurig sein, wenn's nicht so wäre!  
Doch, Mutter, seh'… was schimmert dort im Strauch?  
Seh' wie es hüpft und tanzt… ist das ein Funk?

—'s Ist eine Feuerfliege.

—Darf ich 's fangen?

—Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,  
Du wirst gewiss es weh thun, und sobald  
Du 's mit den Fingern all zu roh berührst,  
Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glänzt nicht mehr.

—Das wäre Schade! Nein, ich fang' es nicht!  
Seh', da verschwand es… nein, es kommt hierher…  
Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,  
Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!  
Da fliegt es… hoch! Hoch, oben… was ist das,  
Sind das auch Feuerflieglein dort?

—Das sind  
Die Sterne.

—Ein, und zehn, und tausend! Wieviel sind denn wohl da?

—Ich weiss es nicht  
Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezählt.

—Sag', Mutter, zählt auch *Er* die Sterne nicht?

—Nein, liebes Kind, auch *Er* nicht.

—Ist das weit,  
Dort oben wo die Sterne sind?

—Sehr weit!

—Doch haben diese Sterne auch Gefühl?  
Und würden sie, wenn ich sie mit der Hand  
Berührte, gleich erkranken, und den Glanz  
Verlieren, wie das Flieglein?—Seh', noch schwebt es!  
Sag, würd' es auch den Sternen weh thun?

—Nein,  
Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit  
Für deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.

—Kann *Er* die Sterne fangen mit der Hand?

—Auch *Er* nicht: das kann Niemand!

—Das ist Schade!  
Ich gäb so gern dir einen! Wenn ich gross bin,  
Dann will *ich so dich lieben das ich's* kann.

Das Kind schlief ein. Ihm träumte von Gefühl,  
Von Sternen die es fasste mit der Hand….  
Die Mutter schlief noch lange nicht! Doch träumte  
Auch sie, und dacht' an den der fern war…

Ja, met het gevaar bont te lijken heb ik die regels hier een plaats gegeven. Ik wil geen gelegenheid voorbij laten gaan om de man te laten kennen die de hoofdrol speelt in mijn verhaal. Dan zal de lezer enige belangstelling voor hem hebben, als er later donkere wolken samentrekken boven zijn hoofd.

### Woordenlijst

- **faux-air Napoléon**: Frans: alsof hij Napoleon was, een valse schijn van Napoleon
- **christenhonden**: beledigend scheldwoord voor christenen
- **Padries**: strenge islamitische beweging op Sumatra
- **non avenu**: Frans: alsof het nooit gebeurd is
- **geseling**: straf waarbij iemand met een zweep wordt geslagen
- **Sewah**: soort dolk uit het noorden van Sumatra
- **fiat executie**: toestemming om een vonnis uit te voeren
- **gesuspendeerd**: tijdelijk uit zijn ambt gezet, geschorst
- **gecontrarieerd**: tegengewerkt, iemand dwarsgezeten
- **ad hoc**: Latijn: alleen voor dit doel gemaakt
- **loi Grammont**: Franse wet tegen het mishandelen van dieren
- **monomanie**: ziekelijke gedachte aan maar één ding
- **herendienst**: verplicht werk zonder loon voor het bestuur
- **inlandse**: oud woord voor: van de bewoners van Indië; nu beledigend
- **vrijbrief**: iets waardoor iemand mag doen wat anders verboden is
- **kettinggangers**: gevangenen die met een ketting aan het werk moeten
- **knevelarij**: geld of goederen afpersen van arme mensen
- **geaboucheerd**: onder vier ogen besproken om iets te regelen
- **pendoppo**: open gebouwtje met alleen een dak
- **pikols**: oude gewichten in Azië, voor bijvoorbeeld rijst
- **Jobsbode**: iemand die slecht nieuws brengt
- **Jacquerie**: bloedige boerenopstand, zoals vroeger in Frankrijk
- **koketteert**: laat iets graag zien om bewonderd te worden
- **bont**: hier: vreemd gemengd, niet bij elkaar passend
- **Tikar**: mat om op te slapen
- **Klapper**: kokosnoot
- **Pukul ampat**: bloem die om vier uur opengaat
- **Gefühl**: gevoel

## Vijftiende hoofdstuk

Havelaars voorganger wilde wel het goede. Maar hij leek ook een beetje bang te zijn geweest dat hij de hoge gunst van de Regering zou verliezen. De man had veel kinderen en geen vermogen. Daarom had hij liever met de resident *gesproken* over wat hij zelf *verregaande* misbruiken noemde. Hij wilde ze niet ronduit noemen in een officieel bericht. Hij wist dat een resident niet graag een schriftelijk rapport krijgt. Zo'n rapport blijft in zijn archief liggen. Later kan het bewijzen dat iemand hem op tijd heeft gewaarschuwd voor deze of gene fout. Een mondelinge mededeling laat hem zonder gevaar de keus: hij kan iets doen met een klacht, of niet. Zulke mondelinge mededelingen leidden meestal tot een gesprek met de Regent. Die ontkende natuurlijk alles en vroeg om bewijzen. Dan werden de mensen opgeroepen die zo brutaal waren geweest om te klagen. Ze kropen voor de voeten van de Adhipatti en smeekten om vergeving. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen zonder betaling. Ze geloofden wel dat ervoor de dubbele prijs betaald zou worden." "Neen, ze waren niet van hun velden geroepen om zonder loon te werken op de *sawahs* van de Regent. Ze wisten heel goed dat de Adhipatti hen later ruim beloond zou hebben." "Ze hadden hun klacht ingediend in een ogenblik van ongegronde boosheid ... Ze waren gek geweest, en ze smeekten dat men hen zou straffen voor zo'n verregaand gebrek aan eerbied!"

Dan wist de resident wel wat hij moest denken van dat intrekken van de klacht. Maar het gaf hem toch een mooie kans om de Regent te handhaven in ambt en eer. En zo bleef hem de vervelende taak bespaard om de Regering te "bemoeilijken" met een slecht bericht. De onvoorzichtige aanklagers kregen als straf slagen met de rotting. De Regent had gewonnen. En de resident ging terug naar de hoofdplaats. Hij had het prettige gevoel dat hij die zaak alweer zo goed had "geschipperd".

Maar wat moest de assistent-resident nu doen, als de volgende dag weer andere klagers bij hem kwamen? Of—en dit gebeurde vaak—als dezelfde klagers terugkwamen en hun intrekking introkken? Moest hij de zaak dan *weer* op zijn nota schrijven? Moest hij er *weer* over spreken met de resident? Moest hij *weer* dezelfde komedie zien spelen? En dat alles met het gevaar dat men hem ten slotte voor dom en boosaardig hield? Hij bracht immers telkens beschuldigingen in die steeds als ongegrond werden afgewezen. Wat moest er worden van de vriendschappelijke verhouding tussen het belangrijkste inlandse Hoofd en de eerste Europese ambtenaar? Die verhouding was toch zo nodig. En deze ambtenaar leek telkens te luisteren naar valse klachten tegen dat Hoofd! En vooral: wat gebeurde er met die arme klagers als ze terug waren in hun dorp? Daar stonden ze weer onder de macht van het districts- of dorpshoofd. Dat hoofd hadden ze juist aangeklaagd, omdat het de willekeur van de Regent uitvoerde.

Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. *Daarom* zwierven er zoveel Bantammers in de naburige provincies! *Daarom* waren er zoveel bewoners van Lebak onder de opstandelingen in de Lampongse districten! *Daarom* had Havelaar in zijn toespraak aan de Hoofden gevraagd: "Wat is dit, dat er zoveel huizen leegstaan in de dorpen? En waarom kiezen velen liever de schaduw van de bossen elders dan de koelte van de wouden van Bantan-Kidoel?"

Maar niet iedereen *kon* vluchten. 's Morgens dreef het lijk van een man de rivier af. De avond ervoor had hij in het geheim, aarzelend en bang, om gehoor gevraagd bij de assistent-resident ... Die man had geen behoefte meer aan vluchten. Misschien moet men het menslievend noemen dat hij meteen werd gedood. Zo hoefde hij niet nog een tijd te leven. Hem bleef de mishandeling bespaard die hem wachtte bij zijn terugkeer in zijn dorp. Hem bleven ook de slagen met de rotting bespaard. Dat is de straf voor iedereen die even dacht dat hij geen beest was, geen dood stuk hout of steen. Het is de straf voor wie in een aanval van dwaasheid had geloofd dat er *Recht* was in het land. En dat de assistent-resident de wil had, en de macht, om dat Recht te handhaven ...

Was het inderdaad niet beter om die man tegen te houden? Hij zou de volgende dag terugkomen bij de assistent-resident, zoals deze hem 's avonds had laten zeggen. Was het niet beter om zijn klacht te smoren in het gele water van de Tjioedjoeng? Die rivier zou hem zachtjes naar haar monding brengen. Ze was gewend om broederlijke groetgeschenken te vervoeren, van de haaien in het binnenland aan de haaien in zee.

En Havelaar wist dit alles! Voelt de lezer wat er in hem omging? Hij was geroepen om recht te doen. Daarvoor was hij verantwoordelijk tegenover een hogere macht dan de Regering. Die Regering schreef dat recht wel voor in haar wetten. Maar ze zag niet altijd even graag dat het werd toegepast. Voelt men hoe hij heen en weer werd geslingerd door twijfel? Hij twijfelde niet aan *wat* hij moest doen, maar aan de *manier waarop* hij moest handelen.

Hij was begonnen met zachtheid. Hij had tot de Adhipatti gesproken als "oudere broeder". Misschien denkt iemand dat ik te veel ingenomen ben met de held van mijn geschiedenis. Misschien denkt hij dat ik Havelaars manier van spreken overdrijf. Die moet dan horen wat er eens na zo'n gesprek gebeurde. De Regent stuurde zijn Patteh naar hem toe, om hem te bedanken voor zijn vriendelijke woorden. En nog lang daarna sprak die Patteh met de controleur Verbrugge. Toen was Havelaar al geen assistent-resident van Lebak meer. Er was dus niets meer van hem te hopen of te vrezen. Toch riep die Patteh ontroerd uit, bij de herinnering aan zijn woorden: "Nog nooit heeft enig heer gesproken als hij!"

Ja, hij wilde helpen, op de goede weg brengen, redden, niet vernietigen! Hij had medelijden met de Regent. Hij wist hoe zwaar geldgebrek kan drukken, vooral als het tot vernedering en schande leidt. Daarom zocht hij naar redenen om de Regent te verontschuldigen. De Regent was oud. Hij was het Hoofd van een familie die in naburige provincies op grote voet leefde. Daar werd veel koffie geoogst, en dus kreeg men daar veel extra inkomen. Deed het hem geen pijn dat hij in zijn manier van leven zo ver achterbleef bij zijn jongere familieleden? Bovendien werd de man beheerst door godsdienstige dweepzucht. Nu hij ouder werd, meende hij het heil van zijn ziel te kunnen kopen. Hij betaalde daarvoor bedevaarten naar Mekka en aalmoezen aan leeglopers die gebeden zongen. De ambtenaren die vóór Havelaar in Lebak waren geweest, hadden niet altijd goede voorbeelden gegeven. En ten slotte was er zijn grote familie in Lebak, die helemaal op zijn kosten leefde. Dat maakte het voor hem moeilijk om terug te keren naar de goede weg.

Zo zocht Havelaar naar redenen om alle strengheid uit te stellen. Hij wilde nog eens en *nog eens* proberen wat er met zachtheid te bereiken was.

En hij ging nog verder dan zachtheid. Hij was edelmoedig, op een manier die deed denken aan de fouten die hem zo arm hadden gemaakt. Telkens schoot hij de Regent geld voor, op eigen verantwoordelijkheid. Zo zou de nood hem niet te sterk tot misdaad drijven. En zoals gewoonlijk vergat hij zichzelf helemaal. Hij bood aan om zichzelf en zijn gezin te beperken tot het strikt nodige. Zo wilde hij de Regent helpen met het beetje dat hij nog van zijn inkomen kon sparen.

Misschien lijkt het nog nodig om te bewijzen hoe zachtmoedig Havelaar zijn moeilijke plicht deed. Dat bewijs vindt men dan in een mondelinge boodschap. Hij gaf die aan de controleur, toen deze eens naar Serang zou gaan. "Zeg tegen de resident: als hij hoort van de misbruiken hier, moet hij niet denken dat ze mij onverschillig laten. Ik maak er niet meteen officieel melding van, omdat ik medelijden heb met de Regent. Ik wil hem beschermen tegen te grote strengheid. Ik wil eerst proberen hem door zachtheid tot zijn plicht te brengen."

Havelaar bleef vaak dagen achter elkaar weg. Als hij thuis was, vond men hem meestal in de kamer die op onze plattegrond het zevende vak is. Daar zat hij meestal te schrijven, en daar ontving hij de mensen die om gehoor vroegen. Hij had die plek gekozen omdat hij daar dicht bij zijn Tine was. Zij zat meestal in de kamer ernaast. Want ze waren zo nauw met elkaar verbonden dat Max haar telkens wilde zien of horen. Dat was ook zo als hij bezig was met werk dat aandacht en inspanning vroeg. Het was vaak grappig hoe hij opeens een woord tot haar richtte, dat opkwam in zijn gedachten over zijn werk. Zij wist niet waar hij mee bezig was. Toch begreep ze snel wat hij bedoelde. Hij legde het haar dan ook meestal niet uit, alsof het vanzelf sprak dat zij hem begreep. Vaak ook was hij niet tevreden over zijn eigen werk, of over een vervelend bericht dat hij net had gekregen. Dan sprong hij op en zei iets onvriendelijks tegen haar ... terwijl zij toch geen schuld had aan zijn ontevredenheid! Maar dit hoorde ze graag. Het was immers een bewijs te meer dat Max haar verwarde met zichzelf. Nooit was er sprake van spijt over zo'n schijnbare hardheid, of van vergeving aan de andere kant. Voor hen zou dat zijn geweest alsof iemand zichzelf om vergeving vroeg. De reden: hij had zich in een boze bui voor zijn eigen hoofd geslagen.

Zij kende hem dan ook heel goed. Ze wist precies wanneer ze *daar* moest zijn om hem even rust te geven. Ze wist ook precies wanneer hij haar raad nodig had, en even precies wanneer ze hem alleen moest laten.

In die kamer zat Havelaar op een morgen, toen de controleur binnenkwam met een brief in de hand. Hij had die net gekregen.

—Dat is een moeilijke zaak, meneer Havelaar, zei hij bij het binnenkomen. Heel moeilijk!

Die brief bevatte eenvoudig de opdracht van Havelaar om iets uit te leggen. Waarom waren de prijzen van houtwerk en arbeidsloon veranderd? Als ik dit zeg, zal de lezer vinden dat de controleur Verbrugge wel erg snel iets moeilijk vond. Ik voeg er dus snel aan toe: ook veel anderen zouden die eenvoudige vraag moeilijk hebben gevonden.

Enkele jaren geleden was er in Rangkas-Betoeng een gevangenis gebouwd. Nu weet iedereen dat de ambtenaren in het binnenland van Java een bepaalde kunst verstaan. Ze zetten gebouwen neer die duizenden waard zijn, en ze geven daarvoor maar evenveel honderden uit. Zo krijgt men de naam bekwaam te zijn en ijverig voor de dienst van het land. Er is een verschil tussen het uitgegeven geld en de waarde van wat daarvoor is verkregen. Dat verschil wordt aangevuld door onbetaalde leveringen of onbetaald werk. Sinds enkele jaren zijn er voorschriften die dit verbieden. Of men zich daaraan houdt, is hier de vraag niet. Evenmin is de vraag of de Regering zelf *wil* dat men zich daaraan houdt. Zo'n stiptheid zou de begroting van het departement van bouw zwaar belasten. Het zal hiermee wel gaan als met veel andere voorschriften, die er op papier zo menslievend uitzien.

Nu moesten er in Rangkas-Betoeng nog veel andere gebouwen komen. De ingenieurs die de plannen moesten maken, hadden opgaven gevraagd van de plaatselijke prijzen van arbeidslonen en materialen. Havelaar had de controleur opgedragen dit nauwkeurig te onderzoeken. Hij had hem aangeraden de prijzen naar waarheid op te geven, zonder te kijken naar wat er vroeger was gebeurd. Toen Verbrugge dit had gedaan, bleek dat die prijzen niet klopten met de opgaven van enkele jaren eerder. Nu werd gevraagd naar de reden van dit verschil, en dat vond Verbrugge zo moeilijk. Havelaar wist heel goed wat er achter deze schijnbaar eenvoudige zaak zat. Hij antwoordde dat hij zijn gedachten over die moeilijkheid schriftelijk zou meedelen. Onder de stukken die voor mij liggen, vind ik een kopie van de brief die daarop schijnt te zijn gevolgd.

Misschien klaagt de lezer dat ik hem ophoud met brieven over de prijzen van houtwerk. Daarmee lijkt hij niets te maken te hebben. Dan moet ik hem vragen om op iets te letten. Het gaat hier eigenlijk om iets heel anders, *namelijk om de toestand van de ambtelijke Indische huishouding*. De brief die ik meedeel, werpt nog een straal licht op het kunstmatige optimisme waarover ik heb gesproken. Hij laat ook de moeilijkheden zien van iemand als Havelaar. Die wilde recht op zijn doel af gaan, zonder om te kijken.

"N° 114. Rangkas-Betoeng, 15 maart 1856.

*Aan de controleur van Lebak.*

Ik stuurde u de brief van de Directeur van Openbare Werken van 16 februari, N° 271/354, door. Daarbij heb ik u iets verzocht. U moest de vraag in die brief beantwoorden na overleg met de Regent. U moest daarbij letten op wat ik schreef in mijn brief van 5 maart, N° 97.

Die brief bevatte enkele algemene aanwijzingen. Ze gingen over wat billijk en rechtvaardig is bij het bepalen van de prijzen van materialen. Het gaat om materialen die de bevolking levert aan het Bestuur, en op last van het Bestuur.

In uw brief van 8 maart, N° 6, hebt u daaraan voldaan, en naar ik geloof volgens uw beste weten. Ik vertrouwde op uw plaatselijke kennis en op die van de Regent. Daarom heb ik die opgaven aan de resident aangeboden, zoals u ze had opgesteld.

Daarop volgde een brief van die hoofdambtenaar van 11 maart, N° 326. Daarin wordt om inlichtingen gevraagd over de oorzaak van een verschil. Ik heb prijzen opgegeven, en in 1853 en 1854 zijn andere prijzen betaald bij de bouw van een gevangenis.

Ik gaf die brief natuurlijk aan u, en ik droeg u mondeling op uw opgave nu te verantwoorden. Dat moest voor u des te minder moeilijk zijn. U kon zich immers beroepen op de voorschriften uit mijn brief van 5 maart. Die hebben we ook mondeling meermalen uitvoerig besproken.

Tot hier toe is alles eenvoudig en regelmatig.

Maar gisteren kwam u op mijn kantoor, met de teruggestuurde brief van de resident in de hand. U begon te spreken over de moeilijkheid om af te handelen wat daarin staat. Ik merkte bij u opnieuw een zekere schroom om sommige zaken bij de ware naam te noemen. Daarop heb ik u al meermalen gewezen, onder andere onlangs in het bijzijn van de resident. Ik noem dat, om het kort te zeggen, *halfheid*, en ik heb u daar al vaak vriendschappelijk voor gewaarschuwd.

Halfheid leidt tot niets. Half goed is niet goed. Half waar is onwaar.

Voor een vol salaris, voor een volle rang, na een duidelijke, *volledige* eed, moet men zijn volle plicht doen.

Is er soms moed nodig om die plicht te doen, dan moet men die moed hebben.

Ik voor mij zou de moed niet hebben om die moed te missen. Want wie zijn plicht verzuimt of lauw is, wordt ontevreden met zichzelf. Maar er is meer. Men kan gemakkelijkere omwegen zoeken. Men kan altijd en overal botsingen willen vermijden. Men kan willen "schipperen". Dat alles geeft meer zorgen, en echt meer gevaar, dan men op de rechte weg zal tegenkomen. Er loopt een zeer belangrijke zaak, die nu bij het Gouvernement wordt bekeken. U zou daar eigenlijk door uw ambt bij betrokken moeten zijn. Toch heb ik u daarbij zonder iets te zeggen als het ware neutraal gelaten. Ik heb er alleen af en toe lachend op gezinspeeld.

Onlangs kreeg ik bijvoorbeeld uw rapport over de oorzaken van gebrek en hongersnood onder de bevolking. Ik schreef daarop: "*Dit alles mag de waarheid zijn, het is niet* al *de waarheid, en ook niet de* belangrijkste *waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper.*" U gaf dit volmondig toe. En ik maakte geen gebruik van mijn *recht* om te eisen dat u die hoofdwaarheid dan ook zou *noemen*.

Ik had veel redenen om zo inschikkelijk te zijn, en onder andere deze. Ik vond het oneerlijk om opeens van *u* te eisen wat vele anderen in uw plaats ook niet zouden doen. Ik vond het oneerlijk om *u* te dwingen opeens afscheid te nemen van de routine van terughoudendheid en mensenvrees. Die routine is niet zozeer *uw* schuld, als wel de schuld van de leiding die u hebt gehad. Ten slotte wilde ik u eerst een voorbeeld geven. Ik wilde u laten zien hoeveel eenvoudiger en gemakkelijker het is om zijn plicht *helemaal* te doen dan *half*.

Nu echter heb ik de eer u weer zoveel dagen langer onder mijn bevelen te zien. En ik heb u herhaaldelijk de kans gegeven principes te leren kennen die—tenzij ik me vergis—ten slotte zullen winnen. Daarom wens ik dat u die aanneemt. Er lijkt kracht nodig om altijd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er te zeggen is. Die kracht ontbreekt u niet, maar u gebruikt haar niet meer. Ik wens dat u zich die kracht eigen maakt. En ik wens dat u dus helemaal die onmannelijke schroom laat varen om flink voor een zaak uit te komen.

Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar *volledige* opgave van wat volgens u de oorzaak is van het prijsverschil tussen *nu* en 1853 of 1854.

Ik hoop ernstig dat u geen enkele zin van deze brief zult opvatten als geschreven om u te kwetsen. Ik vertrouw dat u mij goed genoeg kent om te weten dat ik niet meer of minder zeg dan ik meen. Bovendien verzeker ik u nog eens het volgende. Mijn opmerkingen gaan eigenlijk minder over *u* dan over de *school* waarin u tot Indisch ambtenaar bent gevormd.

Stel dat u langer met mij omgaat en het Gouvernement onder mijn leiding dient. Als u dan de sleur blijft volgen waartegen ik mij verzet, zou deze *circonstance atténuante* echter vervallen.

U hebt gemerkt dat ik het "*Uweledelgestrenge*" heb weggelaten: het verveelde mij. Doet u dat ook. Laat onze "weledelheid" en, waar het nodig is, onze "gestrengheid" ergens anders blijken. En laat ze vooral op een *andere* manier blijken dan door die vervelende titels, die de zinnen storen.

De assistent-resident van Lebak, Max Havelaar"

Het antwoord op deze brief was belastend voor sommige voorgangers van Havelaar. Het bewees dat hij niet zo ongelijk had gehad. Hij had de "*slechte voorbeelden uit vroegere tijd*" immers genoemd onder de redenen om de Regent te verontschuldigen.

Door deze brief nu mee te delen, ben ik de tijd vooruitgelopen. Ik wilde nu al laten zien hoe weinig hulp Havelaar kon verwachten van de controleur. Straks zouden heel andere, belangrijkere zaken bij hun ware naam genoemd moeten worden. En deze ambtenaar was zonder twijfel een braaf mens. Toch moest hij al zo worden toegesproken om de waarheid te zeggen. En het ging alleen om de prijzen van hout, steen, kalk en arbeidsloon! Men begrijpt dus dat Havelaar moest strijden tegen de macht van de mensen die voordeel hadden van de misdaad. Maar hij moest ook strijden tegen de schroom van anderen. Zij keurden die misdaad even sterk af als hij. Maar ze vonden zich niet geroepen of geschikt om er met de nodige moed tegen op te treden.

Misschien denkt men na het lezen van die brief ook iets minder minachtend over de slaafse onderworpenheid van de Javaan. In het bijzijn van zijn Hoofd trekt hij laf zijn beschuldiging terug, hoe gegrond die ook is. Want er was zoveel reden tot angst, zelfs voor de Europese ambtenaar, die toch wat minder aan wraak blootstond. Wat wachtte dan de arme landbewoner? Hij woonde in een dorp ver van de hoofdplaats. Daar viel hij helemaal in de macht van de onderdrukkers die hij had aangeklaagd. Is het een wonder dat die arme mensen schrokken van de gevolgen van hun durf? Is het een wonder dat ze die gevolgen probeerden te ontlopen of te verzachten door zich nederig te onderwerpen?

En niet alleen de controleur Verbrugge deed zijn plicht zo schuw, alsof het plichtverzuim was. Ook de Djaksa deed dat, het inlandse Hoofd dat bij de Landraad het ambt van openbare aanklager heeft. Hij kwam het liefst 's avonds in Havelaars huis, ongezien en zonder gevolg. Hij moest diefstal tegengaan en de sluipende dief betrappen. Maar zelf sloop hij als een dief die bang is om betrapt te worden. Met zachte stappen kwam hij aan de achterkant het huis binnen. Eerst had hij gecontroleerd of er geen gezelschap was dat hem later kon verraden. Dan zou men immers weten dat hij schuldig was aan het doen van zijn plicht.

Was het een wonder dat Havelaars ziel bedroefd was? Was het een wonder dat Tine meer dan ooit zijn kamer binnen moest komen om hem op te beuren? Ze zag immers hoe hij daar zat, met zijn hand onder zijn hoofd.

En toch lag voor hem de grootste moeilijkheid niet in de schroom van de mensen die hem moesten helpen. Ook niet in de medeplichtige lafheid van de mensen die zijn hulp hadden gevraagd. Neen, desnoods zou hij helemaal alleen recht doen, met of zonder hulp van anderen. Ja, desnoods *tegen* allen, zelfs tegen de mensen die dat recht zelf nodig hadden! Want hij wist dat hij invloed had op het Volk. De arme onderdrukten konden eens worden opgeroepen. Dan moesten ze hardop voor de rechter herhalen wat ze hem 's avonds en 's nachts in eenzaamheid hadden toegefluisterd. Hij wist dat hij dan de macht had om op hun gemoed te werken. De kracht van zijn woorden zou sterker zijn dan de angst voor de wraak van districtshoofd of Regent. De vrees dat zijn beschermelingen hun eigen zaak zouden verlaten, hield hem dus niet tegen. Maar het kostte hem zoveel moeite om die oude Adhipatti aan te klagen: *dat* was de reden van zijn innerlijke strijd! Want aan de andere kant mocht hij ook niet toegeven aan deze tegenzin. De hele bevolking had immers, nog afgezien van haar goede recht, evenveel aanspraak op medelijden.

Angst voor eigen leed speelde geen rol in zijn twijfel. Want hij wist wel dat de Regering in het algemeen niet graag ziet dat een Regent wordt aangeklaagd. Hij wist ook hoe gemakkelijk sommigen een Europese ambtenaar broodeloos maken. Dat is voor hen gemakkelijker dan een inlands Hoofd straffen. Maar hij had een bijzondere reden om iets anders te geloven. Juist op dit moment zouden bij zo'n zaak andere principes gelden dan de gewone. Het is waar dat hij ook zonder deze mening zijn plicht zou hebben gedaan. Hij zou het zelfs liever hebben gedaan, als het gevaar voor zichzelf en zijn gezin groter had geleken dan ooit. We zeiden al dat moeilijkheid hem aantrok, en dat hij dorstte naar opoffering. Maar hij meende dat er hier niets aantrekkelijks was aan een zelfoffer. Misschien moest hij ten slotte een ernstige strijd tegen het onrecht beginnen. Dan vreesde hij dat hij het ridderlijke genoegen moest missen om die strijd te beginnen als de zwakste.

Ja, dit *vreesde* hij. Hij meende dat er aan het hoofd van de Regering een Gouverneur-generaal stond die zijn bondgenoot zou zijn. En dit was nog een eigenaardigheid van zijn karakter: juist deze mening hield hem af van strenge maatregelen. Ze hield hem langer tegen dan iets anders zou hebben gedaan. Het stuitte hem namelijk tegen de borst om het Onrecht op zo'n moment aan te vallen. Want nu vond hij het Recht sterker dan gewoonlijk. Ik zei immers al, toen ik probeerde zijn karakter te beschrijven, dat hij naïef was bij al zijn scherpte?

Laten we proberen op te helderen hoe Havelaar aan die mening gekomen was.

* * * * *

Heel weinig Europese lezers kunnen zich een juist beeld vormen van de hoogte waarop een Gouverneur-generaal als mens moet staan. Hij mag immers niet onder de hoogte van zijn ambt blijven. En ik oordeel niet te streng als ik zeg: heel weinigen, misschien niemand, hebben aan zo'n zware eis kunnen voldoen. Ik zal niet alle eigenschappen van hoofd en hart noemen die daarvoor nodig zijn. Laat men alleen kijken naar de duizelingwekkende hoogte waarop de man zo plotseling wordt geplaatst. Gisteren was hij nog een eenvoudig burger, en vandaag heeft hij macht over miljoenen onderdanen. Kort geleden ging hij nog schuil tussen de mensen om hem heen. Hij stak niet boven hen uit in rang of gezag. Nu voelt hij zich opeens, meestal onverwacht, opgeheven boven een menigte. Die menigte is oneindig veel groter dan de kleine kring die hem vroeger helemaal aan het oog onttrok. En ik denk dat ik die hoogte terecht duizelingwekkend noemde. Ze doet echt denken aan de duizeligheid van iemand die onverwacht een afgrond voor zich ziet. Of aan de blindheid die ons treft als we snel van diepe duisternis in scherp licht worden gebracht. Tegen zulke overgangen kunnen de zenuwen van ogen of hersenen niet, ook al zijn ze verder buitengewoon sterk.

Vaak draagt de benoeming tot Gouverneur-generaal dus al in zichzelf de oorzaken van bederf mee. Dat geldt ook voor iemand die uitstekend was in verstand en gemoed. Wat moet men dan verwachten van mensen die vóór die benoeming al veel gebreken hadden? Laten we even aannemen dat de Koning altijd goed wordt voorgelicht als hij zijn hoge naam zet onder de akte. Daarin zegt hij overtuigd te zijn van de "*goede trouw, de ijver en de bekwaamheden*" van de benoemde Stedehouder. Laten we ook aannemen dat de nieuwe Onderkoning ijverig, trouw en bekwaam is. Dan blijft nog de vraag hoe groot die ijver is, en vooral die *bekwaamheid*. Steekt de *maat* ervan hoog genoeg boven de *middelmatigheid* uit? Alleen dan kan hij voldoen aan de eisen van zijn taak.

Want de man verlaat in Den Haag voor het eerst als Gouverneur-generaal het kabinet van de Koning. De vraag kan niet zijn of hij op *dat* ogenblik de bekwaamheid heeft die zijn nieuwe ambt vraagt ... Dat is *onmogelijk*! Men verklaart te vertrouwen op zijn bekwaamheid. Daarmee kan men alleen dit bedoelen: in een helemaal nieuwe werkkring zal hij op een bepaald ogenblik iets weten. Hij zal het als het ware door ingeving weten, want in Den Haag kan hij het niet hebben geleerd. Met andere woorden: hij is een genie. Het is een genie dat opeens moet kennen en kunnen wat het niet kende en niet kon. Zulke genieën zijn zeldzaam, zelfs onder mensen die in de gunst staan bij koningen.

Ik spreek over genieën. Men voelt dus dat ik wil overslaan wat er te zeggen zou zijn over zo menige Landvoogd. Ook zou het me tegenstaan om zulke bladzijden in mijn boek op te nemen. Ze zouden het ernstige doel van dit werk in gevaar brengen. Men zou dan kunnen denken dat ik op schandalen jaag. Ik ga dus nu voorbij aan de bijzonderheden die bepaalde personen zouden raken. Maar als *algemene* ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal meen ik dit te mogen opgeven: *Eerste stadium.* Duizeligheid. Wierookdronkenschap. Eigenwaan. Overdreven zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van "oudgasten". *Tweede stadium.* Vermoeidheid. Angst. Moedeloosheid. Neiging tot slaap en rust. Overdreven vertrouwen op de Raad van Indië. Afhankelijkheid van de Algemene Secretarie. Heimwee naar een Hollandse buitenplaats.

Tussen deze twee stadia in, als overgang—misschien zelfs als oorzaak van die overgang—liggen dysenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indië me dankbaar zullen zijn voor deze diagnose. Ze is nuttig om toe te passen. Want de zieke zou in de eerste periode zeker door overspanning stikken in een mug. Maar later—na de buikziekte!—zal hij zonder bezwaar kemels verdragen. Of duidelijker gezegd: neem een ambtenaar die "*geschenken aanneemt, niet met het doel zich te verrijken*". Bijvoorbeeld een bos *pisang* die een paar duiten waard is. Die ambtenaar wordt met smaad en schande weggejaagd in de *eerste* periode van de ziekte. Maar iemand kan ook het geduld hebben om de *laatste* periode af te wachten. Die kan heel rustig en zonder angst voor straf de tuin nemen waar de *pisang* groeide. Hij kan er de tuinen ernaast bij nemen ... En de huizen die in de buurt staan ... En wat er in die huizen is ... En nog het een en ander meer, *ad libitum*.

Laat iedereen zijn voordeel doen met deze medisch-filosofische opmerking. Maar houd mijn raad geheim, om te grote concurrentie te voorkomen.

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zich zo vaak moeten kleden in het lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om begrepen te worden, samen moet gaan met een grijns! Of is het de schuld van mijn onervarenheid, dat ik geen woorden vind? Aan ons staatsbestuur kankert een wond. Moet ik, om de diepte daarvan te meten, mijn stijl zoeken bij Figaro of Polichinel?

Stijl ... ja! Daar liggen stukken voor mij waarin stijl is. Stijl die aantoonde dat er een *mens* in de buurt was. Een *mens* aan wie het de moeite waard was geweest de hand te reiken! En wat heeft die stijl de arme Havelaar gebaat? *Hij* vertaalde zijn tranen niet in een grijns. *Hij* spotte niet. *Hij* zocht geen effect door bonte kleuren, of door de grappen van de omroeper voor de kermistent ... Wat heeft het hem gebaat?

Als ik kon schrijven zoals hij, zou ik *anders* schrijven dan hij.

Stijl? Hebt u gehoord hoe hij sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem gebaat?

Als ik kon spreken zoals hij, zou ik *anders* spreken dan hij.

Weg met hartelijke taal, weg met zachtheid, openheid, duidelijkheid, eenvoud, gevoel! Weg met alles wat herinnert aan het *justum ac tenacem* van Horatius! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkens, en gesis van vuurpijlen, en gekras van valse snaren. En hier en daar een waar woord, dat mee naar binnen sluipt als verboden waar. Onder dekking van zoveel getrommel en gefluit?

Stijl? *Hij* had stijl! Hij had te veel ziel om zijn gedachten te verdrinken in de "ik heb de eers". Ook niet in de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in-overweging-gevingen". Dat was het grote genot van de kleine wereld waarin hij leefde. Als hij schreef, drong er iets tot u door bij het lezen. U begreep dat er wolken dreven bij dat onweer, en dat u niet het gerammel hoorde van een blikken toneeldonder. Als hij vuur sloeg uit zijn gedachten, voelde men de hitte van dat vuur. Tenzij men geboren commies was, of Gouverneur-generaal, of schrijver van het walgelijkste verslag over "rustige rust". En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus gehoord wil worden—en vooral begrepen!—moet ik *anders* schrijven dan hij. Maar *hoe* dan?

Zie, lezer, ik zoek naar het antwoord op dat *hoe*? En daarom ziet mijn boek er zo bont uit. Het is een staalkaart: maak uw keuze. Later zal ik u geel of blauw of rood geven, zoals u wenst.

Havelaar had de Gouverneursziekte al zo vaak gezien bij zoveel lijders. Vaak zag hij haar *in animâ vili*, want er zijn gelijksoortige ziekten van residenten, controleurs en surnumerairs. Die verhouden zich tot de eerste als mazelen tot pokken. En ten slotte had hij zelf aan die ziekte geleden! Hij had dat alles al zo vaak gezien, dat hij de verschijnselen vrij goed kende. Hij had de huidige Gouverneur-generaal in het begin van de ziekte minder duizelig gevonden dan de meeste anderen. Daaruit concludeerde hij dat ook het verdere verloop van de ziekte een andere richting zou nemen.

Ten slotte moest hij misschien optreden als verdediger van het goede recht van de inwoners van Lebak. Om deze reden vreesde hij dat hij dan de sterkste zou zijn.

### Woordenlijst

- **schipperen**: de moeilijke kant vermijden en iedereen tevreden houden
- **rotting**: stok om te slaan
- **sawahs**: natte rijstvelden
- **Adhipatti**: hoge Javaanse titel, hoger dan Tommongong
- **Patteh**: eerste helper van de Regent
- **schroom**: verlegen angst om iets te doen of te zeggen
- **gebaat**: geholpen, voordeel gebracht
- **oudgasten**: Europeanen die al lang in Indië wonen
- **pisang**: banaan
- **kemels**: oud woord voor kamelen
- **staalkaart**: kaart met voorbeelden van kleuren of stoffen, waaruit men kiest
- **circonstance atténuante**: Frans: iets dat de schuld kleiner maakt
- **ad libitum**: Latijn: zoveel als men wil
- **in animâ vili**: Latijn: bij iemand die weinig waard is
- **justum ac tenacem**: Latijn, woorden van Horatius: de man die rechtvaardig is en vasthoudt aan zijn plan

## Zestiende hoofdstuk

Havelaar kreeg een brief van de Regent van Tjanjor. Daarin schreef deze dat hij een bezoek wilde brengen aan zijn oom, de Adhipatti van Lebak. Dit bericht vond Havelaar heel vervelend. Hij wist hoe de Hoofden in de Preanger Regentschappen gewend waren grote luxe te tonen. Hij wist ook dat de Tommongong van Tjanjor zo'n reis niet zou maken zonder een gevolg van vele honderden mensen. Die moesten allemaal, met hun paarden, onderdak en eten krijgen. Hij had dit bezoek dus graag verhinderd. Maar hij dacht tevergeefs na over een manier om het te voorkomen, zonder de Regent van Rangkas-Betoeng te kwetsen. Deze was namelijk erg trots. Hij zou zich diep beledigd voelen als men zijn relatieve armoede als reden noemde om hem niet te bezoeken. En als dit bezoek *niet* te vermijden was, zou het de druk op de bevolking onvermijdelijk nog zwaarder maken.

Het is de vraag of Havelaars toespraak een blijvende indruk op de Hoofden had gemaakt. Bij velen was dat zeker niet zo, en daarop had hij zelf ook niet gerekend. Maar even zeker is dat er in de dorpen een gerucht was opgegaan. De *toewan* die gezag had in Rangkas-Betoeng, wilde recht doen. Zijn woorden hadden dus niet de kracht gehad om van misdaad terug te houden. Maar ze hadden de slachtoffers wel de moed gegeven om te klagen. Dat gebeurde wel maar aarzelend en in het geheim.

Ze kropen 's avonds door de ravijn. Als Tine in haar kamer zat, schrok ze meermalen op van een onverwacht geluid. Dan zag ze door het open raam donkere figuren, die bang voorbijslopen. Al snel schrok ze niet meer, want ze wist wat het betekende. Die figuren gingen als spoken om het huis, en ze zochten bescherming bij haar Max! Dan gaf ze hem een teken, en hij stond op om de klagers bij zich te roepen. De meesten kwamen uit het district Parang-Koedjang, waar de schoonzoon van de Regent Hoofd was. Dat Hoofd vergat zeker niet zijn deel te nemen van wat er werd afgeperst. Toch was het voor niemand een geheim dat hij meestal roofde in naam van de Regent en voor de Regent. Het was ontroerend hoe die arme mensen op Havelaars ridderlijkheid vertrouwden. Ze hadden 's nachts of 's avonds in zijn kamer gesproken. Ze waren ervan overtuigd dat hij hen de volgende dag niet zou roepen om dat in het openbaar te herhalen. Dat zou immers mishandeling hebben betekend voor allen, en voor velen de dood! Havelaar schreef op wat ze zeiden. Daarna droeg hij de klagers op terug te gaan naar hun dorp. Hij beloofde dat er recht zou gebeuren, als ze zich niet verzetten en niet wegvluchtten. Want dat was wat de meesten van plan waren. Meestal was hij kort daarna op de plaats waar het onrecht gebeurde. Vaak was hij er zelfs al geweest, nog voordat de klager zelf thuis was. Dan had hij de zaak onderzocht, meestal 's nachts. Zo bezocht hij in die uitgestrekte afdeling dorpen die twintig uur van Rangkas-Betoeng lagen. De Regent wist niet dat hij weg was van de hoofdplaats, en zelfs de controleur Verbrugge wist het niet. Zo wilde hij de klagers beschermen tegen het gevaar van wraak. Hij wilde ook de Regent de schaamte besparen van een openbaar onderzoek. Zo'n onderzoek zou onder *hem* zeker niet, zoals vroeger, eindigen met het intrekken van de klacht. Zo hoopte hij nog altijd dat de Hoofden zouden terugkeren van de gevaarlijke weg die ze al zo lang gingen. In dat geval zou hij alleen schadevergoeding hebben geëist voor de beroofden ... Voor zover het vergoeden van de schade mogelijk was.

Maar telkens als hij opnieuw met de Regent had gesproken, raakte hij overtuigd dat de beloften van beterschap leeg waren. En hij was bitter bedroefd dat zijn pogingen mislukten.

We laten hem nu een tijdje aan dat verdriet en zijn moeilijke werk over. Ik wil de lezer de geschiedenis vertellen van de Javaan Saïdjah in de *dessah* Badoer. Ik kies de namen van dat dorp en die Javaan uit de aantekeningen van Havelaar. Het zal gaan over afpersing en roof. Misschien wil men zeggen dat een verzonnen verhaal, wat de hoofdzaak betreft, niets bewijst. Daarom verzeker ik u dat ik de namen van *tweeëndertig personen* kan opgeven, in het district Parang-Koedjang alleen. Van hen zijn in één maand *zesendertig buffels* afgenomen ten behoeve van de Regent. Of, nog juister: ik kan de namen noemen van de tweeëndertig personen uit dat district. Zij *hebben* in één maand *durven klagen*. Hun klacht is door Havelaar *onderzocht en gegrond bevonden*.

Er zijn *vijf* van zulke districten in de afdeling Lebak ...

Misschien neemt men liever aan dat er minder buffels werden geroofd in de andere streken. Die hadden immers niet de eer bestuurd te worden door een schoonzoon van de Adhipatti. Dat wil ik wel toegeven. Maar het blijft de vraag of de brutaliteit van andere Hoofden niet op even vaste gronden rustte als hoge verwantschap. Het districtshoofd van Tjilang-Kahan aan de zuidkust, bijvoorbeeld, had geen gevreesde schoonvader. Maar hij kon steunen op de moeilijkheid om een klacht in te dienen. Arme mensen moesten *veertig* tot *zestig* palen afleggen. Pas dan konden ze zich 's avonds verbergen in de ravijn naast Havelaars huis. En denk ook aan de velen die op weg gingen en dat huis nooit bereikten ... En aan de velen die niet eens uit hun dorp vertrokken. Ze waren afgeschrikt door wat ze zelf hadden meegemaakt, of door het lot van andere klagers. Iemand vraagt misschien hoeveel runderen er elke maand werden geroofd in *vijf* districten. Ze moesten voorzien in de behoeften van de hofhouding van de Regent van Lebak. Men kan dan het aantal gestolen buffels uit één district met *vijf* vermenigvuldigen. Ik geloof dat men ongelijk heeft als men zegt dat die maat te hoog is.

En er werden niet alleen buffels gestolen. De buffelroof was zelfs niet het belangrijkste. In Indië vooral bestaat nog altijd wettelijk *herendienst*. Daar is minder brutaliteit nodig om de bevolking onwettig op te roepen voor onbetaald werk. Eigendom wegnemen vraagt meer brutaliteit. Men kan de bevolking gemakkelijk wijsmaken dat de Regering haar werk nodig heeft zonder ervoor te willen betalen. Dat is gemakkelijker dan wijsmaken dat de Regering haar buffels gratis eist. Stel dat de bange Javaan het *durfde* na te gaan. Klopt de zogenaamde *herendienst* die men van hem eist, met de regels daarvoor? Dan nog zou dit voor hem onmogelijk zijn. De een weet immers niet van de ander. Hij kan dus niet berekenen of het vastgestelde aantal personen tien of zelfs vijftig keer is overschreden. Het gevaarlijkere feit, dat gemakkelijker te ontdekken is, wordt dus al met zoveel brutaliteit uitgevoerd. Wat moet men dan denken van de misbruiken die gemakkelijker zijn in te voeren? Die lopen ook minder gevaar ontdekt te worden.

Ik zei dat ik zou overgaan op de geschiedenis van de Javaan Saïdjah. Eerst moet ik echter afdwalen. Dat is moeilijk te vermijden als men toestanden beschrijft die de lezer helemaal vreemd zijn. Ik zal daarbij ook ergens op wijzen. Voor niet-Indische mensen is het juiste oordeel over Indische zaken bijzonder moeilijk, en ik noem een van de oorzaken.

Ik heb herhaaldelijk over Javanen gesproken. Dit lijkt de Europese lezer heel natuurlijk. Toch zal dit woord als een fout hebben geklonken in de oren van wie Java kent. De westelijke residenties Bantam, Batavia, Preanger, Krawang en een deel van Cheribon heten samen de Soendahlanden. Ze worden niet gezien als deel van het eigenlijke Java. Ik zal niet spreken over de vreemdelingen die over zee naar die streken zijn gekomen. Maar de oorspronkelijke bevolking is daar echt heel anders dan op Midden-Java en in de zogenaamde Oosthoek. Kleding, volksaard en taal zijn er heel anders dan meer naar het oosten. De Soendanees of Orang Goenoeng verschilt meer van de eigenlijke Javaan dan een Engelsman van een Hollander. Zulke verschillen leiden vaak tot onenigheid in het oordeel over Indische zaken. Want Java alleen is al zo scherp verdeeld in twee ongelijke delen. En dan let ik nog niet op de vele kleinere verdelingen. Men kan dus berekenen hoe groot het verschil moet zijn tussen volksstammen die verder van elkaar wonen. Sommige worden zelfs door de zee gescheiden. Iemand kent Nederlands-Indië misschien alleen van Java. Hij kan zich dan geen juist beeld vormen van de Maleier, de Amboinees, de Battah of de Alfoer. Ook niet van de Timorees, de Dajak, de Boegie of de Makassaar. Hij weet er niet meer van dan iemand die Europa nooit heeft verlaten. Wie de kans had het verschil tussen deze volkeren te zien, heeft dan ook vaak plezier. Hij luistert naar de gesprekken van mensen die hun kennis van Indische zaken opdeden in Batavia of Buitenzorg. En hun redevoeringen te lezen is grappig en treurig tegelijk! Meermalen heb ik me verbaasd over de moed van bijvoorbeeld een voormalig Gouverneur-generaal in de Kamer van de Volksvertegenwoordiging. Hij probeert gewicht te geven aan zijn woorden, door te doen alsof hij plaatselijke kennis en ervaring heeft. Ik heb veel waardering voor wetenschap die men door ernstige studie in de boekenkamer heeft verkregen. Vaak stond ik verbaasd hoe uitgebreid de kennis van Indische zaken was van sommigen, die nooit Indische grond hadden betreden. Een voormalig Gouverneur-generaal kan laten zien dat hij zulke kennis op *die* manier heeft verworven. Dan moet men eerbied voor hem voelen. Dat is het rechtmatige loon voor vele jaren nauwgezet en vruchtbaar werk. Die eerbied moet zelfs groter zijn dan voor de geleerde, die minder moeilijkheden had te overwinnen. De geleerde zit immers ver weg en ziet *niets*. Daardoor liep hij minder gevaar te vervallen in de fouten die komen van *gebrekkig* zien. En dat gebrekkige zien viel de voormalige Gouverneur-generaal onvermijdelijk ten deel.

Ik zei dat ik verbaasd was over de moed die sommigen tonen als ze over Indische zaken spreken. Misschien denken sommige mensen dat een paar jaar in Buitenzorg genoeg is om Indië te kennen. Maar de sprekers weten toch dat ook anderen hun woorden horen. Ze moeten toch weten dat die woorden ook worden gelezen door mensen die hun onervarenheid in Indië zelf zagen. Die mensen staan even verbaasd als ik. Iemand probeerde nog kort geleden tevergeefs zijn onbekwaamheid te verbergen achter de hoge rang die de Koning hem gaf. En nu spreekt hij opeens zo brutaal, alsof hij echt verstand heeft van de zaken die hij behandelt.

Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde bemoeienis. Telkens bestrijdt men een richting in de koloniale politiek door te ontkennen dat de man die haar vertegenwoordigt, bevoegd is. Misschien zou het belangrijk zijn eens goed te onderzoeken welke eigenschappen iemand bevoegd maken om ... bevoegdheid te beoordelen. Meestal beoordeelt men een belangrijke vraag niet naar de zaak zelf. Men kijkt naar de waarde die men geeft aan de mening van de man die erover spreekt. En dat is meestal iemand die doorgaat voor een *Specialiteit*. Het liefst is het iemand "die in Indië zo'n gewichtige betrekking heeft gehad". Daaruit volgt iets over de uitkomst van een stemming. Die draagt meestal de kleur van de fouten die nu eenmaal lijken te kleven aan "die gewichtige betrekkingen". Dit geldt al als zo'n specialiteit alleen invloed heeft als lid van de Volksvertegenwoordiging. Hoe groot wordt dan het gevaar van een verkeerd oordeel, als die invloed samengaat met het vertrouwen van de Koning? De Koning liet zich immers dwingen om zo'n specialiteit aan het hoofd van zijn Ministerie van Koloniën te zetten.

Het is een eigenaardig verschijnsel, dat misschien voortkomt uit een soort luiheid die de moeite van het zelf oordelen vermijdt. Men vertrouwt gemakkelijk mensen die de schijn weten te wekken dat ze meer kennis hebben. Het moet dan alleen kennis zijn uit bronnen die niet voor iedereen toegankelijk zijn. De oorzaak ligt misschien hierin: zo'n voorsprong erkennen kwetst de eigenliefde minder. Dat zou anders zijn als men dezelfde hulpmiddelen had kunnen gebruiken, want dan ontstond er iets als wedijver. De volksvertegenwoordiger geeft gemakkelijk zijn mening op, als die wordt bestreden door iemand die juister zou kunnen oordelen. Maar dan moet hij dat juistere oordeel niet hoeven toe te schrijven aan de persoonlijke meerderheid van die ander. Dat zou moeilijker zijn om te erkennen. Hij schrijft het alleen toe aan de bijzondere omstandigheden waarin zijn tegenstander heeft geleefd.

En ik zal zwijgen over hen "die zulke *hoge betrekkingen* in Indië vervulden". Maar het is echt vreemd hoe men vaak waarde hecht aan de mening van sommige mensen. Ze hebben niets om die waarde te rechtvaardigen, dan de "herinnering aan een zoveeljarig verblijf in die gewesten". Dit is des te vreemder, want wie zo'n bewijs belangrijk vindt, zou iets anders niet zomaar aannemen. Hij zou niet alles geloven wat men hem zegt over de huishouding van de Nederlandse staat. Ook niet als de spreker aantoont dat hij veertig of vijftig jaar in Nederland heeft gewoond. Er zijn mensen die bijna even lang in Nederlands-Indië hebben gewoond. Toch zijn ze nooit in aanraking gekomen met de bevolking of met inlandse Hoofden. Het is treurig dat de Raad van Indië heel vaak helemaal of grotendeels uit zulke mensen bestaat. Men heeft zelfs een middel gevonden om de Koning benoemingen tot Gouverneur-generaal te laten tekenen. Die benoemingen gingen over iemand die tot *dit* soort specialiteiten behoorde.

Ik zei dat men een nieuw benoemde Gouverneur-generaal eigenlijk voor een genie houdt, als men hem bekwaam noemt. Daarmee wilde ik helemaal niet aanraden om genieën te benoemen. Want zo'n gewichtige betrekking zou dan telkens onvervuld blijven, en dat is al een bezwaar. Maar er is nog een andere reden tegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het Ministerie van Koloniën, en dus als Gouverneur-generaal onbruikbaar zijn ... Zoals genieën wel vaker zijn.

Ik heb de hoofdfouten opgegeven in de vorm van een ziektegeschiedenis. Misschien is het te wensen dat de mensen die een nieuwe Landvoogd moeten kiezen, daarop letten. Ik neem aan dat alle personen die men daarvoor overweegt, rechtschapen zijn. Ik neem ook aan dat hun verstand genoeg is om enigszins te leren wat ze moeten weten. Dan is dit voor mij de hoofdzaak: men moet met enig vertrouwen kunnen verwachten dat ze twee dingen vermijden. Dat is die aanmatigende betweterij in het begin, en vooral die apathische slaperigheid in de laatste jaren van hun bestuur. Havelaar meende bij zijn moeilijke plicht te kunnen steunen op de hulp van de Gouverneur-generaal, zoals ik al heb gezegd. En ik voegde eraan toe "dat deze mening naïef was". Die Gouverneur-generaal wachtte op zijn opvolger: de rust in Nederland was dichtbij!

We zullen zien wat deze neiging tot slaap heeft aangericht in de afdeling Lebak, bij Havelaar en de Javaan Saïdjah. Tot zijn eentonige geschiedenis—één onder zeer vele!—ga ik nu over.

Ja, eentonig zal ze zijn! Eentonig als het verhaal van het werk van de mier. Zij moet haar bijdrage aan de wintervoorraad omhoogslepen tegen de kluit aarde die op de weg naar de voorraadschuur ligt. Voor haar is dat een berg. Telkens valt ze terug met haar vracht. Telkens probeert ze opnieuw of ze eindelijk vaste voet kan zetten op dat steentje daarboven ... Op de rots die de top van de berg is. Maar tussen haar en die top ligt een afgrond, waar ze omheen moet ... Een diepte die duizend mieren niet zouden kunnen vullen. Ze heeft nauwelijks de kracht om haar last over vlakke grond te slepen. Die last is vele malen zwaarder dan haar eigen lijf. En nu moet ze die last omhoog tillen, en rechtop blijven op een plek die beweegt. Ze moet haar evenwicht bewaren als ze zich opricht met haar vracht tussen de voorpoten. Ze moet de vracht schuin naar boven slingeren, zodat die terechtkomt op de punt die uit de rotswand steekt. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwijkt ... Ze probeert zich vast te houden aan de half ontwortelde boomstam. Die wijst met zijn kruin naar de diepte—een grasspriet! Ze mist het steunpunt dat ze zoekt. De boom slingert terug—de grasspriet wijkt onder haar voet. Ach, de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is ze een ogenblik stil, wel een seconde ... en dat is lang in het leven van een mier. Zou ze verdoofd zijn van pijn door haar val? Of geeft ze toe aan wat verdriet, omdat zoveel inspanning voor niets was? Maar ze verliest de moed niet. Opnieuw grijpt ze haar last. En opnieuw sleept ze die naar boven, om straks nog eens, en *nog eens*, in de diepte te vallen.

*Zo* eentonig is mijn verhaal. Maar ik zal niet spreken over mieren. Hun vreugde en verdriet ontsnappen aan onze waarneming, omdat onze zintuigen te grof zijn. Ik zal vertellen over mensen, over wezens die net zo voelen als wij. Het is waar: sommigen vrezen gevoelens en willen vermoeiend medelijden ontlopen. Zij zullen zeggen dat die mensen geel zijn, of bruin—velen noemen ze zwart. Voor zulke mensen is het verschil in kleur reden genoeg om hun ogen af te wenden van die ellende. Of, *als* ze erop neerkijken, om dat zonder gevoel te doen.

Mijn verhaal is dus alleen bedoeld voor mensen die tot een moeilijk geloof in staat zijn. Ze moeten geloven dat er harten kloppen onder die donkere huid. Ze moeten ook iets anders kunnen geloven. Wie gezegend is met blankheid, en met de beschaving, edelmoedigheid, handels- en Godskennis en deugd die daarbij horen ... Die zou zijn blanke eigenschappen op een *andere* manier kunnen gebruiken. Anders dan tot nu toe werd ervaren door hen die minder gezegend zijn in huidskleur en voortreffelijkheid van de ziel.

Mijn vertrouwen in medegevoel met de Javanen gaat echter niet zo ver. Ik beschrijf hoe men de laatste buffel uit de *kendang* rooft, overdag, zonder schroom, onder bescherming van het Nederlandse gezag ... Ik laat het weggevoerde rund volgen door de eigenaar en zijn huilende kinderen ... Ik laat hem neerzitten op de trap van het huis van de rover, sprakeloos en versuft, verzonken in verdriet ... Ik laat hem daar wegjagen met hoon en smaad, met bedreiging van slagen met de rotting en van de blokgevangenis ... Zie, ik eis niet—en verwacht ook niet, o Nederlanders!—dat u daardoor even sterk wordt aangegrepen. Even sterk als wanneer ik u het lot beschreef van een boer van wie men zijn koe afnam. Ik vraag geen traan bij de tranen die vloeien op zulke donkere gezichten. Ik vraag ook geen edele woede als ik spreek over de wanhoop van de beroofden. Ik verwacht evenmin dat u zult opstaan, en met mijn boek in de hand naar de Koning zult gaan. Ik verwacht niet dat u zult zeggen: "zie, o Koning, dat gebeurt in *uw* Rijk, in uw schoon rijk van Insulinde!"

Neen, neen, neen, dat alles verwacht ik niet! Te veel leed dichtbij neemt uw gevoel in beslag. U houdt niet zoveel gevoel over voor wat zo ver weg is! Worden niet al uw zenuwen gespannen gehouden door de akelige keus van een nieuw Kamerlid? Dobbert uw verscheurde ziel niet tussen de wereldberoemde verdiensten van Nietigheid A en Onbeduidendheid B? En hebt u uw dure tranen niet nodig voor ernstiger zaken dan ... maar wat hoef ik meer te zeggen! Was er gisteren geen slapte op de beurs? En dreigde er op de koffiemarkt geen daling, door een beetje te veel aanvoer?

* * * * *

"Schrijf toch zulke zinloze dingen niet aan je papa, Stern!" heb ik gezegd. Misschien zei ik het wat driftig, want ik kan geen onwaarheid verdragen. Dit is altijd een vast principe van me geweest. Ik heb die avond meteen aan de oude Stern geschreven dat hij haast moest maken met zijn orders. Vooral moest hij oppassen voor valse berichten, want de koffie staat heel goed.

De lezer voelt wat ik weer heb moeten doorstaan bij het horen van die laatste hoofdstukken. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje gevonden, en *dat* neem ik voortaan mee naar de krans. Had ik geen gelijk, toen ik zei dat die Sjaalman iedereen gek had gemaakt met zijn pak? Stern schrijft dat allemaal—en Frits doet ook mee, dit is zeker! Zou men hierin jongelui herkennen die in een deftig huis worden opgevoed? Wat zijn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte die zich toont in het verlangen naar een buitenplaats? Is dat op mij gericht? Mag ik niet naar Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt er over buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast principe van me om altijd kalm te blijven, want dat vind ik nuttig in de zaken. Maar ik moet erkennen: het kostte me vaak veel moeite, bij alle gekheid die Stern voorleest. Wat wil hij toch? Wat moet het einde zijn? Wanneer komt er nu eindelijk iets degelijks? Wat gaat het mij aan of die Havelaar zijn tuin schoon houdt? En of de mensen voor of achter bij hem binnenkomen? Bij Busselinck & Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een oliepakhuis, waar het altijd erg vuil is. En dan dat gezeur over die buffels! Wat hoeven ze buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zijn mensen die altijd klagen. En dan dat schelden op gedwongen arbeid. Men ziet wel dat hij de preek van dominee Wawelaar niet heeft gehoord. Anders zou hij weten hoe nuttig dat werken is voor de uitbreiding van het Rijk van God. Het is waar, hij is luthers.

O, zeker, als ik had kunnen raden *hoe* hij het boek zou schrijven, had ik het liever zelf gedaan. Het moet toch zo belangrijk worden voor alle makelaars in koffie—en anderen. Maar hij heeft steun aan de Rosemeyers, die in suiker doen, en dit maakt hem zo brutaal. Ik heb ronduit gezegd—want ik ben daarin eerlijk—dat we de geschiedenis van die Saïdjah wel kunnen missen. Maar daar begon opeens Louise Rosemeyer tegen mij op te staan. Het schijnt dat Stern haar heeft gezegd dat er liefde in zou voorkomen, en daar zijn zulke meisjes dol op. Ik zou me hierdoor echter niet hebben laten afschrikken. Maar de Rosemeyers hebben me gezegd dat ze graag kennis willen maken met Sterns vader. Dit is natuurlijk om via de vader bij de oom te komen, die in suiker doet. Als ik nu te sterk partij kies voor het gezond verstand tegen de jonge Stern, lijkt dat verkeerd. Het lijkt dan alsof ik hen van hem wil aftrekken. En dat is helemaal niet het geval, want ze doen in suiker.

Ik begrijp Sterns bedoeling met zijn geschrijf helemaal niet. Er zijn altijd ontevreden mensen. Maar is het mooi van hem om op de Regering te schelden? Hij geniet zoveel goeds in Holland—deze week nog heeft mijn vrouw kamillethee voor hem gezet. Wil hij daarmee de algemene ontevredenheid aanwakkeren? Wil *hij* Gouverneur-generaal worden? Hij is er verwaand genoeg toe ... om het te *willen*, meen ik. Ik vroeg hem dit eergisteren, en ik zei er ronduit bij dat zijn Hollands nog zo gebrekkig was. "O, dit is geen bezwaar, antwoordde hij. Er schijnt maar zelden een Gouverneur-generaal daarheen gezonden te worden die de taal van het land verstaat." Wat moet ik nu doen met zo'n wijsneus? Hij heeft niet de minste eerbied voor mijn ervaring. Deze week zei ik hem dat ik al zeventien jaar makelaar was, en al twintig jaar op de beurs kwam. Toen haalde hij Busselinck & Waterman aan, die al achttien jaar makelaars zijn. "Die hebben dus één jaar ervaring meer," zei hij. Zo ving hij me, want ik houd van de waarheid. Ik moet dus erkennen dat Busselinck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het knoeiers zijn.

Marie is ook in de war. Stel u voor: deze week was het haar beurt om voor te lezen aan het ontbijt. We waren aan de geschiedenis van Lot. Opeens hield ze op en wilde niet verder lezen. Mijn vrouw, die net als ik op godsdienst gesteld is, probeerde haar zachtjes tot gehoorzaamheid over te halen. Het past immers niet voor een braaf meisje om zo koppig te zijn. Alles tevergeefs! Toen moest ik als vader haar met grote strengheid toespreken. Door haar koppigheid bedierf ze de stichting van het ontbijt, en dat werkt altijd slecht op de hele dag. Maar er was niets aan te doen. Ze ging zelfs zo ver dat ze zei dat ze liever doodgeslagen wilde worden dan verder te lezen. Ik heb haar gestraft met drie dagen kamerarrest op koffie en brood. Ik hoop dat het haar goed zal doen. Die straf moest ook dienen voor haar zedelijke verbetering. Daarom heb ik haar bevolen het kapittel dat ze niet wilde lezen, tien keer over te schrijven. Ik ben vooral zo streng geweest om wat ik de laatste tijd heb gemerkt. Ze heeft ideeën gekregen—of het van Stern komt, weet ik niet—die me gevaarlijk lijken voor de zedelijkheid. En daarop zijn mijn vrouw en ik zo bijzonder gesteld. Ik heb haar onder andere een Frans liedje horen zingen—van Béranger, geloof ik. Daarin wordt een arme oude bedelares beklaagd, die in haar jeugd in een theater zong. En gisteren zat ze niet netjes gekleed aan het ontbijt, Marie meen ik, en dat is toch niet fatsoenlijk.

Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft meegebracht van de bidstond. Ik was redelijk tevreden geweest over zijn stilzitten in de kerk. Hij bewoog zich niet, en hij wendde geen oog van de preekstoel. Maar later hoorde ik dat Betsy Rosemeyer in het doophek had gezeten. Ik heb er niets van gezegd, want men moet niet te streng zijn voor jongelui. En de Rosemeyers zijn een fatsoenlijk huis. Ze hebben hun oudste dochter, die met Bruggeman in drogerijen getrouwd is, iets heel aardigs meegegeven. Daarom geloof ik dat zoiets Frits van de Westermarkt afhoudt. Dat is me heel aangenaam, omdat ik zo op zedelijkheid gesteld ben.

Maar dit neemt niet weg dat ik me erger, als ik Frits zijn hart zie verharden. Hij doet net als Pharao, die minder schuldig was dan hij. Want Pharao had geen vader die hem zo vaak de rechte weg wees. Van de oude Pharao zegt de Schrift namelijk niets. Dominee Wawelaar klaagt over zijn verwaandheid—van Frits, meen ik—op de catechisatie. De jongen schijnt—alweer uit dat pak van Sjaalman!—een wijsneuzigheid te hebben gehaald die de goedhartige Wawelaar dol maakt. Het is ontroerend hoe de waardige man, die vaak koffie bij ons drinkt, Frits in zijn gevoel probeert te raken. En die kwajongen heeft telkens nieuwe vragen klaar, die laten zien hoe opstandig zijn gemoed is ... Het komt allemaal uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel op de wangen probeert de ijverige dienaar van het Evangelie hem over te halen. Hij moet de wijsheid van de mens laten varen, en worden ingewijd in de geheimen van de wijsheid van God. Met zachtheid en tederheid smeekt hij hem toch niet het brood van het eeuwige leven te weigeren. Anders zal hij vallen in de klauwen van Satan. Die woont met zijn engelen in het vuur dat hem tot in eeuwigheid bereid is. "O, zei hij gisteren—Wawelaar meen ik—o, jonge vriend, open toch uw ogen en oren. Hoor en zie wat de Heer u door mijn mond geeft te zien en te horen. Let op de getuigenissen van de heiligen die zijn gestorven voor het ware geloof! Zie Stefanus, als hij neerzinkt onder de stenen die hem verpletteren! Zie, hoe zijn blik nog naar de hemel is gericht, en hoe zijn tong nog psalmen zingt ..."

"Ik had liever teruggegooid!" zei Frits daarop. Lezer, wat moet ik met die jongen beginnen?

Een ogenblik later begon Wawelaar opnieuw, want hij is een ijverige dienaar, en hij houdt niet op met zijn werk. "O, zei hij, jonge vriend, open toch ..." Het begin was als daarnet. "Maar, ging hij verder, kunt u ongevoelig blijven als u bedenkt wat er van u zal worden? Als u eenmaal zult worden gerekend tot de bokken aan de linkerkant ..."

Toen barstte de deugniet in lachen uit—Frits meen ik—en ook Marie begon te lachen. Ik meende zelfs iets wat op lachen leek te zien op het gezicht van mijn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te hulp gekomen. Ik heb Frits gestraft met een boete uit zijn spaarpot, voor het zendelinggenootschap.

Och, lezer, dat alles raakt me diep. En dan zou men zich, bij *zulk* lijden, kunnen vermaken met verhalen over buffels en Javanen? Wat is een buffel in vergelijking met de zaligheid van Frits? Wat gaan de zaken van die mensen in de verte mij aan? Ik moet immers vrezen dat Frits door zijn ongeloof mijn eigen zaken zal bederven. En dat hij nooit een flink makelaar zal worden. Want Wawelaar zelf heeft gezegd dat God alles zo bestuurt dat de rechte leer tot rijkdom leidt. "Kijk maar, zei hij, is er niet veel rijkdom in Nederland? Dat komt door het geloof. Is er in Frankrijk niet telkens moord en doodslag? Dat is omdat ze daar katholiek zijn. Zijn de Javanen niet arm? Het zijn heidenen. Hoe langer de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rijkdom er hier zal komen, en hoe meer armoede daarginds. Dat is Gods wil!"

Ik sta verbaasd over Wawelaars inzicht in zaken. Want het is de waarheid dat ik, die stipt ben in de godsdienst, mijn zaken elk jaar zie vooruitgaan. En Busselinck & Waterman, die om God noch gebod geven, zullen hun leven lang knoeiers blijven. Ook de Rosemeyers, die in suiker doen, houden een roomse meid. Ze moesten onlangs weer 27 percent aannemen uit de boedel van een jood die failliet was. Hoe meer ik nadenk, hoe beter ik Gods ondoorgrondelijke wegen begrijp. Onlangs bleek dat er weer dertig miljoen zuiver is verdiend op de verkoop van producten die de heidenen leverden. En daarbij is niet eens gerekend wat ik eraan heb verdiend, en de vele anderen die van deze zaken leven. Is dit nu niet alsof de Heer zei: "Daar hebt u dertig miljoen als beloning voor uw geloof"? Is dit niet duidelijk de vinger van God, die de boze laat werken om de rechtvaardige te behouden? Is dit geen wenk om door te gaan op de goede weg? Om daarginds veel te laten produceren, en hier vast te houden aan het ware geloof? Heet het daarom niet: "Bid en werk"? Opdat *wij* zouden bidden, en het werk laten doen door het zwarte goedje dat geen "Onze Vader" kent?

O, wat heeft Wawelaar gelijk als hij Gods juk zacht noemt! Hoe licht wordt de last gemaakt voor iedereen die gelooft! Ik ben pas in de veertig. Ik zou kunnen stoppen als ik wilde, en naar Driebergen gaan. En kijk eens hoe het afloopt met anderen, die de Heer hebben verlaten! Gisteren heb ik Sjaalman gezien met zijn vrouw en hun jongetje: ze zagen eruit als spoken. Hij is bleek als de dood, zijn ogen puilen uit en zijn wangen zijn hol. Hij loopt gebogen, hoewel hij nog jonger is dan ik. Ook zij was erg armoedig gekleed, en ze leek weer gehuild te hebben. Nu, ik had meteen gemerkt dat zij ontevreden van aard is. Want ik hoef iemand maar één keer te zien om hem te beoordelen. Dat komt door de ervaring. Ze had een manteltje van zwarte zijde om, en het was toch vrij koud. Van een krinoline was geen spoor. Haar lichte japonnetje hing slap om haar knieën, en aan de rand zat franje. Hij had zelfs zijn sjaal niet meer om, en hij zag eruit alsof het zomer was. Toch schijnt hij nog een soort trots te hebben. Want hij gaf iets aan een arme vrouw die op de sluis zat. Frits zegt: *brug*, maar wat van steen is zonder een wip, noem ik *sluis*. En wie zelf zo weinig heeft, doet zonde als hij nog aan een ander geeft. Bovendien, ik geef nooit op straat, dit is een vast principe van me. Want als ik zulke arme mensen zie, zeg ik altijd: wie weet of het niet hun eigen schuld is. Ik mag hen niet sterken in het kwaad. Op zondag geef ik twee keer: een keer voor de armen, en een keer voor de kerk. *Zo* hoort het! Ik weet niet of Sjaalman me heeft gezien. Maar ik liep snel voorbij, ik keek naar boven, en ik dacht aan de rechtvaardigheid van God. God zou hem toch niet zo laten lopen zonder winterjas, als hij beter had opgepast. En als hij niet lui, pedant en ziekelijk was.

Wat nu mijn boek betreft, moet ik de lezer echt om vergeving vragen. Stern maakt op een onvergeeflijke manier misbruik van ons contract. Ik moet erkennen dat ik erg opzie tegen de eerste kransavond en de liefdesgeschiedenis van die Saïdjah. De lezer weet al welke gezonde ideeën ik over liefde heb ... Denk maar aan mijn oordeel over dat uitstapje naar de Ganges. Ik kan wel begrijpen dat jonge meisjes zoiets aardig vinden. Maar ik kan niet verklaren dat mannen op leeftijd zulke zotheden zonder walging aanhoren. Ik ben er zeker van dat ik op de volgende krans de triolet vind van mijn solitairspel.

Ik zal proberen niets van die Saïdjah te horen. Ik hoop dat de man gauw trouwt, als *hij* tenminste de held is van de liefdesgeschiedenis. Het is nog wel aardig van Stern dat hij vooraf heeft gewaarschuwd dat het een eentonige geschiedenis zal zijn. Zodra hij daarna aan iets anders begint, zal ik weer luisteren. Maar dat afkeuren van het Bestuur verveelt me bijna evenveel als liefdesgeschiedenissen. Men ziet aan alles dat Stern jong is en weinig ervaring heeft. Om de zaken goed te beoordelen, moet men alles van dichtbij zien. Toen ik trouwde, ben ik zelf in Den Haag geweest, en ik heb met mijn vrouw het Mauritshuis bezocht. Ik ben daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappij. Want ik heb de Minister van Financiën zien voorbijrijden. En we hebben samen flanel gekocht in de Veenestraat—ik en mijn vrouw, meen ik. En nergens heb ik het minste teken gezien van ontevredenheid met de Regering. Die juffrouw in de winkel zag er tevreden uit. In 1848 probeerden sommigen ons wijs te maken dat in Den Haag niet alles was zoals het hoorde. Toen heb ik dus op de krans het mijne over die ontevredenheid gezegd. Men geloofde mij, want iedereen wist dat ik uit ervaring sprak. Ook op de terugreis met de postkoets heeft de conducteur "schep vreugd" geblazen. Dat zou de man toch niet hebben gedaan als er zoveel verkeerd was. Zo heb ik op alles gelet. Ik wist dus meteen wat ik moest denken van al dat gemor in 1848.

Tegenover ons woont een juffrouw, en haar neef doet een *toko* in de Oost, zoals ze daar een winkel noemen. Als dus alles zo slecht ging als Stern zegt, zou zij er ook wel iets van weten. En het schijnt toch dat het mens heel tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen. Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, en dat hij lid is van de kerkenraad. Hij heeft haar een sigarenkoker van pauwenveren gestuurd, die hij zelf had gemaakt van bamboe. Dit alles laat toch duidelijk zien hoe ongegrond dat geklaag over slecht bestuur is. Ook ziet men daaraan dat iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat kan verdienen. Die Sjaalman is dus ook *daar* al lui, pedant en ziekelijk geweest. Anders zou hij niet zo arm zijn thuisgekomen, en hier niet rondlopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover ons is niet de enige die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In "Polen" zie ik velen die daar zijn geweest, en die echt heel knap gekleed gaan. Maar dat is te begrijpen: men moet op de zaken letten, daar net zo goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in de mond vliegen. Er moet gewerkt worden. Wie *dat* niet wil, is arm en blijft arm, dat spreekt vanzelf.

### Woordenlijst

- **Regent**: hoge Javaanse bestuurder, van adel, betaald door de Nederlanders
- **Adhipatti**: hoge Javaanse titel, hoger dan Tommongong
- **Tommongong**: hoge Javaanse titel
- **toewan**: heer, meneer
- **dessah**: dorp
- **palen**: een paal is een afstand van ongeveer anderhalve kilometer
- **herendienst**: verplicht werk zonder loon voor het bestuur
- **Landvoogd**: de hoogste baas van Nederlands-Indië, namens de koning
- **Raad van Indië**: raad die de Gouverneur-generaal helpt
- **Orang Goenoeng**: mensen uit de bergen
- **Specialiteit**: iemand die als kenner van een bepaald onderwerp geldt
- **kendang**: stal voor buffels
- **rotting**: stok om te slaan
- **blokgevangenis**: straf waarbij de voeten in een houten blok vastzitten
- **Insulinde**: naam voor de eilanden van Nederlands-Indië
- **krans**: vaste avond waarop vrienden bij elkaar komen
- **solitairspelletje**: spel voor één persoon, met pionnen op een bord
- **triolet**: hier: een bepaalde stand die men in dat spel probeert te bereiken
- **doophek**: plek met een hek in de kerk, bij de plaats waar men doopt
- **zedelijke**: wat past bij goed en fatsoenlijk gedrag
- **catechisatie**: les over het geloof voor jonge mensen
- **de bokken aan de linkerkant**: woorden uit de Bijbel: de mensen die God zal straffen
- **zendelinggenootschap**: vereniging die mensen naar verre landen stuurt om het christendom te brengen
- **heidenen**: oud woord voor mensen die niet christelijk zijn; hier neerbuigend bedoeld
- **zwarten**: beledigend woord van Droogstoppel voor de Javanen
- **het zwarte goedje**: zeer beledigende woorden van Droogstoppel voor de Javanen
- **krinoline**: wijde rok met stijve hoepels, toen in de mode
- **knoeiers**: mensen die slecht en oneerlijk werken
- **pedant**: iemand die denkt dat hij alles beter weet
- **Polen**: koffiehuis bij de beurs in Amsterdam

## Zeventiende hoofdstuk

Saïdjah's vader had een buffel, waarmee hij zijn veld bewerkte. Het districtshoofd van Parang-Koedjang nam hem deze buffel af. Toen was hij erg verdrietig, en vele dagen lang sprak hij geen woord. Want de tijd van ploegen was dichtbij. Als men de *sawah* niet op tijd bewerkte, was het te vrezen dat ook de tijd van zaaien voorbijging. En dan zou er ten slotte geen *padie* zijn om te snijden en in de *lombong* van het huis te bewaren.

Ik moet hierbij iets zeggen voor lezers die wel Java kennen, maar niet Bantam. In deze residentie bestaat *persoonlijk grondeigendom*. Dat is elders niet het geval.

Saïdjah's vader was dus erg bezorgd. Hij was bang dat zijn vrouw rijst te kort zou komen. Dat gold ook voor Saïdjah, die nog een kind was, en voor de broertjes en zusjes van Saïdjah.

Ook zou het districtshoofd hem aanklagen bij de assistent-resident, als hij zijn landrenten te laat betaalde. Want daar staat volgens de wet straf op.

Toen nam Saïdjah's vader een *kris* die *poesaka* was van *zijn* vader. De kris was niet erg mooi, maar er zaten zilveren banden om de schede. Ook op de punt van de schede zat een plaatje zilver. Hij verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde. Hij kwam thuis met vierentwintig gulden, en voor dat geld kocht hij een andere buffel.

Saïdjah, die toen ongeveer zeven jaar oud was, sloot al snel vriendschap met de nieuwe buffel. Ik zeg niet zonder reden: vriendschap. Want het is echt ontroerend om te zien hoe de Javaanse *kerbo* zich hecht aan de kleine jongen. Die jongen bewaakt en verzorgt hem. Het sterke dier buigt gehoorzaam zijn zware kop naar rechts of links of omlaag. Dat doet het als het kind met zijn vinger drukt. Het dier kent dat kind en begrijpt het, en het is met hem opgegroeid.

Zo'n vriendschap wist ook de kleine Saïdjah al snel te wekken bij de nieuwe gast. Zijn kinderstem moedigde het dier aan, en leek nog meer kracht te geven aan die krachtige schouders. Dan scheurde de buffel de zware kleigrond open, en trok hij zijn weg in diepe, scherpe voren. Aan het eind van het veld keerde het dier gehoorzaam om. Bij het terugploegen van de nieuwe voor verloor hij geen duim grond. De nieuwe voor lag altijd naast de oude, alsof de *sawah* een tuin was, geharkt door een reus.

Daarnaast lagen de *sawahs* van Adinda's vader, de vader van het kind dat met Saïdjah zou trouwen. Soms kwamen Adinda's broertjes bij de grens tussen de velden aan, juist als ook Saïdjah daar was met zijn ploeg. Dan riepen ze elkaar vrolijk toe. En ze schepten om het hardst op over de kracht en de gehoorzaamheid van hun buffels. Maar ik geloof dat die van Saïdjah de beste was. Misschien kwam dat omdat Saïdjah beter tegen hem kon praten dan de anderen. Want buffels zijn erg gevoelig voor goede woorden.

Saïdjah was negen jaar oud geworden, en Adinda al zes. Toen nam het districtshoofd van Parang-Koedjang deze buffel af van Saïdjah's vader.

Saïdjah's vader, die erg arm was, verkocht nu aan een Chinees twee zilveren *klamboe*-haken voor achttien gulden. Ze waren *poesaka* van de ouders van zijn vrouw. En voor dat geld kocht hij een nieuwe buffel.

Maar Saïdjah was verdrietig. Want hij wist van Adinda's broertjes dat de vorige buffel naar de hoofdplaats was gedreven. Hij had zijn vader gevraagd of hij het dier niet gezien had, toen hij daar de *klamboe*-haken verkocht. Maar op die vraag had Saïdjah's vader niet willen antwoorden. Daarom was Saïdjah bang dat zijn buffel geslacht was, net als de andere buffels die het districtshoofd de mensen afnam.

En Saïdjah huilde veel als hij dacht aan de arme buffel, waarmee hij twee jaar zo goed bevriend was geweest. En hij kon lange tijd niet eten, want zijn keel was te nauw als hij slikte.

Men bedenke dat Saïdjah een kind was.

De nieuwe buffel leerde Saïdjah kennen. Hij nam in het hart van het kind heel snel de plaats in van zijn voorganger ... eigenlijk veel te snel. Want helaas, de indrukken in ons hart zijn als was. Ze worden zo gemakkelijk gladgestreken, en dan is er plaats voor later schrift. Hoe dat ook zij, de nieuwe buffel was niet zo sterk als de vorige. Het oude juk was te ruim voor zijn schouders ... Maar het arme dier was even gehoorzaam als zijn voorganger, die geslacht was. Saïdjah kon niet meer opscheppen over de kracht van zijn buffel, als hij Adinda's broertjes bij de grens ontmoette. Maar hij beweerde wel dat geen andere buffel de zijne overtrof in goede wil. Soms liep de voor niet zo recht als vroeger, of bleven er aardkluiten ongesneden liggen. Dan werkte hij dat graag bij met zijn *patjol*, zoveel hij kon. Bovendien had geen buffel een *oeser-oeseran* als de zijne. De *penghoeloe* zelf had gezegd dat er *ontong* zat in de loop van die haarkrullen achter op zijn schouders.

Eens, op het veld, riep Saïdjah tevergeefs naar zijn buffel dat hij wat sneller moest gaan. Het dier stond stil. Saïdjah was boos, want het dier was zo koppig, en dat was het anders nooit. Hij kon een belediging niet tegenhouden. Hij riep: *a.s.* Iedereen die in Indië geweest is, zal mij begrijpen. En wie mij niet begrijpt, heeft er voordeel van dat ik hem de uitleg van een grof woord bespaar.

Saïdjah bedoelde daar echter niets slechts mee. Hij zei het alleen omdat hij het zo vaak van anderen had gehoord, als ze ontevreden waren over hun buffels. Maar hij had het niet hoeven zeggen, want het hielp niets: zijn buffel ging geen stap verder. Hij schudde zijn kop, alsof hij het juk wilde afwerpen. Men zag de adem uit zijn neusgaten komen ... hij blies, beefde, rilde ... Er was angst in zijn blauwe oog, en zijn bovenlip was opgetrokken, zodat het tandvlees bloot lag ...

"Vlucht, vlucht, riepen opeens Adinda's broertjes, Saïdjah, vlucht! Daar is een tijger!"

En allen maakten hun buffels los van de ploegjukken. Ze slingerden zich op de brede ruggen en galoppeerden weg. Ze renden door *sawahs*, over *galangans*, door modder, door struiken en bos en *allang-allang*, langs velden en wegen. En toen ze hijgend en zwetend het dorp Badoer binnenrenden, was Saïdjah niet bij hen.

Want Saïdjah had zijn buffel van het juk bevrijd, en was erop geklommen om te vluchten als de anderen. Maar het dier maakte onverwacht een sprong. Saïdjah verloor zijn evenwicht en viel op de grond. De tijger was heel dichtbij ...

Door zijn eigen vaart schoot Saïdjah's buffel nog een paar sprongen verder. Hij kwam voorbij de plek waar zijn kleine meester op de dood wachtte. Maar alleen door zijn vaart, en niet door zijn wil, was het dier verder gegaan dan Saïdjah. Want die vaart beheerst alle stof, ook als de oorzaak van de beweging al gestopt is. Zodra het dier de vaart overwonnen had, keerde het terug. Het zette zijn zware lijf op zijn zware poten, als een dak boven het kind. En het draaide zijn kop met de horens naar de tijger. De tijger sprong ... maar hij sprong voor het laatst. De buffel ving hem op zijn horens. Hij verloor alleen wat vlees, dat de tijger uit zijn hals sloeg. De aanvaller lag daar met opengescheurde buik, en Saïdjah was gered. Er had wel degelijk *ontong* gezeten in de *oeser-oeseran* van die buffel!

Toen deze buffel van Saïdjah's vader werd afgenomen, en geslacht ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is.

... toen deze buffel geslacht was, was Saïdjah twaalf jaar. En Adinda weefde *sarongs*, en *batikte* die met een puntige *kapala*. Ze kon al gedachten leggen in de lijnen van haar verfschuitje. En ze tekende verdriet op haar weefsel, want ze had Saïdjah erg treurig gezien.

En ook Saïdjah's vader was verdrietig, maar zijn moeder het meest. Zij had de wond aan de hals van het trouwe dier genezen. Het dier had haar kind ongedeerd thuisgebracht. Door het bericht van Adinda's broertjes had ze eerst gedacht dat de tijger haar kind had meegenomen. Ze had die wond zo vaak bekeken. Dan dacht ze eraan hoe diep die klauw in de ruwe vezels van de buffel was gedrongen. Hoe diep zou hij dan in het zachte lijf van haar kind zijn gegaan! Telkens als ze verse geneeskrachtige kruiden op de wond had gelegd, streelde ze de buffel. Dan sprak ze hem een paar vriendelijke woorden toe. Het goede, trouwe dier moest toch weten hoe dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch begrepen had. Want dan had hij ook haar huilen begrepen, toen hij werd weggevoerd om geslacht te worden. En dan had hij geweten dat niet Saïdjah's *moeder* hem liet slachten.

Enige tijd daarna vluchtte Saïdjah's vader uit het land. Want hij was erg bang voor de straf als hij zijn landrenten niet betaalde. En hij had geen *poesaka* meer om een nieuwe buffel te kopen. Want zijn ouders hadden altijd in Parang-Koedjang gewoond, en daarom hadden ze hem weinig nagelaten. Ook de ouders van zijn vrouw hadden altijd in hetzelfde district gewoond. Na het verlies van de laatste buffel hield hij zich nog enkele jaren staande. Hij werkte toen met gehuurde ploegdieren. Maar dat is heel ondankbaar werk, en vooral verdrietig voor iemand die eigen buffels heeft gehad. Saïdjah's moeder stierf van verdriet. Toen ging zijn vader, in een moedeloos ogenblik, weg uit Lebak en uit Bantam. Hij wilde werk zoeken in de streek van Buitenzorg. Hij werd gestraft met slagen met de rotting, omdat hij Lebak zonder pas had verlaten. De politie bracht hem terug naar Badoer. Daar werd hij in de gevangenis gegooid, omdat men dacht dat hij krankzinnig was. Dat zou ook niet zo onverklaarbaar zijn geweest. En men was bang dat hij in een ogenblik van *mata-glap* misschien *amokh* zou maken. Of hij zou andere verkeerde dingen doen. Maar hij bleef niet lang gevangen, want kort daarna stierf hij.

Wat er van de broertjes en zusjes van Saïdjah geworden is, weet ik niet. Het huisje in Badoer waar ze gewoond hadden, stond enige tijd leeg. Al snel viel het in elkaar, want het was alleen van bamboe gebouwd en gedekt met *atap*. Een beetje stof en vuil bedekte de plek waar veel geleden was. Er zijn veel van zulke plekken in Lebak.

Saïdjah was al vijftien jaar toen zijn vader naar Buitenzorg vertrok. Hij was niet met hem meegegaan, want hij had grotere plannen in zijn hart. Men had hem verteld dat er in Batavia zoveel heren waren die in *bendies* reden. Er was daar dus misschien werk voor hem als *bendie*-jongen. Daarvoor kiest men gewoonlijk iemand die nog jong is en niet volwassen. Want te veel gewicht achter op het rijtuig met twee wielen brengt het uit evenwicht. Men had hem verzekerd dat men met zulk werk veel kon verdienen, als men zich goed gedroeg. Misschien kon hij zo zelfs binnen drie jaar genoeg geld sparen om twee buffels te kopen. Dat vooruitzicht beviel hem. Trots, zoals iemand loopt die grote dingen van plan is, ging hij na het vertrek van zijn vader naar Adinda. En hij vertelde haar zijn plan.

—Denk eens, zei hij, als ik terugkom, zullen wij oud genoeg zijn om te trouwen. En we zullen twee buffels hebben!

—Heel goed, Saïdjah! Ik wil graag met je trouwen als je terugkomt. Ik zal spinnen, en *sarongs* en *slendangs* weven, en *batikken*, en heel ijverig zijn al die tijd.

—O, ik geloof je, Adinda! Maar ... als ik je getrouwd vind?

—Saïdjah, je weet toch wel dat ik met niemand zal trouwen. Mijn vader heeft me aan uw vader beloofd.

—En jijzelf?

—Ik zal met u trouwen, wees daar zeker van!

—Als ik terugkom, zal ik in de verte roepen ...

—Wie zal dat horen, als we in het dorp rijst stampen?

—Dat is waar. Maar Adinda ... o ja, dit is beter. Wacht op mij bij het *djati*-bos, onder de *ketapan* waar je mij de *melatti* hebt gegeven.

—Maar Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik naar de *ketapan* moet gaan om op je te wachten?

Saïdjah dacht een ogenblik na, en zei:

—Tel de manen. Ik blijf driemaal twaalf manen weg ... deze maan telt niet mee. Kijk, Adinda, kerf bij elke nieuwe maan een streep in je rijstblok. Als je driemaal twaalf strepen hebt gekerfd, kom ik de dag daarna aan onder de *ketapan*. Beloof je dat je daar zult zijn?

—Ja, Saïdjah! Ik zal onder de *ketapan* bij het *djati*-bos zijn als je terugkomt.

Nu scheurde Saïdjah een strook van zijn blauwe hoofddoek, die erg versleten was. Hij gaf dat stukje linnen aan Adinda, zodat ze het als pand kon bewaren. En toen verliet hij haar en Badoer.

Hij liep vele dagen. Hij ging voorbij Rangkas-Betoeng, dat toen nog niet de hoofdplaats van Lebak was. Hij ging ook voorbij Waroeng-Goenoeng, waar toen de assistent-resident woonde. De volgende dag zag hij Pandeglang, dat daar ligt als in een tuin. Weer een dag later kwam hij in Serang aan. Hij stond verbaasd over de pracht van zo'n grote plaats, met veel huizen van steen, gedekt met rode pannen. Saïdjah had nog nooit zoiets gezien. Hij bleef daar een dag omdat hij moe was. Maar 's nachts, in de koelte, ging hij verder. De volgende dag kwam hij in Tangerang aan, nog voordat de schaduw tot zijn lippen gedaald was. En dat terwijl hij de grote *toedoeng* droeg die zijn vader voor hem had achtergelaten.

In Tangerang baadde hij in de rivier, dicht bij de plek waar men overvaart. Hij rustte uit in het huis van een bekende van zijn vader. Die man liet hem zien hoe men hoeden van stro vlecht, zoals die uit Manilla komen. Hij bleef daar een dag om dit te leren. Hij dacht dat hij hiermee later iets kon verdienen, als het hem in Batavia niet lukte. De volgende dag tegen de avond, toen het koel werd, bedankte hij zijn gastheer hartelijk en ging verder. Zodra het helemaal donker was, zodat niemand het zou zien, haalde hij het blad tevoorschijn. Daarin bewaarde hij de *melatti* die Adinda hem gegeven had onder de *ketapan*-boom. Want hij was verdrietig geworden omdat hij haar zo lang niet zou zien.

De eerste dag, en ook de tweede, had hij minder sterk gevoeld hoe alleen hij was. Want zijn ziel was helemaal vol van het grote plan: geld verdienen om twee buffels te kopen. Zijn vader zelf had nooit meer dan één buffel gehad. En zijn gedachten waren te veel gericht op het weerzien van Adinda. Daardoor was er weinig plaats voor verdriet over het afscheid. Hij had afscheid genomen met overspannen hoop. In zijn gedachten had hij het vastgeknoopt aan het eindelijke weerzien onder de *ketapan*. Want dat vooruitzicht speelde zo'n grote rol in zijn hart. Toen hij Badoer verliet en die boom voorbijging, voelde hij daardoor iets vrolijks. Het was alsof de zesendertig manen die hem van dat ogenblik scheidden, al voorbij waren. Het leek hem alsof hij alleen maar hoefde om te keren, alsof hij al terugkwam van de reis. Dan zou hij Adinda zien, wachtend onder die boom.

Maar hij ging steeds verder van Badoer weg. En hij merkte hoe verschrikkelijk lang één dag duurt. Daarom begon hij de zesendertig manen die voor hem lagen, steeds langer te vinden. Er was iets in zijn ziel dat hem langzamer deed lopen. Hij voelde verdriet in zijn knieën. Het was geen moedeloosheid die hem overviel, maar wel weemoed, en die is niet ver van moedeloosheid. Hij dacht eraan terug te keren, maar wat zou Adinda zeggen van zo weinig moed?

Daarom liep hij door, al ging hij minder snel dan de eerste dag. Hij had de *melatti* in zijn hand, en drukte die vaak tegen zijn borst. Hij was in drie dagen veel ouder geworden. Hij begreep niet meer hoe hij vroeger zo rustig had geleefd. Adinda was toch zo dicht bij hem geweest, en hij kon haar zien zo vaak en zo lang hij wilde. Want *nu* zou hij niet rustig zijn, als hij kon verwachten dat ze straks voor hem zou staan. Ook begreep hij niet dat hij na het afscheid niet was teruggegaan, om haar nog één keer te zien. Ook dacht hij aan de ruzie die hij kort geleden nog met haar had gehad. Het ging over het touw dat ze spon voor de *lalayang* van haar broertjes. Het touw was gebroken, omdat er volgens hem een fout in haar spinsel zat. Daardoor was een weddenschap verloren tegen de kinderen uit Tjipoeroet.

"Hoe was het mogelijk, dacht hij, dat ik daarover boos werd op Adinda? Want stel dat zij een fout had gesponnen in het touw. En stel dat de weddenschap van Badoer tegen Tjipoeroet daardoor verloren was, en niet door de glasscherf. Die scherf was zo ondeugend en handig gegooid door de kleine Djamien, die zich verstopte achter de *pagger*. Had ik dan zelfs zo hard tegen haar mogen zijn, en haar lelijke namen mogen noemen? Wat gebeurt er als ik sterf in Batavia, zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zulke grote ruwheid? Zal het dan niet zijn alsof ik een slecht mens ben, die scheldwoorden gooit naar een meisje? Men zal horen dat ik gestorven ben in een vreemd land. En zal dan niet iedereen in Badoer zeggen: het is goed dat Saïdjah stierf? Want hij heeft een grote mond gehad tegen Adinda!"

Zo gingen zijn gedachten heel anders dan eerst, toen hij zo vol hoop was. Zonder dat hij het wilde, kwamen ze naar buiten. Eerst in halve woorden binnensmonds, al snel in een gesprek met zichzelf, en ten slotte in een droevig lied. Hier volgt de vertaling van dat lied. Eerst wilde ik wat maat en rijm in die vertaling brengen. Maar net als Havelaar vind ik het beter om dat keurslijf weg te laten.

"Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar met mijn vader was om zout te maken. Als ik sterf op de zee, en men gooit mijn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen. Ze zullen rond mijn lijk zwemmen en vragen: 'wie van ons zal het lichaam opeten dat daar zakt in het water?'

Ik zal het niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het huis van Pa-Ansoe zien branden. Hij had het zelf aangestoken omdat hij *mata-glap* was. Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout op mijn lijk vallen. En buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen die water gooien om het vuur te doden.

Ik zal het niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb de kleine Si-Oenah uit de *klappa*-boom zien vallen, toen hij een *klappa* plukte voor zijn moeder. Als ik uit een *klappa*-boom val, zal ik dood aan de voet liggen, in de struiken, zoals Si-Oenah. Dan zal mijn moeder niet huilen, want zij is dood. Maar anderen zullen met harde stem roepen: 'kijk, daar ligt Saïdjah!'

Ik zal het niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het lijk gezien van Pa-Lisoe, die gestorven was van hoge ouderdom, want zijn haren waren wit. Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om mijn lijk staan. En ze zullen lawaai maken, zoals de klaagvrouwen bij het lijk van Pa-Lisoe. En ook de kleinkinderen zullen huilen, heel luid.

Ik zal het niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb er velen gezien in Badoer die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed en begroef hen in de grond. Als ik sterf in Badoer, en men begraaft mij buiten de *dessah*, oostelijk tegen de heuvel, waar het gras hoog is, dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar *sarong* zal zachtjes langs het gras schuiven ...

Ik zal het horen."

Saïdjah kwam aan in Batavia. Hij vroeg een heer hem in dienst te nemen. Die heer deed dat meteen, omdat hij Saïdjah niet verstond. Want in Batavia heeft men graag bedienden die nog geen Maleis spreken. Die zijn nog niet zo bedorven als anderen, die langer in aanraking waren met de Europese beschaving. Saïdjah leerde snel Maleis, maar hij gedroeg zich goed. Want hij dacht altijd aan de twee buffels die hij wilde kopen, en aan Adinda. Hij werd groot en sterk omdat hij elke dag at, wat in Badoer niet altijd kon. Men hield van hem in de stal. En hij zou zeker niet zijn afgewezen, als hij de dochter van de koetsier ten huwelijk had gevraagd. Zijn heer zelf hield zoveel van Saïdjah, dat hij al snel huisbediende werd. Men verhoogde zijn loon, en gaf hem bovendien steeds geschenken, omdat men zo bijzonder tevreden was over zijn werk.

Maar men vond Saïdjah ondankbaar toen hij, na bijna drie jaar dienst, om zijn ontslag vroeg. Hij vroeg ook om een bewijs dat hij zich goed gedragen had. Men kon hem dat echter niet weigeren, en Saïdjah ging met een vrolijk hart op reis.

Hij ging voorbij Pising, waar lang geleden Havelaar eens gewoond had. Maar dat wist Saïdjah niet. En al had hij het geweten, hij droeg heel iets anders in zijn ziel dat hem bezighield. Hij telde de schatten die hij mee naar huis bracht. In een rol van bamboe had hij zijn pas en het bewijs van goed gedrag. In een koker aan een leren riem leek steeds iets zwaars tegen zijn schouder te slingeren. Maar dat voelde hij graag ... dat geloof ik wel! *Daarin* zaten dertig Spaanse matten, genoeg om drie buffels te kopen. Wat zou Adinda zeggen! En dat was nog niet alles. Op zijn rug zag men de schede van een kris, met zilver beslagen, die hij in zijn gordel droeg. Het handvat was zeker van fijn gesneden *kamoening*, want hij had het met veel zorg in zijde gewikkeld. En hij bezat nog meer schatten. In de vouw van zijn *kahin* om zijn middel zat een buikband van brede zilveren schakels, met een gouden *ikat-pendieng*. En die band was voor Adinda.

En aan een koordje om zijn hals, onder zijn *baadjoe*, droeg hij een zijden zakje met een paar droge *melatti*.

Was het wonder dat hij in Tangerang niet langer bleef dan nodig was? Hij bezocht er alleen de bekende van zijn vader, die zulke fijne hoeden van stro vlocht. Was het wonder dat hij weinig zei tegen de meisjes op zijn weg? Zij vroegen hem: "waarheen, vanwaar?", zoals de groet is in die streken. Was het wonder dat hij Serang niet meer zo deftig vond, hij die Batavia had leren kennen? Dat hij niet meer wegkroop in de *pagger*, zoals hij drie jaar geleden deed toen de resident voorbijreed? Hij had immers de veel grotere heer gezien die in Buitenzorg woont. Die heer is de grootvader van de Soesoehoenan van Solo. Was het wonder dat hij weinig lette op de verhalen van de mensen die een eind met hem meeliepen? Die vertelden al het nieuws uit Bantan-Kidoel. Dat hij nauwelijks luisterde toen men hem vertelde dat de koffiecultuur helemaal was gestopt, na veel onbetaald werk? Dat het districtshoofd van Parang-Koedjang was veroordeeld wegens roof op de openbare weg? Dat hij veertien dagen arrest had gekregen in het huis van zijn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verplaatst naar Rangkas-Betoeng? Dat er een nieuwe assistent-resident gekomen was, omdat de vorige een paar maanden geleden gestorven was? Hoe die nieuwe ambtenaar gesproken had op de eerste *Sebah*-vergadering? Hoe er sinds enige tijd niemand meer gestraft was omdat hij geklaagd had? En hoe de bevolking hoopte dat alles wat gestolen was, teruggegeven of vergoed zou worden?

Neen, schonere beelden vertoonden zich voor het oog van zijn ziel. Hij zocht de *ketapan*-boom in de wolken, te ver nog als hij was om die te zoeken bij Badoer.

Neen, hij hoorde weinig van wat men hem zei. Hij hoorde heel andere tonen. Hij hoorde hoe Adinda zou zeggen: "Wees welkom, Saïdjah! Ik heb aan u gedacht bij het spinnen en bij het weven. Ik dacht aan u bij het stampen van de rijst in het blok met driemaal twaalf kerven van mijn hand. Hier ben ik onder de *ketapan*, op de eerste dag van de nieuwe maan. Wees welkom, Saïdjah: ik wil uw vrouw zijn!"

*Dat* was de muziek die in zijn oren klonk. Daardoor kon hij niet luisteren naar al het nieuws dat men hem vertelde op zijn weg.

Eindelijk zag hij de *ketapan*. Of liever: hij zag een donkere plek die veel sterren voor zijn oog bedekte. Dat moest het *djati*-bos zijn, bij de boom waar hij Adinda zou terugzien. Dat zou de volgende dag zijn, na het opgaan van de zon. Hij zocht in het donker en voelde aan veel stammen. Al snel vond hij een bekende oneffenheid aan de zuidkant van een boom. Hij legde zijn vinger in een gleuf die Si-Panteh daar met zijn *parang* in gehakt had. Dat had Si-Panteh gedaan om de *pontianak* te bezweren, die schuld had aan de kiespijn van Panteh's moeder. Dat was kort voor de geboorte van zijn broertje. Dat was de *ketapan* die hij zocht.

Ja, wel was dit de plek. Daar had ze hem de *melatti* gegeven.

Hij ging aan de voet van de boom zitten en keek op naar de sterren. En als er een ster viel, zag hij dat als een groet bij zijn terugkomst in Badoer. En hij vroeg zich af of Adinda nu sliep. En of ze de manen wel goed had ingekerfd in haar rijstblok? Het zou hem zo'n pijn doen als ze een maan had overgeslagen, alsof het er niet genoeg waren ... zesendertig! En of ze mooie *sarongs* en *slendangs* zou hebben *gebatikt*? En ook vroeg hij zich af wie er nu in het huis van zijn vader woonde. En hij dacht aan zijn jeugd, en aan zijn moeder, en hoe die buffel hem had gered van de tijger. En hij dacht na over wat er van Adinda geworden zou zijn, als die buffel minder trouw was geweest.

Hij lette heel goed op het dalen van de sterren in het westen. Bij elke ster die aan de horizon verdween, berekende hij iets. Hoeveel dichter was de zon bij het opkomen in het oosten? En hoeveel dichter was hijzelf bij het weerzien van Adinda?

Want ze zou zeker komen bij de eerste zonnestraal, ja, al bij het eerste licht zou ze daar zijn ... Ach, waarom was ze de vorige dag niet al gekomen?

Het maakte hem verdrietig dat ze het mooie ogenblik niet tegemoet was gelopen. Dat ogenblik had drie jaar lang zijn ziel verlicht met een glans die niet te beschrijven was. Onrechtvaardig als hij was in het egoïsme van zijn liefde, vond hij dat Adinda daar had moeten zijn. Zij had op *hem* moeten wachten. En hij klaagde nu dat hij op *haar* moest wachten, en dat nog voor de tijd!

Maar hij klaagde ten onrechte. Want de zon was nog niet opgegaan, het oog van de dag had nog niet over de vlakte gekeken. De sterren daarboven werden wel bleek, beschaamd dat er snel een eind aan hun heerschappij kwam ... Er vloeiden wel vreemde kleuren over de toppen van de bergen ... Die bergen leken donkerder, naarmate ze scherper afstaken tegen een lichtere grond ... Er vloog wel hier en daar iets gloeiends door de wolken in het oosten, pijlen van goud en vuur. Ze werden heen en weer geschoten, evenwijdig aan de horizon. Maar ze verdwenen weer, en leken te vallen achter het dichte gordijn. Dat gordijn verborg de dag nog altijd voor de ogen van Saïdjah.

Toch werd het langzaam lichter en lichter om hem heen. Hij zag het landschap al. Hij kon al de kruinen onderscheiden van het *klappa*-bosje waarin Badoer verborgen ligt ... daar sliep Adinda.

Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat Saïdjah op haar zou wachten? Zeker, ze had de hele nacht niet geslapen! Vast had de dorpswacht op haar deur geklopt, om te vragen waarom de *pelitah* in haar huisje bleef branden. En met een lieve lach had ze gezegd dat een belofte haar wakker hield. Ze moest de *slendang* afweven waar ze aan werkte. Die moest klaar zijn voor de eerste dag van de nieuwe maan ...

Of ze had de nacht in het donker doorgebracht, zittend op haar rijstblok. Ze had met haar vinger geteld of er echt zesendertig diepe strepen naast elkaar in stonden. En ze had zichzelf voor de grap laten schrikken: had ze zich misschien verteld? Ontbrak er misschien nog een? Zo kon ze nog eens, en nog eens, en telkens weer genieten van de heerlijke zekerheid. Er waren echt driemaal twaalf manen voorbijgegaan sinds Saïdjah haar voor het laatst zag.

Ook zij zou nu, nu het al zo licht werd, haar ogen vermoeien, zonder resultaat. Ze zou haar blikken over de horizon willen buigen, om de zon te ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ...

Daar kwam een streep van blauwig rood, die zich vastklemde aan de wolken. De randen werden licht en gloeiend, en het begon te bliksemen. Weer schoten er pijlen van vuur door de lucht. Maar deze keer vielen ze niet neer. Ze hechtten zich vast op de donkere grond, en gaven hun gloed door in grotere en grotere kringen. Ze ontmoetten elkaar, kruisend, slingerend, draaiend, dwalend. Ze verenigden zich tot bundels vuur, en flitsten in gouden glans op een grond van parelmoer. En er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat alles ... O God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van Adinda!

Saïdjah had niet leren bidden, en het zou ook jammer zijn geweest om hem dat te leren. Want in zijn ziel lag een stille vreugde. Een heiliger gebed en een vuriger dank dan daarin lagen, zijn niet in mensentaal te zeggen.

Hij wilde niet naar Badoer gaan. Het weerzien zelf van Adinda leek hem minder mooi dan de zekerheid dat hij haar straks zou terugzien. Hij ging aan de voet van de *ketapan* zitten en liet zijn ogen over de streek dwalen. De natuur lachte hem toe, en leek hem welkom te heten zoals een moeder haar teruggekeerde kind. Zo'n moeder toont haar vreugde door te herinneren aan het voorbije verdriet. Ze laat zien wat ze bewaard heeft als aandenken, in de tijd dat het kind weg was. Zo vermaakte ook Saïdjah zich met het terugzien van de vele plekken die getuigen waren van zijn korte leven. Maar waar zijn ogen of gedachten ook heen gingen, telkens keerden zijn blik en zijn verlangen terug naar het pad. Dat was het pad dat van Badoer naar de *ketapan* leidt. Alles wat hij zag en hoorde, heette Adinda. Hij zag de afgrond links, waar de aarde zo geel is. Daar was eens een jonge buffel in de diepte gezakt. De dorpelingen waren daar samengekomen om het dier te redden, want een jonge buffel verliezen is geen kleine zaak. Ze hadden zich aan sterke *rottan*-touwen naar beneden laten zakken. Adinda's vader was de moedigste geweest ... O, wat klapte ze in haar handen, Adinda!

En daarginds, aan de andere kant, wuift het kokosbosje boven de hutten van het dorp. Daar ergens was Si-Oenah uit een boom gevallen en gestorven. Wat huilde zijn moeder! "Omdat Si-Oenah nog zo klein was", jammerde ze ... alsof ze minder verdrietig zou zijn geweest als Si-Oenah groter was geweest. Maar klein was hij, dat is waar, want hij was nog kleiner en zwakker dan Adinda ...

Niemand kwam op het weggetje dat van Badoer naar de boom leidde. Straks zou ze komen: o, zeker ... het was nog zo vroeg!

Saïdjah zag een *badjing* die speels en vlug heen en weer sprong tegen de stam van een *klappa*-boom. Het diertje klauterde onvermoeid op en neer. De eigenaar van de boom ergert zich eraan, maar het is toch lief in vorm en beweging. Saïdjah zag het, en dwong zich ernaar te blijven kijken. Want dat gaf zijn gedachten rust van het zware werk dat ze deden sinds de zon was opgegaan. Het was rust na het vermoeiende wachten. Al snel kwamen zijn indrukken naar buiten in woorden, en hij zong wat er in zijn ziel omging. Ik zou u zijn lied liever *voorlezen* in het Maleis, dat Italiaans van het Oosten. Maar hier is de vertaling:

"Zie hoe de *badjing* zijn voedsel zoekt  
Op de *klappa*-boom.  
Hij stijgt, daalt, speelt links en rechts,  
Hij draait om de boom, springt, valt, klimt, en valt weer:  
Hij heeft geen vleugels, en is toch zo vlug als een vogel.

Veel geluk, mijn *badjing*, ik wens u heil!  
U zult zeker het voedsel vinden dat u zoekt ...  
Maar ik zit alleen bij het *djati*-bos,  
Wachtend op voedsel voor mijn hart.

Al lang is het buikje van mijn *badjing* vol ...  
Al lang is hij teruggekeerd in zijn nestje ...  
Maar nog altijd is mijn ziel  
En mijn hart bitter bedroefd ... Adinda!"

Nog was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de *ketapan*.

Saïdjah's oog viel op een vlinder die blij leek omdat het warm begon te worden.

"Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.  
Zijn vleugeltjes schitteren als een veelkleurige bloem.  
Zijn hartje is verliefd op de bloesem van de *kenari*.  
Zeker zoekt hij zijn geurige geliefde.

Veel geluk, mijn vlinder, ik wens u heil!  
U zult zeker vinden wat u zoekt ...  
Maar ik zit alleen bij het *djati*-bos,  
Wachtend op wat mijn hart liefheeft.

Al lang heeft de vlinder gekust  
De *kenari*-bloesem waar hij zoveel van houdt ...  
Maar nog altijd is mijn ziel  
En mijn hart bitter bedroefd ... Adinda!"

En er was niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de boom.

De zon begon al hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.

"Zie hoe de zon schittert daarboven,  
Hoog boven de *waringi*-heuvel!  
Ze voelt zich te warm, en wil naar beneden dalen,  
Om te slapen in zee, als in de armen van een echtgenoot.

Veel geluk, o zon, ik wens u heil!  
Wat u zoekt, zult u zeker vinden ...  
Maar ik zit alleen bij het *djati*-bos,  
Wachtend op rust voor mijn hart.

Al lang zal de zon ondergegaan zijn,  
En slapen in de zee, als alles donker is ...  
En nog altijd zal mijn ziel  
En mijn hart bitter bedroefd zijn ... Adinda!"

Nog was er niemand op de weg die daar van Badoer naar de *ketapan* leidt.

"Als er geen vlinders meer zullen rondfladderen,  
Als de sterren niet meer zullen schitteren,  
Als de *melatti* niet meer zal geuren,  
Als er geen bedroefde harten meer zijn,  
En geen wilde dieren in het bos ...  
Als de zon verkeerd zal lopen,  
En de maan zal vergeten wat oost en west is ...  
Als Adinda *dan* nog niet gekomen is,  
Dan zal een engel met blinkende vleugels  
Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.  
Dan zal mijn lijk hier liggen onder de *ketapan* ...  
Mijn ziel is bitter bedroefd ... Adinda!"

Nog was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de *ketapan*.

"Dan zal mijn lijk door de engel gezien worden.  
Hij zal het aan zijn broeders wijzen met zijn vinger:

'Kijk, daar is een gestorven mens vergeten,  
Zijn stijve mond kust een *melatti*-bloem.  
Kom, laten wij hem opnemen en naar de hemel dragen,  
Hem, die op Adinda gewacht heeft tot hij dood was.  
Zeker, hij mag daar niet achterblijven,  
Hij, wiens hart de kracht had om zo lief te hebben!'

Dan zal mijn stijve mond nog één keer opengaan  
Om Adinda te roepen, die mijn hart liefheeft ...  
Nog één keer zal ik de *melatti* kussen  
Die zij mij gaf ... Adinda ... Adinda!"

En nog altijd was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de boom.

O, ze was zeker tegen de ochtend in slaap gevallen. Ze was moe van het waken in de nacht, van het waken vele lange nachten! Ze had vast al weken niet geslapen: zo was het!

Zou hij opstaan en naar Badoer gaan? Neen! Mocht het lijken alsof hij twijfelde aan haar komst?

Zou hij de man roepen die daarginds zijn buffel naar het veld dreef? Die man was te ver weg. En bovendien wilde Saïdjah niet spreken *over* Adinda, niet vragen *naar* Adinda ... Hij wilde haar terugzien, *haar* alleen, *haar* het eerst! O zeker, *zeker* zou ze nu gauw komen!

Hij zou wachten, wachten ...

Maar als ze ziek was, of ... dood?

Als een aangeschoten hert vloog Saïdjah het pad op dat van de *ketapan* naar het dorp leidt waar Adinda woonde. Hij zag niets en hoorde niets. Toch had hij iets kunnen horen, want er stonden mensen op de weg bij de ingang van het dorp. Die riepen: "Saïdjah, Saïdjah!"

Maar ... was het zijn haast, zijn drift, die hem belette Adinda's huis te vinden? Hij was al doorgevlogen tot aan het einde van de weg, waar het dorp ophoudt. Als gek keerde hij terug. Hij sloeg zich voor zijn hoofd, omdat hij *haar* huis voorbij had kunnen gaan zonder het te zien. Maar weer was hij bij de ingang, en, mijn God, was het een droom? Weer had hij Adinda's huis niet gevonden! Nog eens vloog hij terug. Opeens bleef hij staan en greep met beide handen zijn hoofd, alsof hij de waanzin eruit wilde persen. En hij riep luid: "dronken, dronken, ik ben dronken!"

En de vrouwen van Badoer kwamen uit hun huizen. Ze keken vol medelijden naar de arme Saïdjah die daar stond. Want ze herkenden hem en begrepen dat hij Adinda's huis zocht. En ze wisten dat er geen huis van Adinda was in het dorp Badoer.

Want toen het districtshoofd van Parang-Koedjang de buffel van Adinda's vader had weggenomen ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is.

... toen was Adinda's moeder gestorven van verdriet. En haar jongste zusje was gestorven, omdat het geen moeder had die het de borst gaf. En Adinda's vader, die bang was voor de straf als hij zijn landrenten niet betaalde ...

Ik weet het wel, ik weet het wel, dat mijn verhaal eentonig is!

... Adinda's vader was weggegaan uit het land. Hij had Adinda meegenomen, met haar broers. Maar hij had gehoord wat er met de vader van Saïdjah gebeurd was. Die was in Buitenzorg gestraft met slagen met de rotting, omdat hij Badoer zonder pas had verlaten. Daarom was Adinda's vader niet naar Buitenzorg gegaan, niet naar Krawang. Ook niet naar de Preanger, niet naar het land rond Batavia ... Hij was gegaan naar Tjilang-Kahan, het district van Lebak dat aan de zee grenst. Daar had hij zich verstopt in de bossen. Hij had gewacht op de komst van Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma en nog een paar anderen. Ook hun had het districtshoofd van Parang-Koedjang hun buffels afgenomen. En ook zij waren allemaal bang voor straf als ze hun landrenten niet betaalden. Daar hadden ze 's nachts een vissers*prauw* veroverd, en ze waren de zee opgegaan. Ze hadden naar het westen gestuurd, en hielden het land aan hun rechterkant, tot aan Java-punt. Vandaar waren ze naar het noorden gezeild, tot ze Tanahitam voor zich zagen. Dat eiland noemen de Europese zeelieden Prinseneiland. Ze waren aan de oostkant om het eiland gezeild, en hadden toen koers gezet naar de Keizersbaai. Ze richtten zich op de hoge piek in de Lampongs. Dat was tenminste de weg die men elkaar in Lebak fluisterend vertelde. Men deed dat als er gesproken werd over officiële buffelroof en onbetaalde landrenten.

Maar de verwarde Saïdjah begreep niet goed wat men hem zei. Zelfs het bericht van de dood van zijn vader begreep hij niet goed. Er gonsde iets in zijn oren, alsof men in zijn hoofd op een *gong* had geslagen. Hij voelde hoe het bloed met schokken door de aders bij zijn slapen werd geperst. Het leek alsof die aders zouden barsten onder de druk. Hij sprak niet, en keek met een versufte blik rond, zonder te zien wat er om hem heen was. Ten slotte barstte hij uit in een eng gelach.

Een oude vrouw nam hem mee naar haar huisje en verpleegde de arme dwaas. Al snel lachte hij niet meer zo eng, maar hij sprak nog steeds niet. Alleen 's nachts schrokken de bewoners van de hut op van zijn stem. Dan zong hij toonloos: "*ik weet niet waar ik sterven zal*". En een paar bewoners van Badoer legden geld bij elkaar. Ze wilden een offer brengen aan de *boaja's* van de Tjioedjoeng, om Saïdjah te genezen. Want men dacht dat hij gek was.

Maar gek was hij niet.

Want op een nacht, toen de maan helder scheen, stond hij op van de *baleh-baleh*. Hij ging zachtjes het huis uit en zocht de plek waar Adinda gewoond had. Het was niet gemakkelijk die te vinden, omdat er zoveel huizen waren ingestort. Maar hij leek de plaats te herkennen aan de hoek die lichtlijnen door de bomen vormden. Zo bepaalt een zeeman zijn plaats door te kijken naar vuurtorens of bergtoppen.

Ja, daar moest het zijn ... daar had Adinda gewoond!

Hij struikelde over half vergaan bamboe en over stukken van het gevallen dak. Zo baande hij zich een weg naar het heiligdom dat hij zocht. En echt, hij vond nog een stuk van de *pagger* die overeind stond, waarnaast Adinda's *baleh-baleh* had gestaan.

Maar de *baleh-baleh* was ingestort, net als het huis, en bijna vergaan tot stof. Hij nam een handvol van dat stof.

De volgende dag vroeg hij aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar het rijstblok was. Het blok dat op het erf van Adinda's huis had gestaan. De vrouw was blij dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om dat blok te zoeken. Ze kon Saïdjah de nieuwe eigenaar aanwijzen. Zwijgend volgde hij haar. Bij het rijstblok telde hij tweeëndertig ingekerfde strepen ...

Toen gaf hij die vrouw zoveel Spaanse matten als nodig was om een buffel te kopen, en hij verliet Badoer. In Tjilang-Kahan kocht hij een vissers*prauw*. Na een paar dagen zeilen kwam hij daarmee aan in de Lampongs. Daar verzetten de opstandelingen zich tegen het Nederlandse gezag. Hij sloot zich aan bij een bende Bantammers, niet zozeer om te vechten, maar om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en hij voelde eerder verdriet dan bitterheid.

Op een dag waren de opstandelingen opnieuw verslagen. Hij liep doelloos rond in een dorp dat het Nederlandse leger net had veroverd, en dat dus in brand stond. Saïdjah wist dat de bende die daar vernietigd was, voor het grootste deel uit Bantammers had bestaan. Als een spook liep hij rond in de huizen die nog niet helemaal verbrand waren. Hij vond het lijk van Adinda's vader, met een *klewang*-bajonetwond in de borst. Naast hem zag Saïdjah de drie vermoorde broers van Adinda, jonge mannen, bijna nog kinderen. En een eindje verder lag Adinda. Ze was dood, afschuwelijk mishandeld. Het smalle strookje blauwe stof dat hij haar had gegeven, was bij haar.

Toen liep Saïdjah een paar soldaten tegemoet. Die dreven de laatste levende opstandelingen met hun geweren vooruit het vuur van de brandende huizen in. Hij greep de brede zwaardbajonetten vast en drukte zich met kracht naar voren. Met een laatste inspanning duwde hij de soldaten nog terug, toen de handvatten tegen zijn borst stootten.

En korte tijd later was er in Batavia groot gejuich over de nieuwe overwinning. Die had weer zoveel lauweren toegevoegd aan de lauweren van het Nederlands-Indische leger. En de Landvoogd schreef naar het moederland dat de rust in de Lampongs hersteld was. En de Koning van Nederland, ingelicht door zijn ministers, beloonde opnieuw zoveel heldenmoed met veel ridderkruisen.

En waarschijnlijk stegen er in de zondagskerk of in de bidstond dankgebeden op uit de harten van de vromen. Want ze hoorden dat "de Heer der heerscharen" weer had meegevochten onder de vlag van Nederland ...

"Maar God, met zoveel wee begaan,  
Nam de offers van die dag niet aan!"

* * * * *

Ik heb het einde van de geschiedenis van Saïdjah kort gehouden. Ik had het langer kunnen maken, als ik zin had gehad om iets akeligs te schetsen. De lezer zal gemerkt hebben hoe lang ik bleef bij de beschrijving van het wachten onder de *ketapan*. Het leek alsof ik terugschrok voor het treurige einde. En over dat einde ben ik met afkeer heen gegleden. Toch was dit niet mijn plan, toen ik over Saïdjah begon te spreken. Want eerst was ik bang dat ik sterkere kleuren nodig had om de lezer te raken. Ik beschreef immers zulke vreemde toestanden. Maar gaandeweg voelde ik dat het een belediging voor mijn publiek zou zijn. Ik zou dan geloven dat ik meer bloed in mijn schilderij had moeten brengen.

Toch had ik dit *kunnen* doen, want ik heb stukken voor mij liggen ... maar neen: liever een bekentenis.

Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of Saïdjah van Adinda hield. Niet of hij naar Batavia ging. Niet of hij in de Lampongs werd vermoord met Nederlandse bajonetten. Ik weet niet of zijn vader stierf door de slagen met de rotting. Die kreeg hij omdat hij Badoer zonder pas had verlaten. Ik weet niet of Adinda de manen telde door kerven in haar rijstblok ...

Dit alles weet ik *niet*!

Maar ik weet *meer* dan dat alles. Ik weet *en kan bewijzen dat er veel* Adinda's waren en *veel* Saïdjah's. En ik weet dat *wat verzinsel is in het bijzonder, waarheid wordt in het algemeen*. Ik zei al dat ik namen kan geven van personen die door onderdrukking uit hun land werden verdreven. Net als de ouders van Saïdjah en Adinda. Het is niet mijn doel om in dit werk gegevens te geven die passen bij een rechtbank. Zo'n rechtbank zou moeten oordelen over de manier waarop het Nederlandse gezag in Indië wordt uitgeoefend. Die gegevens zouden alleen bewijs zijn voor wie het geduld had om ze aandachtig door te lezen. Dat kan men niet verwachten van een publiek dat ontspanning zoekt in zijn lectuur. Daarom geef ik geen droge namen van personen en plaatsen, met de datum erbij. Daarom geef ik ook geen afschrift van *de lijst van diefstallen en afpersingen, die voor mij ligt*. In plaats daarvan heb ik geprobeerd een schets te geven. Die schets laat zien wat er *kan* omgaan in de harten van de arme mensen. Men berooft hen van wat ze nodig hebben om te leven. Of zelfs: ik heb dit alleen laten raden. Want ik was bang dat ik me te veel zou vergissen. Ik tekende immers gevoelens die ik nooit zelf heb gehad.

Maar wat de *hoofdzaak* betreft? O, werd ik maar opgeroepen om te bewijzen wat ik schreef! O, zei men maar: "u hebt die Saïdjah verzonnen ... hij zong dat lied nooit ... er woonde geen Adinda in Badoer!" Maar dan moest het gezegd worden met de macht en de wil om recht te doen. Dat recht moest komen zodra ik bewezen had dat ik geen lasteraar ben!

Is er leugen in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan? Omdat er misschien nooit een beroofde reiziger is opgenomen in een Samaritaans huis? Is er leugen in de gelijkenis van de zaaier, omdat geen boer zijn zaad op een rots zal gooien? Of, om dichter bij mijn boek te komen: mag men de waarheid ontkennen die de kern is van de *Negerhut*? Omdat er misschien nooit een Evangeline bestaan heeft? De schrijfster van dat boek heeft een onsterfelijk pleidooi geschreven. Onsterfelijk, niet door kunst of talent, maar door *strekking* en *indruk*. Zal men tegen haar zeggen: "u hebt gelogen, de slaven worden niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek. Het is een roman!"? Moest ook zij die droge feiten niet in een verhaal inkleden, in plaats van ze op te tellen? Zo kon ze de behoefte aan verbetering laten doordringen in de harten. Zou haar boek gelezen zijn, als ze het de vorm van een processtuk had gegeven? Is het haar schuld, of de mijne, dat de waarheid zo vaak het kleed van de leugen moet lenen? Zo vindt ze toegang.

En sommigen beweren misschien dat ik Saïdjah en zijn liefde mooier heb gemaakt dan ze waren. Aan hen moet ik vragen hoe ze dat kunnen weten. Want slechts heel weinig Europeanen vinden het de moeite waard om zich neer te buigen. Alleen zij kijken wat de koffie- en suikerwerktuigen voelen, die men "inlanders" noemt. Maar ook als hun opmerking juist was, geeft zo iemand mij een grote overwinning. Hij gebruikt zulke bezwaren immers als bewijs tegen de hoofdzaak van mijn boek. Want vertaald zeggen ze dit: "het kwaad dat u bestrijdt, bestaat niet, of niet in zo hoge mate. *Omdat* de inlander niet is als uw Saïdjah ... De mishandeling van de Javanen is geen zo groot kwaad als ze zou zijn, als u Saïdjah juister had getekend. De Soendanees zingt zulke liederen niet, houdt niet zo lief, voelt niet zo, en dus ..."

Neen, Minister van Koloniën, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, *dat* hoeft u niet te bewijzen! U moet bewijzen dat de bevolking niet mishandeld wordt, of er nu sentimentele Saïdjahs onder die bevolking zijn of niet. Of durft u te beweren dat men buffels mag stelen van mensen die *niet* liefhebben? Van mensen die *geen* droevige liedjes zingen, die *niet* sentimenteel zijn?

Bij een aanval op het gebied van de literatuur zou ik de juistheid van mijn tekening van Saïdjah verdedigen. Maar op het gebied van de politiek geef ik alle kritiek op die juistheid meteen gewonnen. Want ik wil niet dat de grote vraag op het verkeerde terrein komt. Het kan mij niets schelen of men mij een slechte schilder vindt. Als men maar toegeeft dat de mishandeling van de inlander is: VERREGAAND! Zo luidt immers het woord op de nota van Havelaars voorganger. Havelaar liet die nota aan controleur Verbrugge zien: *een nota die voor mij ligt*.

Maar ik heb andere bewijzen! En dat is gelukkig, want ook Havelaars voorganger kan zich vergist hebben.

Helaas, als *hij* zich vergiste, werd hij voor die vergissing heel hard gestraft. Hij is vermoord.

### Woordenlijst

- **sawah**: nat rijstveld
- **padie**: rijst op het veld
- **pagger**: omheining of wand van bamboe
- **schede**: hoes voor een kris (Javaanse dolk) of een mes
- **poesaka**: erfstuk, heilig bezit van de familie
- **klamboe**: net rond een bed tegen muggen
- **landrenten**: belasting op grond
- **oeser-oeseran**: haarkrul op de rug van een buffel
- **ontong**: geluk
- **mata-glap**: gek van woede of verdriet, niets meer zien
- **juk**: houten balk op de schouders van een trekdier
- **bendie**: licht rijtuig op twee wielen
- **ketapan**: grote boom met brede bladeren
- **melatti**: kleine witte, sterk geurende bloem
- **Spaanse matten**: oude zilveren munten
- **klappa**: kokospalm, kokosnoot
- **pelitah**: olielampje
- **badjing**: eekhoorn
- **kenari**: hoge boom met geurige bloesem
- **bedroefd**: heel verdrietig
- **baleh-baleh**: bank of bed van bamboe
- **boaja's**: krokodillen
- **prauw**: boot
- **klewang**: lange, brede sabel
- **Landvoogd**: de hoogste baas van Nederlands-Indië, namens de koning
- **inlanders**: oud woord voor de bewoners van Indië; nu beledigend
- **Negerhut**: roman over het leven van slaven in Amerika; neger is een oud woord, nu beledigend

## Achttiende hoofdstuk

Het was namiddag. Havelaar kwam uit de kamer, en vond zijn Tine in de voorgalerij, waar ze met de thee op hem wachtte. Mevrouw Slotering kwam haar huis uit, en leek naar de Havelaars te willen gaan. Maar opeens draaide ze zich om naar het hek. Daar wees ze met vrij heftige gebaren een man terug, die net was binnengekomen. Ze bleef staan tot ze zeker wist dat hij weer naar buiten was gegaan. Daarna kwam ze langs het grasveld naar Havelaars huis.

"Ik wil nu toch eindelijk weten wat dit betekent!" zei Havelaar. Toen de begroeting voorbij was, stelde hij zijn vraag op grappende toon. Zij mocht niet denken dat hij haar dat beetje gezag niet gunde, op een erf dat vroeger van haar was.

—Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de mensen die op het erf komen, zo terugstuurt? Als die man van daarnet nu eens iemand was die kippen te koop had? Of iets anders wat nodig kon zijn voor de keuken?

Op het gezicht van mevrouw Slotering verscheen een pijnlijke trek. Havelaar zag dat wel.

—Ach, zei ze, er is zoveel slecht volk!

—Zeker, dat is er overal. Maar als men het de mensen zo moeilijk maakt, blijven de goeden ook weg. Kom, mevrouw, vertel me toch eens eerlijk waarom u zo streng op het erf let?

Havelaar keek haar aan, en probeerde tevergeefs het antwoord te lezen in haar vochtige oog. Hij drong wat sterker aan op een verklaring ... De weduwe barstte in tranen uit. Ze zei dat haar man vergiftigd was, in het huis van het districtshoofd in Parang-Koedjang.

—Hij wilde rechtvaardig zijn, meneer Havelaar, ging de arme vrouw verder. Hij wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking lijdt. Hij waarschuwde en bedreigde de Hoofden, in vergaderingen en schriftelijk ... U moet zijn brieven in het archief gevonden hebben?

Dat was zo. Havelaar had die brieven gelezen, *waarvan afschriften voor mij liggen*.

—Hij sprak steeds met de resident, ging de weduwe verder, maar altijd tevergeefs. Iedereen wist dat de knevelarij gebeurde voor de Regent en onder zijn bescherming. En de resident wilde de Regent niet aanklagen bij de regering. Daarom leidden al die gesprekken tot niets, behalve tot mishandeling van de klagers. Daarom had mijn arme man iets gezegd. Als er voor het einde van het jaar geen verbetering kwam, zou hij zich rechtstreeks tot de Gouverneur-generaal wenden. Dat was in november. Kort daarna ging hij op inspectiereis, en at hij in het huis van de Dhemang van Parang-Koedjang. Kort daarop werd hij in een vreselijke toestand thuisgebracht. Hij wees op zijn maag en riep: "vuur, vuur". Een paar uur later was hij dood. En hij was altijd een voorbeeld van goede gezondheid geweest.

—Hebt u de dokter van Serang laten roepen? vroeg Havelaar.

—Ja, maar hij heeft mijn man maar kort behandeld, want die is kort na zijn komst gestorven. Ik durfde de dokter mijn vermoeden niet te vertellen. Want door mijn toestand kon ik deze plaats niet snel verlaten, en ik was bang voor wraak. Ik heb gehoord dat u zich net als mijn man verzet tegen de misbruiken die hier heersen. Daarom heb ik geen rustig ogenblik. Ik had dit alles voor u willen verbergen, om u en mevrouw niet bang te maken. Daarom beperkte ik me tot het bewaken van tuin en erf, zodat geen vreemden bij de keuken konden komen.

Nu werd het Tine duidelijk waarom mevrouw Slotering haar eigen huishouden had gehouden. Ze had zelfs geen gebruik willen maken van de keuken, "die toch zo ruim was."

Havelaar liet de controleur roepen. Intussen vroeg hij de arts in Serang om een beschrijving van de verschijnselen bij Sloterings dood. Het antwoord paste niet bij het vermoeden van de weduwe. Volgens de arts was Slotering gestorven aan een "abcès in de lever." Ik heb niet kunnen vaststellen of zo'n ziekte zo plotseling kan komen, en in een paar uur dodelijk kan zijn. Ik geloof dat ik hier moet letten op de verklaring van mevrouw Slotering. Zij zei dat haar man vroeger altijd gezond was geweest. Maar misschien hecht men geen waarde aan zo'n verklaring. Want het begrip *gezondheid* is, vooral voor mensen die geen arts zijn, erg persoonlijk. Toch blijft de belangrijke vraag bestaan. Kon iemand die vandaag sterft aan een "abcès in de lever", gisteren nog *te paard* stappen? En dat om een bergachtige streek te inspecteren die op sommige plaatsen twintig uur breed is? De arts die Slotering behandelde, kan een goede arts geweest zijn. Toch kan hij zich vergist hebben in de verschijnselen van de ziekte. Want hij was niet voorbereid op het vermoeden van een misdaad.

Hoe dat ook zij, ik kan niet bewijzen dat Havelaars voorganger vergiftigd is. Want men heeft Havelaar de tijd niet gelaten om dit uit te zoeken. Maar ik kan wel bewijzen *dat zijn omgeving dacht dat hij vergiftigd was*. En ik kan bewijzen dat men dit vermoeden in verband bracht met zijn wil om onrecht tegen te gaan.

Controleur Verbrugge kwam de kamer van Havelaar binnen. Havelaar vroeg kort:

—Waaraan is meneer Slotering gestorven?

—Dat weet ik niet.

—Is hij vergiftigd?

—Dat weet ik niet, maar ...

—Spreek duidelijk, Verbrugge!

—Maar hij probeerde de misbruiken tegen te gaan, net als u, meneer Havelaar, en ... en ...

—Welnu? Ga verder?

—Ik ben ervan overtuigd dat hij ... vergiftigd zou zijn, als hij langer hier was gebleven.

—Schrijf dat op!

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. *Zijn verklaring ligt voor mij!*

—Nog iets. Is het *waar* of is het *niet* waar dat er gekneveld wordt in Lebak?

Verbrugge antwoordde niet.

—Antwoord, Verbrugge!

—Ik durf niet.

—Schrijf op dat je niet durft!

Verbrugge heeft het opgeschreven: *het ligt voor mij*.

—Goed! Nog iets: je durft niet te antwoorden op de laatste vraag. Maar je zei me laatst iets, toen het over *vergiftiging* ging. Je zei dat je de enige steun van je zusters in Batavia bent, niet waar? Ligt *daarin* misschien de oorzaak van je angst? Is dat de reden van wat ik altijd *halfheid* noemde?

—Ja!

—Schrijf dat op.

Verbrugge schreef het op: *zijn verklaring ligt voor mij!*

—Het is goed, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge mocht gaan.

Havelaar ging naar buiten en speelde met kleine Max, en hij kuste hem heel liefdevol. Toen mevrouw Slotering weg was, stuurde hij het kind weg en riep Tine in zijn kamer.

—Lieve Tine, ik moet je iets vragen! Ik wil graag dat je met Max naar Batavia gaat: ik klaag vandaag de Regent aan.

En ze viel hem om de hals. Ze was voor het eerst ongehoorzaam, en riep huilend:

—Neen Max, neen Max, dat doe ik niet ... dat doe ik *niet*! *Wij eten en drinken tezamen!*

Had Havelaar ongelijk toen hij beweerde dat zij net zo weinig recht had op neussnuiten als de vrouwen van Arles?

Hij schreef en verstuurde de brief waarvan ik hier een afschrift geef. Ik heb al een beetje beschreven in welke omstandigheden dit stuk is geschreven. Daarom hoef ik denk ik niet te wijzen op de flinke plichtsbetrachting die eruit spreekt. Ook niet op de zachtheid waarmee Havelaar de Regent wilde beschermen tegen een te zware straf. Maar ik wil wel wijzen op zijn voorzichtigheid. Hij zei geen woord over wat hij net ontdekt had. Want dat was een belangrijke, maar nog onbewezen beschuldiging. Die onzekerheid mocht de zekerheid van zijn aanklacht niet verzwakken. Hij was van plan het lijk van zijn voorganger te laten opgraven en wetenschappelijk te laten onderzoeken. Dat wilde hij doen zodra de Regent weg was, en diens aanhang onschadelijk gemaakt. Maar men heeft hem daartoe de kans niet gegeven.

In de afschriften van officiële stukken denk ik de dwaze titels te mogen vervangen door gewone voornaamwoorden. Die afschriften zijn verder letterlijk gelijk aan het origineel. Van de goede smaak van mijn lezers verwacht ik dat ze deze verandering goedvinden.

"N° 88. *Geheim. Spoed.* Rangkas-Betoeng, 24 februari 1856.

*Aan de resident van Bantam.*

Sinds ik een maand geleden mijn ambt hier begon, heb ik vooral één ding onderzocht. Ik onderzocht hoe de Inlandse Hoofden hun plichten tegenover de bevolking vervullen, wat betreft *herendiensten*, *poendoetan* en dergelijke.

Zeer snel ontdekte ik dat de Regent op eigen gezag, en voor zichzelf, mensen liet komen. Dat waren veel meer mensen dan het aantal *pantjens* en *kemits* waar hij wettig recht op heeft.

Ik twijfelde tussen twee wegen. Ik kon meteen officieel rapporteren. Of ik kon proberen die Inlandse Hoofdambtenaar door zachtheid, of later zelfs door dreigen, daarvan terug te brengen. Zo wilde ik twee doelen bereiken. Dat misbruik moest ophouden. En tegelijk wilde ik die oude dienaar van het Gouvernement niet meteen te streng behandelen. Ik dacht daarbij vooral aan de slechte voorbeelden die hem, naar ik geloof, vaak gegeven zijn. Ook was er de bijzondere omstandigheid dat hij bezoek verwachtte van twee verwanten, de Regenten van Bandoeng en van Tjanjor. Dat gold tenminste voor de laatste, die, naar ik meen, al met een groot gevolg op weg is. Hij kwam daardoor meer dan anders in de verleiding. Door de slechte staat van zijn financiën was hij zelfs als het ware in de *noodzakelijkheid*. Hij moest op onwettige manieren de nodige voorbereidingen voor dat bezoek betalen.

Dit alles bracht mij tot zachtheid voor wat al gebeurd was, maar helemaal niet tot toegevendheid voor de toekomst.

Ik drong aan op het meteen stoppen van elke onwettigheid.

Van die eerste poging om de Regent door zachtheid tot zijn plicht te brengen, heb ik u onderhands op de hoogte gesteld.

Ik heb echter gemerkt dat hij met brutale onbeschaamdheid alles negeert. Ik voel mij daarom door mijn ambtseed verplicht u mee te delen:

*dat ik de Regent van* Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara, BESCHULDIG *van misbruik van gezag. Hij beschikt onwettig over de arbeid van zijn onderhorigen. Ik* VERDENK *hem van knevelarij, door het eisen van opbrengsten in* naturâ, *zonder betaling of tegen willekeurig vastgestelde, onvoldoende betaling. Verder verdenk ik de Dhemang van* Parang-Koedjang, *zijn schoonzoon, van medeplichtigheid aan deze feiten.*

Om beide zaken goed te onderzoeken, neem ik de vrijheid u voor te stellen mij te gelasten:

1° *de genoemde Regent van* Lebak *zo snel mogelijk naar* Serang *te sturen. Hij mag voor zijn vertrek en tijdens de reis geen kans krijgen om de getuigenissen te beïnvloeden die ik moet verzamelen. Dat geldt voor omkoping en voor elke andere manier;*

2° *de Dhemang van* Parang-Koedjang *voorlopig in arrest te nemen;*

3° *dezelfde maatregel toe te passen op personen van lagere rang uit de familie van de Regent. Het gaat om personen die invloed kunnen hebben op de zuiverheid van het onderzoek;*

4° *dat onderzoek meteen te laten plaatsvinden, en over de uitslag een uitvoerig bericht te sturen.*

Ik neem verder de vrijheid u in overweging te geven, de komst van de Regent van Tjanjor af te zeggen.

Ten slotte heb ik de eer u iets te verzekeren. Dat hoeft eigenlijk niet, want u kent de afdeling Lebak beter dan mij nu nog mogelijk is. Uit politiek oogpunt is er geen enkel bezwaar tegen een streng rechtvaardige behandeling van deze zaak. Ik zou juist eerder gevaar vrezen als ze niet tot klaarheid werd gebracht. Want ik heb gehoord dat de gewone man al lang op redding wacht. Een getuige zei mij dat hij *poessing* is van de kwelling.

Ik heb de kracht voor de moeilijke plicht die ik met deze brief vervul, gedeeltelijk gevonden in een hoop. Ik hoop dat ik te zijner tijd iets mag aanvoeren om de oude Regent te verontschuldigen. Zijn positie is wel door eigen schuld ontstaan, maar toch heb ik er diep medelijden mee.

*De assistent-resident van Lebak*  
MAX HAVELAAR."

De volgende dag antwoordde hem ... de resident van Bantam? O neen, de heer Slijmering, *particulier*!

Dit antwoord is een kostbare bijdrage tot de kennis van de manier waarop Nederlands-Indië wordt bestuurd. De heer Slijmering klaagde "dat Havelaar hem van de zaak in brief N° 88 niet eerst mondeling op de hoogte had gebracht." Natuurlijk, want dan was er meer kans op "*schipperen*" geweest. En verder: "dat Havelaar *hem stoorde in zijn drukke bezigheden!*"

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb die brief voor mij liggen en ik vertrouw mijn ogen niet. Ik herlees de brief van de assistent-resident van Lebak. Ik plaats *hem* en de resident van Bantam, Havelaar en Slijmering, naast elkaar ...

* * * * *

Die Sjaalman is een gemene schooier! U moet weten, lezer, dat Bastiaans weer vaak niet op het kantoor komt, omdat hij jicht heeft. Ik maak er een gewetenszaak van om het geld van de firma, *Last & Co*, niet weg te gooien. Want in principes ben ik onwrikbaar. Daarom kwam ik eergisteren op het idee dat Sjaalman toch een tamelijk goede hand schrijft. Hij ziet er zo armoedig uit, en hij zou dus wel voor een laag loon te krijgen zijn. Dus begreep ik dat ik het aan de firma verplicht was om Bastiaans op de goedkoopste manier te vervangen.

Ik ging dus naar de Lange Leidse Dwarsstraat. De vrouw van de winkel was in de zaak, maar ze leek me niet te herkennen. Toch had ik haar laatst heel duidelijk gezegd dat ik *meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie, van de Lauriergracht*. Er is altijd iets beledigends in dat niet herkennen. Maar het is nu wat minder koud, en de vorige keer had ik mijn jas met bont aan. Daarom schrijf ik het daaraan toe, en ik trek het me niet aan ... de belediging, meen ik. Ik zei dus nog eens dat ik *meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie* van de *Lauriergracht*. En ik vroeg haar te gaan kijken of die Sjaalman thuis was. Want ik wilde niet weer zoals laatst te maken hebben met zijn vrouw, die altijd ontevreden is. Maar die uitdraagster weigerde naar boven te gaan. "Ze kon niet de hele dag trappen klimmen voor dat bedelvolk, zei ze, ik moest maar zelf gaan kijken." En toen volgde weer een beschrijving van de trappen en de overlopen. Die had ik helemaal niet nodig, want ik herken altijd een plaats waar ik eens geweest ben. Ik let namelijk altijd zo goed op alles. Dat heb ik me aangewend in de zaken.

Ik klom dus de trappen op en klopte op de bekende deur, die openging. Ik ging naar binnen. Er was niemand in de kamer, en daarom keek ik eens rond. Nu, veel te zien was er niet. Er hing een half broekje met een geborduurde strook over een stoel ... wat hoeven zulke mensen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet erg zware reiskoffer. In gedachten pakte ik die bij het hengsel. En op de schoorsteenmantel lagen een paar boeken, die ik eens inkeek. Een wonderlijke verzameling! Een paar delen van Byron, Horatius, Bastiat, Béranger, en ... raad eens? Een bijbel, een complete bijbel, met de apocriefe boeken erin! *Dat* had ik bij Sjaalman niet verwacht. En er leek ook in gelezen te zijn, want ik vond veel aantekeningen op losse stukken papier, over de Schrift. Hij zegt dat Eva twee keer ter wereld kwam ... de man is gek! Nu, alles was van dezelfde hand als de stukken in dat vervloekte pak. Vooral het boek Job leek hij ijverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. Ik denk dat hij de hand van de Heer begint te voelen. Daarom wil hij zich door lectuur in de heilige boeken met God verzoenen. Ik heb er niets tegen.

Maar terwijl ik zo wachtte, viel mijn oog op een naaidoosje voor dames, dat op tafel stond. Zonder erg bekeek ik dat. Er zaten een paar half afgewerkte kindersokjes in, en een heleboel gekke verzen. Ook een brief aan Sjaalmans vrouw, zoals uit het opschrift bleek. De brief was open, en zag eruit alsof men hem in woede had samengeknepen. Nooit iets lezen dat niet aan mij gericht is, dit is een vast principe van me. Want ik vind dat niet fatsoenlijk. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang bij heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het mijn plicht was om die brief eens in te zien. De inhoud kon me misschien iets leren over de menslievende bedoeling die me naar Sjaalman bracht. Ik dacht eraan hoe de Heer toch altijd dicht bij de Zijnen is. Want Hij gaf me hier onverwacht de kans om iets meer van die man te weten te komen. Zo behoedde Hij me voor het gevaar om een onzedelijk persoon te helpen. Ik let goed op zulke vingerwijzingen van de Heer, en dat heeft me vaak veel opgeleverd in de zaken.

Tot mijn grote verwondering zag ik dat die vrouw van Sjaalman uit een deftige familie kwam. De brief was tenminste ondertekend door een bloedverwant, wiens naam in Nederland aanzien heeft. En ik was echt opgetogen over de mooie inhoud van die brief. Het leek iemand te zijn die ijverig werkt voor de Heer. Want hij schreef "dat de vrouw van Sjaalman moest scheiden van zo'n ellendeling. Hij liet haar armoede lijden, en kon zijn brood niet verdienen. Hij was bovendien een schurk, omdat hij schulden had ... Dat de schrijver van de brief medelijden had met haar toestand. Maar ze had dat lot aan eigen schuld te danken, want ze had de Heer verlaten en was Sjaalman gevolgd ... Dat ze naar de Heer moest terugkeren. Dan zou de hele familie misschien samenwerken om haar naaiwerk te bezorgen. Maar voor alles moest ze scheiden van die Sjaalman, die een ware schande was voor de familie."

Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te vinden dan er in die brief stond.

Ik wist genoeg, en ik was dankbaar dat ik op zo'n wonderlijke manier was gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing was ik zeker weer het slachtoffer geworden van mijn goede hart. Ik besloot dus nogmaals om Bastiaans maar te houden tot ik een geschikte vervanger vind. Want ik zet niet graag iemand op straat. En we kunnen op het ogenblik geen bediende missen, want er gaat zoveel bij ons om.

De lezer zal wel nieuwsgierig zijn hoe het me op de laatste krans is vergaan, en of ik de triolet heb gevonden. Ik ben niet op de krans geweest. Er zijn wonderlijke dingen gebeurd: ik ben naar Driebergen geweest, met mijn vrouw en Marie. Mijn schoonvader is de oude Last, de zoon van de eerste Last. Dat was toen de Meyers er nog in zaten, maar de Meyers zijn er lang uit. Hij had al zo vaak gezegd dat hij mijn vrouw en Marie eens wilde zien. Nu was het vrij goed weer. En mijn angst voor de liefdesgeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht me die uitnodiging opeens weer in gedachten. Ik sprak erover met onze boekhouder, een man met veel ervaring. Na rijp beraad gaf hij me de raad om er een nachtje over te slapen. Dat besloot ik meteen te doen, want ik ben snel in het uitvoeren van mijn besluiten. De volgende dag zag ik al hoe wijs die raad geweest was. Want de nacht had me op het idee gebracht dat ik de beslissing het best kon uitstellen tot vrijdag. Kortom, ik heb alles rijp overwogen. Er was veel voor, maar ook veel tegen. Daarna zijn we gegaan, op zaterdagmiddag, en we zijn maandagmorgen teruggekomen. Ik zou dit alles niet zo uitvoerig vertellen, als het niet nauw verbonden was met mijn boek. Ten eerste vind ik het belangrijk dat u weet waarom ik niet protesteer tegen de zotheden van Stern. Hij heeft die afgelopen zondag zeker weer verteld. Wat is dat voor een verhaal, van iemand die iets zou horen als hij dood was? Marie sprak erover. Ze had het van de dochters van de Rosemeyers, die in suiker doen. Ten tweede omdat ik nu opnieuw zeker weet dat al die verhalen klinkklare leugens zijn. Ik bedoel de verhalen over ellende en onrust in de Oost. Zo ziet men hoe het reizen iemand de kans geeft om de zaken goed te doorgronden.

Zaterdagavond had mijn schoonvader namelijk een uitnodiging aangenomen van een heer die vroeger in de Oost resident was. Die heer woont nu op een groot buiten. Daar zijn we geweest, en echt, ik kan de lieve ontvangst niet genoeg prijzen. Hij had zijn rijtuig gestuurd om ons op te halen, en de koetsier had een rood vest aan. Nu was het nog wel wat te koud om de buitenplaats te bekijken, die in de zomer prachtig moet zijn. Maar in het huis zelf had men niets meer te wensen, want er was volop van alles wat plezier geeft. Er was een biljartzaal, een bibliotheekzaal en een overdekte ijzeren glasgalerij als broeikas. En de *kakatoea* zat op een stok van zilver. Ik had nog nooit zoiets gezien, en ik merkte meteen op hoe goed gedrag toch altijd beloond wordt. Die man had goed op zijn zaken gepast, want hij had wel drie ridderorden. Hij bezat een heerlijke buitenplaats, en bovendien een huis in Amsterdam. Aan het souper was alles met truffels bereid. Ook de bedienden aan tafel hadden rode vesten aan, net als de koetsier.

Omdat ik veel belang stel in Indische zaken, om de koffie, bracht ik het gesprek daarop. En ik zag al snel waar ik me aan moest houden. Die resident heeft me gezegd dat hij het in de Oost altijd heel goed heeft gehad. Er is dus geen woord waar van al die verhalen over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op Sjaalman. Hij kende hem, en wel van een zeer ongunstige kant. Hij verzekerde me dat men heel goed had gedaan om die man weg te jagen. Want hij was een zeer ontevreden persoon, die altijd op alles kritiek had. Bovendien viel er veel af te keuren aan zijn eigen gedrag. Hij schaakte namelijk telkens meisjes en bracht die dan bij zijn eigen vrouw. En hij betaalde zijn schulden niet, wat toch erg onfatsoenlijk is. Uit de brief die ik gelezen had, wist ik precies hoe gegrond al die beschuldigingen waren. Daarom deed het me veel plezier dat ik de zaken zo goed beoordeeld had. Ik was erg tevreden met mezelf. Ik sta daar dan ook om bekend bij mijn pilaar ... dat ik altijd zo juist oordeel, meen ik.

Die resident en zijn vrouw waren lieve, gulle mensen. Ze vertelden ons veel over hun leven in de Oost. Het moet daar toch wel aangenaam zijn. Ze zeiden dat hun buitenplaats bij Driebergen niet half zo groot was als hun "erf". Zo noemden ze dat, in het binnenland van Java. Daarvoor waren wel honderd mensen nodig voor het onderhoud. Maar die mensen deden dat helemaal gratis, en alleen uit genegenheid. En dit is wel een bewijs hoe geliefd ze waren! Ook vertelden ze dat de verkoop van hun meubels bij hun vertrek wel tien keer de waarde had opgebracht. Want de Inlandse Hoofden kopen zo graag een aandenken van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later tegen Stern, die beweerde dat het door dwang gebeurde. Dat kon hij uit Sjaalmans pak bewijzen, zei hij. Maar ik heb hem gezegd dat die Sjaalman een lasteraar is. Hij heeft meisjes geschaakt, net als die jonge Duitser bij Busselinck & Waterman. En ik hecht helemaal geen waarde aan zijn oordeel, want ik had nu van een resident zelf gehoord hoe de zaken stonden. Ik had dus van meneer Sjaalman niets te leren.

Er waren daar nog meer mensen uit de Oost, onder anderen een heer die heel rijk was. Hij verdiende nog altijd veel geld aan thee. De Javanen moeten die thee voor hem maken voor weinig geld. En de regering koopt die van hem voor een hoge prijs, om de werklust van die Javanen aan te moedigen. Ook die heer was erg boos op al de ontevreden mensen die steeds spreken en schrijven tegen de regering. Hij kon het bestuur van de koloniën niet genoeg prijzen. Hij zei dat hij er zeker van was dat men veel verloor op de thee die men van hem kocht. Het was dus echt edelmoedig om steeds zo'n hoge prijs te betalen voor een artikel dat eigenlijk weinig waarde heeft. Hijzelf lustte het dan ook niet, want hij dronk altijd Chinese thee. Ook sprak hij over de Gouverneur-generaal die de zogenaamde theecontracten had verlengd. Die had dat gedaan, al was berekend dat het land zoveel verloor op die zaken. Dat was zo'n bekwaam, braaf mens, en vooral zo'n trouwe vriend voor wie hem vroeger gekend hadden. Want die Gouverneur-generaal had zich helemaal niet gestoord aan de praatjes over het verlies op de thee. Er was sprake van het intrekken van die contracten, ik geloof in 1846. Toen had hij hem een grote dienst gedaan. Hij had bepaald dat men gewoon zijn thee zou blijven kopen. "Ja, riep hij uit, mijn hart bloedt als ik zulke edele mensen hoor lasteren! Als hij er niet geweest was, liep ik nu te voet met vrouw en kinderen." Toen liet hij zijn *barouchet* voorkomen. Die zag er zo keurig uit, en de paarden waren zo goed in het vlees! Daarom begrijp ik best hoe men gloeit van dankbaarheid voor zo'n Gouverneur-generaal. Het doet de ziel goed om te kijken naar zulke lieflijke gevoelens. Vooral wanneer men die vergelijkt met dat vervloekte gemopper en geklaag van wezens als zo'n Sjaalman.

De volgende dag bracht die resident ons een tegenbezoek, en ook die heer voor wie de Javanen thee maken. Het zijn beste mensen, en toch deftig en belangrijk! Beiden vroegen tegelijk met welke trein we dachten aan te komen in Amsterdam. Wij begrepen niet wat dit moest betekenen, maar later werd het ons duidelijk. Want toen we maandagmorgen aankwamen, stonden er op het station twee bedienden. Eén had een rood vest en één een geel vest. Ze zeiden tegelijk dat ze per telegraaf de opdracht hadden gekregen om ons met een rijtuig op te halen. Mijn vrouw was verlegen. En ik dacht eraan wat Busselinck & Waterman gezegd zouden hebben, als ze dat gezien hadden ... dat er twee rijtuigen tegelijk voor ons waren, meen ik. Maar het was niet gemakkelijk om te kiezen. Want ik kon niet besluiten een van de partijen te kwetsen, door zo'n lieve attentie te weigeren. Goede raad was duur. Maar ik heb me alweer gered uit die zeer moeilijke omstandigheid. Ik heb mijn vrouw en Marie in het rode rijtuig gezet ... in de wagen van het rode vest, meen ik. En ik ben in het gele gaan zitten ... in het gele rijtuig, meen ik.

Wat liepen die paarden! In de Weesperstraat, waar het altijd zo vuil is, vloog de modder huizenhoog naar links en rechts. En alsof het zo moest zijn, daar liep die schooierige Sjaalman, gebogen, met zijn hoofd omlaag. Ik zag hoe hij met de mouw van zijn kale jasje de spatten van zijn bleke gezicht probeerde te vegen. Ik ben zelden prettiger uit geweest, en mijn vrouw vond het ook.

### Woordenlijst

- **erf**: de grond rond een huis
- **knevelarij**: geld of goederen afpersen van arme mensen
- **Dhemang**: hoofd van een district
- **abcès in de lever**: ontsteking met pus in de lever
- **halfheid**: iets maar half doen, uit angst
- **herendiensten**: verplicht werk zonder loon voor het bestuur
- **poendoetan**: gift aan de hoofden, in geld of goederen
- **pantjens**, **kemits**: mensen die als bewakers en bedienden moeten werken
- **in naturâ**: in goederen, niet in geld
- **poessing**: gek, draaierig
- **schipperen**: de moeilijke kant vermijden en iedereen tevreden houden
- **uitdraagster**: vrouw die oude spullen verkoopt
- **schaakte**: nam een meisje mee van huis, zonder toestemming van de ouders
- **afschriften**: kopieën van een brief of stuk
- **barouchet**: licht, deftig rijtuig

## Negentiende hoofdstuk

De heer Slijmering stuurde Havelaar een particulier briefje. Daarin schreef hij dat hij ondanks zijn "drukke bezigheden" de volgende dag naar Rangkas-Betoeng zou komen. Hij wilde overleggen wat er moest gebeuren. Havelaar wist maar al te goed wat zulk overleg betekende. Zijn voorganger had immers zo vaak "geaboucheerd" met de resident van Bantam! Daarom schreef hij de volgende brief, en hij stuurde die de resident tegemoet. Zo kon deze hem lezen voordat hij in de hoofdplaats van Lebak aankwam. Commentaar op dit stuk is overbodig.

"N° 91. *Geheim. Spoed. Rangkas-Betoeng, 25 februari 1856, 's avonds om elf uur.*

Gistermiddag om twaalf uur had ik de eer u mijn spoedmissive N° 88 te sturen. Die hield in hoofdzaak in:

*Ik had lang onderzoek gedaan. Ik had vergeefs geprobeerd de betrokkene door zachtheid van zijn verkeerde weg terug te brengen. Daarom voelde ik mij door mijn ambtseed verplicht de Regent van* Lebak *te* BESCHULDIGEN *van misbruik van gezag. En ik hield hem* VERDACHT *van knevelarij.*

Ik was zo vrij u in die brief iets voor te stellen. U zou dat Inlandse Hoofd naar Serang moeten roepen. *Na zijn vertrek* en *na het uitschakelen van de bedervende invloed van zijn grote familie* zou er dan een onderzoek komen. Dat onderzoek moest nagaan of mijn beschuldiging en mijn vermoeden juist waren.

Lang, of juister gezegd *veel*, had ik nagedacht voordat ik daartoe besloot.

Door mijn zorg wist u dat ik de oude Regent heb proberen te redden met waarschuwingen en bedreigingen. Ik wilde hem beschermen tegen ongeluk en schande. En ik wilde mijzelf het diepe verdriet besparen dat ik daarvan de oorzaak zou zijn. Al was het dan alleen de laatste, directe oorzaak.

Maar aan de andere kant zag ik de bevolking, *al jaren uitgezogen en diep onderdrukt*. Ik dacht aan de noodzaak van een voorbeeld. Want *veel ander onrecht* zal ik u moeten rapporteren. Tenzij ten minste *deze* zaak door haar gevolgen daaraan een eind maakt. En, ik herhaal het, *na goed nadenken* heb ik gedaan wat ik voor mijn plicht hield.

Op dit ogenblik ontvang ik uw vriendelijke en gewaardeerde particuliere brief. U deelt mij daarin mee dat u morgen hier zult komen. Tegelijk geeft u mij een wenk dat ik deze zaak liever eerst particulier had moeten behandelen.

Morgen zal ik dus de eer hebben u te zien. Juist daarom ben ik zo vrij u deze brief tegemoet te sturen. Ik wil vóór die ontmoeting het volgende vaststellen.

Alles wat ik over de handelingen van de Regent onderzocht, was diep geheim. Alleen *hijzelf* en de Patteh wisten het, want ik had hem eerlijk gewaarschuwd. Zelfs de controleur weet nu nog maar voor een deel wat de uitkomst van mijn onderzoek is. Deze geheimhouding had een dubbel doel. Eerst hoopte ik nog de Regent van zijn weg terug te brengen. Toen was het doel hem niet te schaden, *als* ik slaagde. De Patteh heeft mij namens hem uitdrukkelijk voor die geheimhouding bedankt. Dat was op de 12de van deze maand. Maar later begon ik te wanhopen aan een goede uitkomst van mijn pogingen. Of beter: de maat van mijn verontwaardiging liep over door een voorval dat ik net gehoord had. Toen zou langer zwijgen *medeplichtigheid* worden. Toen moest die geheimhouding dienen tot *mijn* bescherming, want ook tegenover mijzelf en de mijnen heb ik plichten.

Want stel dat wat in mijn missive van gisteren staat, leeg, zonder grond en uit de lucht gegrepen was. Dan zou ik het na die missive niet waard zijn het Gouvernement te dienen. En zou of zal het mij mogelijk zijn te bewijzen dat ik gedaan heb "*wat een goed assistent-resident behoort te doen*"? Te bewijzen dat ik niet onder de betrekking sta die mij gegeven is? Te bewijzen dat ik niet lichtzinnig zeventien moeilijke dienstjaren op het spel zet? En, wat meer zegt, het belang van vrouw en kind? Zal het mij mogelijk zijn dat alles te *bewijzen*, als niet een diep geheim mijn onderzoek verbergt? En als dat geheim de schuldige niet belet zich, zoals men dat noemt, *te dekken*?

Bij de minste verdenking stuurt de Regent een boodschapper naar zijn neef. Die is onderweg en heeft belang bij zijn *maintien*. Hij vraagt geld, tegen welke prijs dan ook. Hij deelt het met volle handen uit aan iedereen die hij de laatste tijd te kort heeft gedaan. En wat zou het gevolg zijn? Ik hoop dat ik niet hoef te zeggen: wat *zal* het gevolg zijn? Dat *ik* een lichtzinnig oordeel heb geveld. Kortom: dat ik een onbruikbaar ambtenaar ben, om niet erger te zeggen.

Om mij tegen deze mogelijkheid te beschermen, dient deze brief. Ik heb de grootste achting voor u. Maar ik ken de geest die men "de geest van de Oost-Indische ambtenaren" zou kunnen noemen. En *ik* bezit die geest *niet*!

Uw wenk dat de zaak eerst beter *particulier* behandeld had kunnen worden, doet mij vrezen voor een abouchement. Wat ik in mijn brief van gisteren gezegd heb, is *waar*. Maar misschien zou het onwaar *schijnen* als de zaak op een bepaalde manier werd behandeld. Dat zou gebeuren als mijn beschuldiging en mijn vermoeden bekend werden *voordat de Regent hier weg is*.

Ik mag u niet verbergen wat ik vrees. Zelfs uw onverwachte komst baart mij zorgen, samen met de boodschapper die ik gisteren naar Serang stuurde. De schuldige wilde vroeger niet luisteren naar mijn waarschuwingen. Ik vrees dat hij *nu* te vroeg wakker zal worden. Hij zal dan proberen om zich, als het kan, *tant soit peu* vrij te pleiten.

Ik heb de eer mij nu nog letterlijk te houden aan mijn missive van gisteren. Maar ik ben zo vrij daarbij iets op te merken. Die missive hield óók dit voorstel in: *de Regent vóór het onderzoek verwijderen, en zijn aanhang voorlopig onschadelijk maken*. Voor wat ik naar voren bracht, ben ik volgens mij alleen verantwoordelijk onder één voorwaarde. U moet instemmen met mijn voorstel over de *manier* van onderzoek. Dat is: onpartijdig, openlijk en vooral *vrij*.

Die vrijheid bestaat *niet* voordat de Regent weg is. Naar mijn bescheiden mening ligt hierin niets gevaarlijks. Men kan hem immers zeggen dat *ik* hem beschuldig en verdenk. Men kan hem zeggen dat *ik* gevaar loop, en niet *hij*, als hij onschuldig is. Want ikzelf vind dat ik uit de dienst ontslagen moet worden. Dat geldt als zal blijken dat ik lichtzinnig of zelfs maar voorbarig heb gehandeld.

Voorbarig! Na *jaren, jaren* misbruik!

Voorbarig! Alsof een eerlijk man kon slapen, en leven en genieten, zolang zij worden gekneveld en uitgezogen! Zij voor wier welzijn hij geroepen is te waken! Zij die in de hoogste zin zijn *naasten* zijn!

Het is waar, ik ben hier nog maar kort. Maar ik hoop dat de vraag eens zal zijn: *wat* men gedaan heeft, en of men het *goed* gedaan heeft. Niet of men het in *te korte tijd* heeft gedaan. Voor mij is elke tijd te lang die gekenmerkt wordt door afpersing en onderdrukking. En zwaar weegt voor mij elke seconde die in ellende zou zijn doorgebracht. In ellende door *mijn* nalatigheid, door *mijn* plichtsverzuim, door *mijn* "geest van schipperen".

Ik heb berouw over de dagen die ik heb laten voorbijgaan voordat ik u officieel rapporteerde. Ik vraag vergeving voor dat verzuim.

Ik ben zo vrij u te vragen mij de gelegenheid te geven mijn brief van gisteren te rechtvaardigen. Ik vraag u ook mij te beschermen tegen het mislukken van mijn pogingen. Ik wil de afdeling Lebak bevrijden van de wormen die al sinds mensenheugenis aan haar welvaart knagen.

Daarom ben ik opnieuw zo vrij u te vragen mijn handelingen in deze zaak goed te keuren. Die bestaan trouwens alleen uit *onderzoek, rapport* en *voorstel*. Ik vraag u de Regent van Lebak hier weg te halen, zonder voorafgaande *directe* of *indirecte* waarschuwing. En ik vraag u daarna een onderzoek te laten doen naar wat ik meedeelde in mijn brief van gisteren, N° 88.

De assistent-resident van Lebak,  
Max Havelaar"

Deze bede *om de schuldigen niet in bescherming te nemen* ontving de resident onderweg. Een uur na zijn aankomst in Rangkas-Betoeng bracht hij een kort bezoek aan de Regent. Bij die gelegenheid stelde hij hem twee vragen. Wat kon hij inbrengen tegen de *assistent-resident*? En: had *hij, de Adhipatti, geld nodig?* Op de eerste vraag antwoordde de Regent: "*niets, dat kan ik bezweren!*" Op de tweede vraag antwoordde hij ja. Daarop gaf de resident hem een paar bankbiljetten. Hij haalde die uit zijn vestzak. Hij had ze voor de gelegenheid meegebracht! U begrijpt dat dit helemaal buiten Havelaar om ging. Straks zullen wij te weten komen hoe hij van deze schandelijke handelwijze hoorde.

Toen de resident Slijmering bij Havelaar aankwam, was hij bleker dan gewoonlijk. Zijn woorden stonden verder van elkaar dan ooit. Dit was dan ook geen kleine zaak voor iemand die zo uitblonk in "schipperen" en jaarlijkse rustverslagen. Nu kreeg hij plotseling brieven waarin geen spoor te vinden was van het gebruikelijke officiële optimisme. Er was geen spoor van het handig omdraaien van de zaak. Er was geen spoor van angst dat de Regering ontevreden zou zijn over het "lastig maken" met slechte berichten. De resident van Bantam was geschrokken. Het beeld is niet edel, maar het is juist, dus vergeef het mij. Ik zou hem willen vergelijken met een straatjongen die klaagt over de verkrachting van oude gewoonten van zijn voorouders. Hij klaagt omdat een vreemd kameraadje hem heeft geslagen zonder eerst te schelden.

Hij begon met de controleur te vragen waarom die niet had geprobeerd Havelaar van zijn aanklacht af te houden. De arme Verbrugge wist helemaal niets van de aanklacht. Dat zei hij ook, maar hij werd niet geloofd. De heer Slijmering kon maar niet begrijpen hoe iemand zoiets had kunnen doen. Helemaal alleen, op eigen verantwoordelijkheid, zonder lange overwegingen of "ruggespraken"! Zo'n ongehoord doen van zijn plicht begreep hij niet. Maar Verbrugge hield vol dat hij de brieven van Havelaar niet kende, en dat was de volle waarheid. Na veel uitroepen van ongelovige verbazing moest de resident eindelijk toegeven. En toen ging hij, ik weet niet waarom, die brieven voorlezen.

Wat Verbrugge leed toen hij dat hoorde, is moeilijk te beschrijven. Hij was een eerlijk man. Hij zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar hem had genoemd om de waarheid van de brieven te bewijzen. Maar ook los van die eerlijkheid: in veel schriftelijke rapporten had hij niet altijd *kunnen* vermijden de waarheid te zeggen. Ook niet waar die soms gevaarlijk was. Hoe zou het gaan als Havelaar daarvan gebruikmaakte?

Na het voorlezen zei de resident dat hij het prettig zou vinden als Havelaar die stukken terugnam. Dan konden ze beschouwd worden als niet geschreven. Havelaar weigerde dit, beleefd maar vast. De resident probeerde hem vergeefs over te halen. Toen zei hij dat hem niets anders overbleef dan een onderzoek naar de juistheid van de klachten. Hij moest Havelaar dus verzoeken de getuigen te laten oproepen die zijn beschuldigingen konden bewijzen.

Arme lieden, u had zich gewond aan de doornstruiken in het ravijn. Hoe angstig zouden uw harten geklopt hebben als u deze eis had kunnen horen!

Arme Verbrugge! U, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige *ex officio*, getuige door ambt en eed! Getuige, die al getuigd *had* op schrift! Op schrift dat *daar* lag, op de tafel, onder Havelaars hand ...

Havelaar antwoordde:

"Resident, *ik* ben assistent-resident van Lebak, *ik* heb beloofd de bevolking te beschermen tegen afpersing en geweld. *Ik* klaag de Regent aan, en zijn schoonzoon van Parang-Koedjang. *Ik* zal bewijzen dat mijn aanklacht juist is, zodra ik de gelegenheid krijg die ik in mijn brieven voorstelde. *Ik* ben schuldig aan laster, als mijn aanklacht vals is!"

Hoe vrij ademde Verbrugge nu!

En hoe vreemd vond de resident de woorden van Havelaar!

Het gesprek duurde lang. Met beleefdheid probeerde de heer Slijmering Havelaar van zulke verkeerde principes af te brengen. Want beleefd en goed opgevoed *was* hij. Maar met even grote beleefdheid bleef Havelaar onverzettelijk. Aan het slot moest de resident toegeven. Hij zei als bedreiging wat voor Havelaar een overwinning was. *Hij zag zich dan genoodzaakt de genoemde brieven onder de aandacht van de Regering te brengen.*

De zitting werd gesloten. De resident bezocht de Adhipatti. We zagen al wat hij daar te doen had! Daarna gebruikte hij het middagmaal aan de schrale tafel van de Havelaars. Direct daarna keerde hij terug naar Serang, in grote haast: Omdat. Hij. Het. Zo. Bijzonder. Druk. Had.

De volgende dag kreeg Havelaar een brief van de resident van Bantam. De inhoud blijkt uit het antwoord dat ik hier overschrijf:

"N° 93. *Geheim. Rangkas-Betoeng, 28 februari 1856.*

Ik heb de eer gehad uw spoedmissive van 26 van deze maand LaO, *geheim*, te ontvangen. Die deelde mij in hoofdzaak mee:

*dat u redenen had om niet in te gaan op de voorstellen in mijn ambtsbrieven van 24 en 25 februari, N° 88 en 91*;

*dat u vooraf vertrouwelijke mededeling had gewild*;

*dat u mijn handelingen, beschreven in die beide brieven, niet goedkeurt*;

*en ten slotte enkele bevelen.*

Ik heb nu de eer u nogmaals en ten overvloede iets te verzekeren. Eergisteren deed ik dat trouwens al mondeling in de conferentie:

*dat ik uw wettige gezag volkomen eerbiedig, waar het gaat om de keuze mijn voorstellen wel of niet te volgen*;

*dat de ontvangen bevelen stipt en zo nodig met zelfverloochening zullen worden uitgevoerd. Alsof u aanwezig was bij al wat ik doe en zeg. Of juister: bij al wat ik niet doe en niet zeg.*

Ik weet dat u op mijn loyaliteit in dit opzicht vertrouwt.

Maar ik ben zo vrij plechtig te protesteren tegen de minste schijn van afkeuring. Afkeuring van enige handeling, enig woord, enige zin, door mij in deze zaak verricht, gesproken of geschreven.

Ik ben ervan overtuigd dat ik mijn *plicht* heb gedaan, in doel en in uitvoering. *Geheel mijn plicht, niets dan mijn plicht*, zonder de minste afwijking.

Lang had ik nagedacht voordat ik handelde, dat is: voordat ik *onderzocht, rapporteerde* en *voorstelde*. En als ik in iets ook maar het minste gefaald zou hebben ... door overhaasting faalde ik niet.

In gelijke omstandigheden zou ik opnieuw, maar iets sneller, geheel, letterlijk geheel hetzelfde doen en laten.

Al was het zelfs zo dat een hogere macht dan de uwe iets afkeurde in wat ik deed ... Ik zonder misschien het eigenaardige van mijn stijl uit. Die stijl is een deel van mijzelf. Het is een gebrek waarvoor ik even weinig verantwoordelijk ben als een stamelaar voor het zijne. Al was het dat ... maar neen, dit *kan* niet zijn, maar al was het zo: ik *heb mijn* plicht *gedaan!*

Het doet mij wel verdriet, maar het verbaast mij niet, dat u hierover anders oordeelt. Wat mijn persoon betreft, zou ik direct berusten in wat mij een miskenning lijkt. Maar er is een *principe* in het spel. En ik heb gewetensredenen die eisen dat wordt uitgemaakt welke mening juist is, die van *u* of de *mijne*.

Anders dienen dan ik in Lebak diende, kan ik niet. Als het Gouvernement dus anders gediend wil worden, moet ik als eerlijk man eerbiedig om ontslag vragen. Dan moet ik op zesendertigjarige leeftijd proberen opnieuw een loopbaan te beginnen. Dan moet ik, na zeventien jaar, na zeventien *zware, moeilijke* dienstjaren, opnieuw beginnen. Ik heb mijn beste levenskrachten geofferd aan wat ik voor mijn plicht hield. En dan moet ik opnieuw aan de maatschappij vragen of ze mij brood wil geven voor vrouw en kind. Brood in ruil voor mijn ideeën. Brood misschien in ruil voor werk met kruiwagen of spade. Dat zal zo zijn als de kracht van mijn arm meer waard wordt gevonden dan de kracht van mijn ziel.

Maar ik kan en wil niet geloven dat zijne Excellentie de Gouverneur-generaal uw mening deelt. Daarom ben ik verplicht u eerbiedig iets te vragen, voordat ik overga tot het bittere uiterste van de vorige alinea. Ik verzoek u het Gouvernement voor te stellen:

*de resident van* Bantam *op te dragen alsnog de handelingen van de assistent-resident van* Lebak *goed te keuren. Het gaat om diens missives van 24 en 25 februari, N° 88 en 91.*

Ofwel:

*de genoemde assistent-resident ter verantwoording te roepen op punten van afkeuring, die de resident van* Bantam *moet formuleren*.

Ik heb de eer u ten slotte dankbaar iets te verzekeren. Mijn principes in deze zaak zijn lang doordacht, en ik houd er bedaard maar vurig aan vast. En als *iets* mij daarvan had kunnen terugbrengen ... waarlijk, dan was het uw hoffelijke, innemende manier geweest. Zo hebt u die principes eergisteren in de conferentie bestreden.

De assistent-resident van Lebak,  
Max Havelaar"

* * * * *

Ik doe geen uitspraak over het vermoeden van de weduwe Slotering, over de oorzaak die van haar kinderen wezen maakte. Ik neem alleen aan wat te bewijzen is. In Lebak was er een nauw verband tussen het doen van je plicht en gif. Al bestond dit verband dan ook alleen in de mening van de mensen. Toch zal iedereen inzien dat Max en Tine zorgvolle dagen hadden na het bezoek van de resident. Ik denk dat ik de angst van een moeder niet hoef te beschrijven. Als zij eten aan haar kind geeft, moet zij zich steeds afvragen of ze haar lieveling misschien vermoordt. En kleine Max was echt een "afgebeden kind". Hij was zeven jaar na het huwelijk uitgebleven. Alsof de deugniet wist dat het geen voordeel was als zoon van zulke ouders op de wereld te komen!

Negenentwintig lange dagen moest Havelaar wachten voordat de Gouverneur-generaal hem meedeelde ... maar zover zijn we nog niet.

Men had vergeefs geprobeerd Havelaar zijn brieven te laten intrekken. Men had ook vergeefs geprobeerd hem de arme lieden te laten verraden die op zijn grootmoedigheid hadden vertrouwd. Kort daarna kwam Verbrugge eens bij hem binnen. De brave man was doodsbleek en had moeite met spreken.

—Ik ben bij de Regent geweest, zei hij ... *dat* is schandelijk ... maar verraad me niet.

—Wat? *Wat* moet ik niet verraden?

—Geeft u mij uw woord dat u geen gebruik zult maken van wat ik u ga zeggen?

—Weer halfheid, zei Havelaar. Maar ... goed! Ik geef mijn woord.

En toen vertelde Verbrugge wat de lezer al weet. De resident had de Adhipatti gevraagd of hij iets kon inbrengen tegen de assistent-resident. En hij had hem geheel onverwacht geld aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van de Regent zelf. Die had hem gevraagd welke redenen de resident hiervoor kon hebben. Havelaar was verontwaardigd, maar ... hij had zijn woord gegeven.

De volgende dag kwam Verbrugge terug. Hij zei dat Duclari hem iets had voorgehouden. Het was onedel om Havelaar, die tegen *zulke* tegenstanders moest vechten, zo helemaal alleen te laten. Daarom kwam Verbrugge hem nu van zijn gegeven woord ontslaan.

—Goed! riep Havelaar. Schrijf dat op!

Verbrugge schreef het op. Ook die verklaring ligt voor mij.

Ik kon zo gemakkelijk afzien van elke aanspraak op *juridische* echtheid van de geschiedenis van Saïdjah. De lezer heeft immers al lang ingezien waarom?

Het was zeer treffend om te zien hoe de verlegen Verbrugge, vóór de verwijten van Duclari, op Havelaars woord durfde bouwen. En dat in een zaak die zo aanzette tot woordbreuk!

En nog iets. Sinds de gebeurtenissen die ik vertel, zijn er jaren voorbijgegaan. Havelaar heeft in die tijd veel geleden. Hij heeft zijn gezin zien lijden. De geschriften die voor mij liggen, getuigen daarvan! En het schijnt dat hij gewacht heeft ... ik geef de volgende aantekening van zijn hand:

"*Ik heb in de kranten gelezen dat de heer* Slijmering *benoemd is tot ridder van de Nederlandse Leeuw. Hij schijnt nu resident van* Djokjakarta *te zijn. Ik zou dus nu op de* Lebakse *zaken kunnen terugkomen zonder gevaar voor* Verbrugge."

### Woordenlijst

- **resident**: Nederlandse bestuurder van een groot gebied
- **assistent-resident**: Nederlandse bestuurder van een deel van een residentie
- **Regent**: hoge Javaanse bestuurder, van adel, betaald door de Nederlanders
- **Adhipatti**: hoge Javaanse titel, hoger dan Tommongong
- **Patteh**: eerste helper van de Regent
- **Inlandse Hoofd**: oude term voor een Javaanse bestuurder; "inlander" is nu beledigend
- **knevelarij**: geld of goederen afpersen van arme mensen
- **schipperen**: de moeilijke kant vermijden en iedereen tevreden houden
- **geaboucheerd**: in het geheim overlegd om iets te regelen
- **abouchement**: geheim overleg om een zaak stil te regelen
- **spoedmissive**: officiële brief die snel moet worden bezorgd
- **maintien**: het behouden van zijn ambt: dat iemand Regent mag blijven (Frans woord)
- **tant soit peu**: een klein beetje, al is het maar weinig (Franse uitdrukking)
- **ex officio**: vanwege het ambt, omdat het bij iemands werk hoort (Latijn)
- **uitgezogen**: zo behandeld dat iemand bijna alles is afgenomen wat hij heeft

## Twintigste hoofdstuk

Het was avond. Tine zat te lezen in de binnengalerij, en Havelaar tekende een borduurpatroon. Kleine Max toverde een legprent in elkaar. Hij werd boos omdat hij niet kon vinden: "het rode lijf van die mevrouw."

—Zou het nu zo goed zijn, Tine? vroeg Havelaar. Kijk, ik heb die palm wat groter gemaakt ... het is nu precies *the line of beauty* van Hogarth, niet waar?

—Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkaar.

—Zo? En die andere stroken dan? Max, laat me je broekje eens zien! Hé, heb je *die* strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd hebt, Tine!

—Ik niet. Waar dan?

—Het was in Den Haag, toen Max ziek was. We waren zo geschrokken, omdat de dokter zei dat hij een heel ongewoon gevormd hoofd had. Er was veel zorg nodig om druk op de hersenen te voorkomen. Juist in die dagen was je bezig aan die strook.

Tine stond op en kuste de kleine.

—Ik *heb* haar buik, ik *heb* haar buik! riep het kind vrolijk, en de rode mevrouw was compleet.

—Wie hoort daar een *tontong* slaan? vroeg de moeder.

—Ik, zei kleine Max.

—En wat betekent dat?

—Bedtijd! Maar ... ik heb nog niet gegeten.

—Eerst krijg je eten, dat spreekt vanzelf.

En ze stond op en gaf hem zijn eenvoudige maal. Ze scheen het uit een goed gesloten kast in haar kamer te halen. Want men had het klikken van veel sloten gehoord.

—Wat geef je hem daar? vroeg Havelaar.

—O, wees gerust, Max: het is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de suiker is altijd achter slot geweest.

Havelaars gedachten keerden terug naar het punt waar ze waren afgebroken.

—Weet je wel, ging hij verder, dat wij de rekening van die dokter nog niet betaald hebben ... o, dat is heel hard?

—Lieve Max, we leven hier zo zuinig, binnenkort kunnen wij alles betalen! Bovendien word je vast spoedig resident, en dan is alles snel geregeld.

—Dat is nu juist iets dat me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou Lebak helemaal niet graag verlaten ... dat zal ik je uitleggen. Geloof je niet dat we nog meer van onze Max hielden na zijn ziekte? Nu, zo zal ik ook van dat arme Lebak houden, na de genezing van zijn kanker. Daaraan lijdt het al zoveel jaren. De gedachte aan promotie doet me schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan de andere kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...

—Alles komt wel goed, Max! Al moest je nu hier weg, dan kan je Lebak later helpen als je Gouverneur-generaal bent.

Toen kwamen er woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was woede in die bloemen. De vetergaten werden hoekig en scherp, ze beten elkaar ...

Tine begreep dat ze iets verkeerds had gezegd.

—Lieve Max ... begon ze vriendelijk.

—Vervloekt! Wil je die stumperds zo lang laten hongeren? Kan jij leven van *zand*?

—Lieve Max!

Maar hij sprong op. Er werd die avond niet meer getekend. Hij liep boos op en neer in de binnengalerij. Eindelijk sprak hij op een toon die voor iedere vreemde ruw en hard zou klinken. Maar Tine begreep die heel anders:

—Vervloekt die lauwheid, die schandelijke lauwheid! Daar zit ik nu al een maand te wachten op recht, en ondertussen lijdt dat arme volk vreselijk. De Regent schijnt erop te rekenen dat niemand hem aandurft! Zie ...

Hij ging naar zijn kantoor en kwam terug met een brief in zijn hand, een brief die voor mij ligt, lezer!

—Zie, in deze brief durft hij mij voorstellen te doen. Het gaat over de *soort* werk dat de mensen moeten doen die hij onwettig heeft opgeroepen. Is dit niet de brutaliteit te *ver* gedreven? En weet je wie dat zijn? Dat zijn vrouwen met kleine kinderen, met baby's. Zwangere vrouwen, die van Parang-Koedjang naar de hoofdplaats zijn gedreven om voor *hem* te werken! Mannen zijn er niet meer! En ze hebben niets te eten, en ze slapen op de weg, en eten zand! Kan *jij* zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben? Vervloekt!

Tine wist heel goed op wie Max eigenlijk boos was, als hij zo sprak tegen haar die hij zo liefhad.

—En, ging Havelaar verder, dat valt allemaal onder *mijn* verantwoording! Als er op dit ogenblik van die arme wezens daar buiten rondzwerven ... Als zij het schijnsel van onze lampen zien, zullen zij zeggen: "Daar woont de ellendeling die ons zou beschermen! Daar zit hij rustig bij vrouw en kind, en tekent borduurpatroontjes. En wij liggen hier als wilde honden op de weg te verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor het wel, dat roepen om wraak over mijn hoofd! Hier, Max, hier!

En hij kuste zijn kind met een wildheid die het deed schrikken.

—Mijn kind, als men je zal zeggen dat ik een ellendeling ben die geen moed had om recht te doen ... Dat er zoveel moeders gestorven zijn door mijn schuld ... Als men je zal zeggen dat je vader zijn plicht niet deed en zo de zegen van je hoofd wegstal ... O Max, o Max, getuig dan wat ik leed!

En hij barstte in tranen uit, die Tine wegkuste. Daarna bracht ze kleine Max naar zijn bedje, een stromat. Toen ze terugkwam, was Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari, die net waren binnengekomen. Het gesprek ging over de verwachte beslissing van de Regering.

—Ik begrijp heel goed dat de resident in een moeilijke toestand is, zei Duclari. Hij kan het Gouvernement niet aanraden uw voorstellen te volgen, want dan zou er *te veel* aan het licht komen. Ik ben al lang in het Bantamse, en weet er veel van, nog meer dan u, meneer Havelaar! Ik was hier al als onderofficier. Dan leert men dingen die de inlander niet zo durft te zeggen tegen de ambtenaren. Maar als dat alles na een openlijk onderzoek aan het licht komt, zal de Gouverneur-generaal de resident ter verantwoording roepen. Hij zal hem vragen hoe het komt dat hij in twee jaar niet ontdekt heeft wat u direct is opgevallen. Hij moet dus natuurlijk proberen zo'n onderzoek te voorkomen ...

—Dat heb ik ingezien, antwoordde Havelaar. Hij probeerde de Adhipatti iets tegen mij te laten inbrengen, en daardoor ben ik wakker geworden. Dat schijnt aan te tonen dat *hij* de kwestie wil verleggen, door bijvoorbeeld *mij* te beschuldigen van ... ik weet niet wat. Daarom heb *ik* me hiertegen gedekt. Ik heb afschriften van mijn brieven rechtstreeks aan de Regering gestuurd. In een daarvan vraag ik ter verantwoording te worden geroepen, als er misschien beweerd wordt dat *ik* iets misdaan heb. Als de resident nu *mij* aanvalt, kan men daarover in gewone billijkheid niet beslissen zonder *mij* eerst te horen. Dit is men zelfs een misdadiger verschuldigd, en omdat *ik* niets misdaan heb ...

—Daar komt de post aan! riep Verbrugge.

Ja, het was de post! De post, die de volgende brief meebracht van de Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië aan de *gewezen* assistent-resident van Lebak, Havelaar.

"*Kabinet.* N° 54. *Buitenzorg, 23 maart 1856.*

Het betreft de ontdekking of veronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeling Lebak. De wijze waarop u daarbij te werk bent gegaan, heeft in hoge mate mijn ontevredenheid gewekt. Hetzelfde geldt voor de houding die u daarbij hebt aangenomen tegenover uw Chef, de Resident van Bantam.

In uw bedoelde handelingen worden bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid gemist. Die zijn zo zeer vereist in een ambtenaar met uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (*sic*). Evenzeer worden begrippen van ondergeschiktheid aan uw onmiddellijke superieur gemist.

Reeds weinige dagen na uw aantreden hebt u kunnen goedvinden te handelen zonder voorafgaande raadpleging van (*sic*) de Resident. U hebt het hoofd van het Inlands Bestuur in Lebak gemaakt tot het doelwit van bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt u aanleiding gevonden tot het doen van voorstellen. U hebt daarbij uw beschuldigingen tegen dat Hoofd niet eens door feiten, veel minder door bewijzen gestaafd. Die voorstellen hadden de strekking een Inlands Ambtenaar van de stempel van de Regent van Lebak te treffen. Zij zouden hem onderwerpen aan een bejegening die hem moreel geheel vernietigt. Hij is een zestigjarige maar nog ijverige Landsdienaar. Hij is verwant aan naburige aanzienlijke Regentengeslachten. En over hem zijn steeds gunstige getuigenissen uitgebracht.

Daarenboven hebt u, toen de Resident zich ongenegen toonde uw voorstellen gereedelijk te volgen, iets geweigerd. U hebt geweigerd te voldoen aan het billijke verlangen van uw Chef. Hij verlangde volle opening van wat u bekend was over de handelingen van het Inlands Bestuur in Lebak.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring. Zij doen licht geloven aan *ongeschiktheid* voor het bekleden van een betrekking bij het Binnenlands Bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling van de betrekking van assistent-resident van Lebak te ontheffen.

Evenwel heb ik vroeger gunstige rapporten over u ontvangen. Daarom heb ik hierin geen reden willen vinden om u het uitzicht op herplaatsing bij het Binnenlands Bestuur te ontnemen. Ik heb u daarom voorlopig belast met de waarneming van de betrekking van assistent-resident van Ngawi.

Van uw verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen of u bij het Binnenlands Bestuur geplaatst kunt blijven."

En daaronder stond de naam van de man die de Koning tot Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië had benoemd. Toen de Koning die benoeming ondertekende, zei hij te kunnen rekenen op zijn "*ijver, bekwaamheid* en *goede trouw*".

—We gaan hier weg, beste Tine, zei Havelaar rustig. Hij gaf de kabinetsbrief aan Verbrugge, die het stuk samen met Duclari las.

Verbrugge had tranen in de ogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer beschaafd mens, barstte uit in een wilde vloek:

—G......... ik heb hier in het bestuur schurken en dieven gezien ... ze zijn in ere hier weggegaan, en men schrijft aan *u* zo'n brief!

—Het is niets, zei Havelaar. De Gouverneur-generaal is een eerlijk man: hij moet bedrogen zijn ... Hoewel hij zich tegen dat bedrog had kunnen beschermen door mij eerst te horen. Hij zit verstrikt in het web van de ambtenaren in Buitenzorg. Dat kennen we! Maar ik zal naar hem toe gaan en hem laten zien hoe de zaken hier staan. Hij zal recht doen, daar ben ik zeker van!

—Maar als u naar Ngawi gaat ...

—Juist, dat weet ik! In Ngawi is de Regent verwant aan het hof van Djokjakarta. Ik ken Ngawi, want ik was twee jaar in de Baglen, dat daar in de buurt ligt. In Ngawi zou ik hetzelfde moeten doen wat ik hier gedaan heb: dat zou nutteloos heen en weer reizen zijn. Bovendien is het voor mij onmogelijk dienst te doen op proef, alsof ik me slecht gedragen had! En ten slotte zie ik in dat ik geen ambtenaar moet zijn om een eind te maken aan al dat geknoei. Als ambtenaar staan er tussen de Regering en mij te veel personen. Die hebben er belang bij de ellende van de bevolking te ontkennen. Er zijn nog meer redenen die mij beletten naar Ngawi te gaan. Die plaats was niet vrij ... ze is voor mij opengemaakt, kijk!

En hij liet in de Javasche Courant zien wat er gebeurd was. Die krant was met dezelfde post gekomen. Inderdaad: hetzelfde besluit van de Regering dat hem het bestuur van Ngawi opdroeg, verplaatste de assistent-resident van die provincie. Die ging naar een andere afdeling, die vrij was.

—Weet je waarom ik juist naar Ngawi moet, en niet naar die afdeling die vrij was? Dat zal ik je zeggen! De resident van Madiven, waar Ngawi onder valt, is de *zwager van de vorige resident van Bantam*. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden had gehad ...

—Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelijk. Ze begrepen waarom Havelaar juist naar Ngawi werd verplaatst. Daar moest hij op proef dienen, om te zien of hij zich misschien zou beteren!

—En om *nog* een reden kan ik daar niet heen gaan, zei hij. De tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... Zijn opvolger ken ik, en ik weet dat er van hem niets te verwachten valt. Om dus nog op tijd iets voor dat arme volk te doen, moet ik de tegenwoordige Gouverneur spreken voor zijn vertrek. Als ik nu naar Ngawi ging, zou dat onmogelijk zijn. Tine, hoor eens!

—Lieve Max?

—Je hebt moed, niet waar?

—Max, je weet dat ik moed heb ... als ik bij je ben!

—Welnu!

Hij stond op en schreef het volgende verzoekschrift, naar mijn mening een voorbeeld van welsprekendheid.

"*Rangkas-Betoeng, 29 maart 1856.*

*Aan de Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië.*

Ik had de eer de kabinetsmissive van Uwe Excellentie van 23 maart, N° 54, te ontvangen.

Ik zie mij genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te verzoeken mij een eervol ontslag uit 's Lands dienst te verlenen.

Max Havelaar"

In Buitenzorg was voor het verlenen van het gevraagde ontslag niet zoveel tijd nodig. De beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden, scheen meer tijd te hebben gekost. Dat had een maand geduurd. Het gevraagde ontslag kwam binnen weinig dagen in Lebak aan.

—Goddank, riep Tine, dat je eindelijk jezelf kunt zijn!

Havelaar kreeg geen opdracht om het bestuur van zijn afdeling voorlopig aan Verbrugge over te geven. Hij meende dus dat hij op zijn opvolger moest wachten. Die bleef lang weg, omdat hij uit een heel andere hoek van Java moest komen. Na bijna drie weken wachten schreef de gewezen assistent-resident van Lebak, die toch nog altijd als zodanig optrad, een brief. Dit is de brief aan de controleur Verbrugge:

"N° 153. *Rangkas-Betoeng, 15 april 1856.*

*Aan de controleur van Lebak.*

Het is u bekend dat ik op mijn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst. Dat gebeurde bij Gouvernementsbesluit van de 4de van deze maand, N° 4.

Misschien was ik in mijn recht geweest, als ik na ontvangst van dat besluit direct mijn betrekking had neergelegd. Het schijnt immers een anomalie een functie te vervullen zonder ambtenaar te zijn.

Ik ontving evenwel geen opdracht om mijn betrekking over te geven. Gedeeltelijk besefte ik de plicht mijn post niet te verlaten zonder behoorlijk afgelost te zijn. Gedeeltelijk waren er oorzaken van ondergeschikt belang. Daarom wachtte ik de komst van mijn opvolger af. Ik meende dat die ambtenaar spoedig, ten minste deze maand, zou komen.

Nu hoor ik van u dat mijn vervanger nog niet zo snel verwacht kan worden. U hebt, meen ik, dat bericht in Serang gehoord. Ook hoor ik dat de resident zich over iets verwonderde. In de zeer bijzondere positie waarin ik verkeer, had ik nog niet gevraagd het bestuur aan u te mogen overdragen.

Niets kon mij aangenamer zijn dan dit bericht. Want ik heb verklaard dat ik niet anders kon dienen dan ik hier deed. Voor deze manier van dienen ben ik gestraft met een berisping, met een ruïnerende en onterende overplaatsing. Ik ben gestraft met de opdracht de arme lieden te verraden die op mijn loyauteit vertrouwden. Ik had dus de keus tussen oneer en gebrek aan brood! Ik hoef u niet te verzekeren hoe het na dit alles ging. Met moeite en zorg moest ik elk geval aan mijn plicht toetsen. En de eenvoudigste zaak viel *mij* zwaar. Ik stond tussen mijn geweten en de principes van het Gouvernement. En daaraan ben ik trouw verschuldigd, zolang ik niet van mijn ambt ontheven ben.

Deze moeilijkheid bleek vooral bij het antwoord dat ik aan *klagers* moest geven.

Want ik had eens beloofd niemand over te leveren aan de wraak van zijn hoofden! Eenmaal had ik mijn woord borg gesteld voor de rechtvaardigheid van het Gouvernement. Onvoorzichtig genoeg!

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling waren verloochend. Ze kon niet weten dat ik arm en machteloos alleen stond met mijn verlangen naar recht en menselijkheid.

En men ging door met klagen!

Het was grievend om na de kabinetsmissive van 23 maart *daar* te zitten als vermeende toevlucht, als machteloze beschermer.

Het was hartverscheurend de klachten aan te horen over mishandeling, uitzuiging, armoede, honger ... Terwijl ikzelf nu met vrouw en kind honger en armoede tegemoet ga.

En ook het Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tegen die arme lieden niet zeggen: 'Ga en lijd, want het Bestuur *wil* dat u gekneveld wordt!' Ik mocht mijn machteloosheid niet erkennen. Die was één met de schande en de gewetenloosheid van de raadgevers van de Gouverneur-generaal.

Ziehier wat ik antwoordde:

'*Direct kan ik u niet helpen! Maar ik zal naar Batavia gaan, ik zal de Grote Heer spreken over uw ellende.* Hij *is rechtvaardig, en* hij *zal u bijstaan. Ga voorlopig rustig naar huis ... verzet u niet ... verhuis nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop dat er recht zal geschieden!*'

Ik schaamde mij dat ik mijn toezegging van hulp had geschonden. Zo meende ik mijn gedachten in overeenstemming te brengen met mijn plicht. Mijn plicht tegenover het Bestuur *dat mij nog deze maand betaalt*. Zo zou ik zijn doorgegaan tot de komst van mijn opvolger. Maar een bijzonder voorval dwingt mij vandaag een eind te maken aan die dubbelzinnige verhouding.

Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zij keerden terug naar hun woonplaats. Onderweg ontmoet hen hun dorpshoofd. Hij moet hun verboden hebben hun *kampong* opnieuw te verlaten. En hij nam hun, naar men mij rapporteert, hun kleren af, om hen te dwingen thuis te blijven. Eén van hen ontsnapt, komt *opnieuw* bij mij en verklaart: *niet naar zijn dorp te durven terugkeren*.

Wat ik *die* man nu moet antwoorden, weet ik niet!

Ik *kan* hem niet beschermen ... ik *mag* hem mijn machteloosheid niet bekennen ... ik *wil* het aangeklaagde dorpshoofd niet vervolgen. Dat zou de schijn wekken alsof ik deze zaak *pour le besoin de ma cause* had opgerakeld. Ik weet niet meer wat ik moet doen ...

Ik belast u, onder nadere goedkeuring van de resident van Bantam, vanaf morgenochtend met het bestuur van de afdeling Lebak.

De assistent-resident van Lebak,  
Max Havelaar"

Daarna vertrok Havelaar met vrouw en kind uit Rangkas-Betoeng. Hij weigerde alle begeleiding. Duclari en Verbrugge waren diep ontroerd bij het afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral op de eerste wisselplaats. Daar stond een grote menigte, die uit Rangkas-Betoeng was weggeslopen om hem voor het laatst te groeten.

In Serang stapte de familie af bij de heer Slijmering, die haar ontving met de gewone Indische gastvrijheid.

's Avonds kwam er veel bezoek bij de resident. Men zei zo betekenisvol mogelijk dat men gekomen was *om Havelaar te groeten*. En Max kreeg menige welsprekende handdruk ...

Maar hij moest naar Batavia om de Gouverneur-generaal te spreken ...

Daar aangekomen, vroeg hij om gehoor. Dit werd hem geweigerd omdat er een fijtzweer aan de voet van Zijne Excellentie was.

Havelaar wachtte tot die fijtzweer genezen was. Toen vroeg hij nog eens om gehoord te worden.

Zijne Excellentie "*had het zo druk dat zij zelfs de directeur-generaal van Financiën een audiëntie had moeten weigeren*". Dus kon zij ook Havelaar niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot Zijne Excellentie zich door die drukte heen zou hebben geworsteld. Ondertussen voelde hij iets van jaloezie op de personen die Zijne Excellentie hielpen bij het werk. Want hij werkte graag snel en veel, en meestal smolten zulke "drukten" weg onder zijn hand. Daarvan was nu natuurlijk geen sprake. Havelaars werk was zwaarder dan werk: hij *wachtte*!

Hij wachtte. Eindelijk vroeg hij opnieuw om gehoord te worden. Het antwoord was "*dat Zijne Excellentie hem niet kon ontvangen, omdat ze daarin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaande vertrek*."

Max vroeg om de gunst van één half uur gehoor bij Zijne Excellentie. Dat kon zodra er een kleine ruimte zou zijn tussen twee "drukten".

Eindelijk hoorde hij dat Zijne Excellentie de volgende dag zou vertrekken! Dit was voor hem een donderslag. Nog altijd hield hij zich krampachtig vast aan het geloof dat de aftredende Gouverneur-generaal een eerlijk man was, en ... bedrogen. Een kwartier zou genoeg zijn geweest om de rechtvaardigheid van zijn zaak te bewijzen. En dit kwartier scheen men hem niet te willen geven.

Onder Havelaars papieren vind ik het concept van een brief. Hij schijnt die aan de aftredende Gouverneur-generaal te hebben geschreven, op de laatste avond voor diens vertrek naar het moederland. Op de rand staat met potlood: "*niet juist*". Daaruit maak ik op dat sommige zinnen bij het overschrijven veranderd zijn. Ik zeg dit met een reden. *Dit* stuk stemt niet *letterlijk* overeen met de brief. Dat mag geen twijfel wekken aan de echtheid van de andere *officiële* stukken die ik meedeelde. Die zijn allemaal door een vreemde hand getekend als *eensluidend afschrift*. Misschien heeft de man aan wie deze brief gericht was, zin om de *volkomen* juiste tekst openbaar te maken. Dan zou men door vergelijking kunnen zien hoe ver Havelaar van zijn concept is afgeweken. *Zakelijk* correct was de inhoud zo:

"*Batavia, 23 mei 1856.*

Excellentie! Mijn ambtshalve verzoek bij missive van 28 februari om over de Lebakse zaken gehoord te worden, is zonder gevolg gebleven.

Evenzo heeft Uwe Excellentie niet willen voldoen aan mijn herhaalde verzoeken om audiëntie.

Een ambtenaar die *gunstig bij het Gouvernement bekendstond*, dit zijn de eigen woorden van Uwe Excellentie! Iemand die zeventien jaar het Land in deze gewesten diende ... Iemand die niet alleen niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede wilde ... Iemand die voor eer en plicht alles overhad ... Zo iemand heeft Uwe Excellentie dus gesteld beneden de misdadiger. Want die *hoort* men ten minste.

Dat men Uwe Excellentie over mij misleid heeft, begrijp ik. Maar dat Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding te ontgaan, begrijp ik niet.

Morgen gaat Uwe Excellentie hiervandaan. Ik mag haar niet laten vertrekken zonder dit nog eenmaal te zeggen. *Ik heb mijn* PLICHT *gedaan*, GEHEEL EN AL MIJN PLICHT. *Met beleid, met bezadigdheid, met mensenliefde, met zachtheid en met moed.*

De gronden voor de afkeuring in de kabinetsmissive van Uwe Excellentie van 23 maart zijn *geheel en al verzonnen* en *leugenachtig*.

Ik kan dit *bewijzen*. Dat was al gebeurd als Uwe Excellentie mij één half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie één half uur tijd had kunnen vinden *om recht te doen*!

Dit is niet zo geweest! Een deftig gezin is daardoor tot de bedelstaf gebracht ...

Daarover klaag ik evenwel niet.

Maar Uwe Excellentie heeft *gesanctioneerd*: HET STELSEL VAN MISBRUIK VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD. HET STELSEL WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT. En *daarover* klaag ik.

*Dat* schreeuwt ten hemel!

Er kleeft bloed aan het gespaarde geld van uw Indische traktement, dat u *zo* hebt ontvangen, Excellentie!

Nog eenmaal vraag ik om een ogenblik gehoor, al is het vannacht, al is het morgenvroeg! En opnieuw vraag ik dit niet voor mijzelf. Ik vraag het voor de zaak die ik verdedig, de zaak van rechtvaardigheid en menselijkheid. Dat is tegelijk de zaak van een goed begrepen politiek.

Als Uwe Excellentie het met haar geweten kan rijmen te vertrekken zonder mij te horen, het mijne zal gerust zijn. Ik ben immers overtuigd dat ik al het mogelijke heb gedaan om de treurige, bloedige gebeurtenissen te voorkomen. Die zullen spoedig het gevolg zijn van de eigenwillige onwetendheid van de Regering. Men laat haar onwetend over wat er onder de bevolking gebeurt.

Max Havelaar"

Havelaar wachtte die avond. Hij wachtte de hele nacht.

Met zachtheid en geduld had hij vergeefs geprobeerd iets te bereiken. Nu had hij gehoopt dat boosheid over de toon van zijn brief dat misschien zou doen. Zijn hoop was ijdel! De Gouverneur-generaal vertrok zonder Havelaar te hebben gehoord. Er was weer een Excellentie ter ruste gegaan in het moederland!

* * * * *

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hij zocht ...

Genoeg, mijn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Jij bent niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schrijven. Ik heb jou tot leven geroepen ... Ik liet je komen uit Hamburg ... Ik leerde je redelijk goed Hollands schrijven, in zeer korte tijd ... Ik liet je Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet ... Het is genoeg, Stern, je kunt gaan!

* * * * *

Die Sjaalman en zijn vrouw ...

Halt, ellendig product van vuile geldzucht en godslasterlijke schijnheiligheid! Ik heb je geschapen ... Je bent onder mijn pen opgegroeid tot een monster ... Ik walg van mijn eigen maaksel: stik in koffie en verdwijn!

* * * * *

Ja, ik, Multatuli, "die veel gedragen heb", neem de pen op. Ik vraag geen vergeving voor de vorm van mijn boek. Die vorm leek mij geschikt om mijn doel te bereiken.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats iets maken dat als heilige *poesaka* bewaard kan worden. Bewaard door kleine Max en zijn zusje, als hun ouders zullen zijn omgekomen van ellende.

Ik wilde die kinderen een adelbrief geven van mijn hand.

En in de tweede plaats: *ik wil gelezen worden*.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zijn te letten op de tekenen van de tijd ... Door letterkundigen, die toch ook eens het boek moeten inzien waarvan men zoveel kwaads spreekt ... Door handelaren, die belang hebben bij de koffieveilingen ... Door kameniers, die mij huren voor weinig centen ... Door Gouverneurs-generaal in ruste ... Door Ministers in bezigheid ... Door de lakeien van die Excellenties ... Door bidpredikers, die *more majorum* zullen zeggen dat ik de Almachtige God aanval, waar ik alleen opsta tegen het godje dat zij maakten naar hun beeld ... Door duizenden en tienduizenden exemplaren van het droogstoppelras, die, terwijl ze op de bekende manier doorgaan met hun zaakjes, het hardst zullen meeschreeuwen over de mooiigheid van mijn geschrijf ... Door de leden van de Volksvertegenwoordiging, die moeten weten wat er omgaat in het grote Rijk over zee, dat behoort tot het Rijk van Nederland ...

Ja, ik *zal* gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zijn. Want het ging mij er niet om *goed* te schrijven ... Ik wilde zo schrijven dat het gehoord werd. Iemand die roept: "houdt de dief!" bekommert zich weinig om de stijl van zijn geïmproviseerde toespraak aan het publiek. Zo kan het ook mij helemaal niet schelen hoe men de manier beoordeelt waarop ik *mijn* "houdt de dief" heb uitgeschreeuwd.

"Het boek is bont ... er is geen geleidelijkheid in ... jacht op effect ... de stijl is slecht ... de schrijver is onervaren ... geen talent ... geen methode ..."

Goed, goed, alles goed! Maar ... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want: *weerlegging van de* HOOFDSTREKKING *van mijn werk is onmogelijk!*

Hoe luider overigens de afkeuring van mijn boek, hoe liever het mij zal zijn. Want des te groter wordt de kans *gehoord* te *worden*. En dit *wil* ik!

Maar u, die ik stoor in uw "drukten" of in uw "rust"! U, Ministers en Gouverneurs-generaal: reken niet te veel op de onervarenheid van mijn pen. Ze zou kunnen oefenen. Met enige inspanning zou ze misschien zo bekwaam worden dat het Volk ten slotte zelfs de waarheid zou geloven! Dan zou ik dat Volk een plaats vragen in de Vertegenwoordiging. Al was het alleen om te protesteren tegen certificaten van rechtschapenheid. Die worden door Indische specialiteiten *vice versa* uitgereikt. Misschien om op het vreemde idee te brengen dat men zelf waarde hecht aan die eigenschap ...

Om te protesteren tegen de eindeloze expedities en heldendaden tegen arme ellendige schepsels, die men eerst door mishandeling dwong tot opstand.

Om te protesteren tegen de schandelijke lafheid van circulaires die de eer van de Natie bevuilen door de *publieke liefdadigheid* in te roepen voor de slachtoffers van *chronische zeeroof*.

Het is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die zeerovers zijn weerbare mannen!

En als men mij die plaats weigerde ... Als men mij nog steeds *niet* geloofde ...

Dan zou ik mijn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de vele talen die ik leren kan, om aan Europa te vragen wat ik vergeefs in Nederland zou hebben gezocht.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen als dit: *er ligt een roofstaat aan de zee, tussen Oost-Friesland en de Schelde!*

En als ook dit niet hielp?

Dan zou ik mijn boek vertalen in het Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Battaks ...

En ik zou *klewang*-wettende krijgszangen slingeren in de harten van de arme martelaren aan wie ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, langs wettelijke weg, waar het *kan* ... Langs *wettige* weg van geweld, waar het *moet*.

En *dit zou zeer nadelig werken op de* Koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij!

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige dromer, zoals de getrapte Havelaar die zijn plicht deed met de moed van een leeuw, en honger lijdt met het geduld van een marmot in de winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal groeien in kracht en in scherpte van wapens, naarmate het nodig zal zijn ...

God geve dat het niet nodig zij!

Neen, het zal niet nodig zijn! Want aan *U* draag ik mijn boek op, Willem de Derde, Koning, Groothertog, Prins ... Meer dan Prins, Groothertog en Koning ... KEIZER van het prachtige rijk van INSULINDE dat zich daar slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het Uw keizerlijke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met de modder van Slijmeringen en Droogstoppels?

En dat daarginds Uw meer dan *dertig miljoen* onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN *UW* NAAM?

* * * * *

### Woordenlijst

- **resident**: Nederlandse bestuurder van een groot gebied
- **Adhipatti**: hoge Javaanse titel, hoger dan Tommongong
- **tontong**: houten trom om de tijd aan te geven
- **the line of beauty**: "de lijn van de schoonheid", een sierlijke gebogen lijn (Engelse uitdrukking)
- **inlander**: oud woord voor de bewoner van Indië; nu beledigend
- **(sic)**: "zo staat het er echt": de schrijver wijst op een fout of vreemde uitdrukking in de tekst
- **fijtzweer**: pijnlijke ontsteking met pus
- **pour le besoin de ma cause**: omdat het goed uitkomt voor mijn eigen zaak (Frans)
- **more majorum**: zoals hun voorvaders het altijd deden (Latijn)
- **poesaka**: erfstuk, heilig bezit van de familie
- **adelbrief**: papier dat bewijst dat iemand van adel is
- **kamenier**: persoonlijke dienster van een rijke dame
- **klewang-wettende**: die de klewang, een lange brede sabel, scherp maken
- **Insulinde**: mooie naam voor de eilanden van Nederlands-Indië
- **uitgezogen**: zo behandeld dat iemand bijna alles is afgenomen wat hij heeft
