# De stille kracht (Editie B1)

*Louis Couperus*

## Eerste hoofdstuk

### I.

De volle maan zag er die avond tragisch uit. Ze was al vroeg aan de hemel gekomen, nog in het laatste licht van de dag. Ze was een enorme bol, roze als bloed. Laag achter de tamarindebomen van de Lange Laan brandde ze als een zonsondergang. Langzaam steeg ze op in een vage hemel. Onderweg verloor ze haar tragische kleur.

Overal hing een doodse stilte, als een sluier van zwijgen. Het was alsof na de lange middagsiësta meteen de avondrust begon, zonder leven ertussen. De stad had witte villa's met pilaren. Ze lagen laag en verborgen tussen de bomen van de lanen en tuinen. Over de stad hing een zachte stilte zonder geluid. Er was geen wind en de avondlucht was zwaar en warm. Het leek alsof de stille avond moe was van de dag. Want het was de oostmoesson, en overdag had de zon fel gebrand.

De huizen lagen doodstil tussen de bladeren van hun tuinen. Ervoor stonden rijen grote, wit geverfde bloempotten. Die rijen lichtten wit op in het donker. Hier en daar ging al een licht aan. Plotseling blafte een hond, en een andere hond antwoordde. Hun lawaai scheurde de zachte stilte in lange, ruwe stukken. Hun stemmen klonken boos, hees, buiten adem en vijandig. Even plotseling waren ze weer stil.

Aan het einde van de Lange Laan lag het residentiehuis, diep in zijn voortuin. Het was laag en lag meteen in de donkere schaduw van de waringins. Zijn daken liepen met hoeken, het ene na het andere, naar de schaduw van de achtertuin. Het was een eenvoudige vorm: boven elke galerij een dak, boven elke kamer een dak. Samen vormden ze één lange lijn van daken. Maar aan de voorkant stonden de witte pilaren van de voorgalerij en de portiek. Ze waren hoog, wit en deftig, met veel ruimte ertussen. Het huis stond wijd open om gasten te ontvangen. Het leek op de ingang van een paleis. Door de open deuren liep de middengalerij vaag naar achteren. Daar brandde één enkel licht.

Een oppasser stak de lampen aan opzij van het huis. Links en rechts voor het huis stonden grote witte potten in halve cirkels. Er stonden rozen en chrysanten in, en palmen en caladiums. Een brede grindlaan liep naar de portiek met de witte pilaren. Daarachter lag een groot, droog grasveld met potten eromheen. In het midden stond een grote vaas op een stenen voet, met een hoge latania erin. De vijver, vol bochten, gaf daar een groene frisheid. De enorme bladeren van een Victoria Regia lagen er rond tegen elkaar. Ze leken op donkergroene dienbladen. Daartussen stond één witte bloem, die op een lotus leek. Een pad liep langs de vijver. Op een rond plein van kleine stenen stond een hoge vlaggenstok. De vlag was al neergehaald, zoals elke dag om zes uur. Een eenvoudig hek lag tussen het erf en de Lange Laan.

Het enorme erf was stil. De lampenjongen stak langzaam en met veel gedoe twee lampen aan. Eén lamp hing in de kroon van de voorgalerij. De andere lamp brandde binnen, laag gedraaid. Ze waren als twee nachtlampjes in het paleis van pilaren. De daken liepen erachter, eenvoudig en kinderlijk, naar achteren.

Op de trappen van het kantoor zaten een paar oppassers in hun donkere uniform. Ze praatten zacht. Na een tijdje stond een van hen op. Rustig, zonder zich te haasten, liep hij naar een bronzen klok. Die hing hoog bij het huisje van de oppassers, helemaal aan de zijkant van het erf. Na een honderd passen was hij er. Hij sloeg zeven langzame slagen, die weerklonken. De klepel sloeg hard tegen het brons. Na elke slag bleef het geluid lang en zwaar klinken. De honden begonnen weer te blaffen. De oppasser liep met zijn soepele pas rustig zijn honderd passen terug. Hij zag er slank uit als een jongen. Hij droeg een blauw uniformjasje en een broek met gele banden en omslagen.

Nu brandde er licht in het kantoor en ook in de slaapkamer ernaast. Het licht kwam zwak door de luiken. De resident was een grote, zware man in een zwart jasje en een witte broek. Hij liep door de kamer en riep naar buiten:

—Oppas!

De hoofdoppasser kwam met gebogen knieën naar hem toe. Hij droeg een uniformjasje met brede gele randen. Hij ging laag op de grond zitten…

—Roep de nonna!

—De nonna is al uitgegaan, Kandjeng! zei de man zacht. Met beide handen maakte hij de semba, het eerbiedige gebaar met de vingers tegen elkaar.

—Waar is de nonna naartoe?

—Dat heb ik nog niet uitgezocht, Kandjeng! zei de man. Hij vond het erg dat hij het niet wist. Weer maakte hij de semba.

De resident dacht even na.

—Mijn pet, zei hij. Mijn stok.

De hoofdoppasser bleef eerbiedig ineengedoken op gebogen knieën. Hij liep even heen en weer door de kamer. Toen bood hij, laag bij de grond, de kleine uniformpet en een wandelstok aan.

De resident ging uit. De hoofdoppasser liep snel achter hem aan. Hij had een tali-api in zijn hand: een lang, brandend touw. Hij bewoog de brandende punt heen en weer. Zo zou iedereen die hen 's avonds tegenkwam, de resident herkennen. De resident liep langzaam het erf af, naar de Lange Laan. Die laan was een brede weg met tamarindebomen en flamboyants. Daar lagen de villa's van de belangrijkste mensen van de stad. Ze waren zwak verlicht en doodstil. Het leek of er niemand woonde. In de vage avond lichtten de rijen witte bloempotten op.

Eerst liep de resident langs het huis van de secretaris. Dan kwam aan de andere kant een meisjesschool. Daarna kwamen de notaris, een hotel, het postkantoor en de president van de Landraad. Aan het einde van de Lange Laan stond de rooms-katholieke kerk. Verderop, over de brug over de rivier, lag het station. Bij het station stond een grote Europese winkel. Daar was meer licht dan bij de andere huizen. De maan was hoger geklommen en werd steeds zilveriger. Ze scheen op de witte brug, de witte winkel en de witte kerk. Die stonden allemaal om een vierkant plein. Dat plein was meer open en had geen bomen. In het midden stond een spits monumentje: de Stadsklok.

De resident kwam niemand tegen. Maar nu en dan kwam er een Javaan uit de schaduw, een donkere figuur. Dan bewoog de oppasser achter zijn heer met veel vertoon de brandende punt van zijn vuurtouw heen en weer. Meestal begreep de Javaan het. Hij maakte zich klein en dook ineen aan de rand van de weg. Zo liep hij laag bij de grond voorbij. Een enkele keer kwam er een man langs die pas uit zijn dessa kwam. Hij wist het niet en begreep het niet. Angstig liep hij voorbij. Angstig keek hij naar de oppasser, die het vuur maar heen en weer bewoog. Achter de rug van zijn meester gaf de oppasser hem zacht een vloek mee. Want die dessa-kerel had geen manieren. Als er een kleine wagen of een sado aankwam, bewoog hij weer zijn kleine ster van vuur door de avond. Hij gaf de voerman een teken. Die stopte en stapte af. Of hij ging laag zitten in zijn wagen. Zo reed hij dan verder, helemaal aan de rand van de weg.

De resident liep somber verder, met de stevige pas van iemand die weet waar hij heen wil. Bij het pleintje was hij naar rechts gegaan. Hij liep langs de Hervormde kerk, recht op een mooie villa af. Die had slanke, vrij nette Ionische pilaren van pleisterwerk. Ze was fel verlicht met petroleumlampen in lampenkronen. Het was de sociëteit Concordia. Een paar bedienden in witte jasjes zaten op de trappen. Een Europeaan in een wit pak liep in de voorgalerij: de kastelein. Maar aan de grote bittertafel zat niemand. De brede rieten stoelen openden hun armen en wachtten, maar voor niets.

De kastelein zag de resident en boog. De resident tikte kort aan zijn pet en liep de sociëteit voorbij. Hij sloeg links af. Hij liep een laan door, langs kleine donkere huisjes, verstopt op kleine erven. Hij sloeg weer af en liep langs de monding van de rivier. Die was als een kanaal. Daar lag prauw naast prauw vast. Over het water klonk langzaam en somber het zingen van Madoerese zeemannen, steeds op één toon. Van het water steeg een lucht van vis op. Langs het havenkantoor liep de resident naar de pier. Die stak een eind in zee uit. Op de punt stond een kleine vuurtoren, als een kleine Eiffeltoren. Hij had de vorm van een ijzeren kandelaar, met een lamp bovenin.

Daar bleef de resident staan en haalde diep adem. Plotseling was er wind gekomen. De grongong woei uit de verte aan, zoals elke dag op dat uur. Maar soms viel hij ineens weg, onverwacht. Het was alsof zijn vleugels geen kracht meer hadden. Dan werden de witte schuimkoppen op de hoge zee in het maanlicht weer glad. Even gaf de zee licht, in lange, lichte strepen.

Over de zee kwam een eentonig, ritmisch zingen dichterbij. Het klonk somber. Een zeil kwam donker aan, als een grote nachtvogel. Een vissersprauw voer het kanaal in. Hij had een hoge voorsteven, die naar boven boog, een beetje als een schip uit de oudheid. Er hing verdriet in de lucht, een stil aanvaarden van het leven. Alles wat klein en donker was op aarde, gaf zich over onder die eindeloze hemel. Het lag daar bij die zee, die ver weg licht gaf. Het gaf alles iets van een geheim, iets wat zwaar op je drukte…

De grote, stevige man stond daar met zijn benen wijd. Hij ademde de wind in, die langzaam en met vlagen kwam. Hij was moe van zijn werk en van het zitten aan zijn bureau. Hij was moe van zijn berekeningen voor de kwestie van de duiten. De duiten werden afgeschaft. De Gouverneur-Generaal had hem persoonlijk verantwoordelijk gemaakt voor die belangrijke zaak. Hij was een praktische man, koel in zijn denken. Hij had al lang gezag, en dat had hem kort en beslist gemaakt. Misschien voelde hij dat donkere geheim niet. Het dreef over de Indische avondstad, de hoofdstad van zijn gewest. Maar hij voelde wel een verlangen naar liefde en zachtheid.

Vaag verlangde hij naar een kinderarm om zijn hals, naar kleine hoge stemmen om zich heen. Hij verlangde naar een jonge vrouw die glimlachend op hem zou wachten. Hij dacht niet lang na over dat zachte gevoel. Hij was niet gewend om over zichzelf te dromen. Hij had het te druk. Zijn dagen waren te vol met allerlei zaken. Daarom gaf hij niet toe aan wat hij zijn buitjes van zwakte vond. Het waren de onderdrukte gevoelens uit zijn jongere jaren.

Maar ook al droomde hij niet, hij kon de stemming niet tegenhouden. Ze drukte op zijn brede borst, als een ziekte van liefde. Het was een zacht, onrustig gevoel in zijn hart, dat anders heel praktisch was. Want hij was een hoge ambtenaar die van zijn werk en zijn gewest hield. Hij gaf om de belangen ervan. Het bijna onafhankelijke gezag van zijn functie paste helemaal bij zijn natuur. Hij was geboren om te heersen. Hij was gewend aan zijn grote werkgebied en zijn vele soorten werk. Hij ademde die sfeer met evenveel plezier in als nu de wijde wind van de zee.

Vooral die avond zat het verlangen vol in hem, als heimwee. Hij voelde zich eenzaam. Dat kwam niet alleen door de afstand die er altijd is rond het hoofd van een gewest. Want de mensen komen naar zo iemand toe met een beleefde, eerbiedige glimlach, om te praten. Of ze komen kort en zakelijk, ook eerbiedig, voor hun werk. Hij voelde zich eenzaam, ook al was hij vader van een gezin. Hij dacht aan zijn grote huis. Hij dacht aan zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam. Alleen zijn werk droeg hem, en de belangstelling die hij ervoor had. Het werk was alles in zijn leven. Het vulde al zijn uren. Hij viel in slaap terwijl hij eraan dacht. Zijn eerste gedachte ging altijd naar een of ander belang van zijn gewest.

Op dit moment was hij moe van het rekenen en haalde hij adem in de wind. Met de frisheid van de zee ademde hij ook het verdriet van de zee in. Het was het geheimzinnige verdriet van de Indische zeeën, van de zeeën van Java. Dat verdriet komt van ver aanruisen, als op zachte vleugels van geheim. Maar het lag niet in zijn natuur om zich aan het mysterie over te geven. Hij ontkende het mysterie. Het bestond niet. Er was alleen de zee, en de wind, die fris was. Er was alleen de geur van die zee, iets van vis en bloemen en zeewier. De frisse wind woei die geur weg. Er was alleen dit moment om op adem te komen.

Toch sloop er iets in zijn hart, dat die avond wat zacht was. Hij voelde het als een geheimzinnig verdriet en hij kon het niet tegenhouden. Maar hij dacht dat het door zijn gezin kwam. Hij had zijn gezin graag wat dichter om zich heen gevoeld. Dichter bij wat in hem vader en echtgenoot was. Als er al verdriet was, dan kwam het daardoor. Uit de zee kwam het niet. Uit de lucht, van ver weg, ook niet. Hij gaf niet toe aan dit allereerste gevoel van iets vreemds… En hij ging steviger staan. Hij zette zijn borst op en hield zijn flinke, militaire hoofd hoog. Hij ademde diep, en ademde de geur en de wind in…

De hoofdoppasser zat laag op de grond, met zijn brandende vuurtouw in zijn hand. Hij keek aandachtig omhoog naar zijn heer. Het was alsof hij dacht: waarom staat hij hier zo vreemd bij de vuurtoren… Zo vreemd, die Hollanders… Wat denkt hij nu… Waarom doet hij zo… Juist op dit uur, op deze plek… De zeegeesten waren nu op pad… Er zitten krokodillen onder het water, en iedere krokodil is een geest… Kijk, daar heeft men hun offers gebracht. Pisang en rijst en gedroogd vlees, en een hardgekookt ei op een vlotje van bamboe. Onderaan, bij de voet van de vuurtoren… Wat doet de Kandjeng Toean hier nu… Het is hier niet goed, het is hier niet goed… tjelaka, tjelaka… Stiekem keken zijn ogen op en neer langs de brede rug van zijn heer. Die bleef maar staan en uitkijken… Waar keek hij naar…? Wat zag hij aankomen in de wind…? Zo vreemd, die Hollanders, vreemd…

Plotseling draaide de resident zich om en liep terug. De oppasser schrok op en volgde hem. Hij blies op de punt van zijn vuurtouw. De resident liep dezelfde weg terug. Nu zat er een heer in de sociëteit, die groette. Een paar jongemannen in het wit wandelden in de Lange Laan. De honden blaften.

Toen de resident bij de ingang van het erf kwam, zag hij iets bij de andere ingang. Daar stonden twee witte figuren, een man en een meisje. Maar ze verdwenen in de nacht onder de waringins. Hij ging meteen naar zijn kantoor. Een andere oppasser kwam naar hem toe, en hij gaf hem zijn pet en stok. Meteen ging hij aan zijn bureau zitten. Hij kon nog een uur werken voor het diner.

### II.

Er waren meer lichten aangestoken. Eigenlijk brandden er overal lichten, maar in de lange, brede galerijen was het maar een beetje licht. Op het erf en in het huis brandden zeker twintig, dertig petroleumlampen, in lampenkronen en buitenlampen. Maar ze gaven niet meer dan een vaag, geel licht in het huis. In de tuin stroomde het maanlicht. Het maakte de bloempotten wit en het speelde licht in de vijver. Tegen de lichte lucht leken de waringins van zacht fluweel.

De eerste gong voor het diner was geslagen. In de voorgalerij zat een jonge man in een schommelstoel. Hij ging op en neer, met zijn handen achter zijn hoofd. Hij verveelde zich. Een jong meisje liep zacht zingend door de middengalerij. Het leek of ze ergens op wachtte.

Het huis was ingericht zoals alle residentiehuizen in het binnenland: deftig en zonder eigen karakter. De marmeren vloer van de voorgalerij glansde glad en wit, als een spiegel. Tussen de pilaren stonden hoge palmen in potten. Rond marmeren tafels stonden ook zulke stoelen. De eerste binnengalerij liep in de breedte, naast de voorgalerij. Daar stonden stoelen in een rij tegen de muur, als voor een receptie die nooit stopte. De tweede binnengalerij liep in de lengte. Aan het einde werd ze weer breed. Daar hing een enorm gordijn van rood satijn aan een gouden lijst.

Tussen de deuren van de kamers zaten witte vakken in de muur. Daar hingen spiegels in gouden lijsten, boven marmeren tafeltjes. Of er hingen platen, die men in Indië „schilderijen” noemt. Er was Van Dijck te paard. Er was Paul Veronese op de trap van een paleis in Venetië, waar een Doge hem ontving. Er was Shakespeare aan het hof van Elizabeth, en Tasso aan het hof van Este. In het grootste vak hing een grote prent in een lijst met een koningskroon erop. Het was een portret van koningin Wilhelmina in de kleren van haar kroning. Midden in de middengalerij stond een rustbank van rood satijn. Boven de bank stak een palm uit. Verder waren er veel stoelen en tafels, en overal grote lampenkronen. Alles was netjes onderhouden, maar opgeblazen en gewoon tegelijk. Het huis was niet huiselijk. Het wachtte altijd op de volgende receptie en had geen enkel gezellig hoekje. In elke kroon brandde maar één lamp. In dat halve licht strekten de lange, brede galerijen zich leeg en vervelend uit.

De tweede gong sloeg. In de achtergalerij stond de veel te lange tafel. Ze was gedekt voor drie personen, maar leek altijd op gasten te wachten. De spen en zes jongens stonden klaar bij de dientafels en de twee buffetten. De spen schepte al soep in de borden. Een paar jongens zetten de drie borden soep al op tafel. Ze zetten ze op de servetten, die al klaar op de borden lagen. Toen wachtten ze weer, terwijl de soep zacht dampte. Een andere jongen vulde de drie waterglazen met grote stukken ijs.

Het jonge meisje was dichterbij gekomen, zacht zingend. Ze was misschien zeventien jaar. Ze leek op haar moeder, de eerste vrouw van de resident. Hij was van haar gescheiden. Ze was een mooie nonna en woonde nu in Batavia. Men zei dat ze daar een stil gokhuis had. Het meisje had een bleke huid, met de kleur van een olijf. Soms werd die even wat rood, zoals een vrucht. Ze had mooi zwart haar, dat vanzelf krulde bij haar slapen. Het zat vast in een heel grote bol op haar hoofd. Haar zwarte ogen straalden in het vochtige, blauwachtige wit eromheen. Zware wimpers gingen op en neer, op en neer. Haar mondje was klein en een beetje dik. Op haar bovenlip zat een heel dun, donker streepje haar. Ze was niet groot. Ze droeg een witte rok van piqué en een witte linnen bloes met kant. Om haar hals had ze een felgeel lint. Dat stond heel mooi bij haar bleke huid. Die huid kon plotseling rood worden, alsof er een stroom bloed naar haar wangen ging.

De jonge man uit de voorgalerij was komen aanslenteren. Hij leek op zijn vader: groot, breed en blond, met een dikke blonde snor. Hij was nauwelijks drieëntwintig jaar, maar hij zag er wel vijf jaar ouder uit. Hij droeg een wit pak van Russisch linnen, maar met een boord en een das.

Eindelijk kwam ook Van Oudijck. Zijn stap klonk beslist, alsof hij het altijd druk had. Het leek of hij even kwam eten tussen zijn werk door. Alle drie gingen zitten zonder een woord en aten hun soep.

—Hoe laat komt mama morgen? vroeg Theo.

—Om half twaalf, antwoordde Van Oudijck. Hij draaide zich om naar zijn lijfjongen, die achter hem stond.

—Kario, denk eraan: de njonja besar moet morgen om half twaalf van het station worden gehaald.

—Kandjeng… fluisterde Kario.

Er werd een visgerecht rondgediend.

—Doddy, vroeg Van Oudijck, met wie stond je net bij het hek?

Doddy keek haar vader langzaam en verbaasd aan, met haar stralende ogen.

—Bij… het hek? vroeg ze langzaam, met een heel zacht, rond accent.

—Ja.

—Bij… het hek…? Met niemand… Met Theo misschien.

—Was jij met je zus bij het hek? vroeg Van Oudijck.

De jongen trok zijn dikke blonde wenkbrauwen samen.

—Kan wel… weet niet… herinner me niet…

Ze zeiden alle drie niets. Ze aten snel en verveelden zich aan tafel. Er liepen vijf, zes bedienden in witte jasjes met rode linnen omslagen. Ze liepen zacht op hun blote, platte voeten. Ze bedienden snel en zonder geluid. Daarna was er nog biefstuk met sla, en pudding, en fruit.

—Eeuwig biefstuk… mopperde Theo.

—Ja, die kokkie! lachte Doddy, met haar lachje diep in haar keel. Zij geef altijd biefstuk als mama niet is. Kan haar niet schelen als mama niet is. Zij verzint niet. Te erg toch…

In twintig minuten hadden ze gegeten. Toen ging Van Oudijck terug naar zijn kantoor. Doddy en Theo liepen langzaam naar voren.

—Vervelend… gaapte Doddy. Kom, wij biljarten?

In de eerste binnengalerij, achter het rode gordijn, stond een klein biljart.

—Kom dan, zei Theo.

Ze speelden.

—Waarom moest ik samen met jou bij het hek geweest zijn?

—Ach… té! zei Doddy.

—Nou, waarom?

—Pa hoef niet te weten.

—Met wie was je dan? Met Addy?

—Natuurlijk! zei Doddy. Zeg, is er vanavond Stadsmuziek?

—Ik geloof het wel.

—Kom, wij gaan, ja?

—Nee, ik heb geen zin.

—Ach, waarom dan niet?

—Ik heb geen zin.

—Ga mee nou?

—Nee.

—Met mama… jij wil wel, ja? zei Doddy boos. Ik weet heel goed. Met mama jij gaat altijd naar Stadsmuziek.

—Wat weet jij… klein nest!

—Wat ik weet? lachte ze. Wat ik weet? Ik weet wat ik weet.

—Hé! plaagde hij. Hij probeerde een carambole en stootte ruw. Jij met Addy, hè!

—Nou, en jij met mama…

Hij haalde zijn schouders op.

—Je bent gek, zei hij.

—Hoef niet te verbergen voor mij! Trouwens, iedereen zegt.

—Laat ze zeggen.

—Te erg toch van jou!

—Ach, stik…

Boos gooide hij zijn keu neer en ging naar voren. Ze liep hem achterna.

—Zeg Theo… niet boos zijn dan. Ga nou mee naar Stadsmuziek.

—Nee…

—Ik zal niets meer zeggen, beloofde ze lief.

Ze was bang dat hij boos zou blijven. Dan had ze niets en niemand, en dan verveelde ze zich helemaal.

—Ik heb Addy beloofd, en ik kan toch niet alleen gaan…

—Nou, als je dan niet meer zulke idiote dingen zegt…

—Ja, ik beloof. Lieve Theo, ja, kom dan…

Ze was al in de tuin.

Van Oudijck verscheen in de deur van zijn kantoor. Die deur stond altijd open. Maar een groot kamerscherm stond tussen het kantoor en de binnengalerij.

—Doddy! riep hij.

—Ja, pa?

—Zou jij morgen kunnen zorgen voor wat bloemen in mama's kamer?

Zijn stem klonk bijna verlegen, en hij knipperde met zijn ogen.

Doddy hield haar lachen in.

—Goed, pa… Ik zal zorgen.

—Waar ga je naartoe?

—Met Theo… naar de Stadsmuziek.

Van Oudijck werd rood van boosheid.

—Naar de Stadsmuziek? Maar dat kun je me toch wel vragen! riep hij plotseling woedend.

Doddy trok een boos gezicht.

—Ik houd er niet van dat je uitgaat zonder dat ik weet waarheen. Vanmiddag was je ook weg, toen ik met je wilde wandelen!

—Nou, soedah dan maar, zei Doddy, en ze huilde.

—Je mag wel gaan, zei Van Oudijck. Maar ik wil dat je het me eerst vraagt.

—Nee, ik heb geen zin meer! huilde Doddy. Soedah maar. Geen Stadsmuziek.

In de verte, in de tuin van Concordia, hoorden ze de eerste klanken.

Van Oudijck was teruggegaan naar zijn kantoor. Doddy en Theo lieten zich in twee van die stoelen in de voorgalerij vallen. Ze gingen als razend op en neer. De stoelen reden heen en weer over het gladde marmer.

—Kom, zei Theo. Laten we toch maar gaan. Addy wacht op je.

—Nee, zei ze boos. Kan niet schelen. Ik zal Addy morgen zeggen: papa zo onaardig. Hij bederft mijn plezier. En… ik zet geen bloemen in mama's kamer.

Theo lachte zacht.

—Zeg, zei Doddy zacht. Die papa… hè? Altijd zo verliefd. Hij had een kleur toen hij mij vroeg om die bloemen.

Theo lachte nog eens en zong zachtjes met de verre muziek mee.

### III.

De volgende morgen ging Theo om half twaalf met de landauer naar het station. Hij ging zijn stiefmoeder halen.

Op dat uur deed Van Oudijck meestal de politie-rol. Hij had zijn zoon niets gezegd. Maar vanuit zijn kantoor zag hij Theo in het rijtuig stappen en wegrijden. Dat vond hij aardig van de jongen. Als kind had hij Theo meer dan alles liefgehad. Als jongen had hij hem nog verwend. Als jongeman had hij vaak ruzie met hem gehad. Maar nog vaak vlamde de oude liefde van de vader onweerstaanbaar op. Op dit moment hield hij meer van zijn zoon dan van Doddy. Zij was die morgen nog steeds boos geweest. Ze had geen bloemen in de kamer van zijn vrouw gezet. Daarom had hij Kario opdracht gegeven om voor bloemen te zorgen. Hij vond het nu jammer dat hij in dagen geen vriendelijk woord tegen Theo had gezegd. Hij nam zich voor om dat straks echt weer eens te doen. De jongen bleef nergens lang. In drie jaar had hij op wel vijf koffieplantages gewerkt. Nu had hij weer geen baan. Hij hing thuis rond en zocht iets anders.

Theo wachtte een paar minuten op het station. Toen kwam de trein uit Soerabaia aan. Hij zag mevrouw Van Oudijck meteen. Ze had de twee kleine jongens bij zich, René en Ricus. Anders dan Theo waren zij twee kleine sinjo's. Ze had hen uit Batavia meegenomen voor hun grote vakantie. Ook haar lijfmeid Oerip was erbij.

Theo hielp zijn stiefmoeder uitstappen. De stationschef groette de vrouw van zijn resident eerbiedig. Ze groette terug met haar glimlach, als een vriendelijke koningin. Met diezelfde glimlach, een beetje dubbelzinnig, liet ze toe dat haar stiefzoon haar op de wang kuste. Ze was een grote vrouw, blank en blond, over de dertig. Ze had de trage deftigheid van vrouwen die in Indië geboren zijn, met helemaal Europese ouders.

Ze had iets waar je meteen naar keek. Dat kwam door haar blanke huid, wit als melk. Het kwam door haar heel lichtblonde haar en door haar ogen. Die waren vreemd grijs, soms een beetje dichtgeknepen, en altijd dubbelzinnig. Het kwam door haar eeuwige glimlach. Die was soms heel lief en charmant, en vaak ook heel vervelend, niet om uit te houden. Als je haar voor het eerst zag, wist je niet wat er achter die blik zat. Was er iets diepers, een ziel? Of was het alleen kijken en lachen, allebei een beetje dubbelzinnig? Maar al snel zag je haar onverschilligheid, glimlachend en afwachtend. Het leek of haar heel weinig kon schelen. Zelfs als de hemel boven haar zou instorten, zou het haar niet interesseren. Ze zou het glimlachend zien gebeuren.

Haar stap was langzaam. Ze droeg een roze rok en een kort jasje van piqué, met een wit satijnen lint om haar middel. Op haar hoofd had ze een witte matelot met een witte satijnen strik. Haar zomerse reispakje was heel correct. Op het perron liepen een paar andere dames heen en weer in stijve „bébé's”. Die leken op kleren om in te slapen. En op hun hoofd droegen ze tulen hoeden met veren! Zij zag er heel Europees uit. Misschien was alleen die langzame stap, die trage deftigheid, iets Indisch. Daarin verschilde ze van een vrouw die net uit Holland kwam.

Theo bood haar zijn arm aan. Ze liet zich naar het rijtuig brengen, „de wagen”. De twee donkere broertjes volgden. Ze was twee maanden weg geweest. Ze had een groet en een glimlach voor de stationschef. Ze had een blik voor de koetsier en de staljongen. Langzaam en traag ging ze zitten, als een blanke sultane, nog steeds met haar glimlach. Haar drie stiefzonen stapten na haar in. De meid reed achter hen aan in een kleine wagen.

Mevrouw Van Oudijck keek even naar buiten. Ze vond dat Laboewangi nog net zo was als vroeger. Maar ze zei niets. Langzaam trok ze zich weer terug en ging achterover zitten. Ze zag er wel tevreden uit. Maar vooral straalde ze een lachende onverschilligheid uit. Het was alsof niets haar kon raken, alsof een vreemde macht haar beschermde. Er was iets sterks in deze vrouw, iets machtigs, dat alleen uit onverschilligheid bestond. Niets kon haar pijn doen. Het leek of het leven geen vat op haar had, niet op haar huid en niet op haar ziel. Ze zag eruit alsof ze niet kon lijden. Het was alsof ze glimlachte en zo tevreden was, omdat er voor haar geen ziekte bestond. Geen verdriet, geen armoede, geen ellende. Om haar heen straalde een helder egoïsme.

En toch was ze meestal lief en aardig. Ze won de mensen meestal voor zich, omdat ze zo mooi was. Deze vrouw straalde van tevredenheid met zichzelf. Toch hield men van haar, wat men verder ook over haar zei. Als ze praatte of lachte, kon je niet boos op haar blijven. Meer nog: ze was charmant. Dat was ondanks haar diepe onverschilligheid, waar niemand bij kon. Of misschien juist daardoor. Ze stelde alleen belang in haar eigen lichaam en haar eigen ziel. Al het andere, echt al het andere was haar volkomen onverschillig. Ze kon niets van haar ziel geven. Ze had nooit iets gevoeld, behalve voor zichzelf. Maar ze deed dat zo mooi en rustig en zo charmant glimlachend, dat men haar altijd lief en prachtig vond. Misschien kwam het door de lijn van haar wangen. Of door het vreemde, dubbelzinnige in haar blik, haar glimlach die nooit verdween, haar mooie figuur. Of door de klank van haar stem en haar woorden, die altijd precies goed waren.

Als iemand haar eerst heel vervelend vond, merkte ze dat niet. Dan werd ze juist heel charmant. Als iemand jaloers was, merkte ze dat ook niet. Dan prees ze juist, zonder nadenken en onverschillig, wat die ander minder mooi vond aan zichzelf. Het kon haar helemaal niets schelen. Met het liefste gezicht kon ze een jurk bewonderen die ze afschuwelijk vond. En omdat het haar zo onverschillig was, deed ze later niet vals. Ze nam die bewondering ook later nooit terug. Haar onverschilligheid zonder grenzen was de kracht van haar leven. Ze was gewend om alles te doen waar ze zin in had. Maar ze deed het met haar glimlach. Wat men ook achter haar rug praatte, ze bleef zo correct en zo betoverend, dat men het haar vergaf. Als men haar niet zag, hield men niet van haar. Maar zodra men haar zag, had ze alles weer gewonnen.

Haar man was gek op haar. Eigen kinderen had ze niet. Haar stiefkinderen konden het niet helpen dat ze van haar hielden, ook al wilden ze het eigenlijk niet. Haar bedienden stonden allemaal onder haar invloed. Ze mopperde nooit. Ze gaf een bevel met één woord, en het gebeurde. Als er iets misging of als er iets brak, verdween haar glimlach even… en dat was alles. En als haar eigen belang in gevaar was, van ziel of van lichaam, dan wist ze het meestal te voorkomen. Ze regelde het dan nog zo voordelig mogelijk, zonder dat haar glimlach zelfs maar verdween. Ze hield haar eigen belang zo strak om zich heen, dat ze de omstandigheden meestal beheerste. Het leek of er geen noodlot op deze vrouw drukte. Haar onverschilligheid was helder en volkomen: zonder minachting, zonder jaloezie, zonder gevoel. Haar onverschilligheid was gewoon onverschilligheid. Ze leidde haar leven met veel tact, uit instinct en zonder veel na te denken. Die tact was zo groot dat ze misschien onverschillig zou blijven, ook als ze alles verloor. Haar schoonheid bijvoorbeeld, of haar positie. Want lijden kon ze niet.

Het rijtuig reed het erf van de residentie op, juist toen de politie-rol begon. De Javaanse officier van justitie, de hoofd-djaksa, was al bij Van Oudijck in het kantoor. De djaksa en de politieoppassers brachten de rij verdachten. De inlanders hielden elkaar vast aan een punt van hun jasje en liepen met kleine stappen. Maar de paar vrouwen ertussen liepen alleen. Ze gingen allemaal onder een waringin zitten, een eindje van de trappen van het kantoor. Ze zaten laag op de grond en wachtten. Een oppasser hoorde de klok in de voorgalerij. Hij sloeg half een met de grote bel bij het oppassershuis. De luide slag klonk lang na, als een bronzen tong in de felle middaghitte.

Maar Van Oudijck had het rijtuig horen aankomen. Hij liet de hoofd-djaksa wachten en ging zijn vrouw tegemoet. Zijn gezicht klaarde op. Hij kuste haar teder en hartelijk en vroeg hoe het met haar ging. Hij was blij de jongens weer te zien. Hij herinnerde zich wat hij over Theo had gedacht, en hij zei een vriendelijk woord tegen zijn oudste. Doddy had nog steeds haar dikke, boze mondje, maar ze kuste mama. Mama liet zich kussen, rustig en glimlachend. Ze kuste kalm terug, niet koel en niet warm. Ze deed precies wat ze moest doen. Haar man, Theo en Doddy keken duidelijk vol bewondering naar haar. Ze zeiden dat ze er goed uitzag. Doddy vroeg waar mama dat leuke reispakje vandaan had. In haar kamer zag ze de bloemen. Ze wist dat Van Oudijck daar altijd voor zorgde. Daarom raakte ze even lief zijn arm aan.

De resident ging terug naar zijn kantoor, waar de hoofd-djaksa wachtte. Het verhoor begon. Een politieoppasser duwde de verdachten een voor een naar voren. Ze zaten laag op de trap, voor de drempel van het kantoor. De djaksa zat laag op een matje, en de resident zat aan zijn bureau. De eerste zaak werd behandeld. Van Oudijck luisterde nog naar de stem van zijn vrouw in de middengalerij. Toen riep de verdachte luid, om zich te verdedigen:

—Bot'n! Bot'n!!

De resident trok zijn wenkbrauwen samen en luisterde nu aandachtig…

In de middengalerij werden de stemmen stil. Mevrouw Van Oudijck was zich gaan omkleden. Ze trok een sarong en een kabaai aan voor de rijsttafel. Ze droeg het met smaak: een sarong uit Solo en een doorzichtige kabaai met speldjes van juwelen. Aan haar voeten had ze witte leren schoentjes met een klein wit strikje. Ze was net klaar, toen Doddy bij haar deur kwam.

—Mama, mama… daar is mevrouw Vàn Does!

Haar glimlach verdween even. Haar zachte ogen werden donker…

—Ik kom meteen, kind…

Maar ze ging zitten, en Oerip, de lijfmeid, deed wat parfum op haar zakdoek. Mevrouw Van Oudijck strekte zich uit en dacht nog wat na. Ze was moe en traag na haar reis. Ze vond Laboewangi hopeloos saai na Batavia. Daar had ze twee maanden gelogeerd bij vrienden en familie, vrij en zonder plichten. Hier had ze als vrouw van de resident wel een paar plichten. Maar de meeste liet ze over aan de vrouw van de secretaris. Ze was moe, boos en ontevreden. Ondanks al haar onverschilligheid was ze menselijk genoeg voor stille buien. Dan verwenste ze alles. Dan wilde ze ineens iets geks doen. Dan verlangde ze vaag naar Parijs… Ze zou dat nooit aan iemand laten merken. Ze kon zich beheersen, en ook nu beheerste ze zich, voordat ze zich weer liet zien.

Haar vage, wilde verlangen verdween in haar traagheid. Ze ging gemakkelijker liggen en droomde, met haar ogen bijna dicht. Door haar bijna bovenmenselijke onverschilligheid kwam soms een vreemde fantasie op. Die bleef verborgen voor de wereld. Het liefst leefde ze in haar kamer een leven van verbeelding, vol parfum. Vooral na haar maand in Batavia… Na zo'n maand van perversiteit wilde ze haar roze verbeelding vrij laten gaan. Die moest als wolkjes voor haar knipperende ogen drijven. In haar verder helemaal droge ziel was dat als een bloei van kleine blauwe bloemen, die niet echt waren. Ze liet ze groeien met het enige gevoel dat ze ooit zou kunnen hebben. Ze voelde niets voor een mens, maar ze voelde wel iets voor die bloemen. Zo dromen vond ze heerlijk. Wat had ze willen zijn, als ze niet hoefde te zijn wie ze was… De fantasie dreef als een wolk: ze zag een wit paleis, en overal kleine cupido's…

—Mama… kom dan toch! Daar is mevrouw Vàn Does, mevrouw Van Does, met twee stopflessen…

Het was Doddy aan haar deur. Léonie van Oudijck stond op en ging naar de achtergalerij. Daar zat de Indische dame, de vrouw van de postkommies. Ze hield koeien en verkocht melk. Maar ze handelde ook in andere dingen. Ze was een dikke dame, een beetje bruin, met een buik die naar voren stak. Ze droeg een heel eenvoudige kabaai met een smal kantje eromheen. Met haar dikke handjes ging ze zacht over haar buik. Voor haar op tafel stonden twee stopflesjes. Daarin straalde iets. Was dat suiker, of kristal? dacht mevrouw Van Oudijck vaag. Toen herinnerde ze het zich plotseling… Mevrouw Van Does zei dat ze blij was haar weer te zien. Twee maanden weg van Laboewangi. Toch te erg, die mevrouw Van Oudijck maar? En ze wees op de stopflessen. Mevrouw Van Oudijck glimlachte. Wat was het?

Geheimzinnig legde mevrouw Van Does een dik wijsvingertje tegen een van de stopflessen. Het vingertje was slap en boog naar achteren om. Fluisterend zei ze:

—Inten-inten!

—Zo? vroeg mevrouw Van Oudijck.

Doddy keek met grote ogen naar de twee stopflesjes. Theo keek ook, en hij vond het grappig.

—Ja… U weet wel, van die dame… over wie ik u verteld heb… Haar naam wil zij niet zeggen. Kassian, vroeger haar man een grote piet, en nu… ja toch zo ongelukkig. Zij heeft niets meer. Alles op. Alleen nog deze twee flesjes. Al haar juwelen heeft zij uit de zettingen laten halen, en de stenen bewaart zij hierin. Alles geteld. Zij vertrouwt het mij toe, om te verkopen. Door mijn melk heb ik relaties. Wil u zien, mevrouw Van Oudijck, ja? Móóie stenen! De residèn, hij koop voor u, nu u weer thuis is. Doddy, geef mij een zwart lapje. Fluweel is het beste…

Doddy liet de djaït een stukje zwart fluweel zoeken in een kast met spullen om te naaien. Een jongen bracht glazen tamarindesiroop met ijs. Mevrouw Van Does nam een tangetje in haar slappe vingertjes. Voorzichtig legde ze een paar stenen op het fluweel…

—Ja!! riep ze. Kijk toch die water, mevrouw! Pr… prachtig!

Mevrouw Van Oudijck keek. Ze glimlachte heel lief en zei toen met haar zachte stem:

—Die steen is vals, lieve mevrouw.

—Vals?? riep mevrouw Van Does. Vals??

Mevrouw Van Oudijck keek naar de andere stenen.

—En die andere, mevrouw… Ze boog zich aandachtig voorover en zei toen zo lief mogelijk:

—Die andere… zijn… óók vals…

Mevrouw Van Does keek haar aan, en ze had er plezier in. Toen zei ze grappig tegen Doddy en Theo:

—Die mama van jullie… pinter! Zij ziet meteen!

En ze lachte hard. Iedereen lachte. Mevrouw Van Does deed de kristallen weer in de fles.

—Een grapje, ja, mevrouw? Ik wou alleen maar zien of u verstand had. Natuurlijk, u geloof mijn erewoord: ik zou u nooit verkopen… Maar deze… kijk…

Nu opende ze heel ernstig, bijna heilig, het andere stopflesje. Daar zaten maar een paar stenen in. Liefdevol legde ze ze op het zwarte fluweel.

—Die is prachtig… voor een leontine, zei mevrouw Van Oudijck. Ze keek naar een heel grote briljant.

—Nou… wat zeg ik u? vroeg de Indische dame.

Ze keken allemaal naar de briljanten, de echte, uit het „echte” stopflesje. Voorzichtig hielden ze ze tegen het licht.

Mevrouw Van Oudijck zag dat ze allemaal echt waren.

—Ik heb heus geen geld, lieve mevrouw! zei ze.

—Deze grote… voor leontine… zeshonderd gulden… een koopje, ik verzeker u, mevrouw!

—O, mevrouw, nee, nooit!

—Hoeveel dan? U doet goed werk als u koop. Kassian, haar man vroeger grote piet. Raad van Indië.

—Tweehonderd…

—Jà, kassian!! Tweehonderd!

—Tweehonderdvijftig, maar niet meer. Ik heb heus geen geld.

—De residèn… zei mevrouw Van Does zacht. Ze zag Van Oudijck aankomen. De politie-rol was voorbij, en hij kwam naar de achtergalerij. De residèn… hij koop voor u!

Mevrouw Van Oudijck glimlachte. Ze keek naar de stralende druppel licht op het zwarte fluweel. Ze hield van juwelen. Voor briljanten was ze niet helemaal onverschillig.

En ze keek op naar haar man.

—Mevrouw Van Does laat ons een heleboel moois zien, zei ze lief en zacht.

Van Oudijck voelde een schok in zijn borst. Hij zag mevrouw Van Does nooit graag in zijn huis. Ze had altijd iets te verkopen. De ene keer waren het gebatikte doeken voor op bed, de andere keer geweven muilen. Een derde keer waren het prachtige maar heel dure tafellopers. Daarop stonden gouden gebatikte bloemen op geel linnen met een glans. Mevrouw Van Does bracht altijd iets mee. Ze kende altijd vrouwen van vroegere „grote pieten”. Die hielp ze met verkopen, voor een heel hoog percentage. Een ochtendbezoek van mevrouw Van Does kostte hem elke keer minstens een paar rijksdaalders. Heel vaak was het wel vijftig gulden. Want zijn vrouw kocht altijd rustig dingen die ze niet nodig had. Ze was te onverschillig om ze niet van mevrouw Van Does te kopen. Hij zag de twee stopflessen niet meteen. Maar hij zag de druppel licht op het zwarte fluweel. Hij begreep dat dit bezoek meer dan vijftig gulden zou kosten, als hij niet heel sterk was.

—Mevrouwtje! zei hij geschrokken. Het is het einde van de maand. Briljanten kopen, dat gaat vandaag niet! En dan nog wel stopflessen vol! riep hij. Nu pas zag hij ze stralen op tafel, tussen de glazen tamarindesiroop. Hij schrok ervan.

—Ja, die residèn! lachte mevrouw Van Does, alsof een resident altijd rijk was.

Van Oudijck haatte dat lachje. Zijn huishouden kostte hem elke maand een paar honderd gulden meer dan zijn salaris. Hij gaf meer uit dan hij had, en hij had schulden. Zijn vrouw bemoeide zich nooit met geldzaken. Juist daarvoor had ze haar meest glimlachende onverschilligheid.

Ze liet de briljant even stralen, en de steen schoot een blauwe straal.

—Hij is prachtig… voor tweehonderdvijftig.

—Voor driehonderd dan, lieve mevrouw…

—Driehonderd? vroeg ze, alsof ze droomde. Ze speelde met de steen.

Of het nu driehonderd was, of vier- of vijfhonderd, het was haar allemaal hetzelfde. Het liet haar volkomen onverschillig. Maar ze vond de steen mooi. Ze had al besloten dat ze hem zou nemen, voor welke prijs ook. En daarom legde ze de steen rustig neer en zei:

—Nee, lieve mevrouw, heus… de steen is te duur, en mijn man heeft geen geld.

Ze zei het zo lief dat niemand kon raden wat ze bedoelde. Terwijl ze die woorden zei, was ze heel lief en bescheiden. Van Oudijck voelde een tweede schok in zijn borst. Hij kon zijn vrouw niets weigeren.

—Mevrouw, zei hij. Laat u de steen maar hier… voor driehonderd gulden. Maar neem dan in godsnaam uw stopflessen mee.

Mevrouw Van Does keek juichend op.

—Nou… wat heb ik u gezegd? Ik weet zeker, de residèn, hij koop voor u…!

Mevrouw Van Oudijck keek zacht verwijtend op.

—Maar Otto! zei ze. Hoe is het nu toch mogelijk!

—Vind je de steen mooi?

—Ja, prachtig… maar zo veel geld! Voor één briljant!

En ze trok de hand van haar man naar zich toe. Ze liet toe dat hij haar op het voorhoofd kuste. Dat mocht hij, omdat hij een briljant van driehonderd gulden voor haar had mogen kopen. Doddy en Theo knipoogden naar elkaar.

### IV.

Léonie van Oudijck genoot altijd van haar siësta. Ze sliep maar heel even. Maar ze vond het heerlijk om na de rijsttafel alleen in haar koele kamer te blijven, tot vijf uur, half zes. Ze las een beetje, meestal de tijdschriften uit de leestrommel. Maar vooral deed ze niets en droomde ze. Het waren vage fantasieën, die in de eenzame middaguren bij haar kwamen. Niemand wist ervan. Ze hield ze heel geheim, als een geheime zonde, een slechte gewoonte. Bij een liefdesaffaire liet ze zich veel eerder zien aan de wereld. Haar affaires duurden nooit lang en telden weinig mee in haar leven. Ze schreef nooit brieven. En de gunsten die ze gaf, gaven de minnaar nooit enig recht in het gewone dagelijkse leven. Zo was ze stil en correct pervers, met haar lichaam en in haar geest. Want ook haar fantasieën waren pervers, hoe zwak poëtisch ook.

Haar liefste schrijver was Catulle Mendès. Ze hield van al zijn kleine bloemen van blauwe sentimentaliteit. Ze hield van zijn roze, gemaakte liefdesengeltjes, met het pinkje in de lucht en de beentjes mooi heen en weer. En dat alles rond de meest perverse onderwerpen van hartstocht die de verkeerde kant op gaat. In haar slaapkamer hingen een paar platen. Op één ervan lag een jonge vrouw achterover op een kanten bed. Twee spelende engeltjes kusten haar. Op een andere lag een leeuw met een pijl in zijn borst aan de voeten van een glimlachende maagd. Er hing ook een grote reclameplaat voor parfum. Daarop stond een soort bloemennimf. Speelse parfumengeltjes trokken haar sluier aan alle kanten weg. Vooral die plaat vond ze prachtig. Iets mooiers kon ze zich niet voorstellen. Ze wist dat de plaat afschuwelijk was. Maar ze had het nooit over haar hart kunnen verkrijgen om het ding van de muur te halen. Ook al keken de mensen er schuin naar. Haar kennissen en haar kinderen liepen namelijk in en uit in haar kamer. In Indië gaat dat gemakkelijk; men maakt er geen geheim van het aankleden.

Ze kon er minutenlang naar staren, als betoverd. Ze vond het heel lief, en haar eigen dromen leken op die prent. Ze bewaarde ook een bonbondoos met een romantisch plaatje. Dat was voor haar het type van schoonheid, nog mooier dan zijzelf. Een beetje rood op de wangen, bruine ogen onder onwaarschijnlijk gouden haar, de borst zichtbaar onder kant. Maar ze liet nooit iets zien van deze belachelijkheid. Ze voelde vaag dat het belachelijk was. Ze sprak nooit over die platen en doosjes, juist omdat ze wist dat ze lelijk waren. Maar ze vond ze mooi, ze vond ze heerlijk. Ze vond ze kunst en poëzie.

Zo waren haar liefste uren.

Hier in Laboewangi durfde ze niet te doen wat ze in Batavia deed. En hier geloofde men nauwelijks wat men in Batavia vertelde. Toch verzekerde mevrouw Van Does iets anders. Een resident en een inspecteur hadden een paar dagen in het residentiehuis gelogeerd. De een was op reis, de ander op tournee. Volgens mevrouw Van Does hadden ze 's middags, tijdens de siësta, de weg naar Léonies slaapkamer gevonden. Maar in Laboewangi waren zulke echte dingen toch zeldzame tussenspelen. Meestal waren er alleen de roze middagdromen van mevrouw Van Oudijck…

Toch leek het deze middag…

Ze had even geslapen. Alle sporen van de reis en de warmte waren verdwenen van haar melkwitte huid. Ze keek naar de spelende engeltjes van de parfumreclame. Maar haar gedachten waren niet bij al die roze, lieve poppetjes. Ze luisterde naar buiten…

Ze droeg alleen een sarong. Die had ze onder haar armen opgetrokken en op haar borst vastgeknoopt.

Haar mooie blonde haar hing los.

Haar mooie witte voetjes waren bloot. Ze had zelfs haar muilen niet aangedaan.

En ze keek door de kleine openingen van het luik.

Op de zijtrappen van het huis stonden bloempotten. Hun grote bladeren verborgen haar ramen. Tussen die potten door zag ze een bijgebouw met vier kamers: de logeerkamers. In een daarvan woonde Theo.

Ze bleef een tijdje kijken. Toen deed ze het luik een klein stukje open…

En ze zag dat ook het luik van Theo's kamer even openging…

Toen glimlachte ze. Ze knoopte de sarong steviger vast en ging weer in bed liggen.

Ze luisterde.

Na een ogenblik hoorde ze het grind even kraken onder iemands muilen. Haar luikdeuren waren dichtgeslagen, maar niet op slot. Nu opende een hand ze voorzichtig…

Ze keek glimlachend om…

—Wat is er, Theo? zei ze zacht.

Hij kwam dichterbij. Hij droeg een slaapbroek en een kabaai. Hij ging op de rand van het bed zitten en speelde met haar witte, ronde handen. En ineens kuste hij haar wild.

Op dat moment vloog er een steen door de kamer.

Ze schrokken allebei en keken op. In een ogenblik stonden ze midden in de kamer.

—Wie gooit er? vroeg ze angstig.

—Misschien een van de jongens, René of Ricus, die buiten spelen, antwoordde hij.

—Die zijn nu nog niet op…

—Of iets wat van boven valt…

—Hij werd toch gegooid…

—Er raakt zo vaak een steentje los…

—Maar dit is grind.

Ze pakte het steentje van de grond. Voorzichtig keek hij naar buiten.

—Het is niets, Léonie. Het moet echt van boven gevallen zijn, uit de goot, door het raam. En toen is het weer omhoog gesprongen. Het is niets…

—Ik ben bang, zei ze stil.

Hij lachte bijna hardop en vroeg:

—Waarvoor?

Ze hoefden voor niets bang te zijn. Haar slaapkamer lag tussen haar boudoir en twee grote logeerkamers. Die waren alleen voor residenten, generaals en andere hoge gasten. Aan de andere kant van de middengalerij lagen de kamers van Van Oudijck, zijn kantoor en zijn slaapkamer. Daar lagen ook de kamer van Doddy en de kamer van de jongens, Ricus en René. Léonie woonde dus alleen in haar vleugel, tussen de logeerkamers in. Daardoor durfde ze veel. Op dit uur was het erf helemaal verlaten. Bovendien was ze niet bang voor de bedienden. Oerip was helemaal te vertrouwen en kreeg vaak mooie cadeaus. Ze kreeg sarongs en een gouden pending. Ze kreeg ook een lange speld met diamanten voor haar kabaai. Die droeg ze op haar borst, als een plaat van zilver en stenen.

Léonie mopperde nooit en gaf graag voorschot op het loon. Ze leek gemakkelijk, al gebeurde alles alleen zoals zij het wilde. Daarom waren de bedienden niet slecht op haar gesteld. Ze wisten veel van haar, maar ze hadden haar nog nooit verraden. Daardoor durfde ze nog meer. Tussen de slaapkamer en het boudoir hing een gordijn voor de doorgang. Theo en Léonie hadden eens en voor altijd iets afgesproken. Bij gevaar zou hij rustig achter dat gordijn wegglippen. Dan zou hij door de tuindeur van het boudoir naar buiten gaan. Daar zou hij naar de rozenpotten op de treden van de trap kijken. Zo zou het lijken alsof hij net uit zijn eigen kamer kwam en even naar de rozen keek. De binnendeuren van het boudoir en de slaapkamer waren meestal dicht. Want Léonie zei ronduit dat ze niet graag verrast werd.

Ze hield van Theo om zijn frisse jeugd. Hier in Laboewangi was hij haar enige slechte gewoonte. Een inspecteur op doorreis en de roze engeltjes telde ze niet mee. Nu waren ze als stoute kinderen. Ze lachten stil, in elkaars armen. Maar ze moesten voorzichtig zijn. Het was vier uur geworden. In de tuin hoorden ze de stemmen van René en Ricus.

De jongens namen het erf in bezit voor hun vakantie. Ze waren dertien en veertien jaar en genoten van de grote tuin. Ze liepen in een katoenen jasje en broekje met blauwe strepen, op blote voeten. Ze gingen naar de paarden en de duiven kijken. Ze plaagden Doddy's kakatoe, die met kleine pasjes over het dak van de bijgebouwen liep. Ze hadden een badjing als huisdier. Ze maakten jacht op tokkè's en schoten op ze met een soempitan. Daar ergerden de bedienden zich erg aan, want tokkè's brengen geluk. Bij het hek kochten ze katjang-goreng van een Chinees die voorbijkwam. Daarna riepen ze hem boos na:

—Katja… àng golengan! Tjina mampoes!

Zo deden ze zijn Chinese accent na. Ze gingen de flamboyant in en hingen als apen aan de takken heen en weer. Ze gooiden stenen naar de katten. Ze hitsten de honden van de buren op. Dan gingen die tekeer tot ze geen stem meer hadden, en beten ze elkaars oren kapot. Ze speelden met water bij de vijver en werden vies van de modder. Ze durfden zelfs de Victoria Regia's te plukken, en dat mocht absoluut niet. Ze testten hoe sterk de groene, platte bladeren waren, die op dienbladen leken. Ze dachten dat ze erop konden staan, en ze zakten onder water… Dan zetten ze lege flessen op een rij en gooiden die met keien om. Dan haalden ze met een bamboestok allerlei vreemde drijvende dingen uit de sloot naast het huis. Daarmee gooiden ze naar elkaar.

Hun fantasie was eindeloos, en het uur van de siësta was hun uur. Ze hadden een tokkè gevangen en een kat. Die lieten ze met elkaar vechten. De tokkè opende zijn bek als een kleine krokodil en betoverde de kat met zijn blik. De kat sloop weg uit de blik van die kleine zwarte ogen. Ze had een hoge rug en haar haren stonden rechtop van angst. Daarna aten de jongens zich ziek aan mango's die nog niet rijp waren.

Léonie en Theo hadden het gevecht tussen de kat en de tokkè door het luik bekeken. Nu zagen ze de jongens rustig in het gras de groene mango's eten. Maar het was het uur waarop de gestraften op het erf werkten. Het waren er een stuk of twaalf. Een oude, deftige mandoor met een rietje in zijn hand hield toezicht. Ze haalden water in tonnen en in gieters, gemaakt van petroleumblikken van Devoe. Soms gebruikten ze ook de blikken zelf. Ze gaven water aan de planten, het gras en het grind. Daarna maakten ze het erf schoon met bezems van lidi, die luid ruisten.

René en Ricus waren bang voor de mandoor. Maar achter zijn rug gooiden ze met half opgegeten mango's naar de gestraften. Ze riepen boos lelijke dingen naar hen en trokken gekke gezichten, als apen. Doddy kwam eraan. Ze had goed geslapen en speelde met haar kakatoe. Die zat op haar hand en riep: kaka! kaka! Met snelle bewegingen van zijn nek zette hij de gele veren op zijn kop omhoog.

En nu sloop Theo achter het gordijn weg, het boudoir in. Even liepen de jongens elkaar achterna, in een bombardement van mango's. Doddy wandelde naar de vijver, met de kakatoe op haar hand. Ze liep traag en wiegend, op de Indische manier. Op dat moment kwam Theo tevoorschijn van achter de planten. Hij rook aan de rozen. Hij deed alsof hij in de tuin had gewandeld, voordat hij ging baden.

### V.

Van Oudijck voelde zich prettiger dan in weken. Twee maanden lang was het saai geweest in zijn huis. Nu leek er weer iets van gezinsleven te komen. Hij vond het fijn om zijn twee wilde jongens in de tuin te zien spelen. Ook al haalden ze allerlei kattenkwaad uit. En vooral was hij heel tevreden dat zijn vrouw weer terug was.

Ze zaten nu om half zes in de tuin thee te drinken, in hun gemakkelijke huiskleren. Het was toch heel vreemd. Léonie maakte het grote huis meteen comfortabeler en gezelliger, omdat ze daar zelf van hield. Anders dronk Van Oudijck snel een kop thee, die Kario hem in zijn slaapkamer bracht. Maar vandaag was de middagthee al een prettig uur. Buiten voor het huis stonden rieten stoelen en lange mailstoelen. Op een rieten tafel stond het theeblad. Er was pisang goreng gebakken. Léonie lag in een rieten stoel, in een Japanse kimono van rode zijde, met haar blonde haar los. Ze speelde met Doddy's kakatoe en voerde de vogel met gebak.

Alles was meteen heel anders, vond Van Oudijck. Zijn vrouw was gezellig, lief en mooi. Nu en dan vertelde ze iets over de kennissen in Batavia. Ze vertelde over de races in Buitenzorg, over een bal bij de Gouverneur-Generaal, over de Italiaanse opera. De jongens waren vrolijk, gezond en uitgelaten, hoe vies ze ook waren van het spelen. Hij riep ze eens bij zich en speelde even wild met ze. Hij vroeg naar het gymnasium; ze zaten in de tweede klas. Zelfs Doddy en Theo leken hem anders. Doddy was schattig en zingend rozen uit de bloempotten aan het plukken. Theo praatte veel met mama, en zelfs met hem.

Om Van Oudijcks snor speelde een prettige trek. Zijn gezicht zag er nog jong uit. Hij leek nauwelijks achtenveertig. Hij had een scherpe, levendige blik. Hij keek snel op en zag meteen alles. Hij was wat zwaar en zou nog zwaarder kunnen worden. Toch had hij iets snels en militairs gehouden. Op zijn tournees werd hij nooit moe. Hij was een uitstekende ruiter. Hij was groot en sterk en tevreden met zijn huis en zijn gezin. Hij had iets prettigs van stevige mannelijkheid, en om zijn snor lachte de vrolijke trek. Hij liet zich gaan en strekte zich uit in zijn rieten stoel. Terwijl hij zijn kopje thee dronk, sprak hij zijn gedachten uit. Die kwamen meestal in zo'n tevreden uur bij hem op.

Ja, het was toch een goed leven in Indië, bij het Binnenlands Bestuur. Voor hem was het in elk geval altijd goed geweest. Maar hij had ook een beetje geluk gehad. Nu was het hopeloos met de promotie. Hij kende veel assistent-residenten van zijn leeftijd. Die hadden nog in jaren geen kans om resident te worden. Dat was zeker een hopeloze toestand. Zo lang ondergeschikt blijven aan een chef! Op die leeftijd nog moeten wachten op de bevelen van een resident! Dat had hij nooit kunnen uithouden, op zijn achtenveertigste!

Maar resident zijn, dat was anders. Zelf bevelen geven, zelf een gewest besturen, zo groot en belangrijk als Laboewangi! Met zoveel koffie, zoveel suikerfabrieken, zoveel stukken grond in erfpacht! Dat was een genot, dat was leven. Het was een groot en ruim leven, als geen ander. In Holland was geen baan en geen leven daarmee te vergelijken. Hij had een grote verantwoordelijkheid, en voor zijn heersersnatuur was dat een genot. Zijn werk was afwisselend: kantoorwerk en tournee. De zaken waar het om ging, waren ook heel verschillend. Je werd niet dom en moe op je kantoorstoel. Na het kantoor was er de vrije natuur. Er was altijd iets nieuws, altijd iets anders.

Hij hoopte over anderhalf jaar resident eerste klasse te worden. Dan moest er wel een gewest van de eerste klasse vrijkomen: Batavia, Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zou het hem dan aan het hart gaan om Laboewangi te verlaten. Hij was gehecht aan zijn gewest. Hij had er al vijf jaar zoveel voor gedaan. In die vijf jaar was het gaan bloeien, voor zover dat kon. Want het waren slechte tijden, overal. De koloniën waren arm en de bevolking was arm geworden. De koffie ging slechter dan ooit. Voor de suiker kwam er misschien over twee jaar een zware crisis… Indië ging langzaam achteruit. Zelfs in de hardwerkende Oosthoek groeide een traagheid en zwakte, als een ziekte. Maar voor Laboewangi had hij toch veel kunnen doen.

Onder zijn bestuur was de bevolking welvarender geworden. Het water voor de rijstvelden was uitstekend geregeld. Eerst lag de ingenieur altijd overhoop met het B.B. Maar Van Oudijck had hem met zijn tact voor zich gewonnen. Er waren veel stoomtrams aangelegd. De secretaris, zijn assistent-residenten en zijn controleurs waren hem toegewijd. Ook al was het zwaar werken onder zijn bestuur. Maar hij had ook een prettige toon met ze. Hij kon hartelijk en vriendschappelijk zijn, al was hij de resident. Hij was blij dat ze allemaal het gezonde, opgewekte type van de ambtenaar van het B.B. waren. Ze waren tevreden met hun leven en hun werk. Al bestudeerden ze tegenwoordig veel meer dan vroeger de Regeringsalmanak en de Ranglijst, voor hun promotie. Van Oudijck had een stokpaardje. Hij vergeleek zijn ambtenaren graag met de ambtenaren van de rechtspraak. Die waren niet zo opgewekt. De twee groepen waren dan ook altijd een beetje jaloers op elkaar en mochten elkaar niet… Ja, het was een prettig leven en een prettige baan. Alles was goed, alles was goed. Er ging niets boven het B.B.

Hij vond het alleen jammer dat zijn verhouding met de Regent niet gemakkelijker en aangenamer was. Maar dat was niet zijn schuld. Hij had de Regent altijd heel nauwkeurig gegeven wat hem toekwam. Hij had hem zijn rechten gelaten. Hij had hem in ere gehouden tegenover de Javaanse bevolking, en zelfs tegenover de Europese ambtenaren. O, hij vond het zo erg dat de oude Pangéran gestorven was! Dat was de vader van de Regent, de oude regent, een edele, ontwikkelde Javaan. Met hem had Van Oudijck altijd goed kunnen opschieten. Hij had hem meteen gewonnen met zijn tact.

Vijf jaar geleden was hij in Laboewangi aangekomen om het bestuur over te nemen. De Pangéran was het type van de echte Javaanse heer van adel. Van Oudijck had hem toen uitgenodigd om naast hem te zitten, in zijn eigen rijtuig. Normaal moest de regent volgen in een tweede rijtuig, achter het rijtuig van de resident. Met die beleefdheid tegenover de oude prins had hij meteen alle Javaanse hoofden en ambtenaren gewonnen. Dat deed hun eerbied en liefde voor hun regent goed. Want de regent stamde af van een van de oudste Javaanse families: de Adiningrats. In de tijd van de Compagnie waren zij sultans van Madoera geweest…

Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent van nu, hem kon hij niet begrijpen. Hij kon hem niet doorgronden. Dat gaf hij alleen in stilte aan zichzelf toe. Hij zag hem alleen als een raadsel, die wajangpop, zoals hij hem noemde. Soenario was altijd stijf en hield afstand van hem, de resident. Het was alsof hij, de prins, neerkeek op hem, een Hollandse burgerman. En bovendien was hij fanatiek. Hij had geen oog voor de belangen van zijn Javaanse bevolking. Hij ging alleen op in allerlei bijgelovige gebruiken en fanatieke gedachten. Van Oudijck zei het niet ronduit, maar iets in de Regent begreep hij niet.

Soenario was een fijne figuur met strakke ogen, zwart als kool. Maar Van Oudijck kon hem niet plaatsen als mens in het praktische leven. Met de oude Pangéran had hij dat altijd wel gekund. Die was door zijn leeftijd altijd zijn vaderlijke vriend geweest. Volgens de regels van beleefdheid was hij zijn „jongere broeder”. Maar hij had altijd samen met hem het gewest bestuurd. Soenario vond hij geen echte ambtenaar en geen echte Regent. Hij was alleen maar een fanatieke Javaan, die zich in iets geheims hulde. Allemaal onzin, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario's naam als heilige, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem niet praktisch: een Javaan die achteruit was gegaan, een Javaanse fat die van slag was!

Maar dat slechte contact met de Regent was alleen een verschil van karakter. Het was nooit tot echte feiten gekomen. Hij draaide het mannetje immers om zijn vinger! Toch was het de enige grote moeilijkheid die hem in al die jaren weleens boos had gemaakt. Zijn leven als resident had hij voor geen ander leven willen ruilen. O, hij piekerde nu al over wat hij later zou doen, als hij met pensioen was. Het liefst bleef hij zo lang mogelijk in dienst. Lid van de Raad van Indië, vicepresident… Wat hij niet zei, maar wel in stilte wilde, was later de troon van Buitenzorg.

Maar in Holland had men tegenwoordig een vreemde gewoonte. Men benoemde buitenstaanders in de hoogste functies. Het waren Hollanders, baren, die helemaal niets van Indië wisten. Men bleef niet trouw aan het oude principe om mannen te kiezen die al lang in Indië dienden. Zulke mannen waren begonnen als aspirant-controleur en waren omhoog geklommen. Ze kenden de hele rangorde van de ambtenaren op hun duimpje… Ja, wat zou hij doen als hij met pensioen was? In Nice wonen? Zonder geld? Want sparen ging niet. Het leven was ruim, maar duur. In plaats van te sparen maakte hij beren. Nou ja, dat gaf nu niet, dat werd wel terugbetaald. Maar later, later… De toekomst en het pensioen waren voor hem allesbehalve een prettig vooruitzicht. Wegkwijnen in Den Haag, in een klein huis. Met een bittertje in de Witte en in de Besognekamer, tussen de oude pruiken… brr!! Hij kreeg het er koud van. Hij zou er niet aan denken. Aan de toekomst wilde hij dan maar helemaal niet denken. Misschien was hij voor die tijd al dood. Maar nu was het heerlijk: zijn werk, zijn huis, Indië. Er was helemaal niets mee te vergelijken.

Léonie had glimlachend naar hem geluisterd. Ze kende zijn stille vreugde en zijn grote liefde voor zijn baan. Zij noemde het zijn aanbidding van het B.B. Ze vond het goed; ze had er niets op tegen. Ook zij hield van de luxe van het leven als vrouw van de resident. Het eenzame leven hier kon haar niet schelen. Meestal had ze genoeg aan zichzelf… En ze antwoordde hem glimlachend, tevreden en lief. Haar huid was wit als melk. Onder de lichte bedak was ze nog witter, tegen de rode zijde van de kimono. Ze was mooi, met haar blonde haar golvend om haar heen.

Die morgen had ze even een slecht humeur gehad. Na Batavia had Laboewangi op haar gedrukt, zo saai als een hoofdplaats in het binnenland is. Maar sindsdien had ze een grote briljant gekregen. Sindsdien had ze Theo terug… Zijn kamer was vlak bij de hare. En hij zou nog lang geen baan kunnen vinden.

Dat waren haar gedachten. Haar man had gezegd wat er in zijn hart was en lag nog zalig na te denken. Dieper dacht ze niet. Als ze iets van spijt of schuld had kunnen voelen, zou ze daar heel verbaasd over zijn geweest… Het begon zachtjes donker te worden. De maan steeg al lichtend omhoog. Achter de waringins, zacht als fluweel, stonden de klapperbomen. Hun bladeren gingen zachtjes op en neer. Ze staken feestelijk hoog in de lucht, als bossen donkere veren. Daarachter scheen het laatste licht van de zon nog als donker goud. Daartegen stonden de zachte waringins en de deftige klappers zwart, als een tekening met inkt.

In de verte klonken steeds dezelfde tonen van de gamelan. Ze klonken droevig, als een glazen piano, helder als water. En telkens klonk er een diepe valse toon tussendoor…

### VI.

Van Oudijck was blij met zijn vrouw en kinderen. Hij wilde graag een rit maken, en de landauer werd ingespannen. Van Oudijck keek vrolijk en tevreden onder de brede gouden band van zijn pet. Léonie zat naast hem. Ze droeg een nieuwe lila jurk van dunne, fijne katoen uit Batavia, en een hoed met lila klaprozen. In het binnenland is een dameshoed een luxe, iets heel erg chics. Doddy zat tegenover haar, zonder hoed, zoals dat in het binnenland gaat. Ze ergerde zich in stilte. Mama had haar toch wel kunnen zeggen dat ze een hoed zou „gebruiken”, zoals Doddy dat zei. Nu stak ze zo af bij mama! Ze kon die zacht bewegende klaprozen niet uitstaan! Van de jongens was René mee, in een fris wit pakje. De hoofdoppasser zat op de bok naast de koetsier. Tegen zijn heup hield hij de grote gouden pajong, het teken van het gezag.

Het was na zes uur en het begon al donker te worden. Over Laboewangi hing op dit uur die stilte, zacht als fluweel. Het was het tragische geheim van het uur waarin het donker wordt, in de oostmoesson. Soms hoorde je alleen een hond, of een bosduif. Dan werd die vreemde stilte even verbroken, de stilte van een stad waar niemand leek te wonen. Maar nu reed het rijtuig er luid dwars doorheen. De voeten van de paarden maakten kleine stukjes van de stilte. Ze kwamen geen ander rijtuig tegen. Er was geen mens te zien; de tuinen en galerijen leken betoverd. Een paar jongemannen in het wit wandelden voorbij en namen hun hoed af.

Het rijtuig verliet de deftige lanen en reed de Chinese kamp in. Daar werden in de kleine winkels de lichtjes aangestoken. De handel was zo goed als klaar. De Chinezen rustten uit, in allerlei slappe houdingen. Ze hadden hun benen in de lucht of over elkaar, en hun armen om hun hoofd. Hun staarten hingen los, of ze waren om hun hoofd gebonden. Als het rijtuig dichterbij kwam, stonden ze op en bleven eerbiedig staan. De meeste Javanen gingen laag op de grond zitten: de goed opgevoede Javanen, die manieren hadden. Langs de weg stonden nu de kleine keukentjes van straatverkopers, verlicht met kleine olielampjes. Er waren verkopers van drank en verkopers van gebak. Met al die lichtjes in het donker waren de kleuren vuil en bont. De Chinese winkeltjes waren overvol met koopwaar. Ze waren beschilderd met rode en gouden tekens. Er zaten rode en gouden papiertjes met spreuken op geplakt. Achterin stond het huisaltaar met de heilige plaat: de witte god, zittend, en achter hem de zwarte god met een brede lach.

Maar plotseling werd de straat breder en deftiger. Rijke Chinese huizen lichtten zacht wit op, als villa's. Vooral viel een wit paleis op van een schatrijke ex-opiumpachter. Hij was rijk geworden in de tijd voordat de regering zelf de opium verkocht. Het was een wit paleis van mooi stucwerk, met heel veel bijgebouwen. De poorten van de voorgalerij waren in een grote, deftige Chinese stijl. Ze waren elegant en zacht bont van goudkleur. Diep in het open huis stond het heel grote huisaltaar. De plaat met de goden stond trots in het licht. De tuin had gekunstelde paden met veel bochten. Maar hij stond mooi vol met vierkante potten en lange vazen van donkerblauw en groen glazuur. Daarin stonden kostbare dwergplantjes, die van vader op zoon gingen. Alles werd heel schoon gehouden, keurig verzorgd tot in het kleinste detail. Het was de welvarende, heel schone luxe van een Chinese miljonair van de opium. Maar niet alle Chinese huizen stonden zo trots open. De meeste lagen verborgen in tuinen achter hoge muren. Ze waren gesloten en hielden hun huiselijk leven geheim.

Ineens hielden de huizen op. Langs een brede weg lagen Chinese graven, rijke graven. Het waren heuvels van gras met een ingang van steen: de ingang van de dood. Die heuvel had als symbool de vorm van de vrouwelijke schoot, waar het leven uit komt. Eromheen lag een groot grasveld. Dat ergerde Van Oudijck. Hij rekende uit hoeveel landbouwgrond verloren ging door de begraafplaatsen van de rijke Chinezen. De Chinezen leken te triomferen in leven en in dood, in deze verder zo stille, geheimzinnige stad. De Chinezen gaven de stad haar echte karakter: drukte en handel, rijk worden, leven en sterven.

Want daarna reed het rijtuig de Arabische wijk in. De huizen waren als andere huizen, maar somber en zonder stijl. Rijkdom en leven zaten verborgen achter dichte deuren. In de voorgalerij stonden wel stoelen. Maar de heer des huizes zat somber laag op de grond, zonder te bewegen. Met een zwarte blik volgde hij het rijtuig. Deze wijk leek nog tragischer en geheimzinniger dan het deftige Laboewangi. Er leek een mysterie uit op te stijgen dat niet te zeggen was, iets van de islam. Het verspreidde zich zacht over de hele stad. Het was of de islam een donker, noodlottig verdriet uitstraalde: het stil aanvaarden van het leven. Het hing in de bange, stille avond…

Zij voelden dat niet in hun ratelende rijtuig. Ze waren al van kinds af aan aan die sfeer gewend. Ze voelden het sombere geheim niet meer. Het was als een zwarte macht die naderde. Die macht had hen, de heersers met hun creoolse bloed, altijd en altijd aangeraakt met haar adem. Daarom zouden ze haar nooit vermoeden. Misschien opende het sombere geheim zich soms even voor de diepste gedachten van Van Oudijck. Dat gebeurde misschien als hij in de kranten las over het pan-islamisme.

Maar nu reed hij met zijn vrouw en kinderen, in het lawaai van zijn rijtuig. Je hoorde de voeten van zijn mooie paarden uit Sydney. Op de bok zat de oppasser met de gesloten pajong, die straalde als een zon met ingetrokken stralen. Nu voelde hij zichzelf te sterk, zijn natuur van heerser en overheerser. Daarom kon hij niets van het zwarte geheim raden en niets van het zwarte gevaar zien. En vooral nu voelde hij zich te prettig om iets droevigs te voelen of te zien. In zijn optimisme zag hij zelfs het verval niet van zijn stad, waar hij van hield. Ze reden langs enorme villa's met pilaren. Die vertelden van de rijkdom van de planters van vroeger. Nu waren ze verlaten en verwaarloosd, met verwilderde erven. In een ervan zat een maatschappij die hout kapte. De opzichter woonde er, en in de voortuin lagen de balken op een stapel. Maar dat trof hem niet. Treurig lichtten de verlaten huizen wit op, met hun portieken van pilaren. In de wilde erven stonden ze als spoken in het maanlicht, als tempels van ongeluk… Maar zij zagen het zo niet. Léonie genoot van het zachte wiegen op de veren van het rijtuig en dommelde glimlachend. En nu ze weer bij de Lange Laan kwamen, keek Doddy uit of ze Addy niet zag…

### Woordenlijst

- **resident**: de hoogste Nederlandse ambtenaar in een gewest (een deel van het land). Meer dan één: **residenten**. Zijn huis is het **residentshuis**. Javanen zeggen **residèn**.
- **siësta**: rust of slaap in de hete middag; ook **middagsiësta**.
- **oostmoesson**: de droge tijd van het jaar op Java, met wind uit het oosten.
- **waringin**: grote heilige boom met veel luchtwortels.
- **deftig**: chic en voornaam; **deftigheid** is chic en voornaam gedrag.
- **oppasser**: Javaanse bediende in uniform bij het kantoor van de resident. 's Avonds draagt hij een **tali-api**: een brandend touw, zodat iedereen de resident herkent.
- **Kandjeng / Kandjeng Toean**: eerbiedige manier om een hooggeplaatst persoon aan te spreken.
- **semba**: eerbiedig Javaans gebaar met de handen tegen elkaar voor het gezicht.
- **nonna**: meisje of jonge vrouw uit Indië, vaak van gemengde afkomst. Een jongen of jonge man heet **sinjo**.
- **dessa**: Javaans dorp op het platteland.
- **sociëteit**: club waar de Europeanen 's avonds samenkomen om te praten, te drinken en te spelen.
- **grongong**: de wind die daar elke dag op hetzelfde uur uit de verte komt aanwaaien.
- **duiten**: oude koperen munten van weinig waarde.
- **tjelaka**: ongeluk, onheil.
- **spen**: hofmeester: de bediende die het eten en de voorraad beheert. De kokkin heet **kokkie**.
- **njonja besar**: de vrouw des huizes.
- **stiefmoeder**: de nieuwe vrouw van je vader. Haar **stiefzoon**, **stiefzonen** en **stiefkinderen** zijn de kinderen van haar man.
- **onverschillig**: zonder interesse: het kan je niets schelen. **onverschilligheid** is dat gevoel.
- **tact**: gevoel voor wat je moet zeggen en doen, zodat het goed gaat met andere mensen.
- **politie-rol**: zitting waarin de resident kleine strafzaken behandelt. Een verdachte roept daar **Bot'n!**: nee!
- **djaksa**: Javaanse officier van justitie; de **hoofd-djaksa** is de hoogste.
- **inlander**: zo noemden de Nederlanders de mensen van Java en de andere eilanden. Meer dan één: **inlanders**.
- **sarong**: lange doek van batik die men om het lichaam draagt, als een rok. Daarboven draagt een vrouw een **kabaai**: een lang, dun jasje.
- **stopfles**: glazen fles met een glazen dop.
- **inten**: diamant.
- **kassian**: wat zielig, arme ziel.
- **grote piet**: een belangrijk man met een hoge functie.
- **fluweel**: zachte, dikke stof die een beetje glanst.
- **djaït**: naaister.
- **tamarindesiroop**: zoete drank van de vruchten van de tamarindeboom.
- **pinter**: slim, knap.
- **leontine**: horlogeketting voor dames.
- **muilen**: pantoffels zonder hiel.
- **rijksdaalder**: munt van twee gulden vijftig.
- **leestrommel**: kist met tijdschriften die van lezer naar lezer gaat.
- **logeerkamers**: kamers voor gasten die blijven slapen.
- **grind**: kleine steentjes op een pad of erf.
- **boudoir**: eigen zitkamer van een dame, naast haar slaapkamer.
- **pending**: gouden gesp van een riem.
- **kakatoe**: witte papegaai met een kuif van veren op zijn kop.
- **kaka**: roep van de kakatoe.
- **badjing**: eekhoorn, klapperrat.
- **soempitan**: blaaspijp.
- **tokkè**: grote hagedis die "tokkè" roept; brengt volgens de Javanen geluk.
- **katjang-goreng**: gebakken boontjes of nootjes.
- **flamboyant**: tropische boom met grote rode bloemen.
- **gestraften**: gevangenen die als straf in de tuin moeten werken.
- **kimono**: lange, wijde Japanse ochtendjas.
- **bedak**: wit poeder van rijst voor op het gezicht.
- **wajangpop**: pop uit het Javaanse poppenspel (wajang).
- **beren**: schulden.
- **baren**: nieuwkomers uit Holland die Indië niet kennen.
- **bok**: hoge bank voor op een rijtuig, waar de koetsier zit.
- **pajong**: grote pronkparasol, teken van gezag.
- **opiumpachter**: man die van de regering het recht kocht om opium te verkopen.

## Tweede hoofdstuk

### I.

Secretaris Onno Eldersma had het druk. Op het kantoor van de residentie werkten twee kommiezen en zes schrijvers. Er waren ook veel Javaanse schrijvers en jonge leerlingen. Elke dag bracht de post gemiddeld een paar honderd brieven en stukken. De resident mopperde meteen als er werk bleef liggen. Hij werkte zelf hard door, en hij wilde hetzelfde van zijn ambtenaren. Maar soms kwam er een hele stroom van stukken, verzoeken en aanvragen. Eldersma was een echte kantoorman, die helemaal leefde voor zijn schrijfwerk. En Eldersma had het altijd druk. Hij werkte 's morgens, 's middags en 's avonds. Een middagslaap deed hij niet. Om vier uur at hij even zijn rijsttafel, en daarna rustte hij kort uit. Gelukkig was hij sterk en gezond, een frisse Fries. Maar hij had al zijn bloed, al zijn spieren en al zijn zenuwen nodig voor zijn werk. Het was niet zomaar wat schrijven en wat gedoe met papieren. Het was handwerk met de pen, werk van spieren en zenuwen, en het hield nooit op. Hij brandde op; al schrijvend putte hij zichzelf uit. Hij had geen andere gedachten meer. Hij was niets meer dan ambtenaar, een man van het kantoor. Hij had een mooi huis, een heel lieve, bijzondere vrouw en een leuk kind. Maar hij zag ze niet meer, al leefde hij vaag tussen hen in. Hij werkte maar door, heel precies, en hij deed wat hij kon. Soms zei hij tegen de resident dat hij onmogelijk meer kon doen. Maar op dat punt was Van Oudijck hard en zonder medelijden. Hij was zelf ook secretaris van een gewest geweest. Hij wist wat het was. Het was werken en doorjagen als een paard voor een kar. Het was leven, eten en slapen met de pen in de hand. Dan liet Van Oudijck hem nog dit en dat werk zien, dat af moest. Eldersma had gezegd dat hij niet meer kon doen dan hij deed. Toch deed hij dat werk ook. Zo deed hij altijd nog iets meer dan hij dacht te kunnen.

Dan zei zijn vrouw Eva: mijn man is geen mens meer, geen man meer: mijn man is ambtenaar. Het jonge vrouwtje was heel Europees. Ze was vroeger nooit in Indië geweest, en nu woonde ze al een paar jaar in Laboewangi. Ze had nooit geweten dat iemand zó kon werken als haar man. En dat in een land dat zo warm was als Laboewangi in de oostmoesson. Eerst had ze zich daartegen verzet. Ze had haar rechten op hem willen laten gelden. Maar ze zag dat hij echt geen minuut over had. Toen gaf ze haar rechten op. Ze had meteen begrepen dat haar man niet echt met haar zou meeleven, en zij niet met hem. Dat kwam niet doordat hij geen goede man was; hij hield veel van zijn vrouw. Het kwam alleen doordat de post elke dag tweehonderd brieven en stukken bracht. Ze had ook meteen gezien dat er in Laboewangi niets was. Daarom moest ze haar troost vinden in haar huis, en later in haar kind. Ze richtte haar huis in als een tempel van kunst en gezelligheid. En ze dacht diep na over de opvoeding van haar kleine jongen. Ze wist veel van kunst, en ze kwam uit een wereld van kunstenaars. Haar vader was Van Hove, onze beroemde landschapschilder. Haar moeder was Stella Couberg, onze beroemde concertzangeres. Eva was opgevoed in een huis vol kunst en muziek. Ze had die al als klein kind ingeademd, uit haar boeken met plaatjes en haar kinderliedjes. En deze Eva was getrouwd met een ambtenaar uit Oost-Indië. Ze was hem gevolgd naar Laboewangi. Ze hield van haar man, een flinke Friese kerel. Hij wist genoeg om in veel dingen belang te stellen. Ze was gelukkig vertrokken, om haar liefde. En ze had grote dromen over Indië, over alles wat oosters was in dat warme land. Die dromen had ze willen houden, hoe vaak men haar ook had gewaarschuwd. Al in Singapore had de bronzen kleur van de naakte Maleiers haar getroffen. Ze zag het bonte oosterse leven in de Chinese en Arabische wijken. Ze reed langs de Japanse theehuizen, vol poëzie, zoals in een roman over Japan... Maar in Batavia viel er al snel een grijze teleurstelling over haar verwachtingen. Ze had overal in Indië iets moois willen zien, een sprookje uit Duizend-en-een-nacht. Maar de gewoonten van het kleine, gewone leven van elke dag doofden haar frisse zin om te bewonderen. Ineens zag ze alles wat belachelijk was, nog voordat ze het mooie verder kon zien. In haar hotel lagen de heren in nachtbroek en kabaai op de lange stoelen. Hun luie benen lagen op de uitgeklapte delen van de stoel. Hun voeten waren bloot, al waren ze heel goed verzorgd. Ze lieten hun tenen rustig bewegen, in een gezellig spel van grote en kleine teen. Dat deden ze zelfs als zij voorbijliep... De dames liepen in sarong en kabaai. Dat was de enige praktische kleding voor de ochtend. Je kon ze snel wisselen, twee of drie keer per ochtend. Maar ze stond maar weinig vrouwen goed. Vooral van achteren was de rechte lijn hoekig en lelijk, hoe chic en duur je hem ook droeg. Dan waren er de saaie huizen, met al hun kalk en teer en lelijke rijen bloempotten. De natuur was droog en verbrand, en de inlander was vuil... In het Europese leven waren er al die kleine belachelijke dingen. Er was het sinjo-accent met zijn uitroepjes. Er was de kleinsteedse deftigheid van de ambtenaren; alleen de Raden van Indië droegen een hoge hoed... Er waren de strenge kleine regels van beleefdheid. Op een receptie vertrekt eerst de hoogste ambtenaar, en de anderen volgen pas daarna... En er waren de kleine eigenaardigheden van het praktische leven in het hete land. Men gebruikte Devoe-kisten en blikken van petroleum voor van alles en nog wat. Van het hout maakte men winkelramen, vuilnisbakken en zelfgemaakte kleine meubels. Van de blikken maakte men dakgoten, gieters en allerlei dingen voor het huishouden...

Het jonge vrouwtje wist veel en had haar dromen van Duizend-en-een-nacht. Bij die eerste indrukken zag ze nog geen verschil tussen twee dingen. Het ene was het koloniale leven: de gewoonten van de Europeaan. Die maakt zich thuis in een land dat vijandig is aan zijn bloed. Het andere was wat echt vol poëzie was: echt Indisch, zuiver oosters, puur Javaans. Om al die belachelijke dingen, en om nog meer, had ze meteen haar teleurstelling gevoeld. Zo voelt iedereen met aanleg voor kunst die teleurstelling in het koloniale Indië. Dat Indië is helemaal niet artistiek of vol poëzie. Daar legt men zorgvuldig zoveel mogelijk mest van paarden rond de rozen in witte potten. Bij een zacht windje mengt de geur van de rozen zich dan met de stank van pas natgemaakte mest. En ze was onrechtvaardig geworden, zoals iedereen. Ze werd echt Hollands, een echte baar, tegenover het mooie land. Zo'n nieuwkomer wil het land zien zoals hij het zich uit boeken had voorgesteld. En eerst treffen hem dan de belachelijke kantjes van het koloniale leven. Ze vergat dat het land zelf daar niets aan kon doen. Het land was van oorsprong heel mooi, en het had geen schuld aan die belachelijkheid.

Ze had een paar jaren doorgemaakt. Ze had zich verbaasd. Nu eens was ze geschrokken, dan weer geschokt. Soms had ze gelachen, en dan weer was ze boos geweest. Eindelijk was ze eraan gewend geraakt, door haar redelijke natuur, de praktische kant van haar kunstenaarsziel. Ze was gewend geraakt aan het spel van de tenen en aan de mest rond de rozen. Ze was gewend geraakt aan haar man, die geen mens en geen man meer was, maar ambtenaar. Ze had veel geleden. Ze had wanhopige brieven geschreven. Ze had vreselijk heimwee gehad naar het huis van haar ouders. Ze had op het punt gestaan om plotseling te vertrekken. Maar dat had ze niet gedaan, om haar man niet alleen achter te laten. Ze was eraan gewend geraakt en had zich erbij neergelegd. Ze had de ziel van een kunstenaar; ze speelde buitengewoon goed piano. Maar ze had ook het hart van een dapper vrouwtje. Ze was van haar man blijven houden. En ze wist dat ze hem toch een gezellig huis gaf. Ze dacht heel ernstig na over de opvoeding van haar kind. Toen ze eenmaal gewend was, werd ze eerlijker in haar oordeel. Ineens zag ze veel van het mooie van Indië. Ze waardeerde de trotse gratie van een klapperboom. Ze genoot van de heerlijke smaak van Indische vruchten, als uit het paradijs. Ze zag de pracht van de bloeiende bomen. In het binnenland had ze de grootse, edele natuur gezien. Ze zag hoe de bergen in mooie golven naast elkaar lagen. Ze zag de sprookjesbossen van reuzenvarens en de dreigende diepten van de kraters. Ze zag de natte sawahs, die als trappen van spiegels omhoog liepen, met het tere groen van de jonge padi. En het karakter van de Javaan was voor haar een openbaring, zoals in de kunst. Ze zag hoe fijn en mooi hij bewoog, zijn gratie, zijn groet en zijn dans. Ze zag zijn deftige, voorname manieren. Vaak stamde hij duidelijk af van een edel geslacht, van een heel oude adel. Die adel was nu modern geworden, tot een soepele diplomatie. Van nature vereerde de Javaan het gezag. Hij boog zich gelaten, als voor het noodlot, onder de zware last van zijn heersers. Hun gouden strepen op het uniform wekten zijn aangeboren eerbied.

In het huis van haar vader had Eva altijd gezien hoe men kunst en schoonheid vereerde, als in een godsdienst. Soms ging dat zelfs te ver. Ze was opgegroeid tussen louter mooie dingen, tussen mooie woorden en muziek. Men had haar altijd gewezen op de lijn van gratie in het leven. Misschien had men haar te veel alleen op die lijn gewezen. En nu was ze te goed opgeleid in die school van schoonheid om teleurgesteld te blijven. Ze bleef niet alleen de kalk en de teer van de huizen zien. Ze zag niet meer alleen de kleine aanstellerij van de ambtenaren, de Devoe-kisten en de mest van de paarden. Haar geest, gevormd door boeken, zag nu dat die huizen iets van een paleis hadden. Ze zag wat typisch was aan die trots van de ambtenaren. Die trots kon eigenlijk bijna niet anders zijn. Al die details zag ze nu nauwkeuriger. Ze keek ruimer naar die hele Indische wereld, en ze ontdekte steeds meer. Alleen bleef ze iets vreemds voelen, iets wat ze niet kon verklaren. Het was iets van mysterie, een duister geheim, dat ze 's nachts zacht om zich heen voelde komen... Maar ze dacht dat het niet meer was dan een stemming. Het kwam door het donker en door de heel dichte bladeren. Het was als heel stille muziek van heel vreemde instrumenten met snaren. Het klonk als een droevige harp in de verte, als een vage stem die waarschuwde... Het was een zacht geluid in de nacht, meer niet. En ze maakte er poëzie van.

Laboewangi was een kleine hoofdstad in het binnenland. Daar verbaasde ze vaak de mensen die al helemaal aan het binnenland gewend waren. Ze was namelijk opgewonden en enthousiast. Ze was spontaan en blij dat ze leefde, zelfs in Indië. Ze was blij om de schoonheid van het leven. Ze had een gezonde natuur. Maar die was zacht verborgen achter een charmante aanstellerij. Ze deed alsof ze niets anders wilde dan het mooie: de mooie lijn, de mooie kleur, de gedachte van kunst. De mensen die haar kenden, vonden haar niet aardig of juist heel aardig. Weinig mensen bleven onverschillig. In Indië had ze de naam gekregen dat ze bijzonder was. Haar huis was bijzonder, haar kleren waren bijzonder, en ook de opvoeding van haar kind. Haar ideeën waren bijzonder. Alleen haar Friese man was gewoon. Hij was bijna te gewoon in die omgeving, die geknipt leek uit een tijdschrift voor kunst. Ze hield van gezelligheid. Daarom verzamelde ze zoveel mogelijk Europeanen om zich heen. Ze waren zelden artistiek, maar toch bracht ze bij hen een prettige toon. Iedereen moest er door aan Holland denken. Dat clubje bewonderde haar en volgde vanzelf de toon die zij aangaf. Ze heerste door haar grotere ontwikkeling, zonder dat ze van nature een heerser was. Maar niet iedereen vond dat goed, en de anderen noemden haar vreemd. De club bleef haar echter trouw. In het zachte, trage Indische leven bracht zij hen tot concerten, tot ideeën en tot levenslust.

Zo had ze een kring om zich heen. Daarin waren de dokter en zijn vrouw, de hoofdingenieur en zijn vrouw, en de controleur-kotta en zijn vrouw. Soms kwamen er van buiten ook een paar controleurs en een paar jonge mannen die bij de suikerfabrieken werkten. Dat was een vrolijk groepje om haar heen. Ze heerste erover. Ze speelde met hen toneel en organiseerde picknicks. Ze betoverde hen met haar huis, haar jurken en de lijn van kunst en genot in haar leven. Ze vergaven haar alles wat ze niet begrepen, zoals haar ideeën over schoonheid en haar muziek van Wagner. Want ze gaf hun vrolijkheid, wat levenslust en gezelligheid. Zonder haar was hun leven saai en dood, omdat ze zo Indisch waren geworden. Daarvoor waren ze haar heel dankbaar. Zo was haar huis eigenlijk het middelpunt geworden van het sociale leven in Laboewangi. Het residentshuis tegenover haar trok zich deftig terug in de schaduw van zijn waringins. Léonie van Oudijck was daar niet jaloers om. Ze hield van haar rust, en ze liet alles dolgraag aan Eva Eldersma over. Zo bemoeide Léonie zich nergens mee: niet met feesten, niet met de muziek- en toneelvereniging, niet met goede doelen. De vrouw van een resident voelt gewoonlijk veel sociale plichten op zich rusten. Die liet Léonie allemaal aan Eva over. Eén keer per maand hield Léonie haar receptie. Dan sprak ze iedereen aan en glimlachte ze tegen iedereen. En op Nieuwjaar gaf ze haar jaarlijkse bal. Meer sociaal leven was er niet in het residentshuis. Verder leefde ze daar alleen voor zichzelf. Ze maakte het alleen zichzelf prettig en gemakkelijk. Ze leefde in haar roze dromen van engeltjes, en in wat ze aan liefde kon oogsten. Soms, steeds weer na een tijd, had ze Batavia nodig. Dan ging ze er een paar maanden heen. Zo leefde zij als vrouw van de resident haar eigen leven. Eva deed alles, en Eva gaf de toon aan. Dat gaf soms wat kleine jaloezie. Bijvoorbeeld tussen Eva en de vrouw van de inspecteur van financiën. Zij vond dat zij de eerste plaats had na mevrouw Van Oudijck, en niet de vrouw van de secretaris. Dan was er gedoe over de Indische regels van rang onder de ambtenaren. Er gingen verhalen en praatjes rond, groter en erger gemaakt, tot in de verste suikerfabriek van de residentie. Maar Eva trok zich niets aan van de praatjes. Ze zorgde liever voor wat gezelligheid in Laboewangi. En om iets goeds tot stand te brengen, heerste ze met haar clubje. Men had haar gekozen tot presidente van de toneelvereniging Thalia. Ze nam het aan, maar op één voorwaarde: de vaste regels moesten worden afgeschaft. Ze wilde wel koningin zijn, maar zonder grondwet. Iedereen zei dat dat toch niet kon; er waren altijd vaste regels geweest. Maar Eva antwoordde dat ze met vaste regels geen presidente wilde zijn. Dan speelde ze liever alleen mee. Men gaf toe. De grondwet van Thalia werd afgeschaft. Eva heerste er helemaal alleen, ze koos de stukken en verdeelde de rollen. Het werd de bloeitijd van de vereniging. Onder haar strenge leiding speelde men zo goed dat er mensen uit Soerabaia kwamen. Ze kwamen naar de voorstellingen in Concordia kijken. De stukken die men speelde, waren beter dan ooit in Concordia was gespeeld.

Ook daardoor hielden de mensen weer van haar, of juist helemaal niet. Maar ze ging door. Ze zorgde voor wat Europese beschaving, om in Laboewangi niet al te veel te „beschimmelen”. En de mensen deden gemene dingen om toch maar uitgenodigd te worden voor haar dinertjes. Die waren beroemd, maar er werd ook kwaad over gesproken. Want ze eiste dat haar heren in rok kwamen, en niet in hun Singaporese jasjes zonder hemd. Ze maakte rok en wit strikje verplicht, en daarin gaf ze niet toe. De dames droegen zoals altijd jurken met een lage hals, voor de koelte, en ze vonden dat heerlijk. Maar haar arme heren verzetten zich. De eerste keer zuchtten ze van de hitte, en in hun hoge boord kregen ze een rood hoofd. De dokter zei dat het ongezond was. De oudgasten zeiden dat het gekkenwerk was. Volgens hen brak het met alle goede, oude Indische gewoonten...

Maar toen men een paar keer had gezucht in die rok en die hoge boord, veranderde dat. Toen vond iedereen de dinertjes van mevrouw Eldersma heerlijk. Dat kwam juist doordat ze zo Europees waren.

### II.

Eva ontving om de veertien dagen.

—Luister, resident, het is geen receptie, verdedigde ze zich altijd tegenover Van Oudijck. Ik weet heel goed dat in het binnenland niemand *recepties* mag houden, behalve de resident en zijn vrouw. Het is echt geen receptie, resident. Ik zou het niet zo durven noemen. Ik houd alleen maar open huis, om de veertien dagen. Ik vind het gezellig als de kennissen dan komen... Dat mag toch wel, resident, als het geen *receptie* is?

Van Oudijck lachte dan vrolijk, met zijn hartelijke, militaire lach onder zijn snor. Hij vroeg of mevrouwtje Eldersma hem voor de gek hield. Ze mocht alles, als ze maar bleef zorgen voor wat gezelligheid, wat toneel, wat muziek en wat prettig samenleven. Dat was nu eenmaal de plicht die op haar rustte. Zij moest zorgen voor het chique, wereldse leven in Laboewangi.

Haar ontvangdagen hadden niets Indisch. In het residentshuis gingen de recepties bijvoorbeeld nog volgens de oude Indische gewoonte van het binnenland. Alle dames zaten naast elkaar op de stoelen langs de muren. Mevrouw Van Oudijck liep langs hen en praatte met iedere dame even, staand. De dames bleven zitten. In een andere galerij praatte de resident met de heren. De mannen en de vrouwen kwamen niet bij elkaar. Er werden bitter, port en ijswater rondgebracht.

Bij Eva liep men rond en wandelde men door de galerijen. Men ging hier of daar zitten, en men praatte met iedereen. Het was er niet zo stijf als in het residentshuis. Maar er hing de chic van een Franse salon, met iets artistieks. Voor Eva's dagen kleedden de dames zich mooier dan voor de recepties van de resident. Dat was een gewoonte geworden. Bij Eva droegen ze hoeden, en in Indië is een hoed het teken van de grootste elegantie. Gelukkig kon het Léonie niets schelen. Het liet haar totaal onverschillig.

In de middengalerij zat Léonie nu op een bank. Ze bleef daar zitten met de Raden-Ajoe, de vrouw van de regent. Ze vond die oude gewoonte gemakkelijk: iedereen kwam naar haar toe. Op haar eigen recepties moest ze al zoveel lopen, langs de rij dames aan de muur... Nu nam ze haar rust. Ze bleef zitten en glimlachte tegen iedereen die haar kwam begroeten. Verder liepen de gasten druk heen en weer. Eva was overal.

—Vindt u het hier mooi? vroeg mevrouw Van Does aan Léonie.

Ze keek de middengalerij rond. Haar blik ging verbaasd langs de mooie matte figuren. Die waren als een muurschildering met kalk op de zachtgrijze muur geschilderd. Ze keek naar het houtwerk van djatihout langs de muren. Handige Chinezen hadden dat uitgesneden naar een tekening uit het tijdschrift The Studio. Ze keek naar de bronzen Japanse vazen op voetstukken van djatihout. Daarin stonden bamboetakken en boeketten van reuzenbloemen. Ze gaven zachte schaduwen, tot aan het plafond.

—Vreemd... maar heel lief! Bijzonder..., zei Léonie zacht.

Ze begreep de smaak van Eva nooit. Ze leefde in zichzelf, als in een tempel waarin ze alleen aan zichzelf dacht. Wat een ander deed en voelde, kon haar niet schelen. Ook niet hoe een ander zijn huis mooi maakte. Maar zelf had ze hier niet kunnen wonen. Ze hield meer van haar eigen prenten van Veronese, en Shakespeare, en Tasso; die vond ze deftig. Ze hield er meer van dan van de bruine foto's van Italiaanse meesters. Eva had zulke mooie foto's hier en daar op ezels staan. Het meest hield Léonie van haar bonbondoos, en van de reclame voor parfum met de engeltjes.

—Vindt u die jurk mooi? vroeg mevrouw Van Does weer aan Léonie.

—Jawel, glimlachte Léonie lief. Eva is heel knap. Ze heeft die blauwe irissen zelf geschilderd, op Chinese zijde...

Ze zei nooit iets anders dan lieve dingen, met een glimlach. Ze sprak nooit kwaad; het was haar onverschillig. Nu draaide ze zich naar de Raden-Ajoe. Met lieve, langzame zinnen bedankte ze haar voor de vruchten die zij had gestuurd. De regent kwam met haar praten, en ze vroeg naar zijn twee zoontjes. Zij sprak Hollands, en de regent en de Raden-Ajoe antwoordden in het Maleis.

De regent van Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario, was nog jong, net dertig jaar. Hij had een fijn Javaans gezicht, als van een trotse wajangpop. Hij had een kleine snor, met zorgvuldig gedraaide puntjes. Vooral zijn starende blik viel op. Hij keek alsof hij steeds in een droom was. Het was alsof zijn blik door de zichtbare werkelijkheid heen ging en erachter keek. Zijn ogen waren zwart als kolen. Soms waren ze moe en zonder licht. Soms lichtten ze op als vonken, vol vuur en fanatisme. De bevolking was bijna als slaven gehecht aan haar regentenfamilie. Bij de mensen had hij de naam dat hij heilig en geheimzinnig was. Maar wat er echt van waar was, hoorde men nooit. Hier in Eva's galerij leek hij alleen maar een pop, een deftige Indische prins. Alleen zijn dromende ogen verbaasden de mensen. Zijn sarong zat glad om zijn heupen. Van voren viel hij lang naar beneden, in een bundel platte, regelmatige vouwen die onderaan wijd uitliepen. Hij droeg een stijf wit overhemd met diamanten knopen en een klein blauw dasje. Daarover droeg hij een uniformjasje van blauw laken, met gouden knopen. Op die knopen stond de W met een kroon. Aan zijn blote voeten droeg hij zwart gelakte slippers, met een punt die van voren omhoog boog. Zijn hoofddoek was zorgvuldig in kleine vouwen om zijn hoofd gebonden. Die gaf zijn fijne gezicht iets vrouwelijks. Maar zijn zwarte ogen, soms moe, vonkten steeds weer op, als in een droom, vol vuur. In zijn blauw met gouden gordel stak de gouden kris, helemaal achteraan, midden op zijn rug. Aan zijn kleine, slanke hand straalde een grote steen. En uit de zak van zijn jasje stak een sigarettenkoker van gouden draadjes. Hij zei niet veel. Soms keek hij alsof hij slaap had, en dan lichtten zijn vreemde ogen weer op. Als Léonie iets zei, antwoordde hij bijna altijd alleen met een kort en scherp:

—Saja...

Hij sprak het woord hard uit, met een scherpe s, op een beleefde toon. Hij legde evenveel nadruk op elk deel van het woord. Bij dat beleefde woordje knikte hij kort en automatisch met zijn hoofd. Ook de Raden-Ajoe, die naast Léonie zat, antwoordde zo:

—Saja...

Maar zij lachte er telkens even zacht en verlegen achteraan. Ze was nog heel jong, misschien net achttien jaar. Ze was een prinses uit Solo. Van Oudijck kon haar niet uitstaan. Ze bracht namelijk manieren en uitdrukkingen uit Solo naar Laboewangi. In haar trots vond ze niets zo deftig en voornaam als het hof van Solo, met zijn gewoonten en woorden. Ze gebruikte woorden van het hof, die de bevolking van Laboewangi niet begreep. Ze had de regent gedwongen een koetsier uit Solo te nemen. Die droeg de feestkleding van Solo, met een pruik en een valse snor. De bevolking keek er met grote ogen naar. Haar gele huid was nog lichter gemaakt met een dun laagje bedak, dat ze nat op haar gezicht had gedaan. Haar wenkbrauwen waren met een zwart streepje wat gebogen. In haar kondé, die mooi glom, staken spelden met juwelen, en in het midden een kenanga-bloem. Ze droeg een kain pandjang, die lang voor haar voeten sleepte, zoals aan het hof van Solo. Daarop droeg ze een kabaai van rode, zware zijde, met een gouden band afgezet en met drie grote juwelen gesloten. Twee prachtige stenen, zwaar in zilver gezet, trokken haar oren omlaag. Ze droeg lichte opengewerkte kousen en slippers met gouden borduurwerk. Haar kleine, dunne vingertjes waren stijf van de ringen, alsof ze in briljanten waren gezet. In haar hand had ze een waaier van witte donsveren.

—Saja... saja..., antwoordde ze beleefd, met haar verlegen lachje.

Léonie zei even niets; ze was moe van het alleen praten. Ze had met de regent en de Raden-Ajoe over hun zonen gesproken. Daarna wist ze niet veel meer te zeggen. Eva had Van Oudijck eerst door haar galerijen rondgeleid, want er was altijd weer iets nieuws te bewonderen. Nu kwam hij naar zijn vrouw toe. De regent stond op.

—En regent, vroeg Van Oudijck in het Hollands, hoe gaat het met de Raden-Ajoe Pangéran?

Hij vroeg naar de weduwe van de oude regent, de moeder van Soenario.

—Heel goed... dank u..., zei de regent zacht in het Maleis. Maar mama is niet meegekomen... al zo oud... gauw moe.

—Ik moet u even spreken, regent.

De regent volgde Van Oudijck naar de voorgalerij, waar niemand was.

—Het spijt me dat ik het u moet zeggen. Ik heb net weer slecht nieuws gekregen over uw broer, de regent van Ngadjiwa... Men heeft mij verteld dat hij deze dagen weer om geld heeft gespeeld. Hij heeft grote bedragen verloren. Weet u daar iets van?

De regent sloot zich af in zijn stijve houding, als een pop. Hij bleef zwijgen. Alleen zijn ogen keken door Van Oudijck heen, alsof hij verre dingen zag.

—Weet u daar iets van, regent?

—Tida...

—U bent het hoofd van uw familie. Daarom geef ik u de opdracht om het uit te zoeken en op uw broer te letten. Hij gokt, hij drinkt, hij doet uw naam geen eer aan, regent. Als de oude Pangéran ooit had gedacht dat zijn tweede zoon zich zo zou verlagen, had hij veel verdriet gehad. Hij hield zijn naam hoog. Hij was een van de verstandigste en meest edele regenten die het Gouvernement ooit op Java heeft gehad. En u weet hoe het Gouvernement de Pangéran waardeerde. Al in de tijd van de Compagnie had Holland veel te danken aan uw geslacht. Uw familie was altijd trouw. Maar de tijden lijken te veranderen... Het is heel treurig, regent. Een oude Javaanse familie met zo'n hoge traditie als de uwe weet niet meer trouw te blijven aan die traditie...

Raden Adipati Soerio Soenario werd bleek, met de kleur van een olijf. Zijn dromende ogen doorboorden de resident. Maar hij zag dat ook de resident kookte van woede. Toen doofde hij de vreemde vonk in zijn blik, en hij keek slaperig en moe.

—Ik dacht, resident, dat u altijd liefde had gevoeld voor mijn huis, zei hij zacht, bijna klagend.

—En dat heeft u goed gedacht, regent. Ik hield van de Pangéran. Ik heb uw huis altijd bewonderd, en ik heb het altijd hoog willen houden. Ook nu wil ik het hoog houden, samen met u, regent. Ik hoop dat u niet alleen de dingen van de andere wereld ziet, zoals de mensen over u zeggen. Ik hoop dat u ook de werkelijkheid om u heen ziet. Maar van uw broer houd ik *niet*, regent. Ik kan onmogelijk respect voor hem hebben. Men heeft mij verteld dat de regent van Ngadjiwa niet alleen om geld heeft gespeeld... En ik kan de mensen vertrouwen die het mij vertelden. Ze zeiden ook dat hij deze maand de salarissen van de hoofden in Ngadjiwa niet heeft uitbetaald...

Ze keken elkaar strak aan. De kalme, flinke blik van Van Oudijck ontmoette de dromende vonk in de ogen van de regent.

—De mensen die u dat vertellen, kunnen zich vergissen...

—Ik denk niet dat ze mij zulk nieuws zouden brengen als ze niet helemaal zeker waren... Regent, deze zaak is heel gevoelig. Ik zeg het nog eens: u bent het hoofd van uw familie. Zoek bij uw jongere broer uit hoeveel geld van het Gouvernement hij heeft genomen. En herstel alles zo snel mogelijk. Ik laat de zaak met opzet aan u over. Ik zal er niet met uw broer over spreken. Zo wil ik een lid van uw familie nog sparen, zolang ik kan. U moet uw broer terechtwijzen. Wijs hem op wat in mijn ogen een misdaad is. Door uw gezag als hoofd van de familie kunt u het nog ongedaan maken. Verbied hem te gokken, en zeg hem dat hij zijn hartstocht moet beheersen. Anders zie ik heel treurige dingen komen. Dan zal ik moeten voorstellen om uw broer te ontslaan. U weet zelf hoe weinig graag ik dat zou doen. Want de regent van Ngadjiwa is de tweede zoon van de oude Pangéran, en die heb ik hoog geacht. En ook uw moeder, de Raden-Ajoe Pangéran, zou ik graag alle verdriet besparen.

—Ik dank u..., zei Soenario zacht.

—Denk goed na over wat ik u zeg, regent. Misschien kunt u uw broer niet tot rede brengen. Misschien leert hij niet zijn hartstocht te beheersen. Misschien worden de salarissen van de hoofden niet zo snel mogelijk betaald... Dan zal IK moeten optreden. En als MIJN waarschuwing niet helpt... dan zou dat het einde van uw broer betekenen. U weet het zelf: een regent ontslaan is zo'n grote uitzondering, dat het schande over uw familie zou brengen. Werk met mij mee om het geslacht van de Adiningrats daarvoor te bewaren.

—Ik beloof het u..., zei de regent zacht.

—Geef mij uw hand, regent.

Van Oudijck drukte de dunne vingers van de Javaan.

—Kan ik u vertrouwen? vroeg hij nog eens.

—In leven, in dood...

—Laten we dan nu naar binnen gaan. En vertel mij zo snel mogelijk wat u ontdekt...

De regent boog. Hij was bleek als een olijf, van een stille, geheimzinnige woede. Die woede brandde in hem als het vuur in een krater. Achter de rug van Van Oudijck keken zijn ogen scherp naar de Hollander, vol geheimzinnige haat. Hij haatte die lage Hollander, die burgerman, die onreine hond, die christen zonder God. Zo iemand mocht met zijn vuile ziel niets aanraken van wat van *hem* was. Niet zijn huis, niet zijn vader, niet zijn moeder, niet hun heel oude, heilige adel... Ook al hadden ze altijd gebogen onder de macht van wie sterker was...

### III.

—Ik heb op jullie gerekend om te blijven eten, zei Eva.

—Natuurlijk, antwoordden controleur Van Helderen en zijn vrouw.

De receptie liep ten einde. Eva zei altijd ter verdediging dat het *geen* receptie was. De Van Oudijcks waren het eerst vertrokken, en de regent volgde. De Eldersma's bleven alleen met hun groepje vrienden: dokter Rantzow, hoofdingenieur Doorn de Bruijn, hun vrouwen, en de Van Helderens. Ontspannen gingen ze in de voorgalerij zitten, en ze lieten hun stoelen heerlijk heen en weer gaan. Er werden whisky-soda's en glazen limonade met grote stukken ijs rondgebracht.

—Altijd stampvol, receptie van Eva, zei mevrouw Van Helderen. Voller dan laatst bij residèn...

Ida van Helderen was een typisch blanke nonna. Ze probeerde altijd heel Europees te doen en netjes Hollands te spreken. Ze deed zelfs alsof ze slecht Maleis sprak. En ze zei dat ze niet van rijsttafel hield, en ook niet van roedjak. Ze was klein en overal een beetje rond. Ze was heel blank, bleek-blank, met grote, zwarte, verbaasde ogen. Ze zat vol kleine, geheimzinnige grillen, kleine haatjes en kleine liefdes. Alles kwam in haar op door kleine geheime redenen, die niemand kon volgen. Soms haatte ze Eva, soms was ze dol op haar. Je kon totaal niet op haar rekenen. Elke daad, elke beweging, elk woord kon een verrassing zijn. Ze was altijd verliefd, op een tragische manier. Al haar kleine gevallen nam ze heel tragisch op, heel groot en somber. Ze had er geen idee van wat groot was en wat klein. Dan stortte ze haar hart uit bij Eva, die lachte en haar troostte.

Haar man, de controleur, was nooit in Holland geweest. Hij was helemaal in Batavia opgeleid, op het Gymnasium Willem III en aan de Indische Afdeling. Het was heel vreemd om deze creool te zien. Hij leek helemaal een Europeaan: lang, blond en bleek, met een blonde snor. Zijn blauwe ogen keken levendig en vol belangstelling. Zijn manieren waren fijner en beleefder dan de sportieve chic van de jonge heren in Europa. Toch had hij niets Indisch in zijn ideeën, zijn woorden of zijn kleren. Hij sprak over Parijs en Wenen alsof hij er jaren had gewoond. Maar hij had Java nooit verlaten. Hij was dol op muziek, al vond hij het moeilijk om Wagner te volgen als Eva die speelde. Zijn grote droom was om volgend jaar eindelijk eens met verlof naar Europa te gaan. Dan wilde hij de Franse Tentoonstelling zien. Er was iets wonderlijk voornaams in deze jonge man, een aangeboren stijl. Het was alsof hij geen kind was van Europese ouders die altijd in Indië hadden gewoond. Hij leek eerder een vreemdeling uit een onbekend land. Je kon niet meteen bedenken welke nationaliteit hij had... Zijn accent was maar heel licht wat zacht, door het klimaat. Hij sprak zijn Hollands zo correct dat het bijna stijf zou klinken naast het slordige taaltje in het moederland. En hij sprak Frans, Engels en Duits gemakkelijker dan de meeste Hollanders die talen spreken. Misschien had hij die exotische beleefdheid van een Franse moeder. Ze was aangeboren, prettig en natuurlijk. Zijn vrouw was ook van Franse afkomst; ze kwam uit een creoolse familie van het eiland Bourbon. Maar bij haar was dat exotische een geheimzinnig mengsel geworden. Er was niets dan iets kinderlijks van overgebleven: een warboel van kleine gevoelens en kleine hartstochten. Met haar grote, sombere ogen probeerde ze het leven tragisch te zien. Maar ze las het leven alleen zoals je een slecht geschreven romannetje leest.

Ida dacht nu dat ze verliefd was op de hoofdingenieur. Hij was de oudste van het groepje, al grijs, met een zwarte baard. In haar tragische fantasie stelde ze zich scènes voor met mevrouw Doorn de Bruijn. Dat was een zware, kalme, sombere vrouw. Dokter Rantzow en zijn vrouw waren Duitsers. Hij was dik, blond en nogal grof, met een buikje. Zij had een open Duits gezicht, als van een prettige, moederlijke vrouw. Ze sprak levendig Hollands, met een Duits accent.

In dit clubje heerste Eva Eldersma. Behalve controleur Frans van Helderen waren het heel gewone Indische en Europese mensen. Het waren mensen „zonder kunstlijn”, zoals Eva zei. Maar in Laboewangi had ze niet anders kunnen kiezen. Daarom vermaakte ze zich met de kleine nonna-drama's van Ida, en paste ze zich aan de anderen aan. Haar man Onno was zoals altijd moe van zijn werk. Hij praatte niet veel mee; hij luisterde.

—Hoe lang is mevrouw Van Oudijck in Batavia geweest? vroeg Ida.

—Twee maanden, zei de vrouw van de dokter. Heel lang deze keer.

—Ik heb iets gehoord, zei mevrouw Doorn de Bruijn. Deze keer hebben één Raad van Indië, één Directeur en drie jongemannen uit de handel haar vermaakt.

Ze zei het kalm en somber, en stil gemeen.

—En ik kan jullie verzekeren, begon de dokter... Als mevrouw Van Oudijck niet geregeld naar Batavia ging, zou ze een gezonde behandeling missen. Ook al doet ze die behandeling op eigen houtje, en niet... op mijn voorschrift.

—Laten we geen kwaad spreken! zei Eva snel, bijna smekend. Mevrouw Van Oudijck is mooi. Ze heeft een rustige schoonheid, zoals de godin Juno, met de ogen van Venus. En mooie mensen om mij heen vergeef ik veel. En u, dokter...

Ze dreigde hem met haar vinger.

—Geen beroepsgeheimen verklappen! U weet het: dokters in Indië zijn vaak veel te open over de geheimen van hun patiënten. Als ik eens ziek ben, heb ik nooit iets anders dan hoofdpijn. Vergeet u dat nooit, dokter?

—De resident zat ergens over te piekeren, zei Doorn de Bruijn.

—Zou hij het weten... van zijn vrouw? vroeg Ida somber. Haar grote ogen stonden vol tragiek, zwart als fluweel.

—De resident is vaak zo, zei Frans van Helderen. Hij heeft zijn buien. Soms is hij prettig, vrolijk en hartelijk, zoals laatst op de tournee. Dan heeft hij weer zijn sombere dagen. Dan werkt hij, werkt hij, werkt hij. En hij bromt dat niemand werkt behalve hij...

—Mijn arme Onno, die door niemand wordt gewaardeerd! zuchtte Eva.

—Ik denk dat hij zich overwerkt, ging Van Helderen verder. Laboewangi is een vreselijk druk gewest. En de resident trekt zich alles te veel aan, thuis en daarbuiten. Zowel de verhouding met zijn zoon als die met de regent.

—Ik zou de regent laten springen, zei de dokter.

—Maar dokter, zei Van Helderen. Je weet toch genoeg van de toestanden op Java? Dan begrijp je toch dat dat niet zomaar kan. De regentenfamilie is te veel één met Laboewangi. En de bevolking heeft te veel respect voor haar...

—Ja, ik ken de Hollandse politiek... De Engelsen in Brits-Indië treden veel harder en willekeuriger op tegen hun Indische prinsen. De Hollanders sparen ze veel te veel.

Van Helderen kon niet goed hebben dat een vreemdeling kritiek had op een Nederlandse kolonie.

—Het is de vraag welke politiek op den duur de beste is, zei hij droog. Ellende en hongersnood zoals in Brits-Indië kennen wij gelukkig niet.

—Ik zag de resident ernstig praten met de regent, zei Doorn de Bruijn.

—De resident is te gevoelig, zei Van Helderen. Hij lijdt zeker onder het langzame verval van die oude Javaanse familie. Het noodlot laat die familie ondergaan, en hij zou haar graag hoog houden. Hoe koel en praktisch hij ook is, daarin is de resident een beetje een dichter. Al zou hij dat nooit toegeven. Maar hij denkt terug aan het glorieuze verleden van de Adiningrats. Hij herinnert zich nog die laatste mooie figuur, de oude, edele Pangéran. En hij vergelijkt hem met zijn zonen. De ene is een fanatieke dromer, de andere speelt om geld...

—Ik vind onze regent heerlijk, zei Eva. Niet die van Ngadjiwa, want dat is een koelie. Ik vind onze regent een levende wajangpop. Alleen voor zijn ogen ben ik bang. Wat een verschrikkelijke ogen! Soms slapen ze, maar soms zijn ze als van een gek. Maar hij is zo fijn, zo deftig. En de Raden-Ajoe is ook een prachtig popje: saja... saja... Ze zegt niets, maar ze staat heel mooi in de kamer. Ik ben altijd blij als ze mijn ontvangdag versieren. Ik mis iets als ze er niet zijn. En dan de oude Raden-Ajoe Pangéran, grijs en waardig, een koningin...

—Een gokster van de ergste soort, zei Eldersma.

—Ze vergokken alles, zei Van Helderen, zij en de regent van Ngadjiwa. Ze zijn niet rijk meer. De oude Pangéran had prachtige tekenen van zijn rang, voor feesten. Hij had schitterende speren, een sirihdoos met juwelen, en kwispedoors. Heel nuttige dingen! Ze waren allemaal van onschatbare waarde. De oude Raden-Ajoe heeft alles vergokt. Ik geloof dat ze niets meer heeft dan haar pensioen. Ik denk tweehonderdveertig gulden. Volgens Javaans gebruik onderhoudt onze regent al zijn neven en nichten in de Kaboepaten. Hoe hij dat doet, is mij een raadsel.

—Welk gebruik? vroeg de dokter.

—Elke regent verzamelt zijn hele familie om zich heen, als parasieten. Hij kleedt ze, voedt ze en geeft ze zakgeld... En de bevolking vindt dat waardig en chic.

—Treurig... die vervallen grootheid! zei Ida somber.

Een jongen kwam zeggen dat het diner klaar was. Men ging naar de achtergalerij en ging aan tafel.

—En wat staat er op het programma, mevrouwtje? vroeg de hoofdingenieur. Welke plannen zijn er? Het is stil geweest in Laboewangi, de laatste tijd.

—Eigenlijk is het vreselijk, zei Eva. Als ik jullie niet had, zou het vreselijk zijn. Als ik niet altijd plannen maakte en ideeën had, zou het vreselijk zijn, zo'n leven in Laboewangi. Mijn man voelt dat niet. Hij werkt, zoals jullie allemaal werken, heren. Wat kun je in Indië anders doen dan werken, ondanks de hitte? Maar voor ons vrouwen! Eigenlijk, wat een leven! Tenzij je je geluk helemaal uit jezelf haalt, uit je huis, uit je kleine kring. Als je tenminste het geluk hebt dat je zo'n kring hebt. Er komt niets van buiten. Je ziet geen schilderij en geen beeld. Je hoort geen muziek. Wees niet boos, Van Helderen. Je speelt heel mooi cello, maar niemand in Indië blijft bij met zijn tijd. De Italiaanse opera speelt de Trouvère. De amateurgezelschappen, die in Batavia echt heel goed zijn, spelen... de Trouvère. En jij, Van Helderen... zeg maar niet van niet. Ik heb gezien hoe verrukt je was. Laatst kwam de Italiaanse opera uit Soerabaia in de Sociëteit... de Trouvère spelen. Je was in de wolken.

—Er waren mooie stemmen bij...

—Maar twintig jaar geleden, zo hoor ik, was men hier ook in de wolken over... de Trouvère. O, het is verschrikkelijk! Soms... ineens drukt het zwaar op me. Soms voel ik ineens dat ik niet aan Indië gewend ben. Dat ik er nooit aan zal wennen. Dan heb ik heimwee naar Europa, naar het leven!

Eldersma werd bang. Hij was bang dat ze echt eens zou gaan. Dan bleef hij alleen achter in Laboewangi, in een leven van werk zonder enige vreugde.

—Maar Eva..., begon hij. Soms waardeer je Indië toch ook. Je huis, het prettige, ruime leven...

—Materieel...

—En je waardeert hier je werkterrein, bedoel ik. Al het vele dat je hier kunt doen.

—Wat? Feesten organiseren? Fancy-fairs organiseren?

—Eigenlijk ben jij de echte residente, Eva, zei Ida vol bewondering.

—Nu komen we gelukkig weer bij mevrouw Van Oudijck, plaagde mevrouw Doorn de Bruijn.

—En bij het beroepsgeheim, zei dokter Rantzow.

—Nee, zuchtte Eva. We hebben iets nieuws nodig. Bals, feesten, picknicks, tochten in de bergen... dat hebben we allemaal al gedaan. Ik weet niets meer. Indië drukt op me. Ik ben in een van mijn sombere buien. Ineens vind ik die bruine gezichten van mijn bedienden om me heen eng. Soms maakt Indië me bang. Voelt niemand van jullie dat? Een vage angst, een geheim in de lucht, iets dreigends... Ik weet het niet. De avonden zijn soms zo vol geheimen. En er is iets mysterieus in het karakter van de inlander. Hij staat zo ver van ons af. Hij is zo anders dan wij...

—Artistieke gevoelens, plaagde Van Helderen. Nee, ik voel dat niet. Indië is mijn land.

—Wat een type! plaagde Eva terug. Hoe ben je zo geworden? Zo vreemd Europees; Hollands kan ik het niet noemen.

—Mijn moeder was een Française.

—Maar je bent toch een njo. Hier geboren, hier opgevoed... En je hebt niets van een njo. Ik vind het heerlijk dat ik je heb ontmoet. Ik houd van je als een zeldzaam soort... Help me dan ook. Bedenk iets nieuws. Geen bal en geen bergtocht. Ik heb iets nieuws nodig. Anders krijg ik heimwee naar de schilderijen van mijn vader. Naar het zingen van mijn moeder, naar ons mooie artistieke huis in Den Haag. Zonder iets nieuws ga ik dood. Ik ben niet zoals jouw vrouw, Van Helderen, altijd verliefd.

—Eva! riep Ida smekend.

—Tragisch verliefd, met haar mooie, sombere ogen. Altijd eerst op haar man, en dan op een ander. Ik ben nooit verliefd. Zelfs niet meer op mijn man. Hij wel op mij. Maar ik ben niet gemaakt voor de liefde. Hier in Indië doet men wel veel aan liefde, nietwaar, dokter? Dus... geen bal, geen bergtocht, geen liefde. Mijn God, wat dan, wat dan...

—Ik weet wel iets, zei mevrouw Doorn de Bruijn.

Over haar kalme somberheid kwam plotseling een angst. Ze keek opzij naar mevrouw Rantzow, en de Duitse vrouw begreep haar blik...

—Wat dan? vroegen ze allemaal nieuwsgierig.

—Tafeldans, zeiden de twee dames zacht.

Iedereen lachte.

—Ach, zuchtte Eva teleurgesteld. Een trucje, een grapje, een spel voor één avond. Nee, ik moet iets hebben dat mijn leven minstens een maand vult.

—Tafeldans, zei mevrouw Rantzow nog eens.

—Zal ik u eens wat vertellen? zei mevrouw Doorn de Bruijn. Laatst probeerden we voor de grap een knaap te laten dansen. We beloofden elkaar heel eerlijk te zijn. De tafel... bewoog, en spelde woorden. Ze tikte volgens het alfabet.

—Maar was het eerlijk? vroegen de dokter, Eldersma en Van Helderen.

—U moet ons vertrouwen, verdedigden de twee dames zich.

—Top, zei Eva. We zijn klaar met ons diner. Laten we tafeldans doen.

—We moeten elkaar beloven eerlijk te zijn..., zei mevrouw Rantzow. Ik zie al... dat mijn man de tafel zal tegenwerken. Maar Ida... is een groot medium.

Ze stonden op.

—Moet het licht uit? vroeg Eva.

—Nee, zei mevrouw Doorn de Bruijn.

—Een gewoon knaapje?

—Een houten knaap.

—Met z'n achten?

—Nee, laten we eerst kiezen. Bijvoorbeeld jij, Eva, en Ida, Van Helderen en mevrouw Rantzow. De dokter werkt de tafel tegen, Eldersma ook. De Bruijn en ik kunnen jullie aflossen.

—Vooruit dan, zei Eva. Een nieuw vermaak voor het sociale leven van Laboewangi. En eerlijk...

—Als vrienden geven we elkaar ons erewoord... dat we eerlijk zullen zijn.

—Top, zeiden ze allemaal.

De dokter lachte zacht. Eldersma haalde zijn schouders op. Een jongen bracht een knaapje. Ze gingen om het houten tafeltje zitten en legden hun vingers er licht op. Ze keken elkaar nieuwsgierig en wantrouwig aan. Mevrouw Rantzow keek plechtig, Eva vrolijk, Ida somber. Van Helderen glimlachte onverschillig. Plotseling kwam er een strakke trek over het mooie nonna-gezichtje van Ida.

De tafel trilde...

Ze keken elkaar geschrokken aan. De dokter lachte zacht.

Toen tilde de tafel langzaam een van haar drie poten op. Ze zette hem weer voorzichtig neer.

—Heeft iemand bewogen? vroeg Eva.

Ze schudden allemaal van nee. Ida was bleek geworden.

—Ik voel trillingen in mijn vingers, zei ze zacht.

De tafel tilde nog eens haar poot op. Krakend draaide ze een boze kwartcirkel over de marmeren vloer. Toen zette ze de poot met een harde stamp neer.

Ze keken elkaar verbaasd aan.

Ida zat er afwezig bij. Ze staarde voor zich uit, met haar vingers wijd uit elkaar, als in extase.

En de tafel tilde voor de derde keer haar poot op.

### IV.

Het was zeker heel vreemd.

Eva twijfelde even. Tilde mevrouw Rantzow de tafel misschien op? Ze keek de Duitse doktersvrouw vragend aan. Maar die schudde het hoofd, en Eva zag dat ze eerlijk was. Nog eens beloofden ze elkaar dat ze helemaal eerlijk zouden zijn... Nu vertrouwden ze elkaar volledig. En juist daarom was het zo vreemd dat de tafel doorging. Ze maakte boze, krakende halve cirkels, tilde haar poot op en tikte op de marmeren vloer.

—Is er een geest bij ons? vroeg mevrouw Rantzow, met een blik naar de poot van de tafel.

De tafel tikte één keer: ja.

Toen moest de geest zijn naam spellen. Hij moest de letters tikken volgens het alfabet. Maar er kwam:

—Z, X, R, S, A...

Men kon de boodschap niet volgen.

Plotseling begon de tafel echter haastig te spellen, alsof iemand haar op de hielen zat... Men telde de tikjes, en er kwam:

—Le... onie Ou... dijck...

—Wat is er met mevrouw Van Oudijck...?

Er kwam een grof woord.

De dames schrokken, behalve Ida, die als in trance zat.

—Heeft de tafel gesproken? Wat heeft ze gezegd? Wat is mevrouw Van Oudijck? riepen de stemmen door elkaar.

—Het is ongelooflijk! zei Eva zacht. Zijn we allemaal eerlijk?

Iedereen gaf zijn woord dat hij eerlijk was.

—Laten we echt eerlijk zijn, anders is er niets aan... Ik zou zo graag zeker willen zijn...

Dat wilden ze allemaal: mevrouw Rantzow, Ida, Van Helderen en Eva. De anderen keken nieuwsgierig toe. Zij geloofden het. Maar de dokter geloofde het niet; hij lachte zacht.

Maar de tafel kraakte boos en tikte, en de poot herhaalde:

—Een...

En de poot herhaalde het grove woord.

—Waarom? vroeg mevrouw Rantzow.

De tafel tikte.

—Schrijf op, Onno! zei Eva tegen haar man.

Eldersma zocht een potlood en papier, en schreef het op.

Er kwamen drie namen. De eerste was van een Raad van Indië, de tweede van een Directeur. De derde was van een jongeman uit de handel.

—Als in Indië de mensen geen kwaad spreken, dan spreken de tafels kwaad! zei Eva.

—De geesten..., zei Ida zacht.

—Dit zijn meestal spotgeesten, legde mevrouw Rantzow uit, als een lerares.

Maar de tafel tikte door...

—Schrijf op, Onno! zei Eva.

Eldersma schreef.

—A-d-d-y! tikte de poot.

—Nee! riepen alle stemmen door elkaar. Ze ontkenden het heftig. Nu vergist de tafel zich! De jonge de Luce is tenminste nog nooit samen met mevrouw Van Oudijck genoemd.

—T-h-e-o! verbeterde de tafel toen.

—Haar stiefzoon! Het is verschrikkelijk! Dat is iets anders! Dat weet iedereen! riepen de stemmen. Ze waren het ermee eens.

—Maar dat weten we al! zei mevrouw Rantzow, met haar blik naar de poot van de tafel. Kom, zeg nu eens iets wat we niet weten! Kom nu, tafel; kom nu, geest!

Ze sprak lief en overtuigend tegen de tafelpoot. Men lachte. De tafel kraakte.

—Ernstig zijn! waarschuwde mevrouw Doorn de Bruijn.

De tafel sloeg neer op Ida's schoot.

—Adoe! riep de mooie jonge nonna, alsof ze wakker werd uit haar trance. Tegen mijn buik...!

Men lachte en lachte. De tafel draaide boos rond. Ze stonden op van hun stoelen, met hun handen op het knaapje. Zo volgden ze de boze walsbeweging van het tafeltje.

—Het... volgende... jaar..., tikte de tafel.

Eldersma schreef het op.

—Vreselijke... oorlog...

—Tussen wie en wie...?

—Europa... en... China.

—Dat klinkt als een sprookje! lachte dokter Rantzow zacht.

—La... boe... wangi, tikte de tafel.

—Wat? vroegen ze.

—Is... een... gat...

—Zeg nu eens iets ernstigs, tafel, vroeg mevrouw Rantzow lief, op haar prettige, moederlijke Duitse manier.

—Ge... vaar..., tikte de tafel.

—Waar?

—Dreigt..., ging de tafel verder. Laboe... wangi.

—Dreigt er gevaar voor Laboewangi?

—Ja! tikte de tafel één keer, boos.

—Welk gevaar?

—Opstand...

—Opstand? Wie komen er in opstand?

—Binnen twee... maanden... Soenario...

Iedereen luisterde nu aandachtig.

Maar de tafel sloeg ineens, onverwacht, weer tegen Ida's schoot.

—Adoe dan toch! riep het vrouwtje.

De tafel wilde niet meer.

—Moe..., tikte ze.

Ze hielden hun handen erop.

—Ophouden..., tikte de tafel.

De dokter lachte zacht. Hij legde zijn korte, brede hand erop, om de tafel te dwingen.

—Vrek! riep de tafel boos, krakend en draaiend. Ploert! riep ze verder.

Er volgden nog wat vieze woorden tegen de dokter, alsof een straatjongen ze hem achterna riep. Het waren vuile woorden, zonder enige betekenis of zin.

—Wie verzint die woorden? vroeg Eva boos.

Het was duidelijk dat niemand ze bedacht. Niet de drie dames, en ook niet Van Helderen. Hij was altijd heel netjes. En hij was duidelijk boos over de grove taal van de spotgeest.

—Het is echt een geest! zei Ida bleek.

—Ik houd op, zei Eva onrustig, en ze tilde haar vingers op. Ik begrijp niets van die onzin. Het is wel grappig... maar de tafel is niet gewend aan net gezelschap.

—We hebben een nieuw vermaak voor Laboewangi! spotte Eldersma. Geen picknick meer, geen bal... maar tafeldans!

—We moeten oefenen! zei mevrouw Doorn de Bruijn.

Eva haalde haar schouders op.

—Het is niet te verklaren, zei ze. Ik kan niet anders geloven dan dat we allemaal eerlijk waren. Het is niets voor Van Helderen om zulke woorden voor te zeggen.

—Mevrouw! verdedigde Van Helderen zich.

—We moeten het vaker doen, zei Ida. Kijk, daar loopt een hadji van het erf af...

Ze wees naar de tuin.

—Een hadji? vroeg Eva.

Ze keken in de tuin. Er was niets te zien.

—O nee, zei Ida. Toch niet. Ik dacht dat het een hadji was... Het is niets, alleen de maneschijn...

Het was al laat. Ze namen afscheid, lachend en vrolijk. Ze verbaasden zich, maar ze vonden geen verklaring.

—Als de dames nu maar niet onrustig zijn geworden! zei de dokter.

Nee, eigenlijk waren ze niet zo onrustig. Ze vonden het vooral grappig, al begrepen ze het niet.

Het was twee uur toen ze weggingen. De stad was doodstil. Ze sliep in de fluwelen schaduw van de tuinen, terwijl het maanlicht naar beneden stroomde.

### V.

De volgende dag was Eldersma naar zijn kantoor. Eva liep in sarong en kabaai door haar huis, bezig met het huishouden. Toen zag ze Frans van Helderen door de tuin komen.

—Mag ik? riep hij.

—Zeker! riep ze. Kom binnen. Maar ik ga net naar mijn goedang.

En ze liet hem haar mandje met sleutels zien.

—Ik moet over een halfuur bij de resident zijn, maar ik ben te vroeg... Daarom loop ik even bij u aan.

Ze glimlachte.

—Maar ik ben bezig, hoor! zei ze. Loop maar mee naar de goedang.

Hij volgde haar. Hij droeg een zwart jasje van glanzende stof, omdat hij straks naar de resident moest.

—Hoe gaat het met Ida? vroeg Eva. Heeft ze goed geslapen na de seance van gisteren?

—Zozo, zei Frans van Helderen. Ik denk niet dat het goed voor haar is om het weer te doen. Ze werd steeds met een schrik wakker. Dan viel ze me om de hals en vroeg ze vergeving. Ik weet niet waarom.

—Mij heeft het helemaal niet onrustig gemaakt, zei Eva. Al begrijp ik er niets van...

Ze deed de goedang open. Ze riep haar kokkie en praatte met haar over het eten. De kokkie was latta, en Eva vond het leuk om de oude vrouw te plagen.

—La... la-illa-lala! riep Eva.

De kokkie schrok en riep het terug. Maar meteen herstelde ze zich, en ze vroeg om vergeving.

—Boeang, kokkie, boeang! riep Eva.

De kokkie deed meteen wat ze hoorde. Ze gooide een draagblad met ramboetans en mangistans neer. Meteen herstelde ze zich weer. Ze vroeg om vergeving en pakte de vruchten weer op. Ze schudde haar hoofd en maakte geluidjes met haar tong.

—Kom, ga mee! zei Eva tegen Frans. Anders breekt ze straks mijn eieren nog. Ajo, kokkie, kloear!

—Ajo, kloear! herhaalde de kokkie, die latta was. Alla, njonja, minta ampon, njonja, alla soeda njonja!

—Kom nog even zitten, vroeg Eva.

Hij volgde haar.

—U bent zo vrolijk, zei hij.

—U niet?

—Nee, ik ben de laatste tijd somber.

—Ik ook. Dat zei ik je gisteren al. Het hangt in de lucht van Laboewangi. We moeten maar alles van onze tafeldans verwachten.

Ze gingen in de achtergalerij zitten. Hij zuchtte.

—Wat is er? vroeg ze.

—Ik kan er niets aan doen, zei hij. Ik houd van je, ik heb je lief.

Ze zweeg even.

—Alweer, zei ze verwijtend.

Hij antwoordde niet.

—Ik heb het je gezegd: ik ben niet gemaakt voor de liefde. Ik ben koud. Ik houd van mijn man en van mijn kind. Laten we vrienden zijn, Van Helderen.

—Ik vecht ertegen, maar het helpt niets.

—Ik houd van Ida. Ik zou haar voor niets ter wereld ongelukkig willen maken.

—Ik geloof niet dat ik ooit van haar heb gehouden.

—Van Helderen...

—Misschien alleen van haar mooie gezichtje. Maar hoe blank ze ook is, ze is een nonna. Met haar grillen en haar kinderachtige drama's. Vroeger zag ik dat niet zo. Nu zie ik het wel. Ik heb vóór u wel Europese vrouwen ontmoet. Maar u was voor mij een openbaring. U liet me alles zien wat charmant, gracieus en artistiek is in een vrouw... Wat in u exotisch is, past bij wat in mij exotisch is.

—Ik waardeer je vriendschap heel erg. Laat het zo blijven.

—Soms ben ik net gek. Soms droom ik... dat we samen door Europa reizen, dat we in Italië en in Parijs zijn. Soms zie ik ons samen in een gesloten kamer, bij een vuur. U praat dan over kunst, en ik over de sociale vragen van deze moderne tijd. Maar daarna zie ik ons nog dichter bij elkaar.

—Van Helderen...

—Het kan me niet meer schelen of u me waarschuwt. Ik heb je lief, Eva, Eva...

—Ik geloof dat er in geen enkel land zoveel wordt liefgehad als in Indië. Het komt zeker door de warmte...

—Maak me niet kapot met je spot. Nooit heeft een vrouw zo tot mijn hele ziel en lichaam gesproken als jij, Eva...

Ze haalde haar schouders op.

—Wees niet boos, Van Helderen, maar ik *kan* niet tegen die goedkope woorden. Laten we verstandig zijn. Ik heb een charmante man, en jij een lief vrouwtje. We zijn goede, gezellige vrienden van elkaar.

—Je bent zo koel.

—Ik wil ons geluk van vriendschap niet bederven.

—Vriendschap!

—Vriendschap. Behalve het geluk in mijn huis is er niets wat ik zo hoog waardeer. Zonder vrienden zou ik niet kunnen leven. Ik ben gelukkig met mijn man en mijn kind. Daarna heb ik het eerst vrienden nodig.

—Om je te bewonderen, en om over ze te heersen, zei hij boos.

Ze keek hem aan.

—Misschien, zei ze koel. Misschien heb ik het nodig om bewonderd te worden en om te heersen. We hebben allemaal onze zwakke kanten.

—Ik heb de mijne, zei hij bitter.

—Kom, zei ze, wat vriendelijker. Laten we goede vrienden blijven.

—Ik voel me diep ongelukkig, zei hij somber. Het is alsof ik alles in mijn leven heb gemist. Ik ben nooit van Java af geweest. Ik voel dat er iets mist in mij, omdat ik nooit sneeuw en ijs heb gezien. Sneeuw... dat is voor mij een vreemde, onbekende zuiverheid. Waar ik naar verlang, daar kom ik zelfs nooit in de buurt. Wanneer zie ik Europa? Wanneer ben ik niet meer dol op de Trouvère, en ga ik eens naar Bayreuth? Wanneer bereik ik jou, Eva? Ik steek naar alles mijn voelsprieten uit, als een insect zonder vleugels... En wat is verder mijn leven? Met Ida en drie kinderen, in wie ik nu al hun moeder zie. Jarenlang controleur blijven, dan misschien assistent-resident worden... en dat blijven. En dan eindelijk ontslag krijgen of vragen. Dan in Soekaboemi gaan wonen, en daar een saai leven leiden met een klein pensioen. Alles in mij verlangt naar de leegte...

—Maar je houdt toch van je werk; je bent een goede ambtenaar. Eldersma zegt het altijd: wie in Indië niet werkt en niet van zijn werk houdt, is verloren...

—Jij bent niet gemaakt voor de liefde, en ik ben niet gemaakt voor werk, voor *niets* dan werk. Ik kan werken voor een doel dat ik mooi vind. Maar ik kan niet werken alleen om te werken, om de leegte in mijn leven te vullen.

—Je doel is Indië...

Hij haalde zijn schouders op.

—Een groot woord, zei hij. Dat kan gelden voor iemand als de resident. In zijn carrière gaat alles hem voor de wind. Hij heeft nooit zitten turen op lijsten met rangen. Hij heeft nooit gerekend op de ziekte van de een en de dood van de ander... om promotie te maken. Het geldt voor iemand als Van Oudijck. Hij gelooft echt, in volle idealistische eerlijkheid, dat zijn doel Indië is. Niet voor Holland, maar voor Indië zelf. Voor de Javaan, die hij als ambtenaar beschermt tegen de willekeur van landheren en planters. Ik ben cynischer van aard...

—Maar wees niet lauw over Indië. Het is geen groot woord; ik voel het zo. Indië is helemaal onze grootheid, van ons Hollanders. Luister maar als vreemdelingen over Indië praten. Ze zijn allemaal verrukt over de glorie ervan, over onze manier van koloniseren... Doe niet mee met die ellendige Hollandse geest in Holland. Daar weet men niets van Indië. Men heeft er altijd spot voor Indië, met die kleine, stijve, burgerlijke manier van denken...

—Ik wist niet dat u zo dol was op Indië. Gisteren nog voelde u hier angst, en verdedigde ik mijn land...

—O, ik voel de huivering ervan. Ik voel de geheimzinnigheid in de avond, waarin iets lijkt te dreigen. Ik weet niet wat. Een angstige toekomst, een gevaar voor ons, voor ons... Ik voel dat ik persoonlijk ver van Indië af blijf staan, al wil ik dat niet... Ik mis hier de kunst, waarin ik ben opgevoed. Ik mis in het leven van de mensen de mooie lijn, waar mijn ouders me altijd op wezen... Maar onrechtvaardig ben ik niet. En Indië als onze kolonie vind ik groot. Ons, in onze kolonie, vind ik groot...

—Vroeger misschien. Nu loopt alles mis, nu zijn we niet groot meer. U hebt een artistieke natuur. U zoekt in Indië toch altijd de artistieke lijn, al vindt u die zelden. En dan denkt u aan die grootheid, die glorie. Dat is de poëzie. Het proza is iets anders. Het is een reusachtige, maar uitgeputte kolonie. Ze wordt steeds vanuit Holland bestuurd met één idee: winst. De werkelijkheid is niet dat de heerser groot is in Indië. De heerser is een kleine, armzalige uitbuiter. Het land is uitgezogen. En dan de echte bevolking. Ik bedoel niet de Hollander, die zijn Indische geld in Den Haag uitgeeft. Ik bedoel de Indo-bevolking, die gehecht is aan de Indische grond. Die wordt neergedrukt door de minachting van de heerser. Toch is die bevolking ooit uit zijn eigen bloed geboren. Maar nú dreigt ze op te staan tegen die druk en die minachting... U bent artistiek. U voelt het gevaar vaag naderen, als een wolk in de lucht, in de Indische nacht. Ik zie het gevaar al heel echt opkomen, voor Holland. Zo niet vanuit Amerika of Japan, dan uit de grond van Indië zelf.

Ze glimlachte.

—Ik houd ervan als je zo praat, zei ze. Uiteindelijk zou ik je nog gelijk geven.

—Kon ik maar zoveel bereiken met praten! lachte hij bitter, en hij stond op. Mijn halfuur is om. De resident wacht op me, en hij houdt er niet van om ook maar één minuut te wachten. Adieu, vergeef me.

—Zeg eens, zei ze. Ben ik koket?

—Nee, antwoordde hij. U bent wie u bent. En ik kan niet anders, ik heb u lief... Ik steek altijd mijn arme voelsprieten uit. Dat is mijn lot...

—Ik zal je helpen om mij te vergeten, zei ze lief en vol overtuiging.

Hij lachte even, groette en ging. Ze zag hem de weg oversteken naar het erf van de residentie. Daar kwam een oppasser hem tegemoet...

—Eigenlijk is het leven toch één groot zelfbedrog, dacht ze droevig en somber. Het is een dwalen in illusies. Je hebt een groot doel, een doel voor de hele wereld... Of een klein doel voor jezelf, voor je eigen lijf en ziel... O God, wat is alles weinig! En wat dwalen we rond, zonder iets te weten. En ieder zoekt zijn eigen doeltje, zijn eigen illusie. Alleen een uitzondering is gelukkig, zoals Léonie van Oudijck. Zij leeft niet meer dan een mooie bloem, een mooi dier.

Haar kindje kwam met kleine pasjes naar haar toe, een lieve, dikke, blonde jongen.

—Kind! dacht ze. Wat zal het leven voor jou zijn? Wat zal het je brengen, als jij aan de beurt bent? Ach, misschien niets nieuws. Misschien een herhaling van wat al zo vaak is geweest. Het leven is een roman die zich steeds herhaalt... O, als je je zo voelt, dan drukt Indië op je!

Ze omhelsde haar jongen. Haar tranen vielen in zijn blonde krulletjes.

—Van Oudijck heeft zijn residentie. Ik heb mijn kringetje van... bewondering en heersen... Frans heeft zijn liefde... voor mij... We hebben allemaal ons speelgoed, zoals mijn kleine Onno met zijn paardje speelt. Wat zijn we weinig, wat zijn we weinig...! Ons hele leven lang doen we alsof. We beelden ons van alles in. We denken dat we lijn, richting en doel geven aan ons arme, dwalende leventje. O, hoe kom ik zo, mijn kind? Mijn kind, en wat, wat zal het leven voor jou zijn??

### Woordenlijst

- **kommiezen**: ambtenaren op een kantoor, iets hoger dan de gewone schrijvers.
- **baar**: nieuwkomer uit Holland die Indië nog niet kent.
- **oudgasten**: mensen die al heel lang in Indië wonen.
- **Devoe-kisten**: houten kisten waarin petroleum werd vervoerd; men maakte er van alles van.
- **sawahs**: natte rijstvelden op Java.
- **controleur-kotta**: Nederlandse ambtenaar die toezicht houdt in de stad.
- **het Gouvernement**: de Nederlandse regering van Indië.
- **djatihout**: hard, bruin hout van de djatiboom (teak).
- **wajangpop**: pop uit het Javaanse poppenspel, met een fijn, stijf gezicht.
- **kris**: Javaanse dolk.
- **kondé**: haarknot.
- **kain pandjang**: lange gebatikte doek, als rok gedragen.
- **roedjak**: Indisch gerecht van stukjes vrucht met een scherpe saus.
- **creool**: iemand van Europese afkomst die in een kolonie is geboren.
- **saja / tida**: beleefd Maleis voor "ja" / "nee".
- **laten springen**: iemand laten ontslaan of overplaatsen.
- **kwispedoors**: potten om in te spuwen, bijvoorbeeld het rode sap van sirih.
- **knaap**: klein tafeltje met drie poten.
- **tafeldans**: spel waarbij mensen hun handen op een tafeltje leggen en een geest via tikken van de tafel spreekt.
- **medium**: iemand via wie geesten zouden spreken.
- **spotgeest**: geest die plaagt en grove dingen zegt.
- **seance**: bijeenkomst waarbij men met geesten probeert te praten.
- **goedang**: voorraadkamer.
- **latta**: zenuwziekte: na een schrik doet iemand meteen alles na wat er gezegd wordt, en daarna vraagt hij vergeving.
- **boeang**: gooi neer!
- **ajo, kloear**: vooruit, naar buiten!
- **minta ampon**: ik vraag vergeving.
- **njo**: jongen of jonge man uit Indië.
- **koket**: iemand die graag de aandacht trekt en een beetje flirt.

## Derde hoofdstuk

### I.

Vijftien paal van Laboewangi en dertien paal van Ngadjiwa lag de suikerfabriek Patjaram. Ze was van de familie de Luce. Die familie was half Indo en half Javaans, uit Solo. Vroeger waren ze miljonairs. Door de laatste suikercrisis waren ze niet meer zo rijk. Toch konden ze nog een groot gezin onderhouden. De familie bleef altijd bij elkaar. Er was een oude moeder en grootmoeder, een prinses uit Solo. De oudste zoon leidde de fabriek. Drie dochters waren getrouwd met mannen in dienst van de fabriek. Ze woonden met hun mannen in de schaduw van de fabriek. Drie jongere zonen werkten op de fabriek. De vele kleinkinderen speelden rond de fabriek. Ook de achterkleinkinderen groeiden daar op. In deze familie leefden de oude Indische gewoonten nog. Vroeger had iedereen die gewoonten. Nu worden ze zeldzamer, omdat er steeds meer Europeanen komen en gaan.

De moeder en grootmoeder was een dochter van een prins uit Solo. Ze was getrouwd met Ferdinand de Luce. Hij was een jonge, energieke avonturier, die vrij en zonder vaste plek leefde. Hij kwam uit een adellijke Franse familie van Mauritius. Een paar jaar was hij overal heen getrokken en had hij zijn plaats in de wereld gezocht. Toen was hij als hofmeester op een boot naar Indië gegaan. Na veel wisselingen in zijn leven was hij in Solo terechtgekomen. Daar werd hij beroemd om een gerecht van tomaten en een gerecht van gevulde Spaanse pepers! Door zijn recepten kwam hij bij de prins van Solo binnen. Later trouwde hij met diens dochter. Hij kwam zelfs bij de oude Soesoehoenan. Na zijn huwelijk werd hij landeigenaar. Volgens de oude wetten van Solo moest hij nu de Soesoehoenan dienen. Daarom stuurde hij elke dag rijst en vruchten naar het paleis van de vorst. Daarna begon hij in de suiker. Hij voelde dat het lot miljoenen voor hem klaar had liggen. Hij was gestorven vóór de crisis, rijk en geëerd.

De oude grootmoeder leek in niets meer op de jonge prinses. Ferdinand de Luce was met haar getrouwd om vooruit te komen. De bedienden en de Javaanse arbeiders van de fabriek kwamen altijd met heel veel respect bij haar, bijna kruipend. Iedereen gaf haar de titel Raden-Ajoe Pangéran. Ze sprak geen woord Nederlands. Haar huid was vol lijnen, als een oude, droge vrucht. Haar ogen hadden geen glans meer en haar mond was verwelkt van de sirih. Rustig leefde ze haar laatste jaren. Ze droeg altijd een donkere zijden kabaai. Die was met juwelen gesloten aan de hals en aan de nauwe mouwen. Voor haar oude ogen zag ze nog de pracht van het paleis van vroeger. Dat paleis had ze verlaten uit liefde voor die Franse kok van adel. Met zijn recepten had hij haar vader zo verwend. In haar dove oren klonk steeds het geluid van de machines, als de schroef van een stoomboot. Dat hoorde ze in de lange maanden van de maal-tijd. Om haar heen waren haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. De bedienden noemden de zonen Raden en de dochters Raden-Adjeng. Om hen allen hing nog altijd een zwakke glans van hun afkomst uit Solo. De oudste dochter was getrouwd met een blonde, volbloed Hollander. De zoon na haar was getrouwd met een Armeens meisje. De twee andere dochters waren getrouwd met Indo's, allebei bruin. Hun kinderen waren ook bruin. Die waren ook al getrouwd en hadden zelf kinderen. Zo liepen ze door elkaar met de blonde familie van de oudste dochter. De trots van de hele familie was de jongste zoon en broer, Adrien of Addy. Hij maakte Doddy van Oudijck het hof. Ondanks de drukte van de maal-tijd was hij steeds in Laboewangi.

In deze familie leefden gewoonten die elders al verdwenen zijn. Men kent ze nog van Indische families van jaren geleden. Hier zag je op het erf en in de achtergalerij nog de talloze baboes. De ene baboe maakte alleen bedak fijn. Een andere zorgde voor de wierook. Een derde stampte sambal. Ze hadden allemaal ogen vol dromen en soepele, spelende vingers. Hier kwam aan de rijsttafel nog geen einde aan de schotels. Een lange rij bedienden diende ernstig rond, de een na de ander. Steeds kwam er weer een andere groentesoep, weer een andere groentesaus, weer een ander kipgerecht. Ondertussen zaten de baboes laag op de grond achter de dames. Ze maakten sambal in een aarden schaaltje, voor elke verwende mond naar eigen smaak. Hier was het ook nog de gewoonte dat de dames met baboes naar de races in Ngadjiwa gingen. Achter elke dame liep een baboe, langzaam, soepel en ernstig. De ene baboe droeg een potje bedak, de andere een doosje pepermunt. Weer anderen droegen een verrekijker, een waaier of een flesje parfum. Het leek een stoet aan het hof van een koning, met de tekens van zijn macht. Hier vond je ook nog de gastvrijheid van vroeger. De rij kamers voor gasten stond open voor iedereen die aanklopte. Je kon blijven zo lang je wilde. Niemand vroeg waar je heen ging of wanneer je vertrok. Er heerste een grote eenvoud van ziel. De hartelijkheid was er voor iedereen; ze kwam vanzelf, zonder nadenken. Maar er heerste ook een eindeloze verveling, en alles ging loom. Er waren geen ideeën en weinig woorden. De zachte glimlach was genoeg, in plaats van ideeën en woorden. Aan eten en drinken was er meer dan genoeg. De hele dag werden er koele dranken, koekjes en roedjak rondgebracht. Er waren zelfs drie baboes alleen om roedjak en koekjes te maken. Over het erf liepen veel dieren. Er was een kooi vol apen. Er waren een paar papegaaien, honden, katten en eekhoorns die niet bang waren voor mensen. En er was een kantjil: een klein, fijn hertje dat vrij rondliep.

Het huis was tegen de fabriek aan gebouwd. In de maal-tijd was het er vol lawaai van de machines, als de schroef van een stoomboot. Het huis was ruim en had oude, ouderwetse meubels. Er stonden lage houten bedden met vier gesneden palen voor het net tegen de muggen. De tafels hadden dikke poten. De stoelen konden op en neer bewegen en hadden een heel ronde rug. Zulke dingen kon je nergens meer kopen. Niets was modern, behalve het elektrische licht in de voorgalerij. En dat brandde alleen tijdens de maal-tijd! De bewoners liepen altijd in huiskleren. De heren droegen wit, of wit met blauwe strepen. De dames droegen sarong en kabaai. Ze speelden met een aap, een papegaai of de kantjil. Ze waren eenvoudig van ziel en altijd even lief, langzaam en loom, met hetzelfde zachte lachje. Er waren wel hartstochten, maar die sliepen in die zachte glimlach.

Dan was de maal-tijd voorbij, en alle drukte ook. Lange rijen wagens hadden steeds meer suikerriet gebracht. Ze werden getrokken door prachtige ossen met bruine huiden vol glans. De weg was bedekt met afval van het riet. De brede sporen van de wagens hadden hem kapotgereden. De bibit voor het volgende jaar was gekocht. De machines stonden stil. Plotseling kon iedereen weer ademhalen na het harde werk. Dan begon de lange, lange zondag: maanden van rust. Dan wilde iedereen feest en plezier. Er kwam het grote diner bij de landvrouw, met een bal en levende beelden. Het hele huis zat vol gasten, bekende en onbekende, en ze bleven maar. En daar was dan de oude, droge grootmama. Ze was de landvrouw, de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, hoe je haar ook wilde noemen. Ze was lief met haar ogen zonder glans en haar sirihmond, lief tegen iedereen. Achter haar liep altijd een anak-mas, een 'gouden kindje'. Dat was een arm prinsesje dat de familie had opgenomen. Zij droeg de gouden sirihdoos achter de grote prinses uit Solo aan. Het was een klein, slank meisje van acht jaar. Haar pony was recht geknipt en haar voorhoofd was wit gemaakt met natte bedak. Ze droeg een kleine roze zijden kabaai en een kleine gouden sarong. Ze leek een poppetje, een speelgoed voor de Raden-Ajoe, oude mevrouw de Luce. En voor de kampongs waren er volksfeesten. Dat was een oude gewoonte van geven, waarin heel Patjaram deelde. Het was een traditie uit de tijd van de miljoenen. Ondanks crisis en slechte tijden hield de familie zich er altijd aan.

Het was nu na de maal-tijd en na de feesten. In huis was het tamelijk rustig, met een trage Indische kalmte. Voor de feesten waren mevrouw Van Oudijck, Theo en Doddy overgekomen. Ze bleven nog een paar dagen op Patjaram. Om de ronde marmeren tafel zat een grote kring mensen. Op de tafel stonden glazen siroop, limonade en whisky-soda. Ze spraken niet veel. Hun stoelen gingen rustig op en neer en af en toe zeiden ze een woord. Mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck spraken Maleis, maar niet veel. Een zachte, goedmoedige verveling daalde neer op al die mensen in hun stoelen. Het was vreemd om al die verschillende types te zien. Daar zat de mooie, melkwitte Léonie naast oude mevrouw de Luce, geel en droog. Daar zat Theo, Hollands wit en blond. Hij had volle, zinnelijke lippen, van zijn moeder, de nonna. Daar zat Doddy, met de vonken in haar zwarte ogen. Daar zat de zoon die de fabriek leidde, Achille de Luce: groot, sterk en bruin. Hij dacht alleen aan zijn machines en zijn bibit. De tweede zoon, Roger, was klein, mager en bruin. Hij was boekhouder en dacht alleen aan de winst van dat jaar. Naast hem zat zijn kleine Armeense vrouw. De oudste dochter was al oud, heel lelijk en bruin. Haar man was een volbloed Hollander die eruitzag als een boer. Dan waren er de andere zonen en dochters, in alle kleuren bruin. Je kon ze niet meteen uit elkaar houden. Om hen heen waren de kinderen, de kleinkinderen, de baboes, de kleine gouden kindjes, de papegaaien en de kantjil. Over al die mensen, kinderen en dieren lag één grote goedheid van samenleven. Maar ze waren ook allemaal trots op hun stammoeder uit Solo. Door haar glansde achter al hun hoofden een zwak licht van Javaanse adel. Daarop waren vooral de Armeense schoondochter en de boerse Hollandse schoonzoon trots.

Door het lange samenleven waren al deze mensen bijna in elkaar opgegaan. De levendigste van hen was de jongste zoon, Adrien de Luce, Addy. In hem waren het bloed van de prinses uit Solo en dat van de Franse avonturier mooi samengekomen. Die mengeling had hem geen hersens gegeven. Maar ze had hem de schoonheid van een jonge sinjo gegeven. Hij had iets van een Moor, iets verleidelijk zuidelijks, iets Spaans. Het was alsof die twee vreemde rassen zich in dit laatste kind voor het eerst echt verenigden. Na zoveel kinderen leken de avonturier en de prinses elkaar in hem eindelijk in harmonie te ontmoeten. Fantasie of verstand leek Addy niet te hebben. Hij kon geen twee gedachten met elkaar verbinden. Hij voelde alleen de vage goedheid die over de hele familie lag. Verder was hij als een mooi dier. In zijn ziel en zijn hoofd was hij niets geworden, één grote leegte. Maar zijn lichaam was als een nieuwe geboorte van zijn ras, vol kracht en schoonheid. Zijn bloed, zijn vlees en zijn spieren waren één harmonie van lichamelijke verleiding. Die was zo dom, zo mooi en zo zinnelijk, dat ze meteen tot een vrouw sprak. Hij hoefde maar te verschijnen, als een mooie zuidelijke god, of alle vrouwen keken naar hem. Ze namen hem op in hun diepste fantasie, om later weer aan hem te denken. Hij hoefde maar op een race-bal in Ngadjiwa te komen, of alle jonge meisjes werden verliefd op hem. Hij nam de liefde waar hij ze vond, volop, in de kampongs van Patjaram. En alle vrouwen waren dol op hem, van zijn moeder tot zijn kleine nichtjes.

Doddy van Oudijck was heel erg verliefd op hem. Al vanaf haar zevende was ze honderden keren verliefd geweest. Ze werd verliefd op iedereen die langs haar vonkelende ogen kwam. Maar zo verliefd als op Addy was ze nog nooit geweest. Het straalde zo uit haar hele wezen, dat het was als een vlam. Iedereen zag het en glimlachte. Het feest na de maal-tijd was voor haar een groot geluk geweest, als ze met hem danste. Maar het was een marteling, als hij met een ander danste. Hij had haar niet gevraagd. Maar ze wilde hem zelf vragen om met haar te trouwen. En als hij niet wilde, wilde ze sterven. Ze wist dat haar vader, de resident, het niet wilde. Hij hield niet van die de Luces, van 'die Solo-Franse boel', zoals hij zei. Maar als Addy wilde, zou haar vader toegeven. Want anders zou zij, Doddy, sterven. Voor dat kind van liefde was die jongen van liefde de wereld, het heelal, het leven. Hij maakte haar het hof en kuste haar stiekem op de mond. Maar meer was het niet; zonder nadenken deed hij dat ook met anderen. Hij kuste ook andere meisjes. Met andere vrouwen ging hij verder, als hij kon. Dat ging bij hem vanzelf, als bij een brandende jonge god zonder gedachten. Maar voor de dochter van de resident had hij nog wat respect. Hij had geen moed en hij was ook niet brutaal. Hij koos niet met veel hartstocht; voor hem was een vrouw een vrouw. Hij had al zo veel veroverd, dat hindernissen hem niet uitdaagden. Zijn tuin was vol bloemen die zich allemaal naar hem toe draaiden. Hij stak zijn hand uit, bijna zonder te kijken, en pakte ze maar.

Terwijl hun stoelen om de tafel op en neer gingen, zagen ze hem door de tuin aankomen. Alle ogen van die vrouwen gingen naar hem toe. Hij was als een jonge Verleider die in de zon aankwam, met het licht als een ring van stralen om zich heen. Oude mevrouw de Luce glimlachte en keek naar haar jongste zoon. Ze was verliefd op haar kind, haar lieveling. Achter haar zat het gouden kindje laag op de grond. Met grote ogen keek ze naar hem. De zussen keken, de nichtjes keken, en Doddy werd bleek. Léonie van Oudijck had een melkwitte huid. Nu kreeg die een roze glans, die weer wegzakte in haar glimlach. Zonder na te denken keek ze naar Theo. Hun ogen ontmoetten elkaar. Dit waren zielen die alleen voor de liefde leefden. Het was de liefde van de ogen, van de monden, van het warme vlees. Ze begrepen elkaar. Theo's jaloezie brandde zo fel naar Léonie, dat de roze glans verdween. Ze werd bleek en bang. Het was een plotselinge angst, zonder reden, die door haar gewone onverschilligheid heen ging. En ondertussen kwam de Verleider, in zijn ring van zonlicht, dichter en dichter bij …

### II.

Mevrouw Van Oudijck had beloofd nog een paar dagen op Patjaram te blijven. Eigenlijk zag ze daartegen op. Ze voelde zich niet helemaal thuis in die ouderwetse Indische wereld. Maar toen Addy verscheen, dacht ze er anders over. Diep in haar geheim diende deze vrouw haar zinnelijkheid, als in een tempel van haar egoïsme. Daar offerde deze melkwitte creoolse vrouw al haar roze fantasieën. Daar offerde ze haar verlangen, dat nooit uitging. In die eredienst was ze een kunstenares geworden, met een grote kennis. Met één blik zag ze wat haar aantrok in een man die naar haar toe kwam. Of in een man die langs haar liep. Bij de een was het zijn houding of zijn stem. Bij een ander was het de lijn van zijn nek op zijn schouders. Bij een derde was het zijn hand op zijn knie. Wat het ook was, ze zag het meteen, met één blik. Ze wist het in één seconde. Ze had de voorbijganger in één ogenblik beoordeeld. Ze wist meteen wie ze niet wilde, en dat waren de meesten. En ze wist wie ze goed genoeg vond, en dat waren er ook veel. Wie ze in dat ogenblik niet wilde, hoefde nooit meer te hopen. Zij was de priesteres en ze liet hem niet toe in de tempel. Voor de anderen stond de tempel open, maar alleen achter het gordijn van haar correctheid. Hoe brutaal ze ook was, ze bleef altijd correct. Haar liefdes waren altijd geheim. Voor de wereld was ze alleen de vriendelijk glimlachende vrouw van de resident, een beetje lui. Ze won iedereen met haar glimlach. Als men haar niet zag, sprak men kwaad van haar. Als men haar zag, had ze meteen gewonnen. Tussen haar en alle mannen die haar geheim deelden, bestond een soort geheim verbond. Het was als het mysterie van een eredienst. Een enkele keer zeiden ze elkaar heel even zacht iets, bij een gedeelde herinnering. Léonie kon glimlachend, melkwit en rustig in een grote kring om een marmeren tafel zitten. Daar zaten dan minstens twee of drie mannen die van het geheim wisten. Dat verstoorde haar rust niet en maakte haar glimlach niet kapot. Ze glimlachte tot vervelens toe. Haar blik ging nauwelijks van de een naar de ander. Even beoordeelde ze hen nog eens, met haar kennis, die nooit fout zat. Nauwelijks dacht ze aan de uren van vroeger. Nauwelijks dacht ze aan de afspraak voor de volgende dag. Het geheim bestond alleen als ze samen waren. Voor de gewone wereld werd er nooit over gesproken. Als in de kring een voet de hare zocht, trok ze haar voet terug. Ze flirtte nooit. Ze was soms zelfs een beetje saai: stijf, correct en glimlachend. Met de ingewijden deelde ze het geheim helemaal. Maar voor de wereld, in de kringen rond de marmeren tafels, gaf ze geen blik en geen hand. Haar jurk raakte zelfs geen broekspijp aan.

Ze had zich die dagen op Patjaram verveeld. Ze had de uitnodiging voor het feest van de maal-tijd aangenomen, omdat ze vroeger al had geweigerd. Maar nu ze Addy zag aankomen, verveelde ze zich niet meer. Natuurlijk kende ze hem al jaren. Ze had hem zien opgroeien van kind tot jongen en tot man. Toen hij een jongen was, had ze hem zelfs wel eens een kus gegeven. Al lang geleden had ze hem beoordeeld, de verleider. Maar nu kwam hij aan in een ring van zonlicht, en ze beoordeelde hem nog eens. Ze zag zijn mooie, slanke, dierlijke schoonheid. Ze zag zijn verleidersogen branden in zijn jonge, bruine gezicht van een Moor. Ze zag zijn volle, krullende lippen, met het eerste dunne haar erboven. Ze zag zijn armen en benen, sterk en soepel als die van een tijger, als van een Don Juan. Het vlamde allemaal zo naar haar toe, dat ze met haar ogen knipperde. Hij groette, ging zitten en gooide vrolijke woorden rond in de kring. Daar was alles traag, de woorden en de gedachten, half in slaap. Het was alsof hij een handvol van zijn zonlicht rondgooide, als stofgoud van verleiding. Hij gooide het over hen allen, over al die vrouwen: zijn moeder, zijn zussen, zijn nichtjes, Doddy en Léonie. Léonie keek naar hem, zoals ze allemaal naar hem keken. Haar blik ging naar zijn handen. Ze had die handen wel kunnen kussen. Plotseling werd ze verliefd op de vorm van die vingers. Ze werd verliefd op de bruine tijgerkracht van die handpalm. Plotseling werd ze verliefd op al het jonge en wilde in die jongen. Het kwam van hem af als een geur van mannelijkheid. Ze voelde haar bloed kloppen; ze kon het nauwelijks beheersen. En toch was ze zo goed in de kunst om koel en correct te blijven, in de kringen rond de marmeren tafels. Maar ze verveelde zich niet meer. Ze had een doel voor de komende dagen. Alleen … haar bloed klopte zo, dat Theo had gezien dat ze rood werd. Hij had ook haar oogleden zien trillen. Hij was verliefd op haar, en daarom had zijn oog in haar ziel gekeken. Ze stonden op om in de achtergalerij te gaan rijsttafelen. Daar zaten de baboes al op de grond. Ze maakten in stenen potjes met een stamper ieders eigen sambal. Toen beet Theo haar maar één woord toe:

—Pas op!!

Ze schrok. Ze voelde dat hij haar bedreigde. Dat was nog nooit gebeurd. Iedereen die het geheim met haar had gedeeld, had haar altijd gespaard. Ze schrok zo en was zo boos dat hij aan het gordijn van de tempel kwam. En dat in een galerij vol mensen! Het kookte in haar rustige onverschilligheid. Haar kalmte, die nooit zorgen kende, kwam in opstand. Maar ze keek naar hem. Ze zag hem blond, breed en groot: haar man, maar dan jong. Zijn Indische bloed zag je alleen aan zijn zinnelijke mond. En ze wilde hem niet verliezen. Ze wilde zijn type hebben naast het type van de Moorse verleider. Ze wilde hen allebei. Ze wilde het verschil proeven tussen hun twee soorten mannelijke charme. Aan de ene kant dat Hollandse blonde en witte, een beetje Indisch geworden. Aan de andere kant het wilde, dierlijke van Addy. Haar ziel en haar bloed waren onrustig, terwijl de lange rij schotels ernstig rondging. Zo opstandig was ze nog nooit geweest. Ze werd wakker uit haar kalme onverschilligheid. Dat was als een nieuwe geboorte, als een gevoel dat ze nog niet kende. Ze was verbaasd dat ze dertig was en dit voor het eerst voelde. Een koortsachtige slechtheid bloeide in haar op, als rode bloemen die je dronken maken. Ze keek naar Doddy. Doddy zat naast Addy. Het arme kind kon bijna niet eten, zo brandde ze van liefde … O, die Verleider, die alleen maar hoefde te verschijnen …! In die koorts van slechtheid was Léonie heel blij. Ze streed nu met haar zoveel jongere stiefdochter om Addy … Ze zou goed op Doddy letten. Ze zou zelfs Van Oudijck waarschuwen. Zou het ooit tot een huwelijk komen? Wat kon het haar schelen? Wat kon een huwelijk haar, Léonie, schelen?! O, die Verleider! Nooit had ze hem, de grootste verleider, zo gedroomd in haar roze uren van de siësta! Dit was geen charme van engeltjes. Dit was de sterke geur van een tijger: het goud dat in zijn ogen vonkte, de soepele spieren van zijn stille tijgerpoot … En ze glimlachte naar Theo, met één blik waarin ze zich gaf. Dat was heel zeldzaam, in een kring van mensen die rijst zaten te eten. Anders gaf ze zich nooit in het openbaar. Nu gaf ze zich even, blij om zijn jaloezie. Ze hield ook wild veel van hem. Ze vond het heerlijk dat hij bleek en boos keek van jaloezie. Om haar heen was de middag heet van de zon. De sambal prikte in haar droge mond. Er parelde een beetje zweet op haar slapen. Ook haar borst parelde, onder het kant van haar kabaai. En ze had hen allebei tegelijk in haar armen willen nemen, Theo en Addy. In één keer, in één mengeling van verschillende lust. Ze had ze allebei tegen zich aan willen drukken, tegen haar lichaam van een vrouw van de liefde …

### III.

Die nacht was als zacht fluweel dat loom uit de lucht neerdaalde. De maan stond in haar eerste kwartier. Ze was heel smal en krom, liggend, als een Turkse halve maan. Tussen de punten zag je zwak het donkere deel van de maan tegen de nacht. Voor het landhuis lag een lange laan van tjemara's. De stammen waren recht. De bladeren leken op uitgeplukt en gerafeld fluweel. Ze staken als zachte watten af tegen de wolken. Die wolken hingen laag. Al een maand lang kondigden ze de regentijd aan. Soms koerden er wilde duiven. En een tokkè riep, eerst met twee ratelende geluiden, alsof hij zich klaarmaakte. Dan riep hij vier, vijf keer:

—Tokkè, tokkè …! eerst krachtig, dan zwakker en zwakker …

Aan de grote weg stond het huisje van de gardoè. Aan die weg lag ook de markt. Die sliep nu, met haar lege tafels. De gardoè sloeg elf houten slagen op zijn tong-tong. Toen kwam er nog een heel late wagen voorbij. Hij riep met een harde, droge stem:

—Werr-da!

De nacht was als zacht fluweel dat loom uit de lucht neerdaalde. Hij was vol geheimen die om je heen hingen. Hij was als een benauwende dreiging van de toekomst. Maar in dat geheim lag ook een verleiding tot liefde. Ze lag onder de zwarte watten en het gerafelde fluweel van de tjemara's. Je kon er niet aan ontsnappen, in die nacht zonder wind. Het was alsof iets zacht zei: laat dit uur niet voorbijgaan … De tokkè plaagde als een spotgeest, droog en grappig. De gardoè liet je schrikken met zijn 'werda!'. Maar zachtjes koerden de wilde duiven. De hele nacht was als één zacht fluweel. Hij was als één grote slaapkamer, met het fluweel van de tjemara's als gordijnen. De hele maand lagen de regenwolken al aan de horizon. Hun warme, zware lucht maakte je hoofd zwaar, als een sterke betovering. Geheim en betovering hingen in die zachte nacht. Ze daalden neer in de halfdonkere slaapkamer van de nacht. Ze lieten alle gedachten en de ziel smelten. En ze gaven warme dromen …

De tokkè was stil. De gardoè dommelde in. De zachte nacht heerste als een tovenares, met de smalle maan als kroon. Langzaam kwamen er twee jonge mensen aan. Ze liepen met de armen om elkaars middel. Door de betovering zochten ze elkaars mond voor een kus. Als schaduwen kwamen ze onder het fluweel van de tjemara's door. In hun witte kleren lichtten ze zacht op. Ze waren als het paar van de liefde, dat eeuwig is en zich altijd en overal herhaalt. En vooral hier leek dat paar niet te vermijden, in die betoverde nacht. Het was één met de nacht. Het was opgeroepen door de tovenares die heerste. Hier was het noodlot. Het was als een dubbele bloem van noodlottige liefde. Die bloeide in het zachte geheim van de lucht, die alles dwong.

En de Verleider leek de zoon van die nacht. Hij leek de zoon van die koningin van de nacht, aan wie niemand kon ontsnappen. Zij nam het zwakke meisje met zich mee. In Doddy's oren leek de nacht te zingen met zijn stem. Haar kleine ziel werd helemaal zwak, in die magische krachten. Ze liep dicht naast hem. Ze keek vol verlangen naar hem op. De vonken in haar ogen waren als diamant. Hij was dronken van de macht van de nacht, van de tovenares, die als zijn moeder was. Eerst wilde hij haar verder meenemen. Hij dacht niet meer aan de werkelijkheid. Hij had geen respect meer voor haar en was voor niemand meer bang. Hij wilde haar verder meenemen, voorbij de gardoè die dommelde, over de grote weg. Dan de kampong in, die daar verborgen lag tussen de klapperbomen. Hun bladeren hingen als veren boven de kampong, als een dak boven hun liefde. Hij wilde haar naar een schuilplaats brengen, een huis dat hij kende. Het was een bamboehut, die men voor hem zou openen.

Toen bleef ze plotseling staan en schrok.

Ze greep zijn arm stevig vast en hield zich aan hem vast. Ze zei steeds: nee, nee, ze was bang …

—Waarom? vroeg hij zacht, met zijn stem als fluweel, even zacht en diep als de hele nacht. Waarom dan niet, vannacht? Vannacht eindelijk zou het zonder gevaar zijn …

Maar zij schudde van angst en ze vroeg hem:

—Addy, Addy, nee … nee … ik durf niet verder … Ik ben bang dat de gardoè ons ziet, en dan … daar loopt … een hadji … met een witte tulband op …

Hij keek naar de weg. Aan de overkant wachtte de kampong onder de klapperbomen, met de bamboehut die men zou openen …

—Een hadji …? Waar, Doddy? Ik zie niemand …

—Hij ging over de weg. Hij keek naar ons om, hij zag ons. Ik zag zijn ogen schitteren. En hij is achter die bomen gegaan, de kampong in …

—Lieveling, ik heb niets gezien …

—Jawel, jawel, ik durf niet, Addy. O toe, laten we teruggaan!!

Zijn mooie Moorse gezicht werd donker. Hij zag al voor zich hoe de oude vrouw het hutje voor hem opende. Hij kende haar. Ze was dol op hem, zoals alle vrouwen dol op hem waren, van zijn moeder tot zijn kleine nichtjes.

Nog één keer probeerde hij haar over te halen. Maar ze wilde niet. Ze bleef staan, stevig op haar kleine voeten. Toen keerden ze terug. De wolken laag aan de horizon werden warmer en zwaarder. Het zachte donker van de nacht werd dichter, als warme sneeuw. De tjemara's werden voller en zwarter. Het landhuis kwam vaag in zicht, zonder licht, diep in slaap. En hij bleef het haar vragen. Hij vroeg haar met grote ernst om hem die nacht niet te verlaten. Hij zou sterven, die nacht, zonder haar … Ze gaf al toe en beloofde het, met haar armen om zijn hals … Toen schrok ze weer en riep:

—Addy … Addy … daar, alweer … die witte figuur …

—Jij ziet overal hadji's! spotte hij.

—Daar dan, kijk …

Hij keek. Nu zag hij echt een witte figuur in de donkere voorgalerij. Ze kwam naar hen toe. Maar het was een vrouw …

—Mama! riep Doddy geschrokken.

Het was echt Léonie. Ze kwam langzaam naar hen toe.

—Doddy, zei ze zacht. Ik heb overal naar je gezocht. Ik was zo bang. Ik wist niet waar je was. Waarom ga je zo laat nog wandelen? Addy …, ging ze zacht verder, lief en moederlijk, als tegen twee kinderen. Hoe kun je zoiets doen? Zo laat nog met Doddy wandelen! Je moet het echt nooit meer doen, hoor! Ik weet wel dat het niets is, maar als iemand het zag! Je moet me beloven het *nooit* meer te doen?!

Ze vroeg het lief, met een vriendelijk verwijt. Ze deed alsof ze hen goed begreep. Alsof ze wist dat ze vol liefde voor elkaar waren, in die zachte, betoverde nacht. Met haar woorden vergaf ze het hun meteen. Ze zag eruit als een engel, met haar ronde, witte gezicht en haar loshangende, golvende blonde haar. Ze droeg een witte zijden kimono, die soepel en los om haar heen hing. Ze trok Doddy naar zich toe en kuste het kind. Ze droogde Doddy's tranen. Toen duwde ze Doddy zachtjes weg, naar haar kamer in de bijgebouwen. Daar sliep Doddy veilig, tussen zoveel andere kamers vol dochters en kleinkinderen van oude mevrouw de Luce. Zachtjes huilend ging Doddy naar haar eenzame kamer. Ondertussen sprak Léonie nog met Addy. Ze maakte hem zachte verwijten en waarschuwde hem lief, nu als een zus. Hij stond voor haar, mooi en Moors bruin, en verborg zijn verlegenheid achter grootspraak. Ze stonden in het halfdonker van de donkere voorgalerij. Buiten verspreidde de nacht, als wierook, de zware geuren van genot, liefde en zacht geheim. Daar kon niemand aan ontsnappen. Ze maakte hem verwijten en ze waarschuwde hem. Ze zei dat Doddy een kind was en dat hij daar geen misbruik van mocht maken … Hij haalde zijn schouders op. Hij verdedigde zich met zijn grootspraak. Zijn woorden vielen op haar als stofgoud, terwijl zijn ogen vonkten als die van een tijger. Ze probeerde hem over te halen om de arme Doddy voortaan te sparen. Toen pakte ze zijn hand. Het was de hand waarop ze verliefd was. Het waren de vingers en de handpalm die ze die ochtend, in haar verwarring, had kunnen kussen. Ze drukte die hand. Ze huilde bijna en vroeg hem om genade voor Doddy … Plotseling merkte hij het. Hij keek haar aan met de bliksem van zijn wilde-dierenblik. Hij vond haar mooi. Hij zag dat ze een vrouw was, melkwit. En hij wist dat ze een priesteres was, vol geheime kennis … Ook hij sprak nu over Doddy. Hij kwam dichter bij haar en voelde wat ze wilde. Hij drukte haar beide handen tussen zijn handen. Zo liet hij haar begrijpen dat hij het begreep. Ze deed nog steeds alsof ze huilde en hem iets bleef vragen. Zo nam ze hem mee en opende ze haar kamer. Hij zag een zwak licht. Hij zag haar meid, Oerip, door de buitendeur weggaan. Oerip ging daar op een matje liggen slapen, als een trouw dier. Toen lachte Léonie hem toe. Hij, de verleider, was verbaasd over het vuur in de lach van die witte, blonde vrouw die hem verleidde. Ze wierp haar zijden kimono af. Als een beeld stond ze voor hem, naakt, met haar armen wijd open …

Oerip luisterde buiten even. Glimlachend wilde ze gaan slapen. Ze droomde van de mooie sarongs die de Kandjeng haar morgen zou geven. Toen schrok ze even. Over het erf zag ze een hadji met een witte tulband lopen. Hij verdween in de nacht …

### IV.

Die dag zou de Regent van Ngadjiwa, de jongere broer van Soenario, op bezoek komen in Patjaram. Hij kwam omdat mevrouw Van Oudijck de volgende dag vertrok. Ze wachtten op hem in de voorgalerij. Ze zaten om de marmeren tafel en gingen in hun stoelen heen en weer. Toen reed zijn rijtuig met veel lawaai de lange laan van tjemara's in. Iedereen stond op. Nu bleek vooral hoe hoog oude mevrouw de Luce in aanzien stond. Ze was immers nauw verwant aan de Soesoehoenan zelf. De Regent stapte uit. Zonder een stap verder te doen hurkte hij neer op de eerste trap van de voorgalerij. Eerbiedig maakte hij de semba. Achter zijn rug hield een volgeling de gesloten pajong omhoog, van goud en wit. Die pajong was als een zon die haar stralen had dichtgevouwen. De volgeling maakte zich nog kleiner en kromp ineen, alsof hij niets was. De oude vrouw, de prinses uit Solo, zag het paleis van vroeger weer voor zich stralen. Ze ging naar hem toe. Ze heette de Regent welkom in het beleefde Javaans van het paleis. Dat was de taal die vorsten onder elkaar spraken, als gelijken. Toen stond de Regent op en liep achter haar aan naar de familie. Pas daarna groette hij de vrouw van zijn resident. Hij deed dat beleefd, maar bijna neerbuigend. Dat viel op na zijn groet van daarnet, toen hij zich zo klein had gemaakt … Toen ging hij zitten tussen mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck. Er begon een traag gesprek.

De Regent van Ngadjiwa was een ander type dan zijn broer Soenario. Hij was groter en grover. Hij had niets van de levende wajangpop die Soenario leek. Hij was jonger, maar hij zag er ouder uit. Zijn gezicht was stijf geworden van hartstocht. Zijn ogen waren verbrand van hartstocht. Het was hartstocht voor vrouwen, voor wijn en voor opium. Maar vooral was het hartstocht voor het spel. In dat trage, lange gesprek leek een stille gedachte op te vonken. Er waren geen ideeën en weinig woorden. Steeds klonk het beleefde 'saja, saja'. Maar echt, ze verborgen allemaal hun geheime verlangen … Ze spraken Maleis, omdat mevrouw Van Oudijck geen Javaans durfde te spreken. Dat is een fijne, moeilijke taal, vol kleine regels van beleefdheid. Bijna geen enkele Hollander waagt zich eraan tegenover Javanen van hoge rang. Ze spraken weinig en gingen zacht heen en weer. Met een vage, beleefde glimlach lieten ze zien dat ze meededen met het gesprek. Toch zeiden alleen mevrouw de Luce en de Regent af en toe een woord … Tot de de Luces zich eindelijk niet meer konden inhouden: de oude mama, de zoon Roger, de bruine schoondochters. Zelfs voor mevrouw Van Oudijck niet. Ze lachten verlegen, terwijl er drankjes en koek werden rondgebracht. Ondanks hun beleefdheid overlegden ze snel met elkaar, met een paar woorden Javaans, over Léonie heen. Eindelijk vroeg de oude mama het haar. Ze kon zich niet meer beheersen. Zou mevrouw Van Oudijck het erg vinden als ze heel even speelden? Ze keken haar allemaal aan: de vrouw van de resident, de vrouw van de man met het gezag. Ze wisten dat hij hun gokken haatte. Het gokken was hun ondergang. Daardoor ging de hoge stand van de Javaanse families verloren. En hij wilde die stand hoog houden, ook tegen henzelf in. Maar zij was te onverschillig. Ze dacht er niet aan om hen met een handig grapje tegen te houden. Zo had ze haar man een plezier kunnen doen. Zij was de slavin van haar eigen hartstocht. Daarom liet ze hen slaven zijn van de hunne, en genieten van hun slavernij. Ze glimlachte alleen.

Ze vond het best dat de spelers zich terugtrokken in het halfdonker van de wijde, vierkante binnengalerij. De dames telden gretig hun geld in hun zakdoek. Ze wisselden geld bij de heren. Toen gingen ze dicht bij elkaar zitten. Ze hielden hun ogen op de kaarten. Ze keken ook stiekem in elkaars ogen. Zo speelden ze maar door, eindeloos. Ze wonnen, ze verloren, ze betaalden of ze streken geld op. De zakdoek met geld ging even open en weer dicht. Er werd niet gesproken. Je zag alleen de kleine, vierkante kaarten snel heen en weer gaan, in het halfdonker van de binnenkamer. Speelden ze slikoer of 'stooteren'? Léonie wist het niet. Het liet haar koud; ze stond ver van die hartstocht. Ze was blij dat Addy naast haar bleef zitten en dat Theo hem jaloers aankeek. Wist Theo iets? Vermoedde hij iets? Zou Oerip altijd zwijgen? Ze genoot van de spanning. Ze wilde hen allebei. Ze wilde wit en bruin allebei. Doddy zat aan de andere kant van Addy. Ze ging in haar stoel heen en weer, en ze leek bijna ziek van verdriet. Dat gaf Léonie een scherp en slecht plezier. Wat was er anders in het leven dan je te laten gaan, waar je verlangen naar genot je dreef? Ze had geen ambitie. Haar hoge positie liet haar koud. Ze was de eerste vrouw van de residentie, maar al haar plichten liet ze over aan Eva Eldersma. Op de recepties in Laboewangi, in Ngadjiwa en elders begroetten honderden mensen haar. Ze deden dat met een eerbied die bijna leek op die voor een vorstin. Het deed haar niets. Stilletjes, in haar roze, perverse dromen, met een roman van Mendès in haar handen, lachte ze erom. Ze lachte om die overdrijving van het binnenland, waar de vrouw van de resident een koningin kan zijn. Ze had geen andere ambitie dan de man te hebben die ze zelf goed genoeg vond. Ze had geen ander leven van de ziel dan de eredienst van haar lichaam. Ze was als een Aphrodite die haar eigen priesteres was. Wat kon het haar schelen dat ze daar speelden? Wat kon het haar schelen dat de Regent van Ngadjiwa zichzelf kapotmaakte? Integendeel, ze vond het juist interessant om die verwoesting op zijn vermoeide, kapotte gezicht te bekijken. Ze zou zichzelf nog beter verzorgen dan anders. Ze zou Oerip haar gezicht en haar lichaam laten masseren. Ze zou Oerip nog meer van de witte, vloeibare bedak laten maken. Dat was de wondercrème, de toverzalf. Oerip kende het geheim ervan. Die crème hield het vlees stevig, glad en zo wit als een mangistan. Ze vond het boeiend om de Regent van Ngadjiwa te zien branden als een kaars, tot er niets meer over was. Hij was dom en traag geworden van vrouwen, wijn, opium en kaarten. Misschien het meest van de kaarten, van het eindeloze staren naar kaarten. Hij gokte en berekende de kans, al was die niet te berekenen. Hij rekende volgens de petangans, want hij geloofde in goede en slechte dagen. Zo telde hij de dag en het uur uit waarop hij moest spelen om te winnen. Hij telde ook uit met hoeveel spelers en met hoeveel geld … Af en toe keek ze stiekem naar de gezichten van de spelers. In de binnengalerij waren die donker van het halfdonker en van hebzucht. Ze dacht eraan wat Van Oudijck zou zeggen en hoe boos hij zou zijn, als ze hem dit vertelde … Wat kon het hem eigenlijk schelen of die regentenfamilie ten onder ging? Wat kon zijn politiek haar schelen? De hele Hollandse politiek hield de Javaanse adel graag in hoog aanzien. Want via die adel bestuurde ze het volk. Wat kon het haar schelen dat Van Oudijck verdriet had? Hij dacht aan de oude, edele Pangéran en zag de ondergang van diens kinderen. Het kon haar allemaal niets schelen. Ze gaf nu alleen om zichzelf, en om Addy, en om Theo. Ze zou haar stiefzoon, haar blonde, die middag zeggen dat hij niet zo jaloers moest zijn. Je kon het zien, en ze wist zeker dat Doddy het zag. Had ze het arme kind gisteren niet gered? Maar hoe lang zou dat verlangen van Doddy duren? Zou ze Van Oudijck niet beter waarschuwen, als een goede, voorzichtige moeder …? Haar gedachten gingen loom alle kanten op. De ochtend was heet en zwaar. Het waren de laatste, brandende dagen van de oostmoesson. Dan parelen er vochtige druppels op je huid. Haar lichaam trilde. Ze liet Doddy bij Addy achter en nam Theo mee. Ze zei streng dat hij niet zo jaloers moest kijken. Hij keek met een woede waar hij niets mee kon. Ze werd een beetje boos en vroeg wat hij eigenlijk wilde …

Ze waren naar de zijkant van het huis gegaan, in de lange zijgalerij. Daar zaten apen in een kooi. Eromheen lagen bananenschillen. De kleinkinderen hadden de dieren met die vruchten gevoerd.

Al een paar keer was de gong geslagen voor de rijsttafel. In de achtergalerij zaten de baboes al op de grond. Ze maakten voor ieder zijn eigen sambal fijn. Maar aan de speeltafel leek men niets te horen. Alleen werden de zachte stemmen hoger en harder. Léonie en Theo, en ook Addy en Doddy, luisterden. Plotseling leek er ruzie los te barsten tussen Roger en de Regent. Oude mevrouw de Luce probeerde hen te kalmeren, maar het hielp niet. Ze spraken Javaans, maar lieten alle beleefdheid varen. Als koelies noemden ze elkaar valsspelers. Steeds hoorde je oude mevrouw de Luce, die hen rustig probeerde te maken. Haar dochters en schoondochters hielpen haar daarbij. Maar ruw werden er stoelen verschoven. Er brak een glas. Roger leek de kaarten woest neer te gooien. Alle vrouwen daarbinnen probeerden de mannen te kalmeren. Ze deden het met hoge stemmen en met lage stemmen, heel zacht. Ze riepen kleine dingen, smekend en boos. Overal in het huis, op alle hoeken, luisterden talloze bedienden. Toen zakte de ruzie. Tussen de Regent en Roger gingen lange, boze verklaringen nog even door. De vrouwen zeiden zacht: 'stil …! stil …!' Ze schaamden zich voor de vrouw van de resident en keken waar ze was. Eindelijk werd het stil. Ze gingen stil zitten en hoopten dat de ruzie niet te veel gehoord was. Pas heel laat, tegen drieën, kwam oude mevrouw de Luce naar de voorgalerij. De hartstocht voor het gokken lichtte nog in haar oude, moe geworden ogen. Maar ze verzamelde waardig al haar aanzien van prinses. Ze deed alsof er niets gebeurd was. Ze vroeg of mevrouw Van Oudijck aan tafel kwam.

### V.

Ja, Theo wist het. Na de rijsttafel had hij met Oerip gesproken. Eerst had de meid het willen ontkennen, want ze was bang haar sarongs te verliezen. Maar ze had niet kunnen blijven liegen. Ze zei alleen heel zwakjes nog: nee, nee … En nog vroeg in diezelfde middag was Theo naar Addy gegaan, gek van jaloezie. Maar Addy's onverschillige rust had hem gekalmeerd. Die mooie jongen met zijn Moorse gezicht had al zo vaak gewonnen, dat hij zelf nooit jaloers was. Theo werd ook rustig door die totale leegte in het hoofd van de Verleider. Na een uur van liefde vergat Addy meteen alles. Hij vergat het zo volkomen, dat hij heel onschuldig en verbaasd keek toen Theo binnenkwam. Theo was rood en kookte van woede. Addy lag in bed voor zijn siësta, helemaal naakt, zoals hij altijd deed. Hij was jong en prachtig als brons, zo mooi als een beeld uit de oudheid. Theo stond voor het bed en riep dat hij hem in zijn gezicht zou slaan … Maar Addy's verbazing was zo naïef en zijn onverschilligheid zo volkomen. Hij leek het uur van liefde van de vorige nacht helemaal vergeten. Hij lachte zo rustig om het idee om voor een vrouw te vechten. Daardoor bedaarde Theo en ging hij op de rand van het bed zitten. Addy was een paar jaar jonger, maar hij had meer ervaring dan wie ook. En hij zei Theo dat hij dat niet meer moest doen: zo boos worden om een vrouw. Om een minnares die zich aan een ander gaf. Bijna vaderlijk en vol medelijden klopte Addy hem op de schouder. Nu ze toch van elkaar wisten, spraken ze eens vertrouwelijk met elkaar. Ze vroegen elkaar van alles. Ze vertelden elkaar ook andere dingen, over vrouwen en over meisjes. Theo vroeg of Addy met Doddy zou trouwen. Maar Addy zei dat hij niet aan trouwen dacht. En de resident zou het ook niet willen. Die hield niet van zijn familie en vond hen te Indisch. Met één woord liet Addy toen ook zijn trots op zijn afkomst uit Solo merken. Hij was trots op het zwakke licht dat achter alle hoofden van de de Luces glansde. En Addy vroeg Theo of hij wel wist dat hij een broertje in de kampong had. Theo wist van niets. Maar Addy verzekerde het hem. Het was een zoontje van papa, hoor, uit de tijd dat de oude nog controleur was in Ngadjiwa. Het was een kerel van hun leeftijd, helemaal een njo geworden. Zijn moeder was dood. Misschien wist de oude zelf niet dat hij nog een kind in de kampong had. Maar het was waar; iedereen wist het. De Regent wist het, de patih wist het, de wedono wist het, en de minste koelie wist het. Echt bewijs was er niet. Maar wat de hele wereld zo wist, was even waar als het bestaan van de wereld. Wat die kerel deed? Niets. Hij vloekte. Hij riep dat hij een zoon was van de Kandjeng Toean Residèn, die hem in de kampong liet stikken. Waar hij van leefde? Van niets. Van wat hij brutaal bedelde, van wat men hem gaf. En dan … van allerlei handeltjes. Hij ging rond door de districten, door alle dessa's. Hij vroeg of er niets te klagen viel, en dan schreef hij verzoekschriften. Hij spoorde mensen aan om naar Mekka te gaan. Dan moesten ze een reis boeken bij heel goedkope kleine stoombootbedrijfjes. Daar was hij in het geheim agent van. Hij ging tot in de verste dessa en liet er reclameplaten zien. Daarop stonden een stoomboot vol Mekka-gangers, de Kaaba en het Heilige Graf van Mohammed. Zo leefde hij maar wat. Hij was vaak betrokken bij vechtpartijen, en één keer bij een ketjoe-bende. Soms droeg hij een sarong, soms een oud, gestreept katoenen pakje. Hij sliep nu eens hier, dan weer daar. Theo was verbaasd. Hij zei dat hij nooit iets van die halfbroer had gehoord. Hij was nieuwsgierig. Toen stelde Addy voor om hem eens te gaan zoeken. Misschien was hij in de kampong te vinden. Vrolijk nam Addy vlug zijn bad. Hij trok een fris wit pak aan. Ze gingen over de weg, langs de rietvelden, de kampong in. Onder de zware bomen werd het al donker. De bananenbomen hielden hun bladeren omhoog als frisgroene roeispanen. Onder het hoge dak van de klapperbomen lagen de bamboehuisjes verborgen. Met hun daken van atap waren ze mooi als in een gedicht, oosters en vredig. De deurtjes waren vaak al dicht. Als ze openstonden, zag je een stukje zwart binnen. Daar zag je vaag een baleh-baleh, met een donkere figuur die er laag op zat. Kale, schurftige honden blaften. De kinderen, met belletjes om, liepen weg en keken stiekem uit de huisjes. De vrouwen bleven rustig. Ze herkenden de Verleider en lachten vaag. Ze knipperden met hun ogen als hij in zijn glorie voorbijkwam. Addy wees het huisje aan waar zijn oude baboe woonde, Tidjem. Zij hielp hem. Ze opende altijd haar deur voor hem, als hij haar hutje nodig had. Ze was dol op hem, net als zijn moeder, zijn zussen en zijn kleine nichtjes. Hij liet Theo het huisje zien. Hij dacht aan zijn wandeling van gisteravond met Doddy onder de tjemara's. De baboe Tidjem zag hem en liep vol vreugde op hem af. Ze hurkte bij hem neer. Ze omhelsde zijn been tegen haar verwelkte borst. Ze drukte haar voorhoofd tegen zijn knie. Ze kuste zijn witte schoen. Ze keek hem verrukt aan. Hij was haar mooie prins, haar Raden. Ze had hem gewiegd toen hij een klein, rond jongetje was. Ook toen al was ze dol op hem. Hij klopte haar op de schouder en gaf haar een rijksdaalder. Hij vroeg of ze wist waar si-Oudijck was, want zijn broer wilde hem zien.

Tidjem stond op en gaf een teken dat ze mee moesten. Het was nog een heel eind lopen. Ze kwamen uit de kampong op een open weg. Langs die weg lagen rails. Daarover werden de krandjangs met suiker naar de prauwen gebracht. Die lagen klaar aan een steiger in de Brantas. De zon ging onder in een enorme waaier van oranje stralen. Ver weg stonden rijen bomen. Ze waren als donker, zacht fluweel tegen dat trotse licht. Die bomen stonden langs de velden voor de bibit. De velden waren nog niet beplant en lagen er donker bij, als kale akkers. Van de fabriek kwamen een paar mannen en vrouwen, op weg naar huis. Bij de rivier, bij die steiger, stond een heilige waringin. Hij had vijf stammen, die in elkaar gegroeid waren, en wijd uitlopende wortels. Daaronder was een kleine markt met draagbare keukentjes. Tidjem riep de veerman. Hij zette hen over de oranje Brantas. Het laatste gele licht van de zon ging wijd open als een pauwenstaart. Toen ze aan de overkant waren, viel de nacht snel, als sluiers over elkaar heen. De wolken hadden de hele maand november laag aan de horizon gedreigd. Nu drukten ze warm en zwaar op de lucht. Ze liepen een andere kampong in. Hier en daar brandde een lampje op petroleum in een lang glas, zonder kap. Eindelijk kwamen ze bij een huisje. Het was half van bamboe en half van planken van Devoe-kisten. Het dak was half van pannen en half van atap. Tidjem wees het aan. Ze hurkte nog een keer, omhelsde Addy's knie en kuste die. Toen vroeg ze of ze terug mocht gaan. Addy klopte op de deur. Binnen klonk een lage stem en liep iemand lawaaiig rond. Maar toen Addy riep, werd de deur met een trap opengegooid. De twee jongemannen stapten de enige kamer van het huisje binnen. In een hoek stond een baleh-baleh met een paar vuile kussens. Ervoor hing een slap gordijn van dun katoen. Er stond een wrakke tafel met een paar stoelen. Op de tafel stond een lamp op petroleum, zonder kap. In een hoek lag wat rommel van kleine spullen, op een stapel op een Devoe-kist. Overal hing een zure lucht van opium.

Aan de tafel zat si-Oudijck met een Arabier. Op de baleh-baleh zat een Javaanse vrouw laag op haar hielen. Ze maakte een sirihblad klaar. Op de tafel lagen een paar papieren, tussen de Arabier en de sinjo. Si-Oudijck frommelde ze haastig bij elkaar. Je kon zien dat het onverwachte bezoek hem ergerde. Maar hij herstelde zich, deed vrolijk en hartelijk en riep:

—Zo, Adipati, Soesoehoenan! Sultan van Patjaram! Suikerlord! Hoe maak je het, mooie vent, meidenkerel!

Zijn vrolijke stroom van begroetingen hield niet op. Ondertussen pakte hij snel de papieren bij elkaar. Hij gaf de Arabier een teken, en die verdween door de andere deur, aan de achterkant.

—En wie heb je daar bij je, Raden Mas Adrianus, lekkere Lucius …

—Je broertje, antwoordde Addy.

Si-Oudijck keek plotseling op.

—O zo, zei hij. Hij sprak gebroken Hollands, Javaans en Maleis door elkaar. Ik herken hem, mijn echte. En wat komt de kerel doen?

—Eens zien hoe jij eruitziet …

De twee broers keken elkaar aan. Theo was nieuwsgierig. Hij was blij dat hij dit had ontdekt. Het was een wapen tegen de oude, als hij dat ooit nodig had. De ander, si-Oudijck, hield alles geheim achter zijn bruine, slimme, loerende gezicht. Daarachter verborg hij al zijn jaloezie, al zijn bitterheid en haat.

—Woon je hier? vroeg Theo, om iets te zeggen.

—Nee, ik ben op het ogenblik bij haar, antwoordde si-Oudijck. Hij wees met zijn hoofd naar de vrouw.

—Is je moeder lang geleden gestorven?

—Ja. De jouwe leeft nog, nietwaar? Ze is in Batavia. Ik ken haar. Zie je haar ooit?

—Nee.

—Hm … Hou je meer van je stiefmoeder?

—Dat gaat nogal, zei Theo droog. Ik geloof niet dat de oude weet dat je bestaat.

—Jawel, dat weet hij wel.

—Nee, ik geloof het niet. Heb je ooit met hem gesproken?

—Jawel. Vroeger al. Jaren geleden.

—En …?

—Het geeft niet. Hij zegt dat ik zijn zoon niet ben …

—Dat is dan ook wel moeilijk te bewijzen.

—Volgens de wet, ja. Maar het is een feit, en iedereen weet het. Heel Ngadjiwa weet het.

—Heb je helemaal geen bewijs?

—Alleen de eed van mijn moeder, toen ze stierf, voor getuigen …

—Kom, vertel me er eens wat over, zei Theo. Loop een eindje met ons mee, het is hier benauwd …

Ze gingen de hut uit. Door de kampongs slenterden ze terug, terwijl si-Oudijck vertelde. Ze liepen langs de Brantas. De rivier liep in bochten, vaag in de avond, onder een poeder van sterren.

Het deed Theo goed om dit te horen. Si-Oudijck vertelde over de huishoudster van zijn vader, uit diens tijd als controleur. Ze was weggestuurd omdat ze ontrouw zou zijn geweest, maar ze was onschuldig. Het kind was later geboren, maar nooit erkend en nooit gesteund. De jongen trok van kampong tot kampong. Hij was op een romantische manier trots op zijn harteloze vader. Uit de verte hield hij hem in het oog. Met zijn loerende blik volgde hij hem, toen die vader assistent-resident werd en resident. Hij zag hoe zijn vader trouwde, scheidde en weer trouwde. Hier en daar leerde hij wat lezen en schrijven, van een vriend die magang was … Het deed de echte zoon goed om dit te horen. Want diep vanbinnen was hij meer de zoon van zijn moeder, de nonna, dan van zijn vader. Ook al was hij nog zo blond en wit. Diep vanbinnen haatte hij die vader. Niet om deze of die reden, maar door een geheimzinnige afkeer in zijn bloed. Hij zag eruit en deed als een blonde, witte Europeaan. Toch voelde hij zich op een geheimzinnige manier verwant aan deze onechte broer. Hij voelde een vage sympathie voor hem. Ze waren allebei zonen van hetzelfde moederland. Hun vader hield van dat land alleen met zijn aangeleerde beschaving. Het was de kunstmatige, menselijke liefde van de heersers voor de grond die ze beheersten. Al van kind af had Theo zich zo gevoeld, ver van zijn vader. Later was die afkeer een slapende haat geworden. Hij vond het prettig dat iemand de perfecte naam van zijn vader kapotmaakte. Zijn vader was een edel mens en een eerlijke, hoge ambtenaar. Hij hield van zijn gezin, van zijn residentie en van de Javanen. Hij wilde de regentenfamilie hoog houden. Niet alleen omdat zijn instructie in het Staatsblad zei dat hij de Javaanse adel in aanzien moest houden. Maar ook omdat zijn eigen hart het hem zei, als hij aan de edele Pangéran dacht … Theo wist wel dat zijn vader zo was: zo perfect, zo hoog, zo eerlijk, zo edel. En het deed hem goed om hier, in de geheimzinnige avond aan de Brantas, te horen hoe iemand dat aanviel. Iemand viel die hoge, eerlijke adel van zijn vader aan. Het deed hem goed een verstoten zoon te ontmoeten. Die gooide de hoge vader in één ogenblik met modder en vuil. Die verstotene trok de vader van zijn voetstuk. Hij maakte hem laag, net als ieder ander: zondig, slecht, harteloos, onedel. Theo voelde er een slechte vreugde om in zijn hart. Het was dezelfde slechte vreugde als om de vrouw van die vader, van wie de vader boven alles hield. Want Theo had die vrouw. Wat hij met dat donkere geheim moest doen, wist hij nog niet. Maar hij nam het op als een wapen. Hij sleep dat wapen daar in die avond. Ondertussen hoorde hij de kleurling met zijn loerende oog uit, die tekeerging en steeds bozer werd. En Theo borg zijn geheim op, zijn wapen, diep bij zich. Zijn eigen klachten kwamen ook los. Nu zei ook hij, de echte zoon, lelijke dingen over zijn vader. Hij vertelde dat de resident hem, zijn zoon, niet meer hielp dan de eerste de beste klerk. Eén keer had zijn vader hem aanbevolen bij de directie van een onmogelijk bedrijf, een rijstland. Daar had Theo het maar één maand kunnen uithouden. Daarna had zijn vader hem aan zijn lot overgelaten. Hij had hem zelfs tegengewerkt toen Theo op jacht was naar concessies. Ook in andere residenties dan Laboewangi, zelfs in Borneo. Nu moest hij wel thuis blijven hangen en op kosten van anderen leven. Hij vond niets, door de schuld van zijn vader. Ze lieten hem alleen maar toe in dat huis, waar alles hem tegenstond …

—Behalve je stiefmoeder! zei si-Oudijck droog.

Maar Theo ging verder. Nu gaf hij zich op zijn beurt bloot. Hij vertelde zijn broer dat hij het niet makkelijk zou hebben gehad, ook al was hij erkend en wettig. Zo maakten ze elkaar allebei opgewonden. Ze waren blij dat ze elkaar hadden ontmoet, vrienden in dit ene uur. En naast hen liep Addy. Hij verbaasde zich over die snelle vriendschap, maar verder dacht hij nergens aan. Ze waren een brug over gegaan. Met een omweg waren ze achter de fabrieksgebouwen van Patjaram gekomen. Hier nam si-Oudijck afscheid van hen. Hij gaf Theo een hand. In die handdruk liet Theo een paar rijksdaalders glijden. Si-Oudijck nam ze gretig aan, met een flits in zijn loerende blik, maar zonder een woord van dank. Addy en Theo liepen langs de nu stille fabriek naar het landhuis. De familie wandelde buiten in de tuin en in de laan van tjemara's. Toen de twee jongemannen dichterbij kwamen, liep het achtjarige gouden kindje hun tegemoet. Zij was het pleegprinsesje van de oude mama, met haar pony en haar witgepoederde voorhoofdje, in haar rijke poppenkleertjes. Ze liep op hen af. Bij Addy bleef ze plotseling staan en keek naar hem op. Addy vroeg wat ze wilde. Maar het kind antwoordde niet en keek alleen naar hem op. Toen stak ze haar handje uit en ging er zacht mee over zijn hand. Bij dat verlegen kind was het zo duidelijk: ze werd naar hem toe getrokken als door een magneet, ze kon niet anders. Dat aanlopen, stilstaan, opkijken en die zachte hand! Addy lachte hardop. Hij boog zich naar haar toe en gaf haar een lichte kus. Tevreden sprong het kind vrolijk terug. Theo was nog opgewonden van die middag. Eerst door zijn gesprek met Oerip en door zijn ruzie met Addy. Dan door de ontmoeting met zijn halfbroer en alles wat hij over zijn vader had gezegd. Hij voelde zich bitter en interessant. Daarom ergerde hij zich zo aan dat onbelangrijke gedoe van Addy met het kleine kind. Bijna boos riep hij uit:

—Ach jij … jij wordt toch nooit iets anders dan een meidenvent!

### Woordenlijst

- **paal**: oude maat voor afstand op Java, ongeveer anderhalve kilometer.
- **maal-tijd**: de maanden waarin de suikerfabriek het riet maalt.
- **Soesoehoenan**: de vorst van Solo.
- **Raden / Raden-Adjeng**: Javaanse adellijke titels voor een zoon / een dochter uit een voorname familie.
- **sirih**: blad dat men met kalk en betelnoot kauwt; de mond en het speeksel worden er rood van.
- **bibit**: jonge plantjes van suikerriet voor het volgende jaar.
- **roedjak**: pittige salade van vruchten.
- **sambal**: scherpe saus van fijngestampte rode pepers.
- **anak-mas**: 'gouden kindje': een arm meisje dat in een rijke familie wordt opgenomen.
- **tjemara**: hoge boom met bladeren als naalden.
- **gardoè**: nachtwaker; ook zijn huisje aan de weg.
- **tong-tong**: uitgehold houten blok waarop men slaat om de tijd aan te geven of alarm te slaan.
- **tovenares**: vrouw die kan toveren.
- **hadji**: moslim die de bedevaart naar Mekka heeft gemaakt.
- **tulband**: lange doek die om het hoofd gewonden wordt.
- **semba**: eerbiedig Javaans gebaar met de handen tegen elkaar voor het gezicht.
- **pajong**: grote pronkparasol, teken van gezag.
- **slikoer / stooteren**: kaartspelen waarbij om geld wordt gespeeld.
- **mangistan**: tropische vrucht met een donkere schil en wit vruchtvlees.
- **petangans**: geheime berekeningen van gelukkige en ongelukkige dagen.
- **baboe**: Javaanse vrouw die in een huis werkt en voor de kinderen zorgt.
- **wedono**: Javaanse ambtenaar die een district bestuurt.
- **njo**: jongen of jonge man uit Indië, vaak van gemengde afkomst; een njo geworden: helemaal Indisch geworden.
- **ketjoe**: bende rovers die 's nachts huizen overvalt.
- **krandjang**: grote mand.
- **prauw**: smalle Indische boot.
- **baleh-baleh**: bank of bed van bamboe.
- **atap**: dak van gedroogde bladeren.
- **magang**: jonge Javaan die zonder loon op een kantoor werkt om het werk te leren.
- **meidenvent**: man die alleen achter vrouwen en meisjes aan zit.

## Vierde hoofdstuk

### I.

Van Oudijck had in het leven meestal geluk gehad. Hij kwam uit een eenvoudige Hollandse familie zonder geld. Zijn jeugd was een harde school geweest, maar nooit een wrede. Hij moest al vroeg ernstig zijn en meteen hard werken. Hij moest al vroeg aan de toekomst denken: aan zijn loopbaan en aan een plaats tussen de mensen. Die plaats wilde hij zo snel mogelijk met eer innemen. In Delft had hij Indologie gestudeerd. Die studiejaren waren net vrolijk genoeg geweest. Daardoor dacht hij later dat hij echt jong was geweest. Hij had toen eens meegedaan aan een feest met maskers. Daarom meende hij zelfs dat hij een heel wilde jeugd had gehad, met veel geld uitgeven en veel uitgaan.

Zijn karakter bestond uit veel stille Hollandse degelijkheid. Hij was meestal wat somber en saai ernstig, en heel praktisch en verstandig. Hij was gewend om uit te kijken naar een plaats met eer onder de mensen. Zijn ambitie was rustig en regelmatig gegroeid, tot een eerzucht met maat. Maar die eerzucht ging maar in één richting. Het was de richting waar zijn ogen altijd naar keken: de rangen van het Binnenlands Bestuur, van laag naar hoog. Het was hem altijd meegelopen. Hij was erg goed in zijn werk en werd erg gewaardeerd. Hij was eerder assistent-resident geworden dan de meesten, en al jong resident. Eigenlijk was zijn eerzucht nu tevreden. Zijn functie gaf hem gezag, en dat paste helemaal bij zijn natuur. Want hij wilde graag heersen, net zo sterk als hij eer wilde.

Eigenlijk was hij nu tevreden. Toch keek hij nog veel verder vooruit. In de verte zag hij een zetel in de Raad van Indië, en zelfs de troon in Buitenzorg. Maar hij had ook dagen waarop hij ernstig en tevreden iets anders beweerde. Resident eerste klasse worden was niet veel beter, zei hij dan, behalve het hogere pensioen. Alleen in Semarang en Soerabaia was het dan de moeite waard. De Vorstenlanden waren erg lastig. En in Batavia had een resident een vreemde, bijna kleinere positie. Daar woonden immers zoveel hoge ambtenaren: leden van de Raad van Indië en directeuren. Zijn ogen keken dus verder. Maar stel dat iemand hem had voorspeld dat hij als resident van Laboewangi zou sterven. Dan zou zijn praktische tevredenheid helemaal compleet zijn geweest.

Hij hield van zijn gewest en hij hield van Indië. Naar Holland verlangde hij nooit, en ook niet naar de Europese beschaving die zich daar liet zien. Toch was hij zelf erg Hollands gebleven. Vooral haatte hij alles wat halfbloed was. Dat was de tegenstelling in zijn karakter. Want zijn eerste vrouw, een nonna, had hij alleen uit liefde getrouwd. En hij hield van zijn kinderen, in wie het Indische bloed sprak. Bij Doddy zag je dat aan de buitenkant, bij Theo zat het vanbinnen. En René en Ricus waren helemaal twee kleine sinjo's. Hij hield van hen met een heel sterk vadergevoel. Daarin zat al het zachte en gevoelige dat diep in hem sliep. Hij had behoefte om veel te geven en veel te krijgen in de kring van zijn gezin.

Langzaam was die behoefte gegroeid tot de kring van zijn gewest. Hij was op een vaderlijke manier trots op zijn assistent-residenten en controleurs. Hij was populair bij hen en zij hielden van hem. In de zes jaren dat hij resident van Laboewangi was, was het maar één keer misgegaan. Toen kon hij niet opschieten met een controleur, een kleurling. Hij had een tijd geduld gehad, met die man en met zichzelf. Daarna had hij hem laten overplaatsen. Hij had hem "laten springen", zoals hij het zei. En hij was er trots op dat zijn ambtenaren van hem hielden. Dat deden ze ondanks zijn strenge gezag en ondanks zijn strenge drang om te werken.

Daarom deed de haat tussen hem en de Regent hem des te meer pijn. Die haat bleef altijd geheim. Volgens de Javaanse titels was de Regent zijn "jongere broeder". Van Oudijck had in hem ook graag een jongere broeder gevonden. Die zou dan onder hem, de oudere, de Javaanse bevolking besturen. Het deed hem pijn dat hij het zo slecht had getroffen. Dan dacht hij aan andere regenten. Niet alleen aan de vader van deze Regent, de edele Pangéran, maar ook aan anderen die hij kende. De Regent van D. was ontwikkeld. Hij sprak en schreef zuiver Nederlands. Hij schreef heldere Nederlandse artikelen in kranten en tijdschriften. De Regent van S. was jong, wat zorgeloos en ijdel. Maar hij was heel rijk en deed veel goed. Tussen de Europeanen was hij een dandy, en hij was galant tegen de dames.

Waarom had hij het in Laboewangi zo slecht getroffen? Hier had hij deze stille, boze, geheimzinnig fanatieke wajangpop. Die man had de naam een heilige en een tovenaar te zijn. Het volk zag hem dom als een god. Hij gaf niets om de welvaart van dat volk. Toch zag het volk hem als een god, alleen om de glans van zijn oude naam. En Van Oudijck voelde altijd dat hij hem tegenwerkte. Dat werd nooit uitgesproken. Maar je kon het duidelijk voelen onder zijn ijskoude, correcte manieren. En dan was er ook nog in Ngadjiwa de broer, de speler, die altijd om geld speelde. Waarom had hij het met zijn regenten zo slecht getroffen?

Van Oudijck was in een sombere stemming. Hij kreeg regelmatig anonieme brieven. Het was gemene laster, stiekem uit stille hoekjes gespuugd. Soms maakten ze een assistent-resident zwart, dan weer een controleur. Soms ging het over de Indische hoofden, soms over zijn eigen familie. Soms leken de brieven een vriendelijke waarschuwing. Soms waren ze vol gemeen leedvermaak. Maar vooral wilden ze hem de ogen openen. Hij moest de fouten van zijn ambtenaren zien, en de misdaden van zijn vrouw.

Hij was er zo aan gewend dat hij de brieven niet telde. Hij las ze snel of nauwelijks, en scheurde ze zonder zorg kapot. Hij was gewend om zelf te oordelen. Daarom maakten de boze waarschuwingen geen indruk op hem. Toch staken ze tussen alle post van elke dag hun kop op, als slangen die blazen. En voor zijn vrouw was hij heel blind. Hij had Léonie altijd zo blijven zien: rustig, glimlachend en onverschillig. Hij zag haar in het kringetje van huiselijke gezelligheid dat ze om zich heen trok. Dat deed ze zeker, in het holle, lege residentiehuis. Daar stonden de stoelen en de bank altijd klaar, want er werd steeds bezoek ontvangen. Hij zou nooit het minste van al die laster kunnen geloven. Hij sprak er nooit met haar over. Hij hield van zijn vrouw. Hij was verliefd op haar. In gezelschap zag hij haar altijd bijna stil. Ze flirtte nooit en was nooit koket. Daarom keek hij nooit in de diepe, slechte afgrond die haar ziel was.

Trouwens, thuis was hij helemaal blind. Veel mannen hebben die totale blindheid thuis. Ze zijn heel knap en goed in hun werk. Ze kijken scherp rond over het wijde veld van hun werk, maar thuis zien ze slecht. Ze zijn gewend de massa van de dingen te onderzoeken, maar niet de details van een ziel. Hun kennis van mensen is gebaseerd op principes. Ze verdelen de mensen in types, zoals de rollen in een ouderwets toneelstuk. Ze zien meteen of hun ondergeschikten geschikt zijn voor het werk. Maar ze vermoeden nooit iets van de ingewikkelde zielen van hun huisgenoten. Die zielen zijn in elkaar gedraaid als verwarde versieringen, als planten die wild door elkaar groeien. Zulke mannen kijken altijd over het hoofd van hun huisgenoten heen. Ze denken altijd over hun woorden heen. Al die kleuren vlak voor hun ogen interesseren hen niet. Gevoel, haat, jaloezie, leven en liefde hebben daar alle kleuren van een regenboog.

Hij hield van zijn vrouw en hij hield van zijn kinderen. Want hij had behoefte om vader te zijn. Maar hij kende zijn vrouw niet, en zijn kinderen ook niet. Van Léonie wist hij niets. En hij had nooit vermoed dat Theo en Doddy trouw waren gebleven aan hun moeder. Zij zeiden het nooit hardop. Hun moeder was ver weg, in Batavia. Ze was daar verloren geraakt tussen dingen waar je niet over spreekt. En zij hielden niet van hem. Hij meende dat ze wel van hem hielden. En als hij aan hen dacht, werd er een slapende, zachte liefde in hem wakker.

De anonieme brieven kreeg hij elke dag. Ze hadden nooit indruk gemaakt. Maar de laatste tijd scheurde hij ze niet meer kapot. Hij las ze aandachtig en borg ze op in een geheime la. Waarom, dat had hij niet kunnen zeggen. Er stonden beschuldigingen in tegen zijn vrouw. Er stonden vuile dingen in over zijn dochter. Er waren brieven om hem bang te maken: een kris was in het donker op zijn leven gericht. Er waren brieven die hem waarschuwden dat zijn spionnen helemaal niet te vertrouwen waren. Andere zeiden dat zijn verstoten vrouw armoede leed en hem haatte. Weer andere zeiden dat hij een zoon had, en dat hij nooit voor die zoon had gezorgd. Het was een stil graven in alles wat geheim en duister was in zijn leven en zijn werk. Ondanks zichzelf werd hij er somber van.

Het was allemaal vaag, en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelf en voor de wereld was hij een goed ambtenaar, een goede echtgenoot en een goede vader. Hij was een goed mens. Men verweet hem dat hij hier een onrechtvaardig oordeel had gegeven. Men verweet hem dat hij daar wreed en oneerlijk had gehandeld. Men verweet hem dat hij zijn eerste vrouw had verstoten. En dat hij een zoon in de kampong had rondlopen. Men gooide met vuil naar Léonie en Doddy. Dat alles maakte hem somber in deze dagen. Want hij kon geen enkele reden vinden waarom men dat deed. Voor deze praktische man was juist het vage het ergste. Een open strijd zou hij niet vrezen. Maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet raden waarom het gebeurde. Er was niets. Hij kon zich het gezicht van een vijand niet voorstellen. En elke dag kwamen de brieven. Elke dag was er haat om hem heen, in de schaduw. Het was te mystiek voor zijn natuur. Daarom maakte het hem bitter, somber en treurig. Toen verschenen er ook stukjes in kleinere kranten, van een kleine, vijandige pers. Er stonden beschuldigingen in, vaag of duidelijk niet waar. Overal borrelde haat op. Hij kon niet raden waarom. Hij werd ziek van het piekeren waarom. En hij sprak er met niemand over. Hij sloot zijn verdriet hierover diep in zichzelf op.

Hij begreep het niet. Hij kon niet raden waarom het zo was, en waarom het zo werd. Er zat geen logica in. Want logisch zou zijn dat men hem niet haatte, maar van hem hield. Ook al vond men hem nog zo streng. En maakte hij die strengheid niet vaak zachter met de vrolijke lach onder zijn brede snor? Waarschuwde en verbeterde hij niet vaak op een vriendelijke, hartelijke manier? Was hij op tournee niet de gezellige resident? Hij zag de tournee met zijn ambtenaren als een sport. Het was een heerlijke tocht te paard door de koffietuinen, langs de goedangs van de koffie. Het was een prettige feestreis, die zijn spieren rust gaf na zoveel weken kantoorwerk. Achter hem reed een groot gevolg van districtshoofden op kleine paardjes. Ze reden de levendige dieren zo vlug als apen, met kleine vlaggen in de hand. Overal waar hij langskwam, liet de gamelan blije, heldere welkomsttonen klinken, als kristal. 's Avonds was er een zorgvuldig klaargemaakte maaltijd in de pasangrahan. En tot laat in de nacht speelden ze een spelletje kaarten.

Hadden zijn ambtenaren hem niet gezegd dat hij een leuke resident was? Dat zeiden ze als ze even vrij met hem praatten, zonder deftige regels. Te paard werd hij nooit moe, en aan tafel was hij vrolijk. En hij was zo jong dat hij de slendang van de tandakmeid aannam. Dan danste hij even met haar. Hij deed heel knap de oude, heilige, soepele bewegingen van handen, voeten en heupen na. Hij kocht zich niet met een rijksdaalder vrij om haar dan met de wedono te laten dansen. Nergens voelde hij zich zo prettig als op tournee.

En nu was hij somber en ontevreden. Hij begreep niet welke stille krachten hem in het donker tegenwerkten. Hem, de man van eerlijkheid en licht! Hij had een eenvoudig levensprincipe en werkte ernstig en degelijk. Daarom dacht hij erover om snel op tournee te gaan. In die sport kon hij zich bevrijden van de somberheid die hem neerdrukte. Hij zou Theo dan vragen om mee te gaan, voor een paar dagen afleiding. Hij hield van zijn jongen. Toch vond hij hem niet verstandig, niet voorzichtig en te wild. Theo hield het nooit vol in zijn werk. Hij was nooit tevreden met zijn chefs. Zonder tact verzette hij zich tegen zijn administrateur. Tot hij zich weer onmogelijk maakte op de koffieplantage of de suikerfabriek waar hij werkte.

Van Oudijck vond dat Theo zelf zijn weg moest vinden, zoals hij zelf ook had gedaan. Theo moest niet helemaal steunen op de hulp van zijn vader, de resident. Van Oudijck was er niet voor om familie voor te trekken. Hij zou zijn zoon nooit voortrekken boven een ander met evenveel recht. Hij had neven die graag rechten op grond in Laboewangi wilden krijgen. Tegen hen had hij vaak gezegd dat hij liever geen familie in zijn gewest had. Ze hoefden van hem niets anders te verwachten dan dat hij iedereen precies gelijk behandelde. Zo was hij zelf vooruitgekomen. Zo verwachtte hij dat zij ook vooruit zouden komen, en Theo ook.

Maar toch keek hij in stilte naar Theo, met al zijn vadergevoel en zijn zachte liefde, die bijna overdreven was. In stilte vond hij het heel jammer dat Theo niet meer volhield. Theo keek niet vooruit naar zijn toekomst en zijn loopbaan. Hij zocht geen eervolle plaats onder de mensen, door aanzien of door geld. De jongen leefde er maar op los en dacht niet aan morgen... Misschien was hij aan de buitenkant wat koel tegen Theo. Goed, hij zou eens vertrouwelijk met hem praten en hem raad geven. En hij zou hem in elk geval vragen of hij meeging op tournee. Hij dacht aan bijna zes dagen paardrijden in de zuivere lucht rond de bergen, door de koffietuinen. Hij zou de kanalen voor het water van de velden controleren, het fijnste deel van zijn werk. Die gedachte maakte zijn ziel ruimer en zijn blik helderder. Tot hij niet meer aan de brieven dacht.

Hij was een man van het heldere, eenvoudige leven. Hij vond het leven natuurlijk, niet verward en ingewikkeld. Zijn leven was gegaan als langs een zichtbare, open trap, stap voor stap. Bovenaan zag hij een stralende top van eerzucht. Maar wat er leefde en onrustig bewoog in de schaduw en het donker, had hij nooit kunnen en willen zien. Ook niet wat er omhoog kwam uit een afgrond, vlak bij zijn voet. Hij was blind voor het leven dat werkt onder het leven. Hij geloofde er niet in. Zo gelooft iemand die lang bij een stille vulkaan woont, ook niet in het vuur binnenin. Dat vuur leeft diep en geheimzinnig verder. Het komt alleen naar buiten als wat hete stoom en zwavellucht. Hij geloofde niet in de kracht boven de dingen, en niet in de kracht in de dingen zelf. Hij geloofde niet in het zwijgende Noodlot en niet in de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen in wat hij zag met open ogen. In de oogst, de wegen, de districten en de dessa's, en in de welvaart van zijn gewest. En in zijn carrière, die hij als een stijgende lijn voor zich zag.

Zijn natuur was eenvoudig en mannelijk, helder en zonder nevel. Iedereen kon het zien: hij wilde rechtvaardig heersen en zijn eerzucht was eerlijk. Hij nam zijn plicht in het leven praktisch op. Daarin zat maar één zwakte: zijn zachte liefde voor zijn gezin. Die was diep, en zo gevoelig als bij een vrouw. Hij zag de ziel van zijn gezin niet, want hij was blind. Hij zag het alleen volgens zijn vaste principe: zoals zijn vrouw en zijn kinderen *moesten* zijn.

De ervaring had hem niets geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zo liefgehad als hij nu Léonie liefhad.

Hij hield van zijn vrouw omdat ze zijn vrouw was, de zijne: de belangrijkste van de kring. Hij hield van de kring om de kring zelf. Hij hield niet van de mensen apart, die de schakels van de kring zijn. De ervaring had hem niets geleerd. Hij dacht niet volgens de wisselende kleuren van zijn leven. Hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Die hadden hem tot een man gemaakt, krachtig, en ook tot een goed ambtenaar. Door zijn natuur hadden ze hem ook meestal een goed mens laten zijn. Maar hij had zoveel zachte liefde in zich, zonder dat hij het wist. Hij had die nooit onderzocht, alleen diep gevoeld. En hij geloofde niet in de stille kracht, in het leven in het leven. Niet in wat er leefde en onrustig bewoog als vulkaanvuur onder machtige bergen, als onrust onder een troon. Hij geloofde niet in de mystiek van de zichtbare dingen. Daarom kon het leven hem zwak vinden, en niet voorbereid. Dat kon gebeuren als het leven anders ging dan hij logisch vond. Want het leven is zo rustig als een god, en sterker dan de mensen.

### II.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

De mystiek van de zichtbare dingen op dat eiland vol geheimen dat Java is...

Aan de buitenkant is het de gehoorzame kolonie met het overheerste volk. Dat volk kon niet op tegen de ruwe koopman. Die kwam in de glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jong volk. Hij was gretig en wilde winst, hij was direct en koel. Hij zette zijn voet en zijn vlag op de keizerrijken die in elkaar vielen. Hij zette ze op elke troon die bijna omviel, alsof de grond bij een vulkaan had geschud.

Maar diep in zijn ziel is dat volk nooit overheerst. Het buigt wel voor zijn noodlot: soepel, glimlachend, deftig en vol verachting. Het kruipt eerbiedig in het stof. Maar diep in zijn ziel leeft het vrij zijn eigen geheime leven. Dat leven blijft verborgen voor de westerse blik, hoe die ook probeert het geheim te begrijpen. Het is als een wijsheid: vooral glimlachend een deftige rust bewaren. Het volk geeft soepel toe en lijkt beleefd dichterbij te komen. Maar diep vanbinnen is het heilig zeker van zijn eigen mening. Het staat heel ver van alle gedachten en alle beschaving van de overheersers. Daarom zal er nooit broederschap zijn tussen meester en dienaar. Want het verschil blijft, en het groeit verder in ziel en bloed.

En de westerling is trots op zijn macht, zijn kracht, zijn beschaving en zijn menselijkheid. Hij zit hoog op zijn troon, blind. Hij denkt alleen aan zichzelf en alleen zijn eigen gedachten tellen. Hij zit tussen alle ingewikkelde raderen van zijn gezag. Die laat hij precies als een uurwerk in elkaar grijpen, en hij controleert elke draai. Voor vreemden, van buitenaf, lijkt die heerschappij over de zichtbare dingen een meesterwerk. Het lijkt wel het scheppen van een wereld: de kolonisatie van een grond die vreemd is in bloed en in ziel.

Maar onder al die vertoning verbergt zich de stille kracht. Die slaapt nu, en wil niet vechten. Onder al die schijn van de zichtbare dingen dreigt het wezen van de stille mystiek. Het is als vuur dat stil in de grond brandt, en als haat en geheim in het hart. Onder al die rust van grootheid dreigt het gevaar. De toekomst rommelt als de donder diep onder de grond in vulkanen. Een mensenoor kan het niet horen. En het is alsof de overheerste het weet. Hij laat de kracht van de dingen maar gaan. Hij wacht op het heilige moment. Dat zal komen, als de geheime berekeningen kloppen.

Hij kent de overheerser met één enkele, diepe blik. Hij ziet hem in zijn illusie van beschaving en menselijkheid. En hij weet dat die er niet zijn. Hij geeft hem de titel van heer en de hormat voor een meester. Maar diep vanbinnen kent hij zijn democratische koopmansnatuur. Hij veracht hem in stilte en oordeelt over hem met een glimlach. Zijn broeder begrijpt die glimlach, want die glimlacht net zo. Nooit gaat hij in tegen de vorm van slaafse dienst. Met de semba doet hij of hij de mindere is. Maar in stilte weet hij dat hij de meerdere is.

Hij is zich bewust van de stille kracht, zonder het uit te spreken. Hij voelt het geheim zacht opkomen in de kokende wind van zijn bergen. Hij voelt het in de stilte van de warme nachten vol geheimen. Hij voelt vooraf wat er in de verte zal gebeuren. Wat nu is, zal niet altijd zo blijven: het heden verdwijnt. Zonder het uit te spreken hoopt hij dat God zal oprichten wat is neergedrukt. Eens, eens, in de verre Toekomst, als die opengaat als een dageraad. Hij voelt het, hij hoopt het en hij weet het, diep in zijn ziel. Die ziel opent hij nooit voor zijn heerser. Hij zou haar ook niet kunnen openen. Ze blijft altijd als een boek dat je niet kunt lezen. Het is geschreven in een onbekende taal die je niet kunt vertalen. De woorden zijn wel dezelfde, maar de kleuren van die woorden zijn anders. De twee gedachten hebben andere tinten, als in een regenboog. Het is als glas dat het licht in andere kleuren breekt. Het licht komt als van twee zonnen: het zijn stralen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie die begrijpt. Nooit bloeit de liefde die hetzelfde voelt. Altijd ligt er tussen hen de kloof, de diepte, de afgrond, de verte, de wijdte. Daaruit stijgt het geheim zacht op. En daaruit zal de stille kracht eens tevoorschijn flitsen, als een bliksem uit een wolk.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Zo voelde Van Oudijck de mystiek van de zichtbare dingen niet.

En het leven, rustig als een god, kon hem onvoorbereid en zwak vinden.

### III.

Ngadjiwa was een vrolijker plaats dan Laboewangi. Er lagen soldaten. Uit het binnenland, van de koffielanden, kwamen vaak administrateurs en ander personeel naar beneden om plezier te maken. Twee keer per jaar waren daar de races. De feesten daarvan duurden een hele week. Er was de ontvangst van de resident, een verloting van paarden, een bloemencorso en een opera. Er waren twee of drie bals: een bal met maskers, een galabal en een dansavond. Het was een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan. In een paar dagen gaf men honderden guldens uit met kaartspelen en bij de totalisator... In die dagen barstte de zin in plezier en levensvreugde los. Koffieplanters en mensen van de suikerfabrieken keken er maandenlang naar uit. Voor die dagen spaarde men een half jaar.

Van alle kanten stroomden de mensen naar de twee hotels, tot ze vol waren. Elk gezin had logés. Men wedde vol hartstocht, in een zee van champagne. Het publiek kende de renpaarden, ook de dames, alsof ze allemaal hun eigendom waren. Op de bals voelde iedereen zich thuis. Iedereen kende iedereen, als op een familiefeest. Men danste de wals, de Washington-post en de Graziana. De Indische dansers en danseressen dansten met een slepende gratie. Ze volgden langzaam en loom de maat. De slepen van de jurken bewogen zacht door de lucht. Om de half open monden lag een glimlach van rustig geluk. Ze dansten als in een droom, met een zinnelijke lust, zo mooi als alleen de dansers van Indië dat kunnen. Vooral de dansers met Javaans bloed.

Bij hen is dansen geen wilde sport. Ze springen niet zwaar en luid lachend tegen elkaar op. Het is niet de ruwe warboel van de wilde groepsdansen op de bals van onze Hollandse jongelui. Vooral bij de Indo's is het niets dan hoffelijkheid en gratie. Het is een rustige bloei van mooie bewegingen. Het is een fijne tekening van precieze passen over de vloeren van de sociëteit, precies op de maat. Het golft, het sleept en het drijft, in een harmonie als van jonge edelen in de achttiende eeuw. En dat op het toch zo eenvoudige boem-boem van de Indische muzikanten.

Zo danste Addy de Luce. Alle ogen van vrouwen en meisjes waren op hem gericht en volgden hem. Met hun blik vroegen ze hem dringend om ook hen mee te nemen. Mee in dat golven en wiegen, dat was als dromend meedrijven op het water... Dat kwam uit het bloed van zijn moeder. Het was nog iets van de gratie van de srimpi's, tussen wie zijn moeder als kind had geleefd. In hem was het westerse en moderne gemengd met het oosterse en oude. Dat gaf hem een charme waar niemand zich tegen kon verzetten...

Op het laatste bal, de dansavond, danste hij zo met Doddy, en daarna met Léonie. Het was al laat in de nacht, vroeg in de ochtend. Buiten werd de lucht al bleek. Iedereen in de zaal was erg moe. Ten slotte zei Van Oudijck tegen assistent-resident Vermalen dat hij wilde gaan. Hij logeerde met zijn familie bij Vermalen. Op dat moment stond hij in de voorgalerij van de sociëteit, in gesprek met Vermalen. Plotseling kwam de patih uit de schaduw van de tuin op hem af. Hij was zichtbaar van streek. Hij ging laag op de grond zitten, maakte de semba en sprak:

—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik moet doen! De Regent is dronken. Hij loopt op straat en vergeet helemaal zijn waardigheid.

De feestgangers gingen naar huis. De rijtuigen kwamen aanrijden, men stapte in, de rijtuigen reden weg. Op de weg voor de sociëteit zag Van Oudijck een Javaan. Zijn bovenlijf was bloot. Hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren vlogen los heen en weer. Hij maakte wilde gebaren en sprak luid. In de donkere schaduw verzamelden zich groepjes mensen, die van ver toekeken.

Van Oudijck herkende de Regent van Ngadjiwa. De Regent had zich al tijdens het bal niet kunnen beheersen. Hij had met kaarten veel geld verloren en allerlei wijn door elkaar gedronken.

—Was de Regent niet al naar huis? vroeg Van Oudijck.

—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had de Regent al naar huis gebracht. Ik zag dat hij zich niet meer kon beheersen. Hij was al op zijn bed neergevallen. Ik dacht dat hij diep sliep. Maar kijk, hij is wakker geworden en opgestaan. Hij is de Kaboepaten uit gegaan en weer hierheen gekomen. Kijk hoe hij doet! Hij is dronken, hij is dronken. Hij vergeet wie hij is, en wie zijn vaders waren!

Van Oudijck ging met Vermalen naar buiten. Hij liep naar de Regent toe. De Regent maakte wilde gebaren en hield met luide stem een toespraak die niemand kon verstaan.

—Regent! zei de resident. Weet u niet meer waar u bent en wie u bent?

De Regent herkende hem niet. Hij viel woedend tegen Van Oudijck uit. Hij riep alle vloeken van de hemel over zijn hoofd.

—Regent! zei de assistent-resident. Weet u niet wie er tegen u spreekt, en tegen wie u spreekt?

De Regent riep lelijke woorden tegen Vermalen. Zijn rode, bloeddoorlopen ogen flitsten van dronken woede en waanzin. Samen met de patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen. Maar hij wilde niet. Hij was prachtig en groots in zijn ondergang. Hij leek trots op de waanzin van zijn eigen tragedie. Hij stond daar alsof hij uit zichzelf was losgebarsten. Half naakt, met zwaaiende haren en grote gebaren van zijn dolle armen. Hij was niet meer grof en niet meer als een dier. Hij werd tragisch, als een held. Hij vocht met zijn noodlot, op de rand van een afgrond... Langzaam was hij steeds meer een dier geworden. Maar nu was hij zo erg dronken dat het hem daaruit leek op te tillen, door een vreemde kracht. Dronken als hij was, groeide hij boven zichzelf uit. Hij torende hoog en dramatisch boven die Europeanen uit. Van Oudijck keek hem verbijsterd aan. Nu begon de Regent te vechten met de patih, die hem dringend vroeg om op te houden... Op de weg verzamelde zich de bevolking, stil en geschrokken. De laatste gasten kwamen de sociëteit uit, waar de lichten uitgingen. Onder hen waren Léonie van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Alle drie hadden ze nog het moede plezier van de laatste wals in hun ogen.

—Addy! zei de resident. Jij kent de Regent goed. Probeer of hij jou herkent.

De jonge man sprak de dronken, waanzinnige man aan in zacht Javaans. Eerst ging de Regent door met zijn vloeken. Zijn woedende gebaren werden enorm. Maar toen leek hij in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te horen. Hij keek Addy lang aan. Zijn armen zakten. Zijn dronken vervoering doofde uit. Plotseling was het alsof zijn bloed het bloed van die jonge man begreep. Alsof hun zielen elkaar verstonden. De Regent knikte treurig en begon te klagen, lang, met zijn armen omhoog. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent verzette zich. Hij wilde niet. Toen nam Addy zacht maar vast zijn arm in de zijne en liep langzaam met hem weg. De Regent klaagde maar door, met tragische, wanhopige gebaren. Maar hij liet zich leiden. De patih volgde, met een paar volgelingen. Zij waren de Regent vanuit de Kaboepaten achternagelopen, maar ze konden niets doen... De stoet verdween in het donker.

Léonie stapte glimlachend en moe in het rijtuig van de assistent-resident. Ze dacht terug aan de ruzie bij het kaartspel op Patjaram. Ze vond het leuk om zo zichtbaar een langzame ondergang te zien gebeuren. Ze zag hoe iemand kapotging door hartstocht, zonder tact en zonder maat. En zelf voelde ze zich sterker dan ooit. Want zij genoot van haar hartstochten, maar ze stuurde ze. Ze maakte er slaven van, slaven van haar genot... Ze verachtte die Regent. Ze keek stiekem naar de stappen van zijn ondergang. Dat gaf haar een romantisch genoegen, zoals bij het lezen van een roman. In het rijtuig keek ze naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid maakte haar blij. Want ze vond hem overdreven gevoelig, omdat hij de Javaanse adel zo hoog wilde houden. Dat was een overdreven gevoelige instructie van de regering. En Van Oudijck, die nog gevoeliger was, nam die heel serieus. Ze genoot van zijn verdriet.

Van haar man keek ze naar Doddy. In Doddy's blik, moe van het dansen, zag ze jaloezie. Het was jaloezie op die allerlaatste wals van haar, Léonie, met Addy. En ze was verrukt over die jaloezie. Ze voelde zich gelukkig, want verdriet had geen vat op haar, en hartstocht ook niet. Ze speelde met de dingen van het leven. Die vielen van haar af. Ze raakten haar niet. Ze bleef kalm en glimlachend, glad en zo wit als melk, zoals altijd.

Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd stond in brand. In zijn hart was alleen boosheid en ergernis. Hij nam meteen een bad. Hij trok een nachtbroek en een kabaai aan. Toen liet hij koffie brengen in de galerij voor zijn kamer. Het was zes uur. Er hing een heerlijke, frisse ochtendkoelte in de lucht. Maar hij was zo boos dat zijn slapen klopten, alsof het bloed naar zijn hoofd steeg. Zijn hart sloeg hard en zijn zenuwen waren heel gespannen. De scène van die nacht en die ochtend zag hij steeds weer voor zich. Het trilde en tikte, als in een biograaf, met alle bewegingen die snel veranderden. Wat hem vooral boos maakte, was dat het onmogelijk was. Het was niet logisch, iets waar hij nooit aan had gedacht. Een geboren Javaan had de edele traditie in zijn bloed. Toch kon hij zich gedragen als de Regent van Ngadjiwa die nacht. Dat had Van Oudijck nooit mogelijk gevonden. Hij zou het nooit hebben geloofd als hij het niet met eigen ogen had gezien. Deze man had zijn logica altijd vooraf vastgesteld. Voor hem was deze waarheid zo lelijk en vreemd als een nachtmerrie. Hij kon slecht tegen verrassingen die hij niet logisch vond. Hij was boos op de werkelijkheid. Hij vroeg zich af of hij zelf niet had gedroomd, of hij niet zelf dronken was geweest. Dat het schandaal was gebeurd, maakte hem woedend. Maar als het dan zo was, goed, dan zou hij voorstellen om de Regent te ontslaan... Het kon niet anders.

Hij kleedde zich aan, sprak met Vermalen en ging met hem naar de Kaboepaten. De volgelingen wilden hen niet graag binnenlaten. Het was ook tegen de regels van de goede manieren. Toch gingen ze samen door tot bij de Regent. Zijn vrouw, de Raden-Ajoe, zagen ze niet. Maar ze vonden de Regent in zijn slaapkamer. Hij lag op zijn bed met open ogen. Hij kwam somber weer bij zichzelf. Hij was nog niet genoeg terug in het leven om te begrijpen hoe vreemd dit bezoek was. De resident en de assistent-resident stonden voor zijn bed. Hij herkende hen wel, maar hij sprak niet. Ze probeerden hem allebei te laten inzien hoe ongepast hij zich had gedragen. Maar hij keek hen lang en zonder schaamte aan en bleef zwijgen. Het was zo vreemd dat de twee ambtenaren elkaar aankeken. Met hun ogen vroegen ze elkaar of de Regent gek was. Was hij wel verantwoordelijk voor wat hij deed? Hij had nog geen woord gezegd, hij bleef zwijgen. Van Oudijck dreigde hem met ontslag. Toch bleef hij zwijgen, en hij keek met brutale ogen lang in de ogen van de resident. Hij deed zijn lippen niet open. Hij bleef volkomen stil. Er lag nauwelijks een spottend glimlachje om zijn mond. De ambtenaren dachten echt dat de Regent gek was. Ze haalden hun schouders op en gingen de kamer uit.

In de galerij kwamen ze de Raden-Ajoe tegen, de vrouw van de Regent van Ngadjiwa. Ze was een klein, onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Huilend kwam ze naar hen toe. Ze vroeg, ze vroeg heel dringend om vergeving. Van Oudijck zei tegen haar dat de Regent bleef zwijgen. Hij bleef stil, ook toen Van Oudijck hem dreigde. Het was een zwijgen dat niet te verklaren was, maar duidelijk met opzet. Toen zei de Raden-Ajoe zacht iets. De Regent had een doekoen om raad gevraagd. Die had hem een djimat gegeven. De doekoen had hem beloofd dat zijn vijanden geen macht over hem zouden hebben. Als hij maar volkomen bleef zwijgen. Bang vroeg ze om hulp en vergeving. Ze verzamelde haar kinderen om zich heen. De ambtenaren lieten de patih komen. Ze droegen hem op om zo goed mogelijk op de Regent te letten. Daarna gingen ze weg.

Van Oudijck had al heel vaak te maken gehad met het bijgeloof van de Javanen. Toch maakte het hem altijd woedend. Want het ging in tegen wat hij de wetten van de natuur en het leven noemde. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan laten afwijken van het juiste pad van zijn aangeboren beleefdheid. Wat men de Regent nu ook zou voorhouden, hij zou zwijgen. Hij zou volkomen blijven zwijgen, zoals de doekoen hem had opgedragen. Zo dacht hij veilig te zijn voor de mensen die hij voor zijn vijanden hield. Van Oudijck had hem graag gezien als een jongere broeder die samen met hem bestuurde. En juist deze man had vooraf besloten dat ze vijanden waren. Dat ergerde Van Oudijck het meest.

Met Léonie en Doddy ging hij terug naar Laboewangi. Thuis voelde hij heel even hoe prettig het was om weer in zijn eigen huis te zijn. Dat genot van zijn eigen huiselijkheid deed hem altijd veel goed. Het was het gewone plezier om zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen. En om zijn eigen koffie te drinken, gemaakt zoals hij gewend was. Die kleine dingen maakten hem even goedgehumeurd. Maar meteen voelde hij weer al zijn bitterheid. Onder een stapel brieven op zijn bureau herkende hij het handschrift van een paar duistere schrijvers. Ze hadden hun handschrift verdraaid. Zonder na te denken maakte hij deze brieven het eerst open. Hij las de naam van Léonie samen met de naam van Theo, en hij vond het heel vies. Niets was heilig voor die ellendelingen. Ze bedachten de meest monsterlijke combinaties en laster die tegen alle natuur inging. Ze schreven de vreselijkste beschuldigingen, zelfs van bloedschande. Al dat vuil gooide men naar zijn vrouw en zijn zoon. Maar daardoor kwamen ze allebei nog hoger en zuiverder in zijn liefde te staan. Ze stonden voor hem op een top waar niemand aan kon komen. Hij hield van hen allebei nog meer en nog dieper.

Maar de bitterheid was weer wakker geworden, en daardoor kwam ook al zijn ergernis terug. Eigenlijk kwam die ergernis hiervandaan: hij moest voorstellen om de Regent van Ngadjiwa te ontslaan. En dat deed hij niet graag. Maar alleen al deze noodzaak maakte zijn hele leven bitter. Hij werd er zenuwachtig en ziek van. Soms kon hij de lijn niet volgen die hij had vastgesteld. Soms week het leven af van wat hij, Van Oudijck, vooraf had bepaald. Dan maakte deze tegenzin van het leven hem zenuwachtig en ziek, alsof het leven in opstand kwam.

Na de dood van de oude Pangéran had hij zich iets voorgenomen. Hij wilde de familie van de Adiningrats weer omhoog tillen, want die familie zakte steeds verder weg. Hij deed het uit liefdevolle herinnering aan de uitstekende Javaanse prins. Hij deed het ook omdat zijn instructie als resident het vroeg. En hij deed het uit een gevoel van edele menselijkheid en verborgen poëzie in zichzelf. Maar het was nooit gelukt. Meteen had de oude Raden-Ajoe Pangéran hem tegengewerkt. Ze deed het niet bewust, maar door de kracht van de dingen. Zij verspeelde en vergokte alles. Ze maakte zichzelf en haar familie arm. Als een vriend had hij haar terechtgewezen. Ze had wel naar zijn raad geluisterd, maar haar hartstocht bleek sterker.

Haar zoon Soenario was de Regent van Laboewangi. Al voor de dood van zijn vader had Van Oudijck hem beoordeeld. Hij vond hem niet geschikt voor het echte werk van een regent. Soenario was op een kleine manier trots op zijn bloed, en niet belangrijk. Hij wist nooit wat er in het echte leven gebeurde. Hij had geen talent om te regeren en geen hart voor de gewone man. Hij was erg fanatiek. Hij was altijd bezig met doekoens en met heilige berekeningen, de petangans. Hij was altijd gesloten. Hij leefde in een droom van duistere mystiek. Hij was blind voor de welvaart en de gerechtigheid die zijn Javaanse onderdanen nodig hadden. En toch aanbad de bevolking hem. Dat was om zijn adel, en om zijn naam van heiligheid. Men zei dat hij een macht had die heel ver reikte: een goddelijke kracht om te toveren. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten het water van zijn bad in flessen. Het was het water dat over zijn lichaam was gelopen. Ze verkochten het als een medicijn tegen allerlei ziektes.

Zo was de oudste broer. En de jongere broer had zich de vorige nacht helemaal vergeten. Hij was gek geworden van het gokken en de drank... Met deze zonen ging de eens zo schitterende familie, zonder vaste grond, naar haar ondergang. Hun kinderen waren nog jong. Een paar neven waren patih in Laboewangi en in residenties in de buurt. Maar in hen stroomde geen druppel meer van het edele bloed. Nee, hij, Van Oudijck, had nooit gekund wat hij zo graag had willen doen. De mensen die hij wilde helpen, werkten hem zelf tegen. Het was gedaan met hen.

Maar waarom het zo moest zijn, begreep hij niet. Het ergerde hem en maakte hem bitter.

Hij had zich nu eenmaal een heel andere lijn voorgesteld. Een mooie lijn die omhoog ging, zoals hij ook zijn eigen leven voor zich zag. En de lijn van het leven liep krom en verward naar beneden. Hij begreep niet wat sterker zou kunnen zijn dan hij, als hij iets wilde. Was het niet altijd zo gegaan in zijn leven en zijn loopbaan? Wat hij sterk wilde, was altijd gebeurd. Het was gebeurd volgens de logica die hij zelf elke dag aan de dingen had gegeven. Nu had zijn eerzucht die logica van de stijgende lijn bepaald. Want zijn eerzucht had zich een doel gesteld: deze Javaanse familie weer oprichten...

Zou hij falen? Hij had zich als ambtenaar een doel gesteld. Als hij daarin faalde, zou hij het zichzelf nooit vergeven. Tot nu toe had hij altijd kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was niet alleen het doel van een ambtenaar, een deel van zijn werk. Dat wist hij zelf niet. Het idee van dit doel kwam uit zijn menselijkheid, uit het edele in hemzelf. Wat hij nu wilde bereiken, was een ideaal. Het was het ideaal van een westerling in het Oosten. Van een westerling die het Oosten zag zoals hij het wilde zien, en zoals hij het alleen kon zien.

Maar er waren krachten die zich verzamelden tot één kracht. Die kracht werkte hem tegen. Ze spotte met zijn idee en lachte om zijn ideaal. En ze was sterker naarmate ze dieper verborgen bleef. Dat zou hij nooit willen toegeven. Het lag niet in zijn natuur om die krachten te erkennen. Ook als ze zich heel duidelijk lieten zien, zou het voor zijn ziel een raadsel blijven, een mythe.

### IV.

Van Oudijck was die dag naar kantoor geweest. Toen hij thuiskwam, kwam Léonie meteen naar hem toe.

—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zei ze. Al sinds een uur, Otto. Ze wil je graag spreken. Ze heeft op je gewacht.

—Léonie, zei hij. Kijk eens naar deze brieven. Ik krijg vaak zulke vuile briefjes, en ik heb er nooit met je over gesproken. Maar misschien is het beter dat je er niet langer niets van weet. Misschien is het beter dat je het weet. Maar ik vraag je dringend, trek het je niet aan. Ik hoef je niet te verzekeren dat ik er niets van geloof. Geen moment, niet het minste van al die smerigheid. Wees er dus niet van streek over. En geef mij die brieven straks zelf terug. Laat ze niet rondslingeren... En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen...

Met de brieven in haar hand bracht Léonie de prinses uit de achtergalerij. Het was een waardige, grijze vrouw. Haar figuur was nog slank en had een trotse, koninklijke houding. Haar ogen waren somber en zwart. Door het betelsap leek haar mond breder getekend. Daarin lieten haar tanden zich zien, die afgevijld en zwart gekleurd waren. Die mond leek op een masker dat een vreemd gezicht trekt. Hij maakte de edele, hoge uitdrukking van haar gezicht kapot. Ze droeg een kabaai van zwart satijn, die met juwelen was gesloten. Vooral door haar grijze haren en haar sombere ogen was ze bijzonder. In haar zat iets wat veel respect verdiende, maar ook een stille, brandende hartstocht. Over haar ouderdom lag iets tragisch. Zelf voelde ze een noodlot zwaar drukken op haar en op haar familie. Ze had nog maar één hoop. Dat was de goddelijke kracht van haar oudste zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi. Die kracht reikte heel ver.

Ze liep voor Van Oudijck uit het kantoor in. Ondertussen las Léonie in de middengalerij de brieven. Het waren gedichten in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Léonie leefde altijd in de droom van haar eigen leven, en dacht alleen aan zichzelf. Ze trok zich nooit veel aan van wat de mensen dachten en zeiden. Vooral omdat ze wist dat ze hen meteen weer terugwon, als ze verscheen, met haar glimlach. Ze had die rustige charme waar niemand tegen kon. Zelf sprak ze nooit kwaad, want ze was onverschillig. Ze praatte alles en iedereen goed, rustig en vriendelijk. En men hield van haar, als men haar zag.

Maar deze vieze brieven, uitgespuwd uit een donkere hoek, vond ze niet prettig en lastig. Ook al geloofde Van Oudijck ze niet. Wat zou er gebeuren als hij ze toch ging geloven? Daar moest ze op voorbereid zijn. Voor die mogelijke dag moest ze vooral haar charmantste rust bewaren. Ze moest blijven zoals ze was: niets kon haar raken en niemand kon aan haar komen. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zo? Wie had er belang bij om zo over haar aan haar man te schrijven? Hoe vreemd dat het bekend was... Addy, Theo? Hoe wist men het? Oerip? Nee, Oerip niet... Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Ze had altijd gedacht dat wat er in geheime slaapkamers gebeurde, nooit bekend zou worden in de wereld. Ze had zelfs gedacht dat mannen onderling nooit over haar spraken. Wel over andere vrouwen, maar niet over haar... Zulke illusies had ze in haar hoofd, ondanks al haar ervaring. Dat was naïef, en het paste bij haar roze fantasieën: poëtisch, half pervers en half kinderlijk.

Kon ze dan niet altijd de geheimen van haar leven verborgen houden, de geheimen van de werkelijkheid? Even ergerde de werkelijkheid haar. Want die liet zich toch zien, hoe correct ze ook was... Gedachten en dromen bleven altijd geheim. Maar wat er echt gebeurde, gaf zoveel last. Even dacht ze erover om voortaan nog voorzichtiger te zijn. Misschien moest ze het allemaal laten... Maar voor haar ogen zag ze Theo, zag ze Addy, haar blonde en haar bruine liefde. En ze voelde zich te zwak... Ze wist dat ze haar hartstochten hierin niet kon overwinnen, ook al stuurde ze die. Zouden ze ooit toch haar ondergang worden, ondanks al haar tact? Maar ze lachte om dat idee. Ze vertrouwde er vast op dat niets haar kon raken. Het leven gleed altijd van haar af.

Toch wilde ze zich voorbereiden op wat er kon gebeuren. Ze had geen hoger ideaal in haar leven dan zonder pijn te zijn, zonder verdriet en zonder armoede. Ze wilde haar hartstochten tot slaven van haar genot maken. Zo kon ze zo lang mogelijk genieten, en zo lang mogelijk dit leven leiden. Ze bedacht wat ze zou zeggen en doen als Van Oudijck haar ooit zou ondervragen. Als hij door de anonieme brieven zou gaan twijfelen. Ze vroeg zich af of ze toch niet beter met Theo kon breken. Addy was genoeg voor haar. En ze verloor zich in haar voorbereidingen, alsof ze een toneelstuk bedacht dat zou gaan gebeuren.

Toen hoorde ze plotseling de luide stem van de Raden-Ajoe Pangéran in het kantoor. Daartegen klonk de kalme stem van haar man. Ze luisterde nieuwsgierig. Ze voelde dat er een drama kwam. Ze was rustig en blij dat ook dit drama van haar af zou glijden. Ze sloop de slaapkamer van Van Oudijck in. De deuren daartussen stonden altijd open voor de frisse lucht. Alleen een kamerscherm stond tussen de slaapkamer en het kantoor. Langs het scherm keek ze voorzichtig naar binnen, zonder dat iemand het zag. Ze zag de oude prinses, zo opgewonden als ze nog nooit een Javaanse vrouw had gezien. De Raden-Ajoe vroeg Van Oudijck in het Maleis heel dringend iets. Hij verzekerde haar in het Nederlands dat het onmogelijk was. Léonie luisterde beter.

Nu hoorde ze waar de oude vorstin om vroeg. De resident moest genade hebben met haar tweede zoon, de Regent van Ngadjiwa. Ze vroeg Van Oudijck dringend om toch te denken aan haar man, de Pangéran. Hij had van de Pangéran gehouden als van een vader. En de Pangéran had van hem gehouden als van een zoon. Dat was een diepere liefde dan die tussen een "oudere en jongere broeder". Ze vroeg hem ook te denken aan hun roemrijke verleden, aan de glorie van de Adiningrats. Die waren altijd de trouwe vrienden van de Compagnie geweest. In de oorlog waren ze haar bondgenoten, in vrede haar trouwste vazallen. Ze smeekte hem om hun familie niet te veroordelen tot de ondergang. Sinds de dood van de Pangéran drukte er een noodlot op die familie. Dat noodlot dreef hen een afgrond van ellende in.

Voor de resident stond ze als een Niobe, als een tragische moeder. Haar armen waren opgeheven terwijl ze vol vuur sprak. Er stroomden tranen uit haar sombere ogen. Alleen haar brede mond, bruin gekleurd door het betelsap, leek op een masker dat een vreemd gezicht trekt. Maar uit die mond stroomden de woorden: haar beloften, haar vragen om genade. Haar handen wrong ze smekend in elkaar. En met haar vuist sloeg ze op haar borst, om boete te doen.

Van Oudijck antwoordde haar met een vaste maar zachte stem. Hij zei hoeveel hij zeker van de oude Pangéran had gehouden. Hij zei hoe hoog hij de oude familie achtte. Niemand wilde liever dan hij hun hoge positie bewaren. Maar toen werd hij strenger. Hij vroeg haar wie de schuld had van het noodlot dat de Adiningrats nu achtervolgde. En met zijn ogen in haar ogen zei hij dat het aan haar lag! Ze ging een stap achteruit en vlamde op van woede. Maar hij zei het nog eens en nog eens. Haar zonen waren echt haar eigen kinderen: overdreven vroom, trots en verslaafd aan het spel. En in het spel, in die lage hartstocht, ging hun grootheid verloren. Ze konden nooit genoeg geld winnen. Door die hebzucht ging hun familie, zonder vaste grond, naar de ondergang. Hoe vaak ging er niet een maand voorbij zonder dat de Regent in Ngadjiwa de salarissen van de hoofden betaalde?

Ze gaf het toe: het was waar. Op haar eigen aandringen had haar zoon het geld uit de kas genomen, geleend, om speelschulden te betalen. Maar ze beloofde ook heel ernstig dat het nooit meer zou gebeuren! Van Oudijck vroeg verder. Had ooit een Regent uit een heel oude familie zich zo gedragen als de Regent van Ngadjiwa op het racebal? Ze klaagde, de moeder. Het was waar, het was waar. Het noodlot klemde zich aan hun voeten vast. Het had haar zoon met waanzin verblind. Maar nooit, nooit zou het meer gebeuren. Ze beloofde heel ernstig, bij de ziel van de oude Pangéran, dat het nooit meer zou gebeuren. Haar zoon zou zijn waardigheid terugwinnen.

Maar Van Oudijck werd heftiger. Hij verweet haar dat ze nooit een goede invloed op haar zonen en haar neven had gehad. Zij was de slechte geest van haar familie. Want een demon van speelzucht en hebzucht hield haar vast in zijn klauwen. Toen begon de oude vorstin te gillen van pijn. Ze keek neer op de resident, op die Hollander zonder adellijk bloed en zonder hoge geboorte. Het deed haar pijn dat hij zo durfde te spreken. En dat hij er ook het recht toe had. Ze strekte haar armen uit en vroeg om genade. Ze vroeg hem om haar jongere zoon niet bij de Regering voor ontslag voor te dragen. De Regering zou doen wat de resident zei. De Regering zou de raad van zo'n hooggeachte ambtenaar volgen. Ze vroeg hem om medelijden te hebben en nog wat geduld. Ze zou met haar zoon spreken, en Soenario met zijn broer. Samen zouden ze zijn verstand weer tot rede brengen. Want drank, spel en vrouwen hadden hem wild gemaakt. O, als de resident maar medelijden had, als hij maar wat zachter werd!

Maar Van Oudijck gaf niet toe. Hij had al zo lang geduld gehad. Nu was het op. Haar zoon was onder invloed van de doekoen gekomen. Hij vertrouwde op zijn djimat. Hij had Van Oudijck getrotseerd met zijn brutale zwijgen. Hij geloofde dat zijn vijanden hem door dat zwijgen niets konden doen. Daarom zou Van Oudijck laten zien wie de sterkste was. Hij, de resident, die de macht van de Regering had. Hij, de vertegenwoordiger van de Koningin, was sterker, ondanks doekoen en djimat. Het kon niet anders. Zijn geduld was op. Zijn liefde voor de Pangéran stond niet toe dat hij nog langer toegaf. Zijn eerbied voor hun familie kon hij niet overdragen op een zoon die het niet waard was. Het was beslist: de Regent zou worden ontslagen.

De vorstin had naar hem geluisterd. Ze kon zijn woorden niet geloven. Ze zag de afgrond voor zich opengaan. Ze gaf een schreeuw als van een gewonde leeuwin, een gil van pijn. Ze trok de juwelen spelden uit haar haarwrong. Haar lange grijze haren vielen los om haar heen. Met één harde ruk scheurde ze haar kabaai van satijn open. Pijn en wanhoop kwamen als een wolk uit de afgrond over haar heen. Ze was zichzelf niet meer de baas. Ze wierp zich neer voor de voeten van de Europeaan. Met beide handen greep ze stevig zijn voet. Met één beweging zette ze die voet op haar gebogen nek. Van Oudijck stond daardoor even niet vast op zijn benen. Ze riep en gilde dat zij, de dochter van de sultans van Madoera, voor altijd zijn slavin zou zijn. Ze beloofde heel ernstig dat ze niets anders zou zijn dan zijn slavin. Als hij maar deze ene keer nog genade had met haar zoon. Als hij haar familie maar niet in de afgrond van schande stootte. Ze zag die afgrond om zich heen gapen. Met wanhopige kracht klemde ze de voet van de Europeaan vast. Ze hield die voet als een juk van slavernij op haar nek, die tot de grond gebogen was. De zool en de hak van zijn schoen drukte ze in haar losse grijze haren.

Van Oudijck stond te beven, zo diep was hij geraakt. Hij begreep wat dit betekende. Deze trotse vrouw zou zich nooit zo zichtbaar vernederen, tot de diepste vernedering die ze kon bedenken. Haar haar los, en de voet van de heerser op haar nek! Ze zou haar pijn nooit zo heftig laten zien, zo heftig als een vrouw het maar kon tonen. Alleen als ze diep in haar ziel geschokt was. Alleen als ze zo wanhopig was dat ze zichzelf wilde vernietigen. En hij twijfelde een moment. Maar ook maar een moment. Hij was een man van goed doordachte principes. Zijn logica stond vooraf vast. Als hij iets besloten had, veranderde hij het niet. Hij gaf nooit toe aan een plotseling gevoel. Met heel veel eerbied haalde hij ten slotte zijn voet uit de stevige greep van de vorstin. Hij stak haar zijn beide handen toe. Vol respect, met zichtbaar medelijden en zichtbaar geraakt, tilde hij haar van de vloer op. Hij liet haar zitten. Gebroken en huilend viel ze neer in de stoel. Even dacht ze dat ze had gewonnen, want ze merkte dat hij zacht was. Maar toen zei hij kalm en beslist nee met zijn hoofd. Toen begreep ze dat het voorbij was. Ze kon bijna geen adem krijgen en viel half flauw, nog steeds met haar kabaai open en haar haren los.

Op dat moment kwam Léonie binnen. Ze had het drama voor haar ogen zien spelen. Ze was geraakt, zoals bij een boek. Ze voelde iets als medelijden. Ze liep naar de vorstin toe. De vorstin wierp zich in haar armen. Het was een vrouw die steun zocht bij een vrouw. Ze was radeloos en wanhopig, want deze ramp was niet te ontlopen. En Léonie keek met haar mooie ogen naar Van Oudijck. Ze zei zacht een woord om voor de vorstin te pleiten.

—Geef toe! zei ze heel zacht.

In haar ziel, waar anders niets groeide, bloeide nu één levende bloem van medelijden op.

—Geef toe, zei ze nog eens heel zacht.

En voor de tweede keer twijfelde Van Oudijck. Hij had zijn vrouw nooit iets geweigerd, hoe duur het ook was wat ze vroeg. Maar dit zou betekenen dat hij zijn principe moest opgeven. Zijn principe was: nooit terugkomen op een besluit. Wat hij eenmaal wilde, zette hij vast door. Zo had hij de toekomst altijd beheerst. Zo gebeurde altijd wat hij wilde. Zo had hij nooit enige zwakte getoond. En hij zei dat het niet kon.

Misschien was zijn leven anders geworden als hij had toegegeven. Want hij gaf nooit toe, en hij voelde de heilige momenten niet aan. Op die momenten moet de mens niet zijn eigen wil volgen. Dan moet hij zich vroom laten gaan, zoals de stille machten willen. Die momenten respecteerde hij niet. Hij erkende ze niet en hij kende ze niet, nooit. Hij was de man van het heldere, logische plichtsgevoel, mannelijk en eenvoudig. Hij was de man van het heldere, eenvoudige leven. Onder het eenvoudige leven verbergen zich alle krachten die samen de almachtige stille kracht zijn. Maar dat zou hij nooit weten. Er zijn volken die die kracht beter beheersen dan de westerse volken. Daar zou hij om spotten. En in die volken zijn er enkele mensen in wier hand die kracht haar grote macht verliest. Dan wordt ze een werktuig. Alleen al om dat idee zou hij zijn schouders ophalen en doorgaan. Geen ervaring zou hem iets leren. Misschien zou hij het een moment niet begrijpen... Maar dan pakte hij meteen weer in zijn mannenhand de ketting van zijn logica. En hij maakte de ijzeren schakels van de feiten weer aan elkaar vast...

Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geweest.

Hij zag hoe Léonie de oude vorstin uit zijn kantoor bracht, gebroken en huilend.

Een diep gevoel, een medelijden dat hem helemaal raakte, maakte zijn ogen vochtig. En voor die vochtige ogen verscheen het beeld van de Javaan. Van hem had hij gehouden als van een vader.

Maar toegeven deed hij niet.

### V.

Er kwamen berichten uit Ternate en Halmaheira. Een vreselijke zeebeving had de eilanden daar verwoest. Hele dorpen waren weggespoeld. Duizenden mensen hadden geen dak meer boven hun hoofd. In Holland maakten de telegrammen meer indruk dan in Indië. Het was alsof men in Indië meer gewend was aan een zee die beefde en aarde die omhoogkwam. Men had veel over Dreyfus gesproken. Men begon over Transvaal te spreken. Maar over Ternate sprak men bijna niet. Toch was er in Batavia een hoofdcomité gevormd. En Van Oudijck riep een vergadering bij elkaar. Er werd besloten om zo snel mogelijk een liefdadigheidsfeest te geven, in de sociëteit en de tuin ervan. Zoals altijd liet mevrouw Van Oudijck alles over aan Eva Eldersma. Ze bemoeide zich nergens mee.

Veertien dagen lang ging er een opgewonden drukte door Laboewangi. Het doodstille plaatsje sliep zoals plaatsjes in het binnenland van Indië slapen. Maar nu werden er allerlei kleine hartstochten wakker, kleine jaloezieën en kleine vijandschappen. Eva had haar clubje van trouwe vrienden: de Van Helderens, de Doorn de Bruijns en de Rantzows. Daartegenover streden allerlei heel kleine groepjes. Die had ruzie met die. Die wilde niet meedoen, omdat die meedeed. Die drong zich op om mee te doen, alleen zodat mevrouw Eldersma niet zou denken dat ze alle macht had. En die en die en die vonden dat Eva veel te veel pretenties had. Ze moest zich niet verbeelden dat ze de eerste van de plaats was, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet.

Maar Eva had met de resident gesproken. Ze zei dat ze het feest wel wilde organiseren, maar alleen als ze alles zelf mocht beslissen. Ze vond het niet erg als de resident iemand anders nam om het feest op te zetten. Maar als hij *haar* nam, dan was dat de voorwaarde. Want als ze rekening moest houden met twintig verschillende meningen en smaken, kwam er nooit een einde aan. Van Oudijck lachte en gaf toe. Maar hij drukte haar op het hart om de mensen niet boos te maken. Ze moest ieders gevoelens respecteren en zo veel mogelijk verzoenen. Dan zou het liefdadigheidsfeest een prettige herinnering achterlaten. Eva beloofde het. Ze had geen ruziezieke natuur.

Iets doen, iets op touw zetten, iets tot stand brengen: dat was haar lust en haar leven. Zo kon ze haar artistieke energie kwijt. Het was haar troost in het saaie Indische leven. Want ze was wel veel in Indië gaan liefhebben en mooi gaan vinden. Maar aan het sociale leven vond ze niets aantrekkelijks, behalve aan haar kleine clubje. Maar nu kon ze een feest op grote schaal voorbereiden. Men zou er tot in Soerabaia over horen. Dat deed haar ijdelheid goed, en ook haar lust om te werken.

Zij zeilde door alle moeilijkheden heen. Men zag dat zij het best wist en het meest praktisch werkte. Daarom gaf men haar haar zin. Zij was bezig met het bedenken van haar versierde kramen en tableaux-vivants. De drukte van het feest ging door alle deftige families van Laboewangi. Maar ondertussen leek er ook iets te bewegen in de ziel van de inlanders. En dat was niet zo licht en vrolijk als een feest voor het goede doel.

De schout bracht elke morgen zijn korte rapport bij Van Oudijck. Meestal waren het maar een paar woorden: hij had zijn ronde gedaan en alles was in orde. Maar de laatste dagen had hij langere gesprekken met de resident. Hij leek belangrijker dingen te vertellen te hebben. Voor het kantoor praatten de oppassers zachter en geheimzinniger dan anders. De resident liet Eldersma en Van Helderen bij zich komen. De secretaris schreef naar Vermalen, de assistent-resident in Ngadjiwa. Hij schreef ook aan de majoor-commandant van de soldaten in de stad. En de controleur-kotta ging steeds vaker rond door de stad, op uren dat hij dat niet gewend was.

De dames hadden het druk en merkten weinig van het geheim dat er rondging. Alleen Léonie bemoeide zich niet met het feest. Zij zag iets aan haar man: een ongewone, stille zorg. Ze zag dingen snel en scherp. Thuis sprak Van Oudijck meestal veel over zijn werk, maar de laatste dagen zei hij bijna niets. Daarom vroeg ze een keer waar de Regent van Ngadjiwa nu was. De regering had hem ontslagen, op voorstel van Van Oudijck. En wie zou hem vervangen? Hij gaf een vaag antwoord. Toen werd ze voorzichtig, en ze werd bang.

Op een morgen liep ze door de slaapkamer van haar man. Daar hoorde ze hoe Van Oudijck heel zacht met de schout sprak. Ze luisterde even, met haar oor tegen het kamerscherm. Het gesprek ging zacht, want de tuindeuren stonden open. Op de tuintrappen zaten de oppassers. Een paar heren moesten de resident spreken. Ze liepen in de zijgalerij heen en weer. Ze hadden hun namen op een lei geschreven, en de hoofdoppasser had die lei al naar binnen gebracht. Maar ze moesten wachten, want de resident sprak met de schout... Léonie stond bij het scherm en luisterde. Ze werd bleek toen ze een paar woorden hoorde. Stil ging ze naar haar kamer. Ze was bang.

Aan de rijsttafel vroeg ze of ze echt naar het feest moest komen. Ze had de laatste tijd zo'n kiespijn, zei ze. Ze moest naar de tandarts in Soerabaia. Het zou wel een tijd duren, want ze was al lang niet meer bij de tandarts geweest. Maar Van Oudijck was streng, in zijn sombere bui van geheime zorg en zwijgen. Hij zei dat het niet kon. Op een avond als die van het feest moest ze er zijn, als vrouw van de resident. Ze trok een boos gezicht en wilde niet praten. Ze hield haar zakdoek tegen haar mond, tot Van Oudijck er zenuwachtig van werd. Die middag sliep ze niet, las ze niet en droomde ze niet. Ze was te onrustig. Ze was bang, ze wilde weg. Bij de middagthee in de tuin begon ze te huilen. Ze zei dat ze hoofdpijn had van de kiespijn. Ze werd ziek, zei ze, ze kon het niet meer uithouden. Van Oudijck werd zenuwachtig en bezorgd, en het raakte hem. Hij kon haar tranen nooit zien. Hij gaf toe, zoals altijd als het om haar eigen zaken ging. De volgende dag vertrok ze naar Soerabaia. Ze logeerde daar in het residentiehuis. En ze liet echt haar tanden verzorgen door de tandarts.

Dat was altijd goed, eens per jaar. Ze gaf er deze keer ongeveer vijfhonderd gulden aan uit.

Nu begonnen ook de andere dames iets te raden. Achter een sluier van geheim gebeurde er iets in Laboewangi. Want Ida van Helderen vertelde het aan Eva Eldersma. Haar tragische ogen van blanke nonna stonden vol angst. Haar man, en ook Eldersma en de resident, waren bang voor een opstand van de bevolking. De familie van de Regent zou het volk daartoe aanzetten. Die familie zou het nooit vergeven dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen zeiden zelf niets. Ze stelden hun vrouwen gerust. Maar onder de rust van hun kleine stadsleven bleef iets donkers borrelen. Langzaam lekten de praatjes uit, en de Europese bevolking werd bang. Ook kleine, vage berichtjes in de kranten hielpen daarbij. Daarin stond commentaar op het ontslag van de Regent.

Intussen ging de drukte voor het feest door. Maar men deed het niet meer met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust, en men werd ziek van de zenuwen. 's Nachts sloot men de huizen beter af. Men legde wapens klaar. Mensen werden plotseling angstig wakker. Ze luisterden naar de geluiden van de nacht, die zacht als dons over het wijde land lag. En men keurde de haast van Van Oudijck af. Na de scène op het racebal had hij geen geduld meer gehad. Hij had niet getwijfeld om de Regent voor ontslag voor te dragen. En het huis van die Regent was nauw verbonden met de grond van Laboewangi. Het was één met Laboewangi.

De resident had ook een feest voor de bevolking aangekondigd: een passer-malam op de aloon-aloon. Het zou een paar dagen duren, tegelijk met de Fancy-fair. Er zouden volksfeesten zijn, met veel kleine en grote kramen. Er was ook de Komedie-Stamboul, waar toneelstukken uit Duizend-en-een-nacht werden gespeeld. Hij had dit gedaan om de Javaanse bevolking een plezier te doen. De Javanen hielden erg van zulke feesten. Zo konden zij feestvieren terwijl de Europeanen ook feestvierden. Het was nu een paar dagen voor de Fancy-fair. En de dag ervoor zou toevallig de koempoelan plaatsvinden in de Kaboepaten.

Er was angst, drukte en zenuwachtigheid in het anders zo stille plaatsje. De mensen werden er bijna ziek van. Moeders brachten hun kinderen weg. Zelf twijfelden ze of ze ook moesten gaan. Maar de Fancy-fair hield de mensen in de stad. Wilden ze de Fancy-fair missen? Er was zo zelden eens wat plezier. Maar als er echt... een opstand uitbrak! Men wist niet wat te doen. Moest men de vage dreiging ernstig nemen? Of moest men er luchtig om lachen?

De dag voor de koempoelan vroeg Van Oudijck of hij de Raden-Ajoe Pangéran mocht bezoeken. Zij woonde bij haar zoon. Zijn rijtuig reed langs de stallen en kramen op de aloon-aloon. Het reed door de versierde poorten van de passer-malam. Die poorten waren van bamboestammen die met hun toppen naar elkaar toe hingen. Daaraan hing een smalle strook dunne stof, die in de wind golfde. In het Javaans heet die versiering daarom ook "kabbeling". Die avond zou de eerste feestavond zijn. Men was bezig met de laatste voorbereidingen. Men sloeg met hamers en zette alles klaar. In die drukte gingen de inlanders niet altijd laag op de grond zitten voor het rijtuig van de resident. Ze letten niet op de gouden pajong die de oppasser op de bok vasthield, als een zon met ingetrokken stralen.

Maar toen reed het rijtuig langs de vlaggenstok de laan naar de Kaboepaten in. Men zag dat de resident naar de Regent ging. Toen kwamen er groepjes mensen bij elkaar. Ze spraken zacht maar heftig. Bij het begin van die laan drongen ze samen en keken nieuwsgierig. Maar de mensen zagen niets. In de verte, in de schaduw van de waringins, zagen ze alleen de lege pendoppo met zijn rijen wachtende stoelen. Plotseling reed de schout voorbij op zijn fiets. Meteen liepen de groepjes snel uit elkaar, als vanzelf.

In de voorgalerij wachtte de oude vorstin op de resident. Haar waardige gezicht was kalm. Je kon er niet aan zien wat ze vanbinnen dacht en voelde. Ze wees de resident een stoel, en het gesprek begon met een paar gewone zinnen. Toen kwamen er snel vier bedienden binnen. Ze gingen op handen en voeten over de vloer, laag bij de grond. De eerste droeg een rek vol flessen. De tweede droeg een blad met veel glazen. De derde had een zilveren ijsemmer vol stukken ijs. De vierde had niets in zijn handen en maakte de semba. De vorstin vroeg de resident wat hij wilde drinken. Hij zei dat hij graag een whisky-soda had. De laatste bediende ging op handen en voeten tussen de drie anderen door en maakte de drank klaar. Hij schonk een beetje whisky in. Hij liet de fles ajer-blanda openspringen, met een knal als van een kanon. En hij liet een brok ijs in het glas zakken, als een kleine gletsjer. Er werd nog geen woord gesproken. De resident liet de drank eerst koel worden, en de vier bedienden gingen op handen en voeten weer weg.

Toen begon Van Oudijck eindelijk te spreken. Hij vroeg de vorstin of hij in vol vertrouwen mocht spreken. Mocht hij zeggen wat hij op zijn hart had? Beleefd vroeg zij hem dat te doen. Hij sprak met zijn vaste maar zachte stem, in het Maleis. Zijn zinnen waren heel hoffelijk, vol vriendschap en mooie, bloemrijke beleefdheid. Hij zei hoe hoog en groot zijn liefde voor de Pangéran was geweest. Die liefde had hij nog steeds, voor diens hele beroemde familie. Ook al had hij, tot zijn diepe spijt, tegen die liefde in moeten handelen. Zijn plicht had hem daartoe gedwongen. Hij vroeg haar, als een moeder dat kon, hem niets kwalijk te nemen. Hij had alleen zijn plicht gedaan. Hij vroeg haar juist om als een moeder voor hem te voelen. Hij was de Europese ambtenaar die de Pangéran als een vader had liefgehad. Zij was de moeder van de Regent. Hij vroeg haar om met hem samen te werken. Zij had zoveel invloed. Die kon ze gebruiken voor het geluk en de welvaart van de bevolking. Soenario was erg gelovig en keek ver weg, naar de dingen die je niet kunt zien. Daardoor vergat hij soms de gewone werkelijkheid die vlak voor hem lag. Daarom vroeg de resident haar, de machtige moeder met haar grote invloed, met hem samen te werken. Samen konden ze doen wat Soenario over het hoofd zag, in eenheid en liefde.

In zijn mooie Maleis opende hij haar helemaal zijn hart. Hij vertelde haar over de onrust die al dagen borrelde onder de bevolking. Die onrust was als een slecht gif. Het kon het volk alleen maar slecht en dronken maken. Misschien zou het leiden tot dingen, tot daden, die met diep berouw moesten eindigen. Met dat laatste woord, "diep berouw", liet hij haar iets voelen. De regering zou het sterkst zijn. Een vreselijke straf zou vallen op iedereen die schuldig bleek, hoog en laag. Maar zijn taal bleef heel hoffelijk en zijn woorden bleven eerbiedig, als van een zoon tegen een moeder. Zij begreep hem goed. Ze waardeerde zijn manieren, die vol tact en gratie waren. Zijn taal was vol mooie bloemen, maar ook diep en ernstig. Daardoor steeg hij in haar achting. Ze was er bijna verbaasd over, bij een lage Hollander zonder adellijk bloed of afkomst.

Hij ging verder. Hij zei niet wat hij heel goed wist: dat zij zelf de onrust in het geheim aandreef. Hij praatte de onrust juist goed. Hij zei dat hij het begreep. Het volk leed met haar mee, in haar verdriet om de zoon die zijn plaats niet waardig was. Die zoon kwam immers ook uit de edele familie. Het was heel natuurlijk dat het volk veel voelde voor zijn oude vorstin. Ook al was dat gevoel nu niet verstandig en zonder nadenken. Want de zoon was echt zijn plaats niet waardig. De Regent van Ngadjiwa was het niet waardig geweest. Wat er gebeurd was, had niet anders kunnen gaan. Zijn stem werd even streng. Ze boog haar grijze hoofd en zei niets. Ze leek het te aanvaarden.

Toen werden zijn woorden weer zachter. Nog eens vroeg hij om haar hulp. Ze moest haar invloed ten goede gebruiken. Hij vertrouwde helemaal op haar. Hij wist dat ze de traditie van haar familie hoog hield. Ook de trouw aan de Compagnie en de vaste trouw aan de regering hield ze hoog. Daarom vroeg hij haar om haar macht en invloed te gebruiken. Het volk hield van haar en vereerde haar. Ook die liefde kon ze gebruiken. Samen met hem kon ze tot stilte brengen wat in het donker onrustig bewoog. Ze kon tot nadenken brengen wie dat niet deed. Ze kon tot vrede brengen wat in het geheim dreigde tegen het waardige en sterke gezag. Want dat gebeurde haastig, lichtzinnig en zonder na te denken.

Hij zei mooie dingen tegen haar en hij dreigde haar tegelijk. Ze zei bijna geen woord. Ze onderbrak zijn zinnen alleen met haar "saja". Toch voelde hij dat ze onder zijn sterkere invloed kwam, de invloed van een man van tact en gezag. Hij voelde dat hij haar aan het denken zette. Terwijl ze erover dacht, zakte de haat in haar weg. Haar wil om wraak te nemen werd verlamd. Hij voelde dat hij de kracht en de trots brak van het oude bloed van de sultans van Madoera. Onder al de bloemen van zijn taal liet hij haar iets zien. Hij liet haar de volledige ondergang zien, de zware straf, en de macht van het gouvernement, die toch sterker was. Zo boog hij haar terug naar de oude soepelheid: zich buigen voor de macht van de heerser. Ze voelde de neiging om op te staan en het juk dat ze haatte af te werpen. Maar hij leerde haar dat het beter was om koel en verstandig te zijn. Het was beter om zich rustig weer aan te passen. Met haar hoofd zei ze zacht ja. Hij voelde dat hij sterker was geweest dan zij. Daardoor werd er een trots in hem wakker.

Nu sprak ook zij. Ze beloofde het, met een gebroken stem die vanbinnen huilde. Ze hield van hem als van een zoon, zei ze. Ze zou doen wat hij wilde. Buiten de Kaboepaten, in de stad, zou ze haar invloed zeker gebruiken om de dreigende onrust te stillen. Ze zei dat het niet haar schuld was. De onrust kwam uit de liefde van het volk, dat niet goed nadacht en met haar meeleed om haar zoon. Ze herhaalde nu zijn woorden. Alleen zei ze niet dat haar zoon zijn plaats niet waardig was. Want zij was moeder. En nog eens zei ze dat hij haar kon vertrouwen. Ze zou doen wat hij wilde.

Toen vertelde hij haar dat hij morgen naar de koempoelan zou komen. Hij zou komen met zijn ambtenaren en met de hoofden van de inlanders. Hij zei dat hij haar zo vertrouwde dat ze allemaal ongewapend zouden zijn, alle Europeanen. Hij keek haar in de ogen. Hiermee dreigde hij haar meer dan als hij over wapens had gesproken. Hij zei er geen woord over. Maar alleen met de toon van zijn Maleis dreigde hij met de straf en de wraak van de regering. Die zou komen als men de minste van zijn ambtenaren ook maar het kleinste kwaad deed.

Hij was opgestaan. Zij stond ook op. Ze wrong haar handen en vroeg hem dringend niet zo te spreken. Ze vroeg hem om haar en haar zoon volledig te vertrouwen. Ze liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam, en Van Oudijck zei nog eens dat hij hoopte op vrede en nadenken. Hij hoorde hoe de oude vorstin tegen haar zoon sprak. Aan haar toon voelde hij dat zij die vrede en dat nadenken echt wilde. Hij voelde dat zij, de moeder, alle macht had in de Kaboepaten.

De Regent boog zijn hoofd. Hij stemde toe en beloofde het. Hij zei zelfs dat hij het volk al had laten kalmeren. Hij had die opwinding van het volk altijd betreurd. Hij vond het heel erg dat de resident het toch had gemerkt, ondanks zijn pogingen om het volk te kalmeren. De resident vroeg niet verder door over deze woorden, die niet eerlijk waren. Hij wist dat de Kaboepaten zelf het volk onrustig maakte. Maar hij wist ook dat hij had gewonnen. Toch drukte hij de Regent nog eens zijn verantwoordelijkheid op het hart. Die gold als er morgen iets gebeurde in de pendoppo, tijdens de koempoelan. De Regent vroeg hem dringend om aan zoiets niet te denken.

Ze wilden als vrienden uit elkaar gaan. Daarom vroeg de Regent Van Oudijck om nog even te gaan zitten. Hij ging zitten. Bij die beweging stootte Van Oudijck, als bij toeval, tegen zijn glas. Het glas was helemaal bedekt met druppeltjes van de kou. Hij had het nog niet aan zijn lippen gezet. Het viel met veel lawaai op de vloer. Hij vroeg excuus voor zijn onhandigheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijn beweging gezien, en haar oude gezicht werd bleek. Ze zei niets, maar ze gaf een volgeling een teken. Weer kwamen de vier bedienden op handen en voeten binnen. Ze maakten een tweede glas whisky-soda klaar. Van Oudijck zette het glas meteen aan zijn mond.

Er was een pijnlijke stilte. Had de resident een goede reden gehad om het glas om te gooien? Dat zou altijd een raadsel blijven. Hij zou het nooit, nooit weten. Maar hij wilde de vorstin iets laten zien. Toen hij kwam, vóór hun gesprek, was hij op alles voorbereid. Maar nu, na het gesprek, wilde hij haar helemaal en in alles vertrouwen. Hij vertrouwde haar in de drank die ze hem gaf. Hij vertrouwde haar morgen op de koempoelan, waar hij en zijn ambtenaren ongewapend zouden komen. En hij vertrouwde op haar goede invloed, die rust en vrede onder de bevolking zou brengen.

Zij wilde laten zien dat ze hem begreep en dat zijn vertrouwen terecht was. Daarom stond ze op. Ze gaf een volgeling een teken en zei zacht een paar woorden tegen hem. De Javaan verdween. Even later kwam hij op handen en voeten door de hele voorgalerij terug. Hij droeg een lang voorwerp in een gele hoes. De vorstin nam het van hem aan en gaf het aan Soenario. Soenario trok uit de gele zijden hoes een wandelstok. Hij bood die de resident aan, als bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam hem aan. Hij wist wat het betekende. De gele zijden hoes had de kleur en de stof van het gezag: zijde, en geel of goud. De stok zelf was van een hout dat beschermt tegen slangenbeten en ongeluk. De zware knop was van goud, het metaal van het gezag. Hij had de vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, op dit moment gegeven, betekende iets belangrijks. De Adiningrats onderwierpen zich opnieuw, en Van Oudijck kon hen vertrouwen.

Toen hij afscheid nam, was hij erg trots. Hij had een hoge dunk van zichzelf. Want hij had gewonnen met tact, met diplomatie en met kennis van de Javaan. Alleen met woorden had hij de dreigende opstand voorkomen. Dat zou een feit zijn.

Dat was ook zo. Het zou zo zijn: een feit. De eerste avond van de passer-malam was vrolijk verlicht door honderd petroleumlampjes. Er hingen lekkere, lage geuren van gebakken eten. Het was er vol met de bonte drukte van het feestende volk. Op die eerste avond was er niets dan feest. Onder elkaar praatte het volk over het lange, vriendschappelijke bezoek van de resident aan de Regent en zijn moeder. Men had het rijtuig met de pajong lang in de laan van de Kaboepaten zien wachten. En volgelingen van de Regent vertelden over het geschenk van de wandelstok.

Dat was ook zo: het feit was er. Het gebeurde zoals Van Oudijck het vooruit had bedacht en met zijn macht had bereikt. Dat hij trots was, was menselijk. Maar sommige dingen had hij niet in zijn macht en niet vooruit bedacht. Dat waren de stille krachten. Die raadde hij nooit. Hij zou ze altijd ontkennen, in het natuurlijke, eenvoudige leven. Wat hij *niet* zag, hoorde en voelde, was de heel stille kracht. Die was wel neergeslagen, maar ze brandde nog zacht. Ze brandde als het vuur in een vulkaan, onder velden die rustig leken, velden van bloemen, vriendschap en vrede. Het was de haat. Die haat zou een macht hebben van een mysterie waar niemand doorheen kon kijken. En tegen die macht was hij, de westerling, ongewapend.

### VI.

Van Oudijck hield van een zeker effect. Hij zei die dag niet veel over zijn bezoek aan de Kaboepaten. Ook niet toen Eldersma en Van Helderen 's avonds bij hem kwamen. Ze wilden praten over de koempoelan van de volgende morgen. Ze waren wat ongerust en vroegen of ze wapens moesten meenemen. Maar Van Oudijck was heel streng en beslist. Hij verbood hun wapens mee te nemen. Niemand mocht dat, zei hij. De ambtenaren deden wat hij zei, maar niemand voelde zich op zijn gemak.

Toch verliep de koempoelan helemaal rustig en in harmonie. Er liep alleen meer volk tussen de kramen van de passer-malam. En er stond meer politie bij de versierde poorten met de golvende stof. Maar er gebeurde niets. De vrouwen thuis waren angstig geweest. Ze haalden opgelucht adem toen hun mannen weer veilig thuis waren. Van Oudijck had zijn effect bereikt. Nu legde hij een paar bezoeken af. Hij was zeker van zijn zaak en vertrouwde op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust en zei dat ze nu alleen aan de Fancy-fair moesten denken.

Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families sloten 's avonds al hun deuren. Ze bleven met vrienden, kinderen en baboes in de middengalerij zitten, gewapend. Ze luisterden en waren op hun hoede. Theo's vader had er in een vertrouwelijke bui met hem over gesproken. Daar maakte Theo toen met Addy een grap van. Op een avond liepen de twee jongemannen langs de huizen waar de mensen het bangst waren. Ze drongen door tot in de voorgalerij en riepen dat men open moest doen. In de middengalerijen hoorden ze al hoe de geweren werden gespannen. Ze hadden een dolle avond.

Toen vond eindelijk de Fancy-fair plaats. Op het toneel van de sociëteit had Eva drie tableaux-vivants georganiseerd. Ze kwamen uit de verhalen van koning Arthur: Viviane, en Ginevra en Lancelot. Midden in de tuin lag een Madoerese prauw in de vorm van een Vikingschip. Daar dronk men punch à la romaine. Een suikerfabriek in de buurt stond bekend om de vrolijke toon die er heerste. Daar maakte men nog altijd plezier. Deze fabriek had gezorgd voor een complete Hollandse poffertjeskraam. Die riep heimwee op naar Holland. De dames waren gekleed als Friese boerinnen. De mannen die op de fabriek werkten, waren allemaal gekleed als koksjongens. Ook de gevoelens voor Transvaal werden gevierd. Er was een Majuba-heuvel met heren en dames in fantastische Boerenkostuums. Over de enorme zeebeving in Ternate werd niet gesproken. Toch ging de helft van de opbrengst naar het getroffen gebied. Boven de tuin hingen lange rijen brandende lolengs. Daaronder was er veel plezier, en iedereen had zin om veel geld uit te geven, vooral voor Transvaal.

Maar onder al die vrolijkheid beefde toch een angst. Er vormden zich groepjes. Mensen keken zoekend naar buiten. Daar op de weg drongen Indo's, Javanen, Chinezen en Arabieren samen. Ze stonden rond de kleine draagbare keukens, die rookten. Met een glas champagne of een bord poffertjes in de hand luisterde men angstig in de richting van de aloon-aloon. Daar was de passer-malam in volle gang.

Toen verscheen Van Oudijck met Doddy. Hij werd ontvangen met het "Wien Neêrlandsch Bloed". Goedmoedig gaf hij overal rijksdaalders en bankbiljetten weg. Steeds weer vroeg men hem iets, geheimzinnig, in zijn oor. Men miste mevrouw Van Oudijck, en men vroeg elkaar waar ze was. Ze had zo'n kiespijn, zei men. Daarom was ze naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar. Als men haar niet zag, hield men niet van haar. Die avond werd er veel over haar gepraat. Men vertelde de vreselijkste schandalen over haar.

Doddy nam haar plaats in als verkoopster op de Madoerese prauw. Van Oudijck liep rond met Eldersma, Van Helderen en een paar controleurs van buiten de stad. Hij betaalde eten en drinken voor de mannen van zijn Binnenlands Bestuur. Men vroeg hem om geheime inlichtingen, met angstige blikken naar buiten en een luisterend oor naar de aloon-aloon. Dan stelde hij hen gerust, met een koninklijke glimlach. Er zou niets gebeuren, zei hij. Hij gaf er zijn erewoord op. Men vond hem wel erg vol vertrouwen, erg zeker van zijn zaak. Maar de vrolijke, hartelijke glimlach om de brede snor van de resident stelde de mensen gerust. Hij spoorde iedereen in zijn goede stad Laboewangi aan om alleen aan plezier en het goede doel te denken.

En toen verscheen plotseling de Regent, Raden Adipati Soenario, met zijn vrouw, de jonge Raden-Ajoe. Bij de ingang betaalde hij voor bosjes bloemen, programma's en waaiertjes met een briefje van honderd gulden. Toen ging er een opluchting door het hele publiek in de tuin. Het briefje van honderd van de Regent was snel overal bekend. Nu haalde men weer adem. Nu begreep men dat alle angst overbodig was geweest. Die avond zou er geen opstand uitbreken. Men vierde de Regent en zijn glimlachende jonge vrouw. Zij straalde van haar mooie juwelen.

Van pure opluchting en wilde vrolijkheid gaf men steeds meer geld uit. Men wilde net zo veel geven als de paar schatrijke Chinezen. Zij waren rijk geworden in de tijd van vóór de opium-régie. Zij bezaten de witte paleizen van marmer en stuc. Met hun vrouwen gaven ze met volle handen rijksdaalders uit. De vrouwen droegen geborduurde grijze en groene Chinese kleren. Hun glanzende haar zat vol bloemen en stenen. Ze roken sterk naar sandelhout. Het geld stroomde. Het tikte als zilveren druppels in de bussen van de blije verkoopsters. De Fancy-fair was een succes.

Langzaam, hier en daar, vertelde Van Oudijck eindelijk iets over zijn bezoek aan de Kaboepaten. Hij vertelde het aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow en aan de ambtenaren van buiten. Hij vertelde over zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran. Hij deed bescheiden en eenvoudig. Maar toch straalde hij, ondanks zichzelf, van blije trots en vreugde over zijn overwinning. Toen bereikte hij zijn grootste effect.

Het verhaal ging rond door de tuin. Men vertelde over de tact en de knapheid van de resident. Met zijn woord alleen had hij de revolutie voorkomen. Hij werd op handen gedragen. Hij schonk overal champagne. Hij kocht alle waaiertjes op. Hij kocht alle loten van de tombola die nog niet verkocht waren. Iedereen was dol op hem. Het was zijn moment van succes en populariteit. Hij maakte grapjes met de dames en maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in de lichte morgen. De vrolijke poffertjeskoks waren dronken. Ze dansten om de poffertjeskachel heen.

Toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, was hij in een stemming van tevredenheid over zichzelf. Hij voelde kracht en blijdschap. Hij was in vervoering over zichzelf. In zijn kleine wereld voelde hij zich koning, en ook diplomaat. En hij voelde dat iedereen van hem hield, iedereen aan wie hij rust en vrede had gegeven. Deze avond deed hem stijgen in zijn eigen achting. Hij had een hogere dunk van zichzelf dan ooit. Hij voelde zich zo gelukkig als hij zich nog nooit had gevoeld.

Hij had het rijtuig naar huis gestuurd en liep met Doddy naar huis. Een paar vroege verkopers gingen naar de passer. Doddy was half in slaap en doodmoe. Ze sleepte zich mee aan de arm van haar vader...

Toen liep er vlak bij haar iemand voorbij. Ze voelde het meer dan ze het zag, maar plotseling beefde ze van angst. Ze keek op. De figuur was al voorbij. Ze keek om, en ze herkende de rug van de hadji, die zich haastte...

Ze voelde zich zo koud dat ze bijna flauwviel. Maar ze was moe en liep half slapend. Toen dacht ze dat ze half droomde. Ze droomde van Addy, van Patjaram, van de maannacht onder de tjemara's. Daar, aan het eind van de laan, had de witte hadji haar laten schrikken...

### Woordenlijst

- **Indologie**: studie in Delft voor mensen die ambtenaar in Indië willen worden.
- **laten springen**: iemand laten weggaan of laten overplaatsen naar een andere plaats.
- **wajangpop**: pop uit het Javaanse poppenspel; hier: iemand die stijf en zonder gevoel lijkt.
- **mystiek**: het geheime en onzichtbare dat achter de dingen zit.
- **administrateur**: baas van een koffieplantage of suikerfabriek.
- **wedono**: Javaans hoofd van een district.
- **kris**: Javaanse dolk.
- **pasangrahan**: eenvoudig hotel voor ambtenaren op reis.
- **tandakmeid**: Javaanse danseres; zij geeft haar sjaal (slendang) aan een man om met haar te dansen.
- **slendang**: lange sjaal of sjerp.
- **srimpi**: danseres aan het hof van een Javaanse vorst.
- **totalisator**: plaats bij de races waar men geld op paarden inzet.
- **patih**: Javaanse bestuurder direct onder de regent.
- **hormat**: eerbied, groet van eerbied.
- **biograaf**: oude filmprojector; de beelden trillen en flikkeren.
- **doekoen**: Javaanse genezer en tovenaar.
- **djimat**: amulet, een voorwerp dat iemand moet beschermen.
- **petangans**: geheime berekeningen van gelukkige en ongelukkige dagen.
- **bloedschande**: liefde of seks tussen mensen uit dezelfde familie, wat verboden is.
- **Compagnie**: de VOC, de oude Nederlandse handelsmaatschappij in Indië.
- **vazal**: iemand die een machtiger heer trouw moet dienen.
- **Niobe**: moeder uit een oud Grieks verhaal die huilde om haar dode kinderen.
- **afgevijld**: met een vijl korter en gelijk gemaakt (een oude Javaanse gewoonte bij tanden).
- **satijn**: zachte, glanzende stof.
- **juk**: houten balk op de nek van dieren die een kar trekken; ook een teken van slavernij.
- **zeebeving**: aardbeving onder de zee.
- **liefdadigheidsfeest**: feest om geld te verzamelen voor mensen in nood.
- **schout**: hoofd van de politie in de stad.
- **tableaux-vivants**: 'levende schilderijen': mensen in kostuum staan stil en vormen samen een beeld.
- **kramen**: tafels of tentjes op een markt of feest, waar men iets verkoopt.
- **prauw**: Indonesische boot.
- **passer-malam**: avondmarkt; een feest met kramen voor de Javaanse bevolking.
- **aloon-aloon**: groot plein voor het huis van de regent.
- **koempoelan**: maandelijkse vergadering van de bestuurders.
- **Kaboepaten**: het huis van de regent.
- **pendoppo**: overdekte open hal voor het huis van de regent, voor vergaderingen en feesten.
- **pajong**: grote pronkparasol, teken van gezag.
- **ajer-blanda**: sodawater.
- **Komedie-Stamboul**: Maleis volkstoneel.
- **loleng**: Chinese lampion.
- **opium-régie**: het staatsmonopolie op opium; daarvoor verdienden Chinese opiumpachters er veel geld mee.
- **Wien Neêrlandsch Bloed**: het Nederlandse volkslied van die tijd.

## Vijfde hoofdstuk

### I.

Eva Eldersma zat in een stemming van lusteloosheid en spleen. Zo had ze zich in Indië nog nooit gevoeld. Ze had hard gewerkt voor de Fancy-fair. Er was veel drukte geweest, en het feest was een succes. Daarna waren er de angsten voor een opstand geweest. Maar nu sliep het plaatsje weer rustig in. Het leek wel tevreden dat het weer kon slapen, zoals altijd. Het was december geworden. De zware regens waren begonnen, zoals altijd op vijf december. De regenmoesson begon elk jaar weer op Sint-Nicolaas.

Een maand lang hadden de wolken zich laag aan de horizon verzameld. Ze waren steeds dikker geworden. Nu trokken ze hun zeilen vol water hoger tegen de hemel op. Toen scheurden ze open, met een woeste kracht van bliksems die ver in het rond lichtten. De regen viel hard neer. Het leek of de hemel al dat water niet langer kon dragen. De te volle zeilen scheurden, en al het water stroomde als uit één scheur naar beneden.

's Avonds vloog er een dolle wolk insecten door Eva's voorgalerij. Ze waren dronken van het licht. Ze stortten zich in de lampen en vonden de dood in de vlammen, als in een feest van vuur. Met hun bewegende, stervende lijfjes maakten ze de lampenglazen vol. Ze lagen verspreid over de marmeren tafels. Eva ademde een koelere lucht in. Maar er hing een nevel van vocht uit de aarde en de bladeren. Die sloeg neer op de muren. Het leek of de meubels ervan zweetten. De spiegels werden minder helder. Op de zijde kwamen vlekken van vocht, en op de schoenen kwam schimmel. Het was alsof de wilde kracht van de natuur al het kleine, fijne en mooie van mensenwerk wilde bederven. Maar de bomen, de bladeren en het gras leefden op. Ze groeiden wild omhoog, in duizend tinten nieuw groen. De groene natuur overwon. En de stad van open villa's, die zich klein maakte, werd nat en vochtig als een paddenstoel. Al het wit van de pilaren en bloempotten werd groen van de schimmel.

Eva zag hoe haar huis, haar meubels en haar kleren langzaam kapotgingen. Elke dag ging er iets kapot. Er rotte iets weg, er schimmelde iets, er roestte iets. Eerst had ze zichzelf geleerd om van Indië te houden. Ze had het goede in Indië leren zien. Ze had ook daar gezocht naar de mooie lijn, van buiten, en naar het mooie van binnen, in de ziel. Dat was haar filosofie van schoonheid geweest. Maar die hield geen stand tegen het stromende water. Niet tegen haar krakende meubels, niet tegen de vlekken op haar jurken en handschoenen. Niet tegen al het vocht, de schimmel en de roest. Die bedierven haar fijne omgeving. Die omgeving had ze zelf ontworpen en gemaakt, als troost voor Indië. Ze had altijd verstandig geredeneerd dat ze zich moest aanpassen. Dit was een land met een veel te sterke natuur, en met mensen die alleen geld en een positie zochten. Toch had ze er iets liefs en moois willen vinden. Maar nu stortte dat allemaal in. Want ze moest nu elk moment boos worden: als huisvrouw, als elegante vrouw en als vrouw van kunst. Nee, in Indië kon je onmogelijk smaak en verfijning om je heen hebben.

Ze was hier pas een paar jaar. Ze voelde nog wel wat kracht om te vechten voor haar westerse beschaving. Maar toch begreep ze al beter dan in de eerste dagen waarom mensen zich hier lieten gaan. De mannen deden het na hun drukke werk, en de vrouwen in hun huishouden. Ze vond haar bedienden zeker beter dan de lawaaiige, stampende dienstmeiden in Holland. Ze liepen zonder geluid, ze werkten met zachte hand, ze deden graag wat je vroeg en waren nooit brutaal. Toch voelde ze in haar hele huis een oosters verzet tegen haar westerse ideeën. Het was altijd een strijd om zich niet te laten gaan. Het grote erf werd zo makkelijk wild. Achter hing altijd de vuile was van de bedienden, en er lagen half opgegeten manga's. Het huis werd zo makkelijk vuil en verschoten. Het was te groot, te open en te veel blootgesteld aan weer en wind. Op de Hollandse manier kon je het niet schoonhouden. En het was zo makkelijk om maar ongekleed te blijven schommelen, in sarong en kabaai, met blote voeten in slippers. Het was echt te warm en te vochtig om een jurk of een ochtendjas aan te trekken. Je zweette er meteen doorheen.

Voor haar trok haar man 's avonds aan tafel altijd nette kleren aan: een zwart jasje en een hoge boord. Maar boven die hoge boord zag ze dat zijn gezicht moe was. Daarin zag ze steeds meer de strakke, uitgeputte blik van het kantoor. Daarom zei ze zelf dat hij zich de volgende keer na zijn tweede bad niet meer hoefde te verkleden. Ze liet hem aan tafel komen in een wit jasje, of zelfs in nachtbroek en kabaai. Ze vond dat iets vreselijks, iets wat zo erg was dat je het niet kon zeggen. Het schokte haar hele beschaving. Maar hij was echt te moe. En het was te warm en te vochtig om iets anders van hem te vragen.

Ze was pas twee jaar in Indië. Maar ze begreep steeds beter hoe men zich hier liet gaan, in kleding, in lichaam en in ziel. Want elke dag verloor ze iets meer van haar frisse Hollandse bloed en haar westerse kracht. Ze gaf wel toe dat men in Indië hard werkte, misschien harder dan in welk land ook. Maar men werkte alleen met één doel voor ogen: een positie, geld, ontslag, pensioen. En dan terug, terug naar Europa. Er waren wel anderen. Zij waren in Indië geboren en waren er nauwelijks één jaar weg geweest. Zij wilden niets van Holland horen. Zij aanbaden hun land van zon. Zo waren de de Luces, wist ze, en zo waren er nog anderen. Maar in haar kring van ambtenaren en planters had iedereen hetzelfde doel. Dat was een positie, geld, en dan weg, weg naar Europa. Iedereen rekende uit hoeveel jaren hij nog moest werken. Iedereen zag in de toekomst de droom van rust in Europa.

Een enkeling, zoals Van Oudijck, was anders. Hij was een van de weinige ambtenaren die hun werk misschien liefhadden om het werk zelf. Het paste bij zijn karakter. Hij was bang voor de tijd van zijn pensioen. Dan zou hij alleen maar dom voortleven, zonder doel. Maar Van Oudijck was een uitzondering. De meesten werkten als ambtenaar of planter voor een latere rust. Ook haar eigen man werkte zich kapot. Hij wilde assistent-resident worden en dan na een paar jaar met pensioen gaan. Hij werkte zich kapot voor zijn droom van rust.

Nu voelde zij haar eigen kracht wegzakken. Met elke druppel bloed voelde ze die kracht gaan. Haar bloed leek traag en moe door haar lichaam te stromen. Dit waren de eerste dagen van de regenmoesson. De goten van het huis lieten steeds dikke, harde stralen water vallen. Ze werd boos van dat lawaai. Ze zag hoe al haar mooie spullen bedierven door vocht en schimmel. Die spullen had ze met smaak gekozen, als troost voor haar kunstenaarsziel in Indië. Nu raakte ze in een stemming van lusteloosheid en spleen zoals ze nog nooit had gekend.

Aan haar kindje had ze niet genoeg. Het was nog te klein om iets voor haar ziel te betekenen. Haar man werkte, hij werkte altijd. Hij was voor haar een goede, lieve man, een brave man, een heel eenvoudige man. Misschien had ze hem alleen om die eenvoud genomen. Om de kalme rust van zijn glimlachende, blonde Friese gezicht en om zijn stevige, brede schouders. Want als jong meisje had ze een paar heftige romances gehad. Daarin was veel overdreven verliefdheid, er waren misverstanden, en er waren ruzies vol hoge gevoelens. Zij was zelf niet rustig en eenvoudig. Juist daarom had ze in een eenvoudige romance de rust en eenvoud voor haar leven gezocht. Maar zijn goede eigenschappen waren voor haar niet genoeg. Vooral nu niet. Ze woonde nu langer in Indië. Ze verloor de strijd met een land dat niet bij haar natuur paste. Nu was zijn rustige liefde als echtgenoot niet genoeg voor haar.

Ze begon zich ongelukkig te voelen. Ze was een vrouw met te veel kanten om al haar geluk te vinden in haar kleine jongen. Met zijn kleine zorgen van nu en de gedachten aan zijn toekomst vulde hij wel een deel van haar leven. Ze had zelfs een hele theorie over opvoeding bedacht. Maar hij vulde haar leven niet helemaal. Ze kreeg heimwee naar Holland. Heimwee naar haar ouders. Heimwee naar het mooie kunstenaarshuis waar je altijd schilders, schrijvers en musici ontmoette. In Holland was dat een uitzondering: een salon voor kunstenaars. De kunstenaars werkten in Holland anders altijd alleen. Maar daar kwamen ze even samen.

Dat beeld trok aan haar voorbij als een vage, verre droom. Ondertussen luisterde ze naar het geluid van de donder in de zware, warme lucht. Ze keek naar het water dat daarna neerstroomde. Hier had ze niets. Hier voelde ze zich niet op haar plaats. Haar clubje trouwe vrienden kwam om haar heen omdat ze vrolijk was. Maar met hen had ze geen diepere band en geen echte gesprekken. Alleen met Van Helderen. En met hem wilde ze voorzichtig zijn. Ze wilde hem geen valse hoop geven.

Alleen Van Helderen. Ze dacht aan alle andere mensen om haar heen in Laboewangi. Ze dacht aan mensen, mensen van overal. In deze dagen was ze somber. Ze vond dat iedereen vooral aan zichzelf dacht, aan het eigen ik. Ze zag het minder lieve, het opgesloten zijn in zichzelf. Ze kon het nauwelijks onder woorden brengen, want de harde regen leidde haar af. Maar ze vond in iedereen dingen die niet lief waren, bewust en onbewust. Ook in haar trouwe vrienden. Ook in haar man. In mannen, jonge vrouwen, jonge meisjes en jongemannen om haar heen. Iedereen dacht alleen aan zijn eigen ik. In niemand zat harmonie, voor zichzelf en voor een ander. Bij de een vond ze dit niet goed, bij de ander dat gemeen. Sommige mensen veroordeelde ze helemaal.

Die kritiek maakte haar troosteloos en treurig. Want het ging tegen haar natuur in. Ze hield graag van mensen. Ze leefde graag samen met veel anderen, spontaan en in harmonie. Van nature had ze liefde voor de mensen, liefde voor de mensheid. Grote vragen raakten haar diep. Maar wat ze voelde, vond geen antwoord bij anderen. Ze was leeg en alleen. Ze woonde in een land, een stad en een omgeving waar alles haar hinderde. De grote en de kleine dingen hinderden haar ziel, haar lichaam, haar karakter en haar natuur. Haar man werkte. Haar kind werd al Indisch. Haar piano was vals.

Ze stond op en probeerde de piano. Ze speelde lange toonladders, die overgingen in de Feuerzauber uit de Walküre. Maar de regen was harder dan haar muziek. Ze stond weer op, wanhopig van lusteloosheid. Toen zag ze Van Helderen staan.

—Je laat me schrikken, zei ze.

—Mag ik blijven voor de rijsttafel? vroeg hij. Ik ben thuis alleen. Ida is voor haar malaria naar Tosari, en de kinderen zijn mee. Ze is gisteren gegaan. Het is een dure geschiedenis. Ik weet niet hoe ik dit een maand moet volhouden.

—Laat de kinderen hier komen, als ze een paar dagen boven in de bergen zijn geweest...

—Is dat geen last voor je?

—Natuurlijk niet... Ik zal het Ida schrijven...

—Het is echt heel lief van je... Je zou me er zeker mee helpen.

Ze lachte zwakjes.

—Voel je je niet goed?

—Ik voel me doodgaan, zei ze.

—Hoe bedoel je?

—Ik voel me elke dag een beetje sterven.

—Waarom?

—Het is hier verschrikkelijk. We hebben zo naar de regens verlangd. En nu ze er zijn, maken ze me gek. En, ik weet het niet... ik hou het hier niet meer uit.

—Waar?

—In Indië. Ik heb mezelf geleerd om in dit land het goede en het mooie te zien. Het was allemaal voor niets. Ik kan nu niet meer.

—Ga naar Holland, zei hij zacht.

—Mijn ouders zouden me zeker graag terugzien. En voor mijn jongen zou het goed zijn. Want elke dag vergeet hij meer van zijn Nederlands. Ik was zo energiek begonnen om het hem te leren. Nu praat hij Maleis, of nog erger: sinjo-taal. Maar ik kan mijn man hier niet alleen laten. Hij zou niets hebben zonder mij. Tenminste, dat geloof ik. Misschien is dat ook weer zoiets als een illusie. Misschien is het niet zo.

—Maar als je ziek wordt...

—Ach... ik weet het niet...

Ze was op een ongewone manier doodmoe, in haar hele wezen.

—Misschien overdrijf je! begon hij opgewekt. Kom, misschien overdrijf je. Wat is er, wat hindert je, wat maakt je zo ongelukkig? Laten we eens een inventaris opmaken.

—Een inventaris van mijn ongelukken. Mijn tuin is een moeras. Drie stoelen in mijn voorgalerij kraken uit elkaar. Witte mieren hebben mijn mooie Japanse matten opgegeten. Op een nieuwe zijden jurk zijn, zomaar, vochtvlekken gekomen. Een andere jurk is uit elkaar gevallen in losse draadjes, alleen door de warmte, denk ik. En dan nog allerlei kleinere ellende van die soort. Om me te troosten, heb ik me op de Feuerzauber gestort. Maar mijn piano was vals. Ik denk dat er kakkerlakken in de piano rondwandelen.

Hij lachte een beetje.

—Wij zijn idioot hier, wij westerlingen in dit land. Waarom slepen we hier onze hele dure beschaving mee? Die houdt het hier toch niet uit! Waarom wonen we niet in een fris bamboehuisje? We kunnen slapen op een tiker. We kunnen een kain pandjang dragen en een katoenen kabaai. Dan doen we een slendang over de schouder en een bloem in het haar. Al jullie cultuur, waarmee je rijk wilt worden, is een westers idee. Op den duur mislukt het. En al onze administratie is zo vermoeiend in de warmte. Als we hier willen zijn, waarom leven we dan niet gewoon eenvoudig? Waarom planten we geen padi en leven we niet van bijna niets...

—Je praat als een vrouw, lachte hij een beetje.

—Dat kan, zei ze. Ik zeg het half voor de grap. Maar ik voel hier een kracht die tegen mij werkt. Ze werkt tegen mij in, tegen alles wat westers in mij is... Dat is zeker. Ik ben hier soms bang. Ik heb hier altijd het gevoel... dat ik bijna word overwonnen. Ik weet niet waardoor. Door iets uit de grond, door een macht in de natuur. Of door een geheim in de ziel van die zwarte mensen, die ik niet ken... Vooral 's nachts ben ik bang.

—Je bent nerveus, zei hij teder.

—Misschien, zei ze zwak terug. Ze zag dat hij haar niet begreep. Ze was te moe om het verder uit te leggen. Laten we over iets anders praten. Die tafeldans is toch vreemd.

—Ja, zei hij.

—Laatst, toen we het met z'n drieën deden, Ida, jij en ik...

—Het was zeker heel vreemd.

—Weet je die eerste keer nog? Addy de Luce... dat lijkt nu toch waar te zijn, met mevrouw Van Oudijck... En de opstand... De tafel voorspelde het toen.

—Zou het niet, zonder dat we het weten, onze eigen suggestie zijn?

—Ik weet het niet. Maar denk eens: we zijn allemaal eerlijk. En toch gaat die tafel tikken en praat hij met ons, met een alfabet.

—Ik zou het toch niet vaak doen, Eva.

—Nee. Ik kan het niet verklaren. En toch verveelt het me al. Zo went een mens aan het onbegrijpelijke.

—Alles is onbegrijpelijk...

—Ja... en alles is banaal.

—Eva, zei hij. Hij lachte zacht, maar met een verwijt.

—Ik geef de strijd helemaal op. Ik ga maar naar de regen kijken... en schommelen.

—Vroeger zag je het mooie in mijn land.

—In jouw land? Dat je morgen graag zou verlaten, om naar de Parijse Tentoonstelling te gaan.

—Ik heb nog nooit iets gezien.

—Je bent zo nederig vandaag.

—Ik ben verdrietig, om jou.

—O toe, wees dat niet.

—Speel nog wat...

—Hier, drink dan je bittertje. Schenk jezelf in. Ik zal spelen op mijn valse piano. Die zal mooi passen bij mijn ziel, want die is ook in de war...

Ze ging terug naar de middengalerij en speelde uit Parzifal. Hij bleef voor in de galerij zitten en luisterde. De regen stroomde neer. De tuin stond onder water. Een harde donderslag leek de wereld uit elkaar te laten kraken. De natuur was sterker dan alles. In haar reusachtige kracht waren de twee mensen in dit vochtige huis klein. Zijn liefde was niets. Haar verdriet was niets. De geheimzinnige muziek van de Graal was als een kinderliedje naast het daverende geheim van die donderslag. Het leek of het noodlot zelf met goddelijke bekkens voorbijreed, over de mensen die in de zondvloed verdronken.

### II.

De twee kinderen van Van Helderen, een jongen en een meisje van zes en zeven, woonden nu bij Eva. Van Helderen kwam zelf geregeld één keer per dag eten. Hij sprak nooit meer over zijn diepe gevoel. Het was alsof hij de zoete, lieve sfeer van hun dagelijkse samenzijn niet wilde verstoren. En zij aanvaardde dat hij elke dag bij haar was. Ze had niet de kracht om hem weg te houden. Hij was de enige man in haar omgeving met wie ze kon praten en hardop kon denken. Hij was een troost voor haar in deze dagen van spleen.

Ze begreep niet hoe ze zo geworden was. Maar langzaam raakte ze in een totale onverschilligheid. Ze vond niets meer nodig, niets had nog zin. Zo was ze nooit geweest. Van nature was ze levendig en opgewekt. Ze zocht het mooie en ze kon bewonderen. Ze hield van poëzie, muziek en kunst. Die dingen had ze al van jongs af aan om zich heen gezien, gevoeld en besproken, al vanaf haar kinderboeken. In Indië was ze langzaam alles gaan missen wat ze nodig had. Er kwam een wanhopig gevoel over haar dat alles zinloos was. Ze dacht: waarvoor is alles? Waarvoor de wereld, de mensen, de bergen? Waarvoor al die kleine drukte van het leven?...

Soms las ze over de sociale bewegingen. In Europa waren er de grote sociale vragen. In Indië kwam de vraag op over de positie van de Indo's. Dan dacht ze: waarom de wereld, als de mens altijd hetzelfde blijft? Hij blijft klein en lijdend, neergedrukt door alle ellende van het mens-zijn. Ze zag het doel niet. De helft van de mensheid leed armoede. Die helft vocht zich omhoog, uit dat donker. Maar naar wat?... De andere helft leefde dom en zonder te denken voort in haar geld. Tussen die twee lag een trap van tinten, van de donkere armoede tot de domme rijkdom. Over allemaal heen spanden de eeuwige illusies zich als een regenboog. Dat waren de liefde, de kunst, en de grote vragen over recht, vrede en een ideale toekomst... Ze vond het allemaal voor niets. Ze miste het doel. Ze dacht: waarom is alles zo, en waarom de wereld, en de arme mensen...

Ze had zich nog nooit zo gevoeld, maar ze kon er niet tegen vechten. Langzaam, elke dag, maakte Indië haar zo: ziek van ziel. Frans van Helderen was haar enige troost. Deze jonge controleur was nooit in Europa geweest. Hij was helemaal in Batavia opgevoed en had in Batavia zijn examens gedaan. Hij was blond en voornaam, met zijn soepele beleefdheid. Hij leek van een vreemde nationaliteit die je niet kon noemen. Om zijn bijna exotische ontwikkeling was hij haar dierbaar geworden, als vriend. Ze zei hem hoe heerlijk ze die vriendschap vond. Hij antwoordde niet meer met zijn liefde. Hun band was zo al lief genoeg. Er zat iets van een ideaal in, waar ze allebei behoefte aan hadden. Hun omgeving was heel gewoon. Daarin straalde die vriendschap voor hen als iets heel bijzonders en heerlijks. Ze waren er allebei trots op.

Hij kwam vaak, vooral nu zijn vrouw in Tosari was. In de avondschemering wandelden ze naar de vuurtoren. Die stond bij de zee als een kleine Eiffel-kandelaar. Over die wandelingen werd veel gepraat, maar zij trokken zich daar niets van aan. Ze gingen op de voet van de vuurtoren zitten. Ze keken uit over de zee en luisterden naar de verte. Prauwen voeren het kanaal in, als spoken, met zeilen als nachtvogels. De vissers zongen hun zeurende liedjes. Er hing een weemoed van overgave aan het leven, van een kleine wereld en kleine mensen. Die weemoed was overal onder de sterrenhemel. Daar straalde het Zuiderkruis als een diamant, vol geheim. Of soms stond daar de halve maan, met haar hoorns, als een Turkse maan. Onder dat alles zaten de kleine mensen aan de voet van de kleine toren. Daar waren ook de zingende vissers en de zwakke, oude prauwen. Maar daarboven dreef een eindeloze ruimte zonder bodem: hemels en eeuwige lichten. Uit die eindeloze ruimte kwam iets aandrijven wat je niet kon zeggen. Het was als iets goddelijks, groter dan de mens. Daarin zonk al het kleine menselijke weg en verdween het.

—Waarom zou ik waarde hechten aan het leven, als ik morgen misschien dood ben? dacht Eva. Waarom al dat heen en weer en die drukte van mensen, als morgen misschien alles dood is...

Ze zei het tegen hem. Hij antwoordde dat iedereen niet leefde voor zichzelf en voor het moment van nu. Je leefde voor allen, en voor de toekomst... Maar ze lachte bitter en haalde haar schouders op. Ze vond hem banaal. En ze vond zichzelf ook banaal, omdat ze zulke dingen dacht. Ze waren al zo vaak gedacht. Toch bleef die gedachte op haar drukken, ondanks haar kritiek op zichzelf. Het leven was nutteloos, als morgen alles dood kon zijn. Zo zaten ze daar, en keken ze in de wijdte van de hemels en de eeuwige lichten. Ze voelden zich allebei zo klein als een atoom, en dat maakte hen nederig.

Toch hielden ze van die momenten. Ze betekenden alles in hun leven. Want als ze niet te veel voelden hoe klein ze waren, praatten ze over boeken, muziek en kunst. Ze praatten over de grote, hoge dingen van het leven. En ze voelden dat ze niet meer op de hoogte waren. Ze hadden wel de leestrommel en de Italiaanse opera uit Soerabaia, maar toch. De grote, hoge dingen waren heel ver van hen. Ze kregen allebei heimwee naar Europa. Ze wilden zich niet meer zo klein voelen. Ze wilden allebei graag weg, weg naar Europa. Maar geen van beiden kon dat. Het kleine dagelijkse leven hield hen gevangen. Dan praatten ze, als vanzelf en in harmonie, over wat de ziel en het wezen van de mens was. En ze praatten over al het geheimzinnige daarvan.

Al het geheimzinnige. Ze voelden het bij de zee en in de lucht. Maar stil zochten ze het ook in de trippelende poot van een tafel. Ze begrepen niet hoe een geest of een ziel zich kon tonen door een tafel. Ze legden er ernstig hun handen op. Ze begrepen ook niet hoe de tafel van dood tot leven kwam, door een kracht die van hen uitging. Maar als ze hun handen erop legden, leefde de tafel. Dan moesten ze het wel geloven. Ze telden de letters van een vreemd alfabet af. Vaak kwamen die letters verward. De tafel leek bestuurd door een spotgeest. Steeds wilde hij plagen en in de war brengen. Plotseling hield hij op, of hij werd grof en vuil. Samen lazen ze boeken over spiritisme. Ze wisten niet of ze het moesten geloven of niet.

Het waren stille dagen, stil en eentonig, in het stadje vol ruisende regen. Hun leven samen was als iets wat niet echt was. Het was als een droom die door de regen heen vaag werd. Toen werd Eva plotseling wakker, zo voelde het. Op een middag liep ze buiten in de vochtige laan. Ze wachtte op Van Helderen. Toen zag ze Van Oudijck naar haar toe komen.

—Ik was juist op weg naar u, mevrouwtje! zei hij opgewonden. Ik wilde u juist iets komen vragen. Wilt u mij weer eens helpen?

—Waarmee, resident?

—Maar zeg me eerst: voelt u zich niet goed? U ziet er de laatste tijd niet goed uit.

—Het is niets ernstigs, zei ze met een zwak lachje. Het gaat wel weer over. Waarmee kan ik u helpen, resident?

—Er moet iets gebeuren, mevrouwtjelief, en wij kunnen niet zonder u. Mijn vrouw zei vanmorgen ook: vraag het maar aan mevrouw Eldersma...

—En wat dan?

—U kent mevrouw Staats toch, de vrouw van de stationchef die gestorven is? De arme vrouw blijft achter met niets. Ze heeft alleen haar vijf kinderen en een paar schulden.

—Heeft hij zelf een eind aan zijn leven gemaakt?

—Ja. Het is heel treurig. En wij moeten haar helpen. Daar is veel geld voor nodig. We kunnen lijsten laten rondgaan, maar dat zal niet veel geven. De mensen geven graag, maar ze hebben de laatste tijd al zo veel gegeven. Op de Fancy-fair waren ze gek. Nu kunnen ze niet veel missen, want het is het einde van de maand. Maar begin volgende maand, begin januari, mevrouwtje, kan Thalia een toneelavond geven. Heel snel, een paar leuke korte stukjes, en zonder kosten. De entree is ƒ 1,50, misschien ƒ 2,50. Als ú het organiseert, is de zaal vol. Dan komen ze zelfs uit Soerabaia. Daar moet u me mee helpen, nietwaar, mevrouwtje?

—Maar resident, zei Eva moe. We hebben net die tableaux-vivants gehad. Wees niet boos, maar ik heb geen zin om altijd toneel te spelen.

—Jawel, jawel, het moet… zei Van Oudijck. Hij was vol van zijn plan, en hij sprak een beetje uit de hoogte.

Eva werd een beetje boos. Ze hield van haar vrijheid. En vooral in deze dagen van spleen was ze te somber. Ze leefde als in een droom en voelde zich te vaag. Daarom kon ze niet meteen lief doen wat hij als resident van haar vroeg.

—Echt, resident, deze keer weet ik niets, zei ze kort. Waarom doet mevrouw Van Oudijck het niet zelf…

Ze schrok toen ze dat zei. Hij liep naast haar, en ook hij schrok. Zijn gezicht werd donker. De vrolijke trek en de hartelijke lach om zijn dikke snor waren opeens weg. Ze zag dat ze hard tegen hem was geweest, en ze had spijt. En opeens begreep ze voor het eerst iets. Hij was heel verliefd op zijn vrouw. Toch vond hij het niet goed dat Léonie nergens aan meedeed. Hij had er verdriet van. Het was alsof er een licht op zijn karakter viel. Ze zag het voor het eerst, en heel duidelijk.

Hij wist geen antwoord. Hij zocht naar woorden en zei niets.

Toen zei ze lief, om het goed te maken:

—Wees niet boos, resident. Het was niet aardig van me. Ik weet wel dat mevrouw Van Oudijck al die drukte vervelend vindt. Ik neem het graag van haar over. Ik zal alles doen wat u wilt.

Ze was nerveus en had tranen in haar ogen.

Hij keek haar aan. Nu glimlachte hij, en hij keek een beetje onderzoekend.

—Wat bent u toch nerveus. Maar ik wist wel dat u een goed hart had. Ik wist dat u me niet alleen zou laten met mijn plan. En dat u die goede moeder Staats zou willen helpen. Maar het mag niet duur zijn, mevrouwtje. Geen kosten, geen nieuwe decors. Alleen uw geest, uw talent en uw mooie manier van spreken, in het Frans of het Hollands, wat u wilt. Daar zijn we nu eenmaal trots op in Laboewangi. En al dat moois geeft u ons voor niets. Dat is genoeg om de avond te laten slagen. Maar wat bent u nerveus, mevrouwtje? Waarom huilt u? Voelt u zich niet goed? Zeg me, kan ik iets voor u doen?

—Mijn man niet zo veel werk geven, resident. Ik heb nooit iets aan hem.

Hij maakte een gebaar: hij kon er niets aan doen.

—Het is waar, het is vreselijk druk, gaf hij toe. Is dat het?

—En mij leren zien wat er goed is aan Indië.

—Is het dàt dan?

—En nog een heleboel meer…

—Hebt u heimwee? Bevalt Indië u niet meer? Bevalt Laboewangi u niet meer, waar wij u allemaal op handen dragen…? U oordeelt verkeerd over Indië. Probeer eens het goede te zien.

—Dat heb ik geprobeerd.

—Lukt het niet meer?

—Nee…

—U bent te verstandig om het goede van dit land niet te zien.

—U houdt te veel van dit land om er eerlijk over te oordelen. En ik kan er ook niet eerlijk over oordelen. Maar noemt u mij de goede dingen.

—Waar zal ik mee beginnen? Het goede dat je als ambtenaar kunt doen voor land en volk. Dat geeft je zelf ook een tevreden gevoel. Het heerlijke, mooie werk voor dat land en dat volk. Het vele, harde werk, dat hier een heel leven vult… Ik heb het niet over al het kantoorwerk van uw man, die secretaris is. Maar ik spreek hem later wel, als hij assistent-resident is!

—Hoe lang moet dat nog duren…!

—Het ruime leven dan, waarin u alles hebt wat u nodig hebt?

—Waar de witte mieren aan eten.

—Dat is een slimme grap, maar het klopt niet, mevrouw…

—Dat kan, resident. Alles in en om mij is vals: mijn grappen, mijn piano en mijn arme ziel.

—De natuur dan?

—Daar voel ik me helemaal niet thuis in. De natuur is te sterk voor me en eet me op.

—Uw eigen taak hier?

—Mijn taak… een van de goede dingen van Indië…

—Ja. Ons af en toe wat van uw geest geven. Wij zijn gewone mensen van de praktijk, die alleen aan dingen denken.

—Resident, wat een complimentjes! Is dat allemaal voor de toneelavond?

—En met die geest goed doen voor moeder Staats?

—Zou ik in Europa geen goed kunnen doen?

—Zeker wel, zei hij kort. Gaat u maar naar Europa, mevrouw. Word in Den Haag maar lid van Armenzorg. Met een blikje op uw deur, en eens in de zoveel tijd een rijksdaalder…

Ze lachte.

—Nu bent u niet eerlijk. In Holland wordt ook veel goed gedaan.

—Maar wordt in Holland ooit voor één arme vrouw gedaan wat wij nu doen? Wat ú nu gaat doen…? En zeg me niet dat er hier minder armoede is.

—Dus…?

—Dus is er hier veel goeds voor u te doen. Uw taak. Werken voor anderen, voor hun dagelijks leven en voor hun hart. Laat Van Helderen niet te veel met u wegdromen, mevrouw. Hij is een charmante jongen, maar hij schrijft te literair in zijn rapporten van elke maand. Ik zie hem daar aankomen en ik moet weg. Dus ik reken op u?

—Helemaal.

—Wanneer is de eerste vergadering met het toneelbestuur en de dames?

—Morgenavond, bij u, resident?

—Top. Ik laat de lijst rondsturen. We moeten veel geld ophalen, mevrouw.

—We zullen haar helpen, moeder Staats, zei ze zacht.

Hij gaf haar een hand en ging weg. Ze voelde zich zacht vanbinnen, ze wist niet waarom.

—De resident heeft me voor je gewaarschuwd, omdat je te literair bent! plaagde ze Van Helderen.

Ze ging in de voorgalerij zitten. De lucht brak open. Een wit gordijn van regen viel in rechte plooien naar beneden. Een plaag van sprinkhanen sprong door de galerij. In de hoeken van de muren zoemde een wolk van heel kleine vliegjes. Het klonk als een harp die door de wind wordt bespeeld. Eva en Van Helderen legden hun handen op het tafeltje. Het tilde met een ruk zijn poot op, terwijl de kevers om hen heen vlogen.

### III.

Er gingen lijsten rond. De toneelavond werd geoefend en na drie weken gespeeld. Het toneelbestuur gaf de resident bijna vijftienhonderd gulden voor moeder Staats. Haar schulden werden betaald. Er werd een huisje voor haar gehuurd. En ze kreeg een kleine winkel in kleding en hoeden; Eva schreef daarvoor naar Parijs. Alle dames van Laboewangi bestelden iets bij moeder Staats. In nog geen maand was de vrouw gered. Ze was niet alleen gered van de ondergang, maar haar leven was ook weer geregeld. Haar kinderen gingen weer naar school, en ze verdiende een aardig inkomen.

Dat ging allemaal zo snel en zonder drukte. De mensen gaven zo veel op de lijsten. De dames bestelden zo makkelijk een jurk of een hoed die ze niet nodig hadden. Eva was verbaasd. Ze moest toegeven dat er iets veranderd was. Vaak zag ze in hun leven samen het minder mooie. Iedereen dacht alleen aan zichzelf, in de omgang, in de gesprekken, in spelletjes achter iemands rug en in het kwaadspreken. Maar dat was opeens naar de achtergrond gedrukt. Ze hielpen samen en deden goed, gewoon omdat het moest. Omdat het niet anders kon. Omdat de vrouw geholpen moest worden.

Door het werk voor de avond werd Eva uit haar spleen getrokken. Ze werd weer actief. Ze vond dit goede en mooie in de mensen om haar heen echt waardevol. Ze schreef er zo enthousiast over naar Holland dat haar ouders glimlachten. Voor hen was Indië een gesloten boek. Dit voorval had iets zachts en warms in haar wakker gemaakt. Maar het bleef één voorval. Toen het gevoel voorbij was, was ze weer dezelfde. Ze voelde om zich heen dat Laboewangi het afkeurde. Toch bleef ze haar hele leven vinden in de vriendschap met Van Helderen.

Want er was verder zo weinig. Ze had haar clubje van trouwe vrienden met zo veel illusies om zich heen verzameld. Ze vroeg hen te eten, en haar huis stond altijd voor hen open. Maar wat was het eigenlijk? De Doorn de Bruijns en de Rantzows vond ze nu goed als kennissen. Maar het waren geen vrienden meer. Ze dacht dat mevrouw Doorn de Bruijn vals was. Dokter Rantzow was haar te gewoon en te grof. Zijn vrouw vond ze een Duitse huisvrouw zonder betekenis. Ze lieten wel de tafel dansen. Maar ze hadden plezier in de domme dingen en de vieze woorden van de spotgeest. Eva en Van Helderen namen het heel ernstig, al vond zij die tafel eigenlijk toch grappig. En zo bleef er niemand over voor haar sympathie dan Van Helderen.

Maar nu bewonderde ze ook Van Oudijck. Ze had opeens zijn karakter gezien. Tot nu toe trokken alleen artistieke mensen haar aan. Hij was heel anders. Hij was helemaal niet artistiek en hij wist niets van kunst. Toch zag ze ook in hem de mooie lijn. Hij had zo veel moois in zijn eenvoudige, mannelijke gevoel voor plicht. En in de rust waarmee hij de teleurstelling in zijn leven thuis droeg. Want Eva zag het. Hij aanbad zijn vrouw. Maar hij vond het niet goed dat Léonie niets gaf om alles waar zíjn leven uit bestond. Thuis was hij verder blind voor alles. Maar voor deze teleurstelling was hij niet blind. Diep in zichzelf was die zijn geheim en zijn verdriet.

En ze bewonderde hem. Die bewondering was als een openbaring: kunst was niet altijd het hoogste in het leven. Ze begreep opeens iets. Het overdreven gedoe met kunst in onze tijd was een ziekte. Zij had er zelf aan geleden, en ze leed er nog aan. Want wat was zij, wat deed zij? Niets. Haar ouders waren allebei grote, echte kunstenaars. Hun huis was een tempel. Dat zij alleen aan kunst dachten, kon je begrijpen en vergeven. Maar zij? Zij speelde vrij goed piano, dat was alles. Ze had wat ideeën en smaak, dat was alles. Vroeger was ze met andere jonge meisjes overdreven enthousiast geweest. Ze herinnerde zich nu dat malle gedoe. Ze schreven elkaar brieven vol diepe gedachten, in een nagedane moderne stijl. Ze leken op de gedichten van Kloos en Gorter. Zo bracht haar denken haar toch verder, zelfs in haar spleen. Ze groeide en veranderde. Want voor haar, het kind van haar ouders, was het bijna ongelooflijk: ze vond kunst niet meer altijd het hoogste.

En in haar was een spel heen en weer van zoeken en denken. Ze zocht haar weg, want ze was helemaal verloren in een land dat vreemd was aan haar natuur. Ze leefde tussen mensen op wie ze neerkeek, zonder dat ze het merkten. In het land probeerde ze het goede te vinden. Dat wilde ze leren waarderen en een deel van zichzelf maken. Tussen de mensen was ze blij met de paar mensen die ze sympathiek vond en bewonderde. Maar het goede bleef voor haar een los voorval. De paar mensen bleven een uitzondering. Hoe ze ook zocht en dacht, ze vond haar weg niet. Ze bleef in haar slechte stemming. Ze kende zichzelf nu beter en ze had de kunst opgegeven. Toch was ze te Europees en te artistiek voor dit leven. Ze kon niet rustig en tevreden wonen in een Indisch stadje in het binnenland. Haar man was verloren in zijn kantoorwerk. Het klimaat maakte haar ziek. De natuur was te sterk voor haar. En de mensen om haar heen lagen haar niet.

En in de helderste momenten van dit spel heen en weer voelde ze duidelijk angst. Die angst voelde ze het helderst van alles. Ze voelde hem zacht aankomen. Ze wist niet waarvandaan, en ze wist niet waarheen. Maar hij bewoog boven haar hoofd, als de snelle sluiers van het lot, dat door de zware, natte regenlucht streek…

In deze slechte stemmingen haalde ze haar clubje van trouwe vrienden niet om zich heen. Ze deed zelf geen moeite. En haar kennissen begrepen haar te weinig om haar op te zoeken. Ze misten in haar de vrolijkheid die hen eerst had aangetrokken. Nu kwamen de jaloezie en de vijandigheid meer los. Er werd veel over haar gepraat. Ze deed zich mooier voor dan ze was, zeiden ze. Ze was eigenwijs, ijdel en trots. Ze wilde altijd de eerste van de stad zijn. Ze deed alsof zij de vrouw van de resident was, en ze gaf iedereen prenta. Eigenlijk was ze helemaal niet mooi, zeiden ze. Ze kleedde zich onmogelijk, en haar huis was heel vreemd ingericht. En dan was er haar band met Van Helderen, en hun wandelingen 's avonds bij de vuurtoren.

In Tosari was een klein, smal hotel vol mensen die graag roddelden. De gasten vervelen zich daar als ze geen uitstapjes maken. Dan zitten ze in hun kleine voorgalerijen heel dicht bij elkaar. Ze kijken stiekem in elkaars kamertjes en luisteren aan de dunne houten wanden. Daar, in Tosari, hoorde Ida ervan. Dat was genoeg. Het maakte in de Indische vrouw haar gevoel van blanke nonna wakker. Opeens nam ze, zonder uitleg, haar kinderen bij Eva weg.

Van Helderen kwam een paar dagen naar boven, de berg op. Hij vroeg zijn vrouw om uitleg. Waarom beledigde zij Eva? Waarom nam ze zonder reden de kinderen bij haar weg? Nu waren ze bij haar boven, en daar maakten ze de hotelrekening veel hoger. Ida maakte een scène, met harde woorden en zenuwaanvallen. Het hele hotelletje dreunde ervan. Iedereen luisterde nieuwsgierig mee. Als een harde wind joeg de scène het roddelen op tot een wilde zee. En zonder verdere uitleg brak Ida met Eva.

Eva trok zich terug. Zelfs in Soerabaia, waar ze eens boodschappen ging doen, hoorde ze het kwaadspreken en het kletsen. Ze werd zo misselijk van haar wereld en haar mensen dat ze zich stil terugtrok in zichzelf. Ze schreef Van Helderen dat hij niet meer moest komen. Ze vroeg hem heel ernstig om het weer goed te maken met zijn vrouw. Ze ontving hem niet meer. En nu was ze helemaal alleen. Ze voelde dat ze bij niemand om haar heen troost kon vinden. Voor stemmingen zoals de hare was er in Indië geen sympathie en geen begrip. Daarom sloot ze zich op. Haar man werkte. Maar zij gaf zich meer aan haar zoontje. Ze gaf zich helemaal over aan de liefde voor haar kind. Ze trok zich terug in de liefde voor haar huis. Dat was nu haar leven: nooit uitgaan, nooit iemand zien, nooit iemand spreken. Ze hoorde nooit andere muziek dan haar eigen muziek. Ze zocht nu troost in haar huis, haar kind en haar boeken. Zo eenzaam was ze geworden, na haar eerste illusies en haar eerste energie.

Nu had ze altijd heimwee naar Europa, naar Holland, naar haar ouders, naar mensen die veel van kunst wisten. En nu begon ze het land te haten. Eerst had ze het enorm groot en mooi gevonden, met zijn koninklijke bergen. En met het zachte geheim in de natuur en in de mens. Nu haatte ze die natuur en die mens, en het geheim maakte haar bang.

Nu vulde ze haar leven met denken aan haar kind. Haar zoontje, de kleine Onno, was drie jaar. Ze zou hem leiden en een man van hem maken. Toen hij net geboren was, had ze vage dromen gehad. Later zou haar zoon een groot kunstenaar worden, het liefst een groot schrijver, wereldberoemd. Maar sinds die tijd had ze iets geleerd. Ze voelde dat kunst niet altijd het hoogste is. Ze voelde dat er hogere dingen zijn. In haar spleen vergat ze die soms. Maar ze waren er toch, groot en stralend. Die dingen hoorden bij de Toekomst. Het ging vooral om Vrede, Recht en Broederschap. O, de grote broederschap tussen arm en rijk! Nu ze zo eenzaam was, zag ze die als het hoogste ideaal. Daaraan kon je werken, zoals een beeldhouwer werkt aan een monument. Recht en vrede zouden dan volgen. Maar eerst moest je dichter bij die broederschap komen. En ze wilde dat haar zoon eraan zou werken. Waar? In Europa? In Indië? Ze wist het niet. Ze kon het niet voor zich zien. Ze zag het eerder in Europa dan in Indië. In Indië bleef bij al haar gedachten iets wat ze niet kon verklaren. Iets wat een raadsel was, en wat haar bang maakte. Wat was dat toch vreemd…

Ze was een vrouw voor idealen. Misschien was dit alleen al, heel eenvoudig, de verklaring voor wat ze voelde en vreesde in Indië.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

—Je hebt helemaal verkeerde ideeën over Indië, zei haar man soms. Je ziet Indië helemaal verkeerd. Stil? Denk je dat het hier stil is? Waarom zou ík zo veel werk hebben in Indië, als het stil was in Laboewangi? We zorgen voor honderden belangen van Europeanen en Javanen… De landbouw is hier zo sterk als het maar kan… De bevolking groeit, groeit altijd maar… Een kolonie die achteruitgaat, terwijl er zo veel gebeurt…? Dat zijn van die idiote ideeën van Van Helderen. Ideeën die hij zomaar uit de lucht grijpt, en jij praat hem na… Ik begrijp niet hoe je Indië nu ziet… Er was een tijd dat je oog had voor het mooie en interessante hier… Dat lijkt nu helemaal voorbij… Eigenlijk moest je maar naar Holland gaan…

Maar ze wist dat hij dan heel eenzaam zou zijn. Daarom wilde ze niet gaan. Later, als haar zoontje ouder was, dan móest ze gaan. Maar dan zou Eldersma vast assistent-resident zijn geworden. Nu stonden er nog zeventien controleurs en secretarissen boven hem. Zo was het al jaren. Hij keek uit naar een promotie, ver weg in de toekomst. Het was als verlangen naar een fata morgana. Resident worden, daar dacht hij niet eens aan. Een paar jaar assistent-resident, en dan met pensioen naar Holland…

Ze vond het een treurig, hopeloos leven: je zo kapotwerken, voor Laboewangi…

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Ze had malaria. Haar meid Saïna pidjitte haar. Met haar soepele vingers masseerde ze Eva's pijnlijke armen en benen.

—Saïna, als ik ziek ben, is het te lastig dat je in de kampong woont. Kom vanavond nog hier wonen, met je vier kinderen.

Saïna vond dat lastig, veel soesa.

—Waarom?

En ze legde het uit. Haar huisje had ze van haar man gekregen, toen hij stierf. Ze hield ervan, al was het heel oud en half kapot. Nu, in de regentijd, regende het vaak naar binnen. Dan kon ze niet koken, en dan kregen de kinderen geen eten. Het huisje laten repareren was moeilijk. Ze kreeg een ringgit per week van de njonja. Zestig cent ging al op aan rijst. Dan elke dag een paar centen voor vis, kokosolie en sirih. En een paar centen voor hout om te koken… Nee, het huisje repareren ging niet. Bij de Kandjeng njonja zou ze het veel beter hebben, op het erf, veel beter. Maar het zou soesa zijn om iemand te vinden die in het huisje wilde wonen. Het was zo kapot. En de njonja wist toch dat geen huis in de kampong leeg mocht staan. Daar stond een hoge boete op… Dus bleef ze liever in haar natte huisje wonen… 's Nachts kon ze wel bij de njonja blijven waken. Haar oudste dochtertje paste dan op de kleintjes.

Saïna nam haar kleine leven van kleine ellende zoals het was. Ze liet haar soepele vingers sterk en zacht over de zieke armen en benen van haar mevrouw gaan.

En Eva vond het hopeloos: zo'n leven van één rijksdaalder per week, met vier kinderen. In een huisje waar het naar binnen regende, zodat je er niet kon koken.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

—Laat mij voor je tweede dochtertje zorgen, Saïna, zei Eva op een andere dag.

Saïna twijfelde en glimlachte. Ze wilde het liever niet, maar ze durfde dat niet te zeggen.

—Jawel, zei Eva nog eens. Laat haar hier komen. Je ziet haar de hele dag. Ze slaapt hier, en kokkie past op haar. Ik geef haar kleren, en ze hoeft alleen te zorgen dat mijn slaapkamer netjes is. Dat kun jij haar leren.

—Ze is nog zo jong, 'nja. Pas tien jaar.

—Jawel, zei Eva weer. Laat haar je zo helpen. Hoe heet ze?

—Mina, 'nja.

—Mina? Nee! zei Eva. Zo heet de djaït al. We zullen een andere naam voor haar vinden…

Saïna bracht het meisje. Ze was heel verlegen en had een streepje bedak op haar voorhoofd. Eva kleedde haar netjes aan. Het was een heel mooi kind, zacht bruin, en lief in haar schone kleertjes. Ze legde de sarongs al heel netjes op stapels in de kast. Ze legde er witte bloemen tussen, die lekker roken. Die bloemen moesten elke dag vervangen worden door verse. Voor de grap noemde Eva haar Melati, omdat ze zo lief met die bloemetjes deed.

Een paar dagen later ging Saïna laag op de grond zitten bij haar njonja.

—Wat is er, Saïna?

Ze vroeg of het kind weer terug mocht naar het natte huisje in de kampong.

—Waarom?! vroeg Eva verbaasd. Heeft je kind het hier niet goed?

Ja, dat wel, zei Saïna verlegen. Maar het kind hield meer van het huisje. De njonja was heel lief, maar de kleine Mina hield meer van het huisje.

Eva was boos en liet het kind gaan, met de nieuwe kleertjes. Saïna nam die heel gewoon mee.

—Waarom mocht het kind niet blijven? vroeg Eva aan de kokkie met latta.

Eerst durfde de kokkie het niet te zeggen.

—Kom, waarom niet, kokkie? vroeg Eva nog eens.

Omdat de Kandjeng het meisje Melati had genoemd… Alleen de danseressen… kregen namen van bloemen en vruchten… zei de kokkie, alsof het een geheim was.

—Maar waarom heeft Saïna me dat niet gezegd? vroeg Eva boos. Dat wist ik toch helemaal niet!

—Verlegen… zei de kokkie, om het goed te maken. Minta ampon, 'nja.

Het waren kleine voorvallen uit haar dagelijks leven als huisvrouw, kleine verhalen uit haar huishouden. Maar ze werd er bitter van. Want ze voelde er een scheiding in. Die scheiding was er altijd, tussen haar en de mensen en dingen van Indië. Ze kende het land niet. Ze zou de mensen nooit kennen.

En de kleine teleurstelling in die voorvallen maakte haar net zo bitter als de grote teleurstelling van haar illusies. Want haar eigen leven werd kleiner en kleiner, in de kleine dingen van haar huishouden, die elke dag terugkwamen.

### Woordenlijst

- **spleen**: een sombere, lusteloze stemming; je hebt nergens zin in.
- **regenmoesson**: de tijd van het jaar met veel zware regen.
- **nachtbroek en kabaai**: losse kleren voor thuis, ook overdag.
- **Feuerzauber uit de Walküre**: een bekend muziekstuk uit een opera van Wagner.
- **tiker**: mat om op te slapen.
- **kain pandjang**: lange gebatikte doek, als rok gedragen.
- **slendang**: lange sjaal of sjerp over de schouder.
- **padi**: rijstplant.
- **cultuur**: hier: het verbouwen van gewassen zoals koffie en suiker op grote plantages.
- **tafeldans**: spel waarbij mensen hun handen op een tafeltje leggen en een geest via tikken van de tafel spreekt.
- **spotgeest**: geest die plaagt en grove dingen zegt.
- **leestrommel**: kist met tijdschriften die van lezer naar lezer gaat.
- **banaal**: heel gewoon en zonder diepte; al vaak gezegd of gedacht.
- **nederig**: bescheiden; je maakt jezelf klein.
- **prauw**: smalle Indische boot, vaak met een zeil.
- **tableaux-vivants**: levende schilderijen: mensen staan heel stil, verkleed, als in een schilderij.
- **Thalia**: de toneelclub van Laboewangi.
- **Armenzorg**: een club in Holland die geld geeft aan arme mensen.
- **prenta**: bevelen; iemand vertellen wat hij moet doen.
- **Tosari**: een plaats hoog in de bergen, waar het koel is.
- **fata morgana**: iets wat je in de verte ziet, maar wat er niet echt is.
- **pidjitten**: masseren, op de Javaanse manier.
- **ringgit**: munt van twee gulden vijftig, een rijksdaalder.
- **djaït**: naaister.
- **latta**: zenuwziekte: na een schrik doet iemand alles na wat gezegd of gedaan wordt.
- **Melati**: jasmijn, een kleine witte bloem die lekker ruikt.

## Zesde hoofdstuk

### I.

De ochtenden waren vaak fris. De vele regens hadden alles schoon gewassen. In de jonge zon van de eerste uren steeg er een zachte, blauwe mist op uit de aarde. Door die mist werd elke te scherpe lijn en kleur vaag. Daardoor leek de Lange Laan, met haar villa's en dichte tuinen, een mooie, vage laan uit een droom. De pilaren gingen licht omhoog, als in een droom vol rust. De lijnen van de daken werden mooier, omdat ze niet duidelijk waren. De kleuren van de bomen en de vormen bovenin de bomen werden zacht en vaag. Ze leken geschilderd met pastel, in licht roze en nog lichter blauw. Hier en daar was er wat helder ochtendgeel, en in de verte een paarse streep van de vroege ochtend. Over dit alles hing een frisheid, als een douche. Kleine druppels sprongen op uit de natte grond. Ze vielen terug als parels in het zachte licht van de allereerste zonnestralen. Dan leek het alsof de aarde en haar wereld elke ochtend voor de eerste keer begonnen. Het leek alsof de mensen pas gemaakt waren, jong en onschuldig, zoals in het paradijs, toen ze nog niets wisten.

Maar dit gevoel van de vroege ochtend duurde maar heel kort, nauwelijks een paar minuten. De zon steeg hoger en brandde zich los uit haar zachte mist. Ze straalde fel en stak haar trotse ring van scherpe stralen uit. Ze goot haar brandende gouden licht naar beneden. Trots als een god wilde ze haar moment van die dag regeren. Want de wolken kwamen al samen. Ze kwamen grijs aanvaren, als legers van donkere geesten. Ze waren blauwzwart en zwaar loodgrijs. Ze versloegen de zon. Dan drukten ze de aarde plat onder witte watervallen van regen.

De avond viel snel en haastig, als de ene sluier na de andere. Hij was als een groot verdriet van de aarde, de natuur en het leven. Dan vergaten de mensen die seconde van paradijs in de ochtend. De witte regen stroomde naar beneden, als een diep verdriet dat alles verdronk. De weg en de tuinen waren heel nat. Ze dronken de waterval, tot ze in de donkere avond op moerassen en overstromingen leken. Een koude mist steeg op, als van spoken. Hij ging heen en weer als de lange, trage kleren van geesten, die boven de plassen hingen. De koude huizen waren maar een beetje verlicht, met hun rokende lampen. Om die lampen vlogen wolken van insecten. Overal vielen ze dood neer, met verbrande vleugels. In de huizen kwam een koud, somber gevoel. Er kwam een donkere angst voor de dreiging buiten. Angst voor de machtige legers van wolken. Angst voor het grote zonder grenzen, dat met windstoten aankwam uit het verre, verre onbekende. Het was zo groot als de hemel, zo wijd als de lucht. Daartegen leken de open huizen niet beschermd. De mensen erin waren klein en zonder betekenis, met al hun beschaving, hun wetenschap en hun gevoelens. Ze waren klein als insecten die door elkaar lopen. Ze waren overgeleverd aan het spel van reusachtige geheimen, die met de wind van ver kwamen.

Léonie van Oudijck zat in de half verlichte achtergalerij van het residentshuis. Ze praatte zacht met Theo. Oerip zat laag op de grond bij haar.

—Het is onzin, Oerip! zei Léonie boos.

—Echt niet, Kandjeng, het is geen onzin, zei de meid. Ik hoor ze elke avond.

—Waar? vroeg Theo.

—In de waringin op het achtererf, hoog, in de hoogste takken.

—Het zijn loeaks! zei Theo.

—Het zijn geen loeaks, toean! hield de meid vol. Massa, zou Oerip niet weten hoe loeaks miauwen? Kriauw, kriauw, doen ze! Wat we nu elke nacht horen, dat zijn de pontianaks! Het zijn de kleine kindjes, die huilen in de bomen. De zielen van de kleine kindjes, die huilen in de bomen!

—Het is de wind, Oerip…

—Massa, Kandjeng, zou Oerip de wind niet kunnen horen? Boe… hh! zo waait de wind, en dan bewegen de takken. Maar dit zijn de kleine kindjes, die zacht klagen in de hoogste takken. En de takken bewegen dan niet. Alles is dan doodstil… Dit is tjelaka, Kandjeng.

—En waarom zou het tjelaka zijn…

—Oerip weet het wel, maar ze durft het niet te zeggen. De Kandjeng wordt vast boos.

—Kom, Oerip, zeg het nu??

—Het is om de Kandjeng Toean, de Toean Residèn.

—Waarom?

—Laatst, met de passer malam op de aloon-aloon en de passer malam voor de orang-blanda, in de kebon-kotta…

—Nou, wat was er toen?

—Toen was de dag niet goed uitgerekend met de petangans. Het was een ongelukkige dag… En met de nieuwe put…

—Nou, wat is er met de nieuwe put?

—Toen is er geen sedeka gegeven. Niemand gebruikt de nieuwe put ook. Iedereen haalt water uit de oude put… Ook al is het water daar niet goed. Want uit de nieuwe put komt de vrouw omhoog met het bloedende gat in haar borst… En nonna Doddy…

—Wat?

—Nonna Doddy heeft hem zien lopen, de witte hadji!! Dat is geen goede hadji, die witte hadji… Dat is een spook. Twee keer heeft de nonna hem gezien, op Patjaram en hier… Hoor, Kandjeng!

—Wat?

—Hoort u het niet? In de hoogste takken huilen de kinderzieltjes. Het waait op dit moment niet. Hoor, hoor, dat zijn geen loeaks! Kriauw, kriauw doen de loeaks, als ze willen paren! Dat, dat zijn de zieltjes…!

Ze luisterden alle drie. Zonder na te denken drukte Léonie zich dichter tegen Theo aan. Ze was wit van angst. De ruime achtergalerij strekte zich lang uit, met de tafel die altijd gedekt was. Er hing maar één lamp op petroleum, en het licht was somber. De achtertuin lag nat en donker in de nacht onder de waringins. Er vielen tikkende druppels. Maar de dikke, zachte massa's bladeren bewogen niet. Je kon er niet doorheen kijken. En hoog boven klonk een zacht geluid. Je kon het nauwelijks horen en niet verklaren. Het was een zacht klagen, als het geheim van kleine zielen die pijn leden. Het klonk hoog in de lucht, in de heel hoge takken van de bomen. Nu was het een korte gil. Dan was het een zuchten als van een ziek kindje. Dan was het zacht huilen, als van meisjes die gemarteld werden…

—Wat voor beesten zouden dat zijn? zei Theo. Zijn het vogels of insecten?…

Het klagen en huilen was heel duidelijk. Léonie zag zo wit als een laken, en haar hele lichaam beefde.

—Wees toch niet bang, zei Theo. Het zijn natuurlijk beesten…

Maar hijzelf was ook wit van angst. Toen ze elkaar in de ogen keken, begreep ze dat hij ook bang was. Ze greep zijn arm vast en drukte zich tegen hem aan. De meid zat diep gebogen op de grond, heel klein. Het was alsof ze elk lot van geheimen die niemand kon verklaren, geduldig over zich heen liet komen. Zij zou niet vluchten. Maar in de ogen van de blanken was één gedachte: vluchten. Opeens waren ze allebei bang, de stiefmoeder en de stiefzoon, die schande over het huis brachten. Ze waren bang met één en dezelfde angst, bang als voor een straf. Ze spraken niet, ze zeiden niets tegen elkaar. Ze bleven tegen elkaar aan staan en begrepen elkaars beven. Ze waren allebei blanke kinderen van de geheimzinnige Indische grond. Al vanaf hun kinderjaren hadden ze de geheimzinnige lucht van Java ingeademd. Zonder het te weten hadden ze het vage, zachte geheim gehoord, als gewone muziek. Ze hadden er nooit op gelet, alsof het geheim iets gewoons was.

Toen ze zo stonden te beven en elkaar aankeken, stak de wind op. Hij nam het geheim van de zieltjes mee, en hij nam de zieltjes zelf mee. De takken bewogen wild door elkaar, en er viel nieuwe regen. Er kwam koude lucht naar binnen, en die vulde het huis. Door een windstoot ging de lamp uit. In het donker bleven ze nog even staan. De galerij was open, maar toch lag zij bijna in de arm van haar zoon en minnaar. De meid zat klein en gebogen aan hun voeten. Maar toen maakte Léonie zich los uit zijn arm. Ze maakte zich los uit die zwarte, zware duisternis en angst. De regen ruiste erdoor, en de wind was ijskoud. Onzeker liep ze naar binnen. Ze viel bijna flauw. Theo en Oerip volgden haar.

De middengalerij was verlicht. Het kantoor van Van Oudijck stond open. Hij werkte. Léonie bleef met Theo staan. Ze wist niet wat ze moest doen. De meid praatte zacht in zichzelf en verdween. Toen hoorden ze iets door de lucht vliegen. Een kleine ronde steen vloog door de galerij en viel ergens neer. Léonie gaf een gil. Er stond een scherm tussen de galerij en het kantoor, waar Van Oudijck aan zijn schrijftafel zat. Achter dat scherm viel ze opnieuw in Theo's armen. Ze dacht niet meer aan voorzichtig zijn. Ze beefden tegen elkaars borst. Van Oudijck had haar gehoord. Hij stond op en kwam achter het scherm vandaan. Hij knipperde met zijn ogen, alsof hij moe was van het werk. Léonie en Theo hadden zich al hersteld.

—Wat is er, Léonie…

—Niets, zei ze.

Ze durfde niets te zeggen, niet over de zieltjes en niet over de steen. Ze was bang voor de straf die dreigde. Zij en Theo stonden daar als schuldigen, allebei wit en bevend. Van Oudijck was nog met zijn hoofd bij zijn werk. Hij zag niets.

—Niets, zei ze nog eens. De mat is kapot, en… en ik struikelde bijna. Maar ik wilde je iets zeggen, Otto…

Haar stem beefde. Maar hij hoorde het niet. Hij was blind en doof voor haar, want hij zat nog helemaal in zijn papieren.

—Wat dan?

—Oerip heeft me laten merken dat de bedienden graag een sedeka willen. Er is namelijk een nieuwe put op het erf gebouwd…

—Die put, die al twee maanden oud is?

—Ze gebruiken het water er niet van.

—Waarom niet?

—Ze geloven in zulke dingen, weet je. Ze willen het water niet gebruiken voordat de sedeka is gegeven.

—Dan had dat meteen moeten gebeuren. Waarom hebben ze het mij niet meteen door Kario laten vragen? Zelf denk ik niet aan die onzin. Maar toen had ik ze de sedeka wel gegeven. Nu is het mosterd na de maaltijd. De put is al twee maanden oud.

—Het zou toch wel goed zijn, zei Theo. Papa, u weet zelf hoe Javanen zijn. Ze zullen de put niet gebruiken als ze geen sedeka hebben gehad.

—Nee, zei Van Oudijck. Hij wilde niet en schudde zijn hoofd. Nu een sedeka geven heeft geen enkele betekenis. Ik had het graag gedaan, maar nu, na twee maanden, is het onzin. Ze hadden het dan maar meteen moeten vragen.

—Toe, Otto, vroeg Léonie. Ik zou de sedeka maar geven. Je doet me er een plezier mee.

—Mama heeft het Oerip al half beloofd… zei Theo zacht.

Ze stonden bevend en wit voor hem, als mensen die om genade vragen. Maar hij was doodmoe en dacht aan zijn papieren. Daarom wilde hij koppig niet. Toch kon hij zijn vrouw zelden iets weigeren.

—Nee, Léonie, zei hij heel beslist. En je moet nooit iets beloven waar je niet zeker van bent…

Hij draaide zich om, liep om het scherm heen en ging weer aan het werk.

Ze keken elkaar aan, de moeder en de stiefzoon. Langzaam, zonder doel, liepen ze naar de voorgalerij. Daar hing een vochtige duisternis tussen de hoge pilaren. Door de natte tuin zagen ze een witte figuur komen. Ze schrokken. Ze waren nu bang voor alles. Bij elke schaduw dachten ze aan de straf. Die straf zou hun op een vreemde manier overkomen, zolang ze in het ouderlijk huis bleven. Want daar hadden ze schande over gebracht. Maar toen ze beter keken, herkenden ze Doddy. Ze kwam thuis. Bevend zei ze dat ze bij Eva Eldersma was geweest. Maar eigenlijk had ze met Addy de Luce gewandeld. Ze waren voor de regen gaan schuilen in de kampong. Ze zag heel wit en ze beefde. Maar in de donkere voorgalerij zagen Léonie en Theo dat niet. En zij zag ook niet dat haar stiefmoeder en Theo wit zagen. Ze beefde zo, omdat er in de tuin met stenen naar haar was gegooid. Addy had haar tot het hek gebracht. Eerst dacht ze aan een brutale Javaan, die haar vader, zijn huis en zijn gezin haatte. Maar toen zag ze haar stiefmoeder en haar broer in de donkere voorgalerij zitten. Ze zaten stil, dicht naast elkaar, alsof ze niet meer wisten wat ze moesten doen. En opeens voelde ze, ze wist niet waarom, dat het geen brutale Javaan was geweest…

Ze ging bij hen zitten en zei niets. Ze keken naar de donkere, natte tuin. Daarboven kwam de wijde nacht aanzweven, als met de vleugels van reusachtige vleermuizen. Tussen de witte, hoge pilaren viel een grijs, half donker licht. Er werd geen woord gezegd, en alles was somber. Ze voelden zich alle drie doodsbang en verslagen: Doddy alleen, maar de stiefmoeder en de stiefzoon samen. Ze waren bang voor het vreemde dat ging gebeuren…

### II.

Ondanks hun angst zochten ze elkaar nog vaker op. Ze voelden zich nu samen verbonden door een band die niet meer kon breken. 's Middags sloop hij haar kamer in. Ondanks hun angst sloegen ze wild de armen om elkaar heen, en daarna bleven ze dicht bij elkaar.

—Het moet onzin zijn, Léonie… zei hij heel zacht.

—Ja, maar wat is het dan? zei ze even zacht terug. Ik heb toch het klagen gehoord, en de steen door de lucht horen vliegen…

—En dan…

—Wat?

—Als het iets is… Stel dat het iets is wat we niet kunnen verklaren.

—Maar ik geloof er niet in!

—Ik nog minder… Maar alleen…

—Wat?

—Als het iets is… *als* het iets is wat we niet kunnen verklaren, dan…

—Dan wat?

—Dan is… het… *niet* om ons! zei hij, bijna zonder geluid. Oerip zei het toch zelf. Dan is het om papa!

—Ach, maar het is te gek…

—Ik geloof ook niet in die onzin.

—Dat klagen… dat is van beesten.

—En die steen… moet gegooid zijn door een ellendeling… Een van de bedienden, een kerel die zich aanstelt… of die geld heeft gekregen…

—Geld gekregen? Van wie?

—Van… de… Regent…

—Ach, Theo!

—Oerip zei dat het klagen uit de richting van de Kaboepaten kwam…

—Wat bedoel je?!

—En dat ze papa van daaruit wilden plagen…

—Plagen?

—Omdat de Regent van Ngadjiwa was ontslagen.

—Zei Oerip dat…?

—Nee, nee, dat zei ze niet. Dat zeg ik. Oerip zei dat de Regent kon toveren. Dat is natuurlijk onzin. Die kerel is een slappeling… Hij heeft mensen geld gegeven… om papa te pesten.

—Maar papa merkt er niets van…

—Nee… We moeten het hem ook niet zeggen… Dat is het beste… We moeten het negeren.

—En de witte hadji, Theo, die Doddy twee keer gezien heeft… En als ze bij Van Helderen de tafel laten dansen, ziet Ida hem ook…

—Ach, dat is natuurlijk ook een helper van de Regent…

—Ja, dat zal het wel zijn… Maar het is toch ellendig, Theo… Mijn Theo, ik ben bang!

—Voor die onzin! Kom!

—Als het iets is, Theo… dan is het niet om *ons*?

Hij lachte.

—Ach wat! Om ons! Het is gewoon voor de gek houden… door de Regent…

—We moesten niet meer samen komen…

—Jawel, ik hou van je, ik ben gek op je.

Hij kuste haar wild, en ze waren allebei bang. Maar hij deed stoer.

—Kom, Léonie, geloof toch niet in zulke dingen…

—Toen ik klein was, vertelde mijn baboe me…

Ze vertelde heel zacht een verhaal in zijn oor. Hij werd wit.

—Ach, wat een onzin, Léonie!

—Er zijn vreemde dingen hier, in Indië… Als ze iets van je begraven, een zakdoek of een stukje haar… dan kunnen ze… alleen door te toveren… maken dat je ziek wordt. Dat je langzaam zwakker wordt en sterft… zonder dat één dokter weet wat voor ziekte het is…

—Dat is *onzin*!

—Dat is echt waar!

—Ik wist niet dat je in zulke dingen geloofde!

—Vroeger heb ik er nooit aan gedacht. Ik denk er nu pas aan, de laatste tijd… Theo, zou er *iets* zijn?

—Er is niets… behalve elkaar kussen.

—Nee, Theo… stil, niet doen. Ik ben bang… Het is al laat. Het wordt zo snel donker. Papa is al op, Theo. Ga nu weg, Theo… door het boudoir. Ik wil snel mijn bad nemen. Ik ben tegenwoordig bang als het donker wordt… Met die regens is er geen avondlicht meer… De avond valt opeens over je heen… Laatst had ik geen licht in de badkamer laten brengen… En toen was het er al zo donker… om half zes… En er vlogen twee kamprets rond. Ik was zo bang dat ze in mijn haar zouden blijven zitten… Stil… is dat papa…?

—Nee… Dat is Doddy… die speelt met haar kakatoe.

—Ga nu weg, Theo.

Hij ging door het boudoir de tuin in. Zij stond op. Ze droeg haar sarong los onder haar armen. Daaroverheen sloeg ze een kimono om. Toen riep ze Oerip.

—Bawa barang mandi!

—Kandjeng…!

—Waar ben je, Oerip?

—Hier, Kandjeng…

—Waar was je…?

—Hier voor uw tuindeur, Kandjeng… Ik wachtte! zei de meid. Ze zei het met nadruk, want ze had gewacht tot Theo weg was.

—Is de Kandjeng Toean al op?

—Soeda… hij heeft al een bad genomen, Kandjeng.

—Breng dan mijn badspullen… Steek het lampje aan in de badkamer… Laatst was het glas van de lamp kapot, en het lampje was niet gevuld…

—Vroeger nam de Kandjeng haar bad ook nooit met licht…

—Oerip… is er vanmiddag… iets… gebeurd?

—Nee… alles was rustig… Maar ach, als de avond valt… Alle bedienden zijn bang, Kandjeng… De kokkie wil niet meer blijven.

—Ach, wat een soesa… Oerip, beloof haar vijf gulden… als cadeau… als ze blijft…

—De spen is ook bang, Kandjeng…

—Ach, wat een soesa… Ik heb nog nooit zo veel soesa gehad, Oerip…

—Nee, Kandjeng.

—Ik heb mijn leven altijd zo goed kunnen regelen… Maar dit zijn dingen…!

—Apa bolè boeat, Kandjeng!… De dingen zijn sterker dan de mens…

—Zouden het echt geen loeaks zijn… en een kerel die met stenen gooit?

—Massa, Kandjeng.

—Nou… breng dan maar mijn badspullen… Vergeet niet het lampje aan te steken…

De meid ging. Uit de lucht, grijs van de regen, begon het donker al neer te dalen. Het grote residentshuis lag doodstil in de nacht van zijn reusachtige waringins. De lampen waren nog niet aangestoken. Van Oudijck lag alleen in de voorgalerij op een rieten stoel. Hij droeg een nachtbroek en een kabaai en dronk thee… In de tuin stapelden de dikke schaduwen zich op. Ze vielen zwart uit de bomen, als lange kleren van een zachte stof zonder gewicht.

—Toekan lampoe! riep Léonie.

—Kandjeng!

—Steek toch de lampen aan! Waarom begin je zo laat? Steek eerst de lamp in mijn slaapkamer aan…

Ze ging naar de badkamer… Ze liep langs de lange rij voorraadkamers en kamers van de bedienden, aan het einde van de achtertuin. Ze keek omhoog naar de waringins. Uit de hoogste takken had ze laatst het klagen van de zieltjes gehoord. Nu bewogen de takken niet. Er was geen zuchtje wind. De lucht was warm en zwaar van regen en onweer die dreigden. Die regen was te zwaar om te vallen. In de badkamer stak Oerip het lampje aan.

—Heb je alles gebracht, Oerip?

—Saja, Kandjeng…

—Heb je de grote fles met de witte ajer-wangi niet vergeten?

—Ini apa, Kandjeng?

—Nou, dan is het goed… Geef me voortaan toch een zachtere handdoek voor mijn gezicht. Ik zeg je altijd dat je me een zachte handdoek moet geven. Ik hou niet van die ruwe…

—Ik zal er even een halen.

—Nee, nee! Blijf hier, blijf voor de deur zitten…

—Saja, Kandjeng…

—Zeg, je moet de sleutels hier laten nakijken door een toekan-besie… We kunnen de badkamer niet op slot doen… Dat is toch te gek, als er gasten logeren…

—Ik zal er morgen aan denken.

—Vergeet het niet…

Ze deed de deur dicht. De meid ging voor de gesloten deur op de grond zitten. Ze was geduldig. Ze liet de kleine en de grote dingen van het leven zonder klagen over zich heen komen. Ze kende alleen trouw aan haar mevrouw, die haar mooie sarongs gaf en zo veel voorschot als ze wilde.

In de badkamer gaf het kleine nikkelen lampje aan de muur een zwak licht. Het scheen over het groenige marmer van de natte vloer. En over het water, dat tot de rand toe stond in de vierkante, stenen bak.

—Ik zal 's middags maar vroeger baden! dacht Léonie.

Ze deed haar kimono en haar sarong uit. Naakt keek ze even in de spiegel naar de vorm van haar lichaam. Ze was melkwit en rond, met de ronde vormen van een vrouw die veel had liefgehad. Haar blonde haar leek van goud. Een glans als van parels liep van haar schouders over haar hals. Die glans verdween in de schaduw tussen haar kleine, ronde borsten. Ze tilde haar haren op. Ze bewonderde en bestudeerde zichzelf. Kwam er geen rimpel? Ze voelde of haar vlees nog stevig was. Ze stond op één been, en één heup boog naar buiten. Een lange, witte lijn in het licht liep zacht over haar bovenbeen en haar knie, tot aan haar voet… Maar ze schrok op uit die bewondering: ze wilde opschieten. Snel draaide ze haar haren in elkaar. Ze zeepte zich in, en met de gajong goot ze het water over zich heen. In lange, platte stralen viel het zwaar van haar af. In het licht van het kleine lampje was ze glad als marmer. Haar schouders, borst en heupen waren vol glans. Ze wilde nog meer opschieten. Ze keek omhoog naar het raam. Zouden de kamprets weer binnenvliegen…? Ja, ze zou voortaan echt vroeger baden. Buiten was het al nacht.

Ze droogde zich snel af met een ruwe handdoek. Snel deed ze even wat witte crème op haar huid, die Oerip altijd voor haar maakte. Het was haar geheime middel, dat haar jong, soepel, stevig en wit hield. Op dat moment zag ze op haar bovenbeen een klein rood vlekje. Ze lette er niet op. Ze dacht aan iets uit het water, een klein blad, een dood insect. Ze haalde het weg. Maar terwijl ze dat deed, zag ze op haar borst twee, drie grotere vlekjes, donkerrood. Ze werd opeens koud. Ze wist het niet, ze begreep het niet. Weer maakte ze zich schoon. Ze pakte de handdoek, en de vlekjes lieten er iets vies op achter, als dik bloed. Een koude schok ging over haar heen, van haar hoofd tot haar voeten.

En opeens zag ze het. Uit de hoeken van de badkamer kwamen de vlekjes op haar af. Hoe en waarvandaan, kon ze niet zien. Eerst waren ze klein, nu groter. Het was alsof een natte sirih-mond ze uitspuugde. Ze werd ijskoud van angst en gaf een gil. De vlekken werden dikker en voller. Het waren nu dikke, paarsrode vlekken, die tegen haar aan werden gespuugd. Haar lichaam was vies, vol vuil rood dat naar beneden liep. Eén vlek kwam neer op haar rug… Op het groenige wit van de vloer werden de vieze vlekken breed. Ze liepen uit in het water dat nog niet was weggelopen. Ook in de bak maakten ze het water vies en losten ze smerig op. Ze was helemaal rood en vuil. Het was alsof ze haar eer kwijt was, door de schande van vies rood. Onzichtbare sirih-monden in de hoeken van de kamer haalden het rood bij elkaar. Ze spuugden het naar haar toe. Ze probeerden haar haren te raken, haar ogen, haar borsten en haar onderbuik.

Ze gaf gil na gil. Ze was helemaal gek van het vreemde dat gebeurde. Ze vloog op de deur af en wilde hem openen. Maar er zat iets vast aan de deurknop. Want het slot was niet dicht, en de grendel was er niet voor geschoven. In haar rug voelde ze steeds weer spugen, en van haar billen liep het rood. Ze gilde om Oerip. Ze hoorde de meid aan de andere kant van de deur trekken en duwen. Eindelijk ging de deur open. Wanhopig, gek, buiten zichzelf, naakt en vuil viel ze in de armen van haar meid.

De bedienden kwamen aanlopen. Uit de achtergalerij zag ze Van Oudijck, Theo en Doddy aanrennen. Ze was helemaal buiten zichzelf, met wijd open ogen. Toch schaamde ze zich. Niet om haar naakte lichaam, maar om het vuil op haar lichaam… De meid had de kimono van de deurknop gegrepen; die was ook vuil. Ze sloeg hem om haar mevrouw heen.

—Blijf weg! gilde Léonie wanhopig. Kom niet dichterbij! schreeuwde ze als een gek. Oerip, Oerip, breng me naar het zwembad! Een lamp, een lamp… in het zwembad!

—Wat is er, Léonie?

Ze wilde niets zeggen.

—Ik… heb… op een pad… getrapt! schreeuwde ze. Ik ben bang… voor schurft…! Kom niet dichterbij… Ik ben naakt! Blijf weg, blijf weg! Een lamp, een lamp… een *lamp* dan toch… in het zwembad!! Nee… Otto! Blijf weg! Blijven jullie allemaal weg! Ik ben naakt! Blijf weg! Bawa… la… a… a… mpoe!

De bedienden liepen door elkaar. Eén bracht een lamp naar het zwembad…

—Oerip! Oerip…

Ze hield zich aan de meid vast.

—Ze hebben op me gespuugd… met sirih…! Ze hebben… op me… gespuugd… met sirih…!! Ze… hebben… op me gespuugd… met sirih…!!!

—Stil, Kandjeng… kom mee, naar het zwembad…!

—Was me, Oerip! Oerip… in mijn haar, in mijn ogen… o God, ik *proef* het in mijn mond…!!

Ze huilde wanhopig. De meid trok haar mee…

—Oerip… kijk… eerst… preksa… of ze ook spugen… in het zwembad!!

Rillend ging de meid naar binnen.

—Er is niets, Kandjeng.

—Snel dan, was me, was me, Oerip…

Ze gooide de kimono af. In het licht van de lamp was haar mooie lichaam te zien. Het leek vies gemaakt met vuil bloed.

—Oerip, was me… Nee, haal geen zeep… Alleen met water… Laat me niet alleen! Oerip, was me dan toch hier… Verbrand de kimono! Oerip…

Ze dook in het zwembad en zwom wanhopig rond. De meid, half naakt, dook ook in het water en waste haar…

—Snel, Oerip… snel, alleen maar het allervieste… Ik ben bang! Straks… straks spugen ze hier… In de kamer, Oerip… nu… nu nog eens wassen, in de kamer, Oerip!! Roep dat er niemand in de tuin mag zijn! Ik wil de kimono niet meer om. Snel, Oerip, roep, ik wil hier weg!

De meid riep door de tuin, in het Javaans.

Druipend kwam Léonie uit het water. Naakt en nat rende ze langs de kamers van de bedienden, met de meid achter zich aan. In huis kwam Van Oudijck naar haar toe rennen, gek van zorgen.

—Weg, Otto! Laat me alleen! Ik ben… naakt!! gilde ze.

En ze rende haar kamer in. Toen Oerip binnen was, deed ze alle deuren op slot.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

In de tuin zaten de bedienden dicht bij elkaar, onder het dak van de galerij, vlak bij het huis. De donder rommelde zacht, en stil begon het te regenen.

### III.

Léonie was een paar dagen ziek van zenuwkoorts en bleef in bed. In Laboewangi zeiden de mensen dat er spoken waren in het residentshuis. Elke week was er muziek in de Stadstuin. Dan dansten de kinderen en de jongelui op de open stenen dansvloer. Aan de tafeltjes werd dan zacht gepraat over het vreemde in het residentshuis. De mensen vroegen het aan dokter Rantzow. Maar hij wist alleen wat de resident hem had verteld, en wat mevrouw Van Oudijck hem zelf had verteld. Ze was in de badkamer geschrokken van een enorme pad. Ze had erop getrapt en was gestruikeld. Maar via de bedienden wisten de mensen meer. Soms vertelde de een over het gooien met stenen en het spugen met sirih. Dan lachte de ander en noemde het praatjes van baboes. Zo bleef er twijfel hangen. Maar in de kranten, van Soerabaia tot Batavia, verschenen korte, vreemde berichten. Ze waren niet duidelijk, maar ze lieten de lezers veel raden.

Van Oudijck sprak er met niemand over. Niet met zijn vrouw, niet met zijn kinderen, niet met de ambtenaren en niet met de bedienden. Maar één keer kwam hij heel wit uit de badkamer, met grote, wilde ogen. Toch ging hij rustig naar binnen. Hij hield zich in, en niemand merkte iets. Toen sprak hij met de chef der politie. Naast het erf van de resident lag een oud kerkhof. Dat werd nu dag en nacht bewaakt. Ook de achtermuur van de badkamer werd bewaakt. Maar de badkamer zelf werd niet meer gebruikt. De mensen namen nu een bad in de badkamers van het logeergebouw.

Zodra mevrouw Van Oudijck beter was, ging ze naar Soerabaia om bij kennissen te logeren. Ze kwam niet meer terug. Langzaam, zonder drukte, had ze via Oerip al haar kleren laten inpakken. Ook allerlei kleine dingen waar ze aan gehecht was. Ze had er niet met Van Oudijck over gesproken. De ene koffer na de andere werd naar haar gestuurd. Eens kwam Van Oudijck toevallig in haar slaapkamer. Hij vond die leeg, op de meubels na. Ook uit haar boudoir was van alles verdwenen. Hij had niet gemerkt dat de koffers werden verstuurd. Maar nu begreep hij dat ze niet meer terug zou komen.

Hij zegde zijn volgende receptie af. Het was december. Voor de kerstvakantie zouden René en Ricus uit Batavia komen, voor een week of tien dagen. Maar hij schreef de jongens dat ze niet moesten komen. Toen werd Doddy gevraagd om op Patjaram te logeren, bij de familie de Luce. Als echte, volbloed Hollander hield hij niet van de de Luces. Toch gaf hij toe. Ze hielden daar van Doddy. Ze zou het er vrolijker hebben dan in Laboewangi. Hij had altijd gewild dat zijn dochter niet Indisch zou worden. Dat ideaal gaf hij nu op. Opeens ging ook Theo weg. Léonie had invloed op belangrijke mannen in de handel in Soerabaia. Daardoor kreeg Theo opeens een heel goede baan, bij een kantoor voor export en import.

Nu was Van Oudijck alleen in zijn grote huis. De kokkie en de spen waren weggelopen. Daarom vroegen Eldersma en Eva hem steeds om bij hen te eten, zowel de rijsttafel als het diner. Aan hun tafel sprak hij nooit over zijn huis. Er werd ook nooit over gesproken. Soms sprak hij in het geheim met Eldersma, als secretaris, en met Van Helderen, als controleur-kotta. Ook zij spraken daar nooit over. Ze hielden hun mond, alsof het een geheim van hun werk was. De chef der politie gaf vroeger elke dag een kort rapport. Dan zei hij dat er niets bijzonders was gebeurd. Of dat er een brand was geweest, of dat er een man gewond was. Maar nu gaf hij lange, geheime rapporten. De deuren van het kantoor gingen dan dicht, zodat de oppassers buiten niet konden luisteren.

Langzaam liepen alle bedienden weg. Ze trokken 's nachts stilletjes weg, met hun families en hun spullen. Hun kamers bleven vuil en leeg achter. Ze bleven zelfs niet in de residentie. Van Oudijck liet hen gaan. Hij hield alleen Kario en de oppassers. En de gestraften zorgden elke dag voor de tuin. Zo leek het huis van buiten niet veranderd. Maar binnen zorgde niemand meer voor iets. Het stof lag dik op de meubels. Witte mieren aten de matten op. Er kwamen schimmel en vochtvlekken. De resident liep nooit door het huis. Hij woonde alleen in zijn slaapkamer en zijn kantoor. Op zijn gezicht was een donkere ernst gekomen, als een bittere, stille wanhoop. Hij werkte nog nauwkeuriger dan ooit. Hij joeg zijn ambtenaren nog harder op. Het was alsof hij alleen aan de belangen van Laboewangi dacht.

Hij stond helemaal alleen. Hij had geen vriend en hij zocht er geen. Hij droeg alles alleen. Hij droeg het op zijn schouders, op zijn rug, die krom werd door de ouderdom die eraan kwam. Hij droeg het zware gewicht van zijn huis, dat verging. En van zijn leven thuis, dat kapotging door het vreemde wat er gebeurde. Hij kon het niet uitzoeken, ondanks zijn politie, zijn wachters en de nachten dat hij zelf de wacht hield. Ondanks zijn stille spionnen. Hij vond niets. Niemand zei hem iets. Niemand bracht iets aan het licht.

En het vreemde ging door. Een grote steen sloeg een spiegel kapot. Rustig liet hij de stukken glas opruimen. Het zat niet in zijn natuur om in iets bovennatuurlijks te geloven. En hij geloofde ook niet. Hij vond de schuldigen niet en ook geen verklaring. Daar werd hij stil woedend van. Maar hij geloofde niet. Hij geloofde niet toen hij zijn bed vuil gemaakt vond. Kario zat aan zijn voeten en zei heel ernstig dat hij niet wist hoe dat kwam. Hij geloofde niet toen het glas dat hij pakte in heel kleine stukjes brak. Hij geloofde niet toen hij boven zich steeds hoorde stampen en plagend hameren. Maar zijn bed was vuil gemaakt, zijn glas brak, het hameren was een feit. Hij onderzocht die feiten zo nauwkeurig als een strafzaak. Maar er kwam niets aan het licht. Hij bleef rustig tegenover de Europese en Javaanse ambtenaren en tegenover de Regent. Niemand merkte iets aan hem. Trots werkte hij 's avonds door aan zijn schrijftafel. Ondertussen stampte en hamerde het, en in de tuin lag de nacht zacht en donker, alsof hij betoverd was.

Buiten, op de trap, zaten de oppassers dicht bij elkaar. Ze luisterden, en ze praatten heel zacht. Bang keken ze om naar hun heer. Hij schreef, en omdat hij zo hard werkte, trok hij zijn wenkbrauwen samen.

—Zou hij het niet horen?

—Jawel, jawel, hij is toch niet doof…

—Hij moet het horen…

—Hij denkt dat hij het kan uitzoeken met djàgà's…

—Er komen soldaten uit Ngadjiwa.

—Uit Ngadjiwa!

—Ja. Hij vertrouwt de djàgà's niet. Hij heeft aan de toean majoor geschreven.

—Om soldaten?

—Ja, er komen soldaten…

—Kijk hem zijn wenkbrauwen fronsen…

—Hij werkt maar door.

—Ik ben bang. Ik zou nooit durven blijven, als het niet moest.

—Zolang hij er is, durf ik te blijven…

—Ja… hij is dapper.

—Hij is flink.

—Hij is een dappere man.

—Maar hij begrijpt het niet.

—Nee, hij weet niet wat het is…

—Hij denkt dat het ratten zijn…

—Ja, hij heeft boven, onder het dak, naar ratten laten zoeken.

—Die Hollanders weten het niet.

—Nee, ze begrijpen het niet.

—Hij rookt veel…

—Ja, wel twaalf sigaren per dag.

—Hij drinkt niet veel.

—Nee… alleen 's avonds zijn whisky-soda.

—Straks zal hij erom vragen…

—Niemand is bij hem gebleven.

—Nee. De anderen hebben het begrepen. Ze zijn allemaal weg.

—Hij gaat laat naar bed.

—Ja. Hij werkt veel.

—Hij slaapt toch nooit 's nachts. Alleen 's middags.

—Kijk hem fronsen…

—Hij werkt maar door…

—… Oppas!

—Daar roept hij…

—Kandjeng!

—Bawa whisky-soda!

—Kandjeng…

Eén oppasser stond op om het drankje te halen. Hij had alles vlakbij staan, in het logeergebouw, zodat hij niet in het huis hoefde te komen. De anderen gingen dichter bij elkaar zitten en praatten zacht verder. De maan kwam door de wolken. Ze verlichtte de tuin en de plas water met een natte, betoverde mist. Alles was doodstil. De oppasser had het drankje klaargemaakt. Hij zat laag op de grond en gaf het aan.

—Zet het hier neer, zei Van Oudijck.

De oppasser zette het glas op de schrijftafel en ging laag bij de grond weer weg. De andere oppassers praatten zacht.

—Oppas! riep Van Oudijck na een moment.

—Kandjeng!

—Wat heb je in dit glas geschonken?

De man beefde en lag laag op de grond, aan de voeten van Van Oudijck.

—Kandjeng, het is geen gif, bij mijn leven, bij mijn dood. Ik kan er niets aan doen, Kandjeng. Trap me, dood me: ik kan er niets aan doen, Kandjeng.

Het glas was okergeel.

—Haal een ander glas voor me en schenk het hierin…

Rillend ging de oppasser weg.

De anderen zaten dicht tegen elkaar. Ze voelden elkaars lichaam door de stof van hun uniformen, die nat was van het zweet. Ze keken bang naar buiten. De maan kwam spottend uit haar wolken omhoog, als een slechte fee die lachte. Haar natte, doodstille betovering lag als zilver over de wijde tuin. In de verte, uit de achtertuin, klonk een klagende gil. Het was als de gil van een kind dat werd gewurgd.

### IV.

—En mevrouwtje, hoe gaat het? Hoe gaat het met het spleen? Bevalt Indië u vandaag wat beter?

Eva zag hem rond acht uur door de tuin komen, want hij kwam bij hen eten. Zijn woorden klonken vrolijk en hartelijk. In zijn stem was niets anders dan de hartelijke groet van een man die hard aan zijn schrijftafel had gewerkt. Nu was hij blij een lieve, mooie vrouw te zien, bij wie hij straks aan tafel zou zitten. Ze verbaasde zich, en ze bewonderde hem. Hij had niets van iemand die de hele dag werd gepest in een verlaten huis, door onbegrijpelijke, vreemde dingen. Er lag nauwelijks een wolk van verdriet over zijn brede voorhoofd. Er lag nauwelijks zorg in zijn brede rug, die een beetje krom was. En de vrolijke trek om zijn dikke snor lachte zoals altijd. Eldersma kwam naar hem toe. In zijn groet en zijn handdruk lag een stille band, als van een geheime club, omdat ze samen iets wisten. Eva raadde dat vertrouwen wel. Van Oudijck dronk gewoon zijn bittertje. Hij sprak over een brief van zijn vrouw, die waarschijnlijk naar Batavia zou gaan. Hij zei dat René en Ricus in de Preanger te logeren waren, bij een vriend op een koffieplantage. Waarom ze niet bij hem waren, waarom zijn gezin en zijn bedienden hem helemaal hadden verlaten: daarover sprak hij niet. Hij kwam nu elke dag twee keer bij hen eten. Maar in hun kleine, vertrouwde kring had hij er nooit over gesproken. Eva vroeg er niet naar, maar het maakte haar heel nerveus.

Ze woonde zo vlak bij het huis met de spoken. Overdag kon ze in de verte de pilaren een beetje zien, door de bladeren van de bomen. Elke dag werd ze nerveuzer. De hele dag praatten de bedienden om haar heen heel zacht. Bang keken ze in de richting van het residentshuis, waar de spoken waren. 's Nachts kon ze niet slapen. Dan luisterde ze zelf of ze iets vreemds hoorde: het klagen van de kindjes. De Indische nacht was zo vol geluid dat ze op haar bed rilde. De kikkers riepen hard om regen, om regen, om altijd nog meer regen. Ze gingen steeds door, altijd met hetzelfde harde geluid. Daardoorheen hoorde ze duizenden geluiden, alsof ze betoverd waren. Die hielden haar wakker. De tokkè's en de gekko's sloegen er doorheen als klokken. Het waren vreemde uren vol geheimen.

De hele dag dacht ze eraan. Ook Eldersma sprak er niet over. Maar als ze Van Oudijck bij haar rijsttafel of haar diner zag komen, moest ze haar lippen op elkaar houden. Anders zou ze hem iets vragen. Het gesprek ging over van alles, maar nooit over het vreemde wat er gebeurde. Na de rijsttafel ging Van Oudijck even terug naar zijn huis. Na het diner, om tien uur, zag ze de resident weer verdwijnen in de schaduwen van de tuin. In die schaduwen waren spoken. Elke avond ging hij met een rustige stap terug door de betoverde nacht. Terug naar zijn verlaten, ellendige huis. Voor zijn kantoor zaten de oppasser en Kario dicht tegen elkaar op de grond. En hij werkte nog tot laat aan zijn schrijftafel. Hij klaagde nooit. Hij zocht zelf nauwkeurig in de hele kotta, maar er kwam niets aan het licht. Alles bleef gebeuren in een diep geheim, waar niemand bij kon.

—En mevrouwtje, hoe bevalt Indië u vanavond?

Het was altijd een beetje dezelfde grap. Maar Eva bewonderde elke dag de toon van zijn stem. Er klonk moed in, en een sterk vertrouwen in zichzelf. Hij wist zeker wat hij wist, en dat klonk helder en hard als metaal. Hij moest zich toch heel ongelukkig voelen. Hij hield van een warm thuis, en hij was een koel en praktisch man. Nu woonde hij in een huis dat zijn gezin had verlaten. En in dat huis gebeurden dingen die niemand kon verklaren. Toch was er in zijn eenvoudige, mannelijke kracht geen spoor van wanhoop. Hij liet de moed niet zakken. Hij ging zijn gang en deed zijn werk, nog nauwkeuriger dan ooit. En hij zocht uit wat er gebeurde. Aan Eva's tafel praatte hij altijd opgewekt. Met Eldersma sprak hij ook even over het werk. Ze praatten over promotie en over de politiek in Indië. Ze praatten ook over de nieuwe mode om Indië vanuit Holland te besturen. Dat deden dan mensen zonder kennis, die er helemaal niets van wisten. Hij praatte levendig, maar zonder te overdrijven, rustig en gezellig. Eva bewonderde hem elke dag meer.

Maar voor haar, een gevoelige vrouw, werd het iets waar ze steeds aan moest denken. Het maakte haar zenuwachtig. Op een avond liep ze een paar passen met hem mee. Toen vroeg ze het hem. Was het niet verschrikkelijk? Kon hij het huis niet verlaten? Kon hij niet op tournee gaan, voor een lange, lange tijd? Ze zag zijn gezicht donker worden, omdat ze erover sprak. Maar hij antwoordde toch vriendelijk. Het was niet zo erg, zei hij, al kon hij het niet verklaren. Hij was er zeker van dat hij dat gegoochel wel zou ontdekken. Hij zei ook dat hij eigenlijk op tournee moest. Maar hij ging niet, want het mocht niet lijken alsof hij vluchtte. Toen drukte hij kort haar hand. Ze moest zich niet zenuwachtig maken, zei hij. Ze moest er niet meer aan denken en er niet meer over praten. Dat laatste klonk als een vriendelijk bevel. Zij drukte zijn hand terug, met tranen in haar ogen. Ze zag hem gaan, met zijn rustige, vaste stap. Hij verdween in de nacht van zijn tuin. Daar riepen de kikkers luid om regen. En daar hing de betovering vast zacht in de tuin. Toen rilde ze, zoals ze daar stond. Ze liep snel naar huis. Haar huis was groot en ruim. Maar nu vond ze het klein, en heel open. Het kon zich niet beschermen tegen de enorme Indische nacht. Die nacht kon overal naar binnen komen.

Maar zij was niet de enige die onder de indruk was van de vreemde dingen. Het hing zwaar over heel Laboewangi. Niemand kon het verklaren, en het paste niet bij de gewone feiten van elke dag. In elk huis praatte men erover. Maar men deed het zacht, om de kinderen niet bang te maken. En de bedienden mochten niet merken dat men onder de indruk was. Onder de indruk van het Javaanse gegoochel, zoals de resident het zelf had genoemd. De mensen werden ziek van angst en van somberheid. 's Nachts keken en luisterden ze zenuwachtig, want de nachten waren vol geluid. De angst lag dik, zacht en grijs over de stad. De stad leek zich dieper te verstoppen tussen de bladeren van haar tuinen. In de vochtige avonden dook ze helemaal weg. Ze werd stil en boog zonder verzet haar hoofd onder het geheim.

Toen besloot Van Oudijck sterke maatregelen te nemen. Hij schreef aan de majoor, de commandant van het garnizoen in Ngadjiwa. Die moest komen met een kapitein, een paar luitenants en een compagnie soldaten. Die avond aten de officieren bij Eldersma, samen met de resident en Van Helderen. Ze aten snel. Eva stond bij het hek van de tuin en zag hen allemaal gaan. De resident, de secretaris en de controleur liepen met de vier officieren de donkere tuin van het spookhuis in. Het erf van de resident werd afgezet, en soldaten stonden rond het huis. Ook het terrein van het kerkhof werd bewaakt. En alle mannen gingen de badkamer in.

Ze bleven daar de hele nacht. De hele nacht bleven het erf en het huis afgezet en bewaakt. Tegen vijf uur kwamen ze naar buiten. Meteen gingen ze samen zwemmen in het zwembad. Over wat er met hen gebeurd was, spraken ze niet. Maar het was een verschrikkelijke nacht geweest. De volgende ochtend al werd de badkamer afgebroken.

Ze hadden Van Oudijck allemaal beloofd niet over die nacht te praten. Eldersma wilde Eva niets vertellen, en Van Helderen vertelde Ida niets. Ook de officieren in Ngadjiwa zeiden niets. Ze zeiden alleen dat de nacht in de badkamer te ongelooflijk was geweest. Niemand zou hen geloven. Ten slotte vertelde een van de jonge luitenants per ongeluk iets over zijn avontuur. Toen ging er een verhaal rond. Het ging over sirih dat gespuugd werd, en over stenen die gegooid werden. Het ging over een vloer die beefde, als bij een aardbeving. En de mannen hadden er met stokken en sabels op geslagen. Er was ook iets gebeurd in het badwater. Het was zo vreselijk dat niemand het kon zeggen. Iedereen voegde er zelf iets aan toe. Toen het verhaal bij Van Oudijck kwam, herkende hij die nacht er bijna niet in. En die nacht was ook zonder fantasie al verschrikkelijk genoeg geweest.

Eldersma had intussen het verslag geschreven van hun nacht van samen waken. Ze zetten allemaal hun handtekening onder het ongelooflijke verhaal. Van Oudijck bracht het verslag zelf naar Batavia. Daar gaf hij het aan de Gouverneur-Generaal. Sindsdien lag het in de geheime archieven van de regering.

* * *

De Gouverneur-Generaal gaf Van Oudijck de raad om voor korte tijd met verlof naar Holland te gaan. Hij verzekerde hem dat dit verlof geen invloed zou hebben op zijn promotie. Die promotie tot resident eerste klasse zou immers al snel komen. Maar Van Oudijck weigerde deze gunst en ging terug naar Laboewangi. Hij gaf maar op één punt toe. Hij ging bij Eldersma wonen, tot het residentshuis schoongemaakt was. Maar van de vlaggenstok op het erf van de resident bleef de vlag waaien...

Terug uit Batavia zag Van Oudijck de Regent, Soenario, vaak voor zijn werk. Tegenover de Regent bleef de resident correct en streng. Toen had hij een kort gesprek, eerst met de Regent en daarna met diens moeder, de Raden-Ajoe Pangéran. Deze twee gesprekken duurden niet langer dan twintig minuten. Maar het leek erop dat die paar woorden heel belangrijk en dreigend waren geweest.

Want de vreemde dingen hielden op. Het huis werd schoongemaakt en hersteld, en Eva hield daar toezicht op. Daarna dwong Van Oudijck Léonie om terug te komen. Want op 1 januari wilde hij een groot bal geven. 's Ochtends ontving de resident al zijn Europese en Javaanse ambtenaren. 's Avonds stroomden de gasten uit de hele residentie binnen. De galerijen waren vol warm licht. De gasten waren nog een beetje bang en ook nieuwsgierig. Zonder het te willen keken ze om zich heen en naar boven. De champagne ging rond. Toen nam Van Oudijck zelf een glas en bood het de Regent aan. Dat was met opzet tegen de regels van beleefdheid. Hij zei er woorden bij die half dreigend en ernstig waren, en half een vriendelijke grap. Iedereen hoorde die woorden en herhaalde ze. Nog maanden zou men ze in de hele residentie herhalen:

—Drink gerust, Regent: ik verzeker u op *mijn erewoord* dat er in mijn huis geen glazen meer zullen breken, behalve door toeval en onvoorzichtigheid...

* * *

Hij kon zo spreken, want hij wist het: deze keer was hij sterker geweest dan de stille kracht. Dat kwam alleen door zijn eenvoudige moed, als ambtenaar, als Hollander en als man.

Maar toen de Regent dronk, was er toch iets in zijn blik. Het was heel licht spottend. Het zei: de stille kracht heeft deze keer niet gewonnen. Maar ze blijft toch een raadsel. Voor de kortzichtige ogen van die westerlingen blijft ze altijd onverklaarbaar...

### V.

Laboewangi kwam weer tot leven. Iedereen was het erover eens: men zou met mensen van buiten niet meer over de vreemde dingen praten. Het was heel begrijpelijk als zij het niet geloofden. Maar in Laboewangi geloofde men het wel. In die onvergetelijke weken had de stad gebukt onder een zware, geheime druk. Nu kwam ze weer tot leven, alsof ze alle angst van zich af wilde schudden. Het ene feest volgde op het andere: bal na bal, toneel na concert. Iedereen opende zijn huis om feest te vieren en vrolijk te zijn. Men wilde het gewone, natuurlijke leven terugvinden na die ongelooflijke nachtmerrie. Deze mensen waren gewend aan het natuurlijke leven, dat ze konden begrijpen. Ze waren gewend aan het ruime, rijke leven van Indië. Ze hielden van goed eten, koele drankjes, brede bedden en ruime huizen. Ze hielden van geld verdienen en geld uitgeven. Ze hielden van alles waar het lichaam van de westerling in het Oosten van geniet. Zulke mensen haalden weer adem. Ze schudden de nachtmerrie van zich af, en ook het geloof in vreemde dingen. Als er nog over gesproken werd, noemde men het onbegrijpelijk gegoochel. Dat zei men de resident na. Gegoochel van de Regent. Want het was zeker dat hij er de hand in had gehad. Het was ook zeker dat de resident hem verschrikkelijk had gedreigd, hem en zijn moeder. Hij had gedreigd voor het geval dat de vreemde dingen niet zouden ophouden. En het was zeker dat daarna het gewone leven weer in orde was. Het was dus gegoochel. Nu schaamde men zich voor zijn geloof en voor zijn angst. Men had gebeefd voor iets dat bovennatuurlijk had geleken. En het was alleen maar slim gegoochel geweest. Men haalde weer adem en men *wilde* vrolijk zijn. En het ene feest volgde op het andere.

In die drukte vergat Léonie haar ergernis, omdat Van Oudijck haar had teruggeroepen. Ook zij *wilde* het vergeten: het rode vuil op haar lichaam. Maar er bleef iets van de angst in haar over. Ze baadde 's middags nu vroeg, al om half vijf, in de nieuwe badkamer. Haar tweede bad van de dag vond ze altijd een beetje eng. Theo had nu werk in Soerabaia, en ze maakte zich van hem los. Ook dat deed ze uit angst. Ze bleef denken dat het spoken hen allebei met straf had gedreigd. Hen allebei: moeder en zoon, die schande brachten over het huis van de ouders. Haar fantasie was verdorven, maar ook romantisch. Het was een roze fantasie, vol engeltjes en cupido's. Deze gedachte kwam uit haar schrik. Maar voor die fantasie had de gedachte een tragisch kleurtje, waar ze te veel van hield. Daarom bleef ze die gedachte vasthouden, wat Theo ook zei. Ze wilde niet meer. Dat maakte hem woedend, want hij was gek op haar. Hij kon het schandelijke genot in haar armen niet vergeten. Maar zij bleef weigeren. Ze vertelde hem over haar angst. Ze was er zeker van dat het weer zou gaan spoken als ze elkaar liefhadden. Hij was immers de zoon, en zij de vrouw van zijn vader. Theo werd rood van woede door haar woorden, op de enkele zondag dat hij in Laboewangi was. Hij was woedend omdat ze niet wilde, en om haar moederlijke houding van nu. En hij was woedend omdat hij wist dat ze Addy de Luce vaak zag. Ze logeerde vaak op Patjaram. Op de feesten danste Addy met haar. Op de concerten hing hij over haar stoel, in de tijdelijke loge van de resident. Hij was haar wel niet trouw, want hij kon niet van één vrouw houden. Hij hield van vrouwen overal. Maar hij was haar zo trouw als hij kon. Zij voelde voor hem een passie die langer duurde dan ooit tevoren. Die passie maakte haar wakker uit haar gewone, trage onverschilligheid. Vroeger was ze in gezelschap vaak saai en vervelend. Dan zat ze daar in haar witte schoonheid, als een lachend beeld van een godin. De traagheid van de Indische jaren was langzaam in haar bloed gekomen. Haar bewegingen waren lui en onverschillig geworden voor alles wat geen liefde was. Haar stem sprak traag, bij elk woord dat geen woord van passie was. Maar nu veranderde ze, door het vuur dat van Addy kwam. Ze werd een jongere vrouw, levendiger in gezelschap en vrolijker. Ze vond het heerlijk dat de jonge man haar steeds zijn aandacht gaf. En alle meisjes waren gek op hem. Ze genoot ervan om hem zo veel mogelijk voor zichzelf te hebben. Al die meisjes vonden dat vervelend, en Doddy het meest. In haar passie vond ze het ook leuk om te plagen, alleen voor het plezier. Dat gaf haar een heerlijk genot. Ze was altijd heel voorzichtig geweest. Maar nu maakte ze, misschien voor het eerst, haar man jaloers, en Theo, en Doddy. Ze maakte alle jonge vrouwen en meisjes jaloers. Als vrouw van de resident stond ze boven hen allemaal. Daarom had ze macht over hen. Was ze op een avond te ver gegaan? Dan vond ze het leuk om alles terug te winnen, met een glimlach of een woord. Door haar flirten verloor ze soms hun sympathie. Maar het was vreemd: ze won die altijd weer terug. Zodra men haar zag, zodra ze sprak en lachte en lief *wilde* zijn, won ze alles terug. Men vergaf haar alles. Zelfs Eva liet zich winnen door de vreemde charme van deze vrouw. Léonie was niet geestig en niet intelligent. Ze was alleen wat vrolijker geworden, en wakker uit haar saaie verveling. Ze won alleen door de lijnen van haar lichaam en de vorm van haar gezicht. En door de blik van haar vreemde ogen, rustig en toch vol verborgen passie. Ze wist hoe groot haar charme was. Ze had al als kind gezien wat die met mensen deed. Samen met haar onverschilligheid was die charme haar kracht. Al het noodlot leek van haar af te stuiten. Het had haar wel met een vreemde toverkracht aangeraakt. Ze had toen gedacht dat er een straf op haar zou vallen. Maar het was verder gedreven. Alleen de waarschuwing nam ze aan. Ze wilde Theo niet meer en deed voortaan moederlijk tegen hem. Dat maakte hem woedend, vooral op deze feesten. Want daar was ze jonger, vrolijker en verleidelijker.

Zijn passie voor haar begon om te slaan in haat. Hij haatte haar nu, met al het instinct van een blonde kleurling. Want dat was hij eigenlijk, ondanks zijn blanke huid. Hij was meer het kind van zijn moeder dan de zoon van zijn vader. O, hij haatte haar nu. Hij was maar één ogenblik bang geweest voor de straf, en nu was hij alles vergeten. Hij dacht er alleen aan om haar kwaad te doen. Hoe wist hij nog niet. Maar zij moest pijn en verdriet hebben. Als hij daaraan dacht, werd zijn kleine, troebele ziel zo donker als die van de duivel. Hij dacht er niet echt over na. Maar hij voelde zonder het te weten dat ze niet te raken was. Hij voelde zelfs dat ze daar in stilte trots op was. Daardoor werd ze elke dag brutaler en onverschilliger. Telkens logeerde ze op Patjaram, met een of andere smoes. Van Oudijck liet haar nog vaak de brieven zonder naam zien. Maar ze raakten haar niet meer, ze was eraan gewend. Zonder een woord gaf ze ze hem terug. Een enkele keer vergat ze ze zelfs. Dan liet ze ze liggen in de achtergalerij. Eens las Theo ze. Hij wist niet hoe, maar plotseling zag hij het heel helder. Hij meende enkele letters en lijnen te herkennen. Hij dacht aan het huisje in de kampong bij Patjaram. Het was half van bamboe, half van petroleumplanken. Daar had hij met Addy de Luce si-Oudijck bezocht. En hij dacht aan de papieren die si-Oudijck en een Arabier toen snel bij elkaar hadden geschoven. Hij herinnerde zich vaag een snipper papier op de grond. Daarop stonden dezelfde letters, dezelfde lijnen. Het ging vaag en zo snel als de bliksem door zijn hoofd. Maar het was niets meer dan een flits. In zijn sombere, kleine ziel was alleen een doffe haat en een troebel plannetje. Maar hij was niet slim genoeg om dat plan verder uit te denken. Hij haatte zijn vader, uit instinct en afkeer. Hij haatte zijn moeder, omdat ze een nonna was. Hij haatte zijn stiefmoeder, omdat ze hem niet meer wilde. Hij haatte Addy, en Doddy er nog bij. Hij haatte de wereld, omdat hij erin moest werken. Hij haatte elke baan, en nu ook zijn kantoor in Soerabaia. Maar hij was te lui en niet helder genoeg om kwaad te doen. Hoe hij ook nadacht, hij vond niet hoe hij zijn vader kwaad kon doen, of Addy en Léonie. Alles in hem was vaag, troebel, ontevreden en onduidelijk. Hij wilde geld en een mooie vrouw. Verder was er niets in hem dan zijn domme somberheid. Het was de ontevredenheid van een dikke, blonde sinjo. En zonder kracht werden zijn gedachten steeds donkerder.

Tot nu toe had Doddy altijd veel van Léonie gehouden, vanzelf, zonder erbij na te denken. Maar nu kon ze het niet meer ontkennen. Eerst had ze gedacht dat het toeval was. Mama en Addy zochten elkaar altijd op, met dezelfde glimlach. Ze trokken elkaar aan, van de ene kant van de zaal naar de andere. Het was alsof ze er niets aan konden doen. Maar dat was geen toeval! En nu haatte ook zij mama. Ze haatte mama met haar mooie kalmte en haar koninklijke onverschilligheid. Doddy was zelf driftig en vol passie. Die natuur botste met de andere natuur: de trage natuur van de melkwitte creoolse vrouw. Pas nu, laat, liet die natuur zich helemaal gaan, zonder iets in te houden. Dat kwam alleen door de gunst van het noodlot. Doddy haatte mama, en daardoor kwamen er scènes. Doddy werd zenuwachtig en driftig en begon te gillen. En mama bleef kalm en onverschillig, en dat maakte Doddy nog kwader. Ze maakten ruzie over allerlei kleine dingen. Over een bezoek, een ritje te paard of een jurk. Of over een sambal die de een lekker vond en de ander niet. Léonie vond het leuk om Doddy te plagen, alleen voor het plezier. Dan wilde Doddy uithuilen bij papa. Maar Van Oudijck gaf haar geen gelijk. Ze moest meer respect hebben voor mama, zei hij. Op een keer kwam ze weer bij hem voor troost. Maar hij gaf haar een standje over haar wandelingen met Addy. Toen gilde ze dat mama zelf verliefd was op Addy. Van Oudijck werd boos en joeg haar de kamer uit.

Maar alles paste te goed bij elkaar. De brieven zonder naam, het nieuwe flirten van zijn vrouw, wat Doddy had gezegd, en wat hij zelf had gezien op de laatste feesten. Hij moest wel nadenken en zelfs piekeren. En *nu* hij erover piekerde, kwamen er plotseling herinneringen in hem op, kort als flitsen van bliksem. Een bezoek dat hij niet had verwacht. Een deur die dicht was. Een gordijn dat bewoog. Een woord dat zacht werd gezegd, en een blik die snel en verlegen werd afgebroken. Hij legde al die dingen naast elkaar. En plotseling herinnerde hij zich zulke kleine dingen ook van vroeger, met andere mannen. Opeens werd hij jaloers. Het was de jaloezie van een man op de vrouw die hij liefheeft als zijn eigen bezit. Die jaloezie stak op als een windvlaag. Ze waaide door zijn aandacht voor het werk heen. Ze bracht zijn gedachten in de war als hij aan het werk zat. Soms liep hij plotseling zijn kantoor uit, midden in de politie-rol. Dan zocht hij in de kamer van Léonie. Hij tilde een gordijn op en keek zelfs onder het bed. Nu wilde hij ook niet meer dat ze op Patjaram logeerde. Hij zei dat de de Luces geen hoop mochten krijgen dat Addy ooit Doddy zou krijgen. Want hij durfde met Léonie niet over zijn jaloezie te spreken... Dat Addy ooit Doddy zou krijgen! In zijn dochter zat ook wel Indisch bloed. Maar hij wilde een volbloed Europeaan als schoonzoon. Hij haatte alles wat halfras was. Hij haatte de de Luces. Hij haatte hun Indische tradities van Patjaram, ver in het binnenland, die bijna leken op het hof van Solo. Hij haatte hun gokken. Hij haatte het dat ze zo dik bevriend waren met allerlei Javaanse hoofden. In zijn werk gaf hij die hoofden wat hun toekwam. Maar verder zag hij hen alleen als nodige werktuigen voor de politiek van de regering. Hij haatte alle manieren van die oude Indische familie. En hij haatte Addy. Die jongen heette werknemer van de fabriek, maar hij deed niets. Hij liep alleen achter alle vrouwen, meisjes en meiden aan. Van Oudijck was een ouder man die hard werkte. Voor hem was zo'n leven onverdraaglijk. Léonie mocht dus niet meer naar Patjaram. Maar 's ochtends ging ze rustig naar mevrouw Van Does. In haar kleine huisje ontmoette ze Addy. Mevrouw Van Does ging dan zelf op pad om te verkopen, in een tjikar. Ze nam de twee stopflessen inten-inten mee, en een pak gebatikte spreien.

's Avonds wandelde Addy dan met Doddy. Dan hoorde hij haar boze verwijten, vol passie. Hij lachte om haar drift. Hij nam haar in zijn armen en kuste de verwijten van haar lippen. Dan werd ze gek van liefde voor hem. Verder gingen ze niet, want ze waren bang, vooral Doddy. Ze liepen achter de kampongs, over de galangans tussen de sawahs. In het donker vlogen zwermen vuurvliegjes om hen heen, als heel kleine lampjes. Ze liepen arm in arm, of hand in hand. Als Doddy dan thuiskwam, was ze woedend op mama. Mama lag rustig te dromen in een rieten stoel. Ze droeg haar witte ochtendjas en had zacht poeder op haar gezicht. Doddy benijdde haar om die kalme, tevreden glimlach.

Het huis was na de vreemde dingen opgeknapt en wit geverfd. Die vreemde dingen waren voorbij. Maar nu groeide er in huis een haat, die overal opschoot. Het was als de bloem van de duivel, die uit dat vreemde geheim groeide. Die haat groeide rond die glimlachende vrouw. Zij was zelf te traag om te haten. Ze had alleen plezier in stil plagen. Er was nu de jaloerse haat van de vader tegen de zoon. Hij zag Theo te vaak bij zijn stiefmoeder zitten. Theo vroeg haar telkens om iets, ondanks zijn eigen haat. Wat het was, wist de vader niet. Er was haat van de zoon tegen de vader, en van de dochter tegen de moeder. Het was een haat waarin het hele gezinsleven verloren ging. Van Oudijck wist niet hoe het zo langzaam was gekomen. Met verdriet dacht hij terug aan de tijd dat hij blind was geweest. Toen zag hij zijn vrouw en kinderen alleen in het licht dat hij zelf wilde. Die tijd was nu voorbij. Eerst waren de vreemde dingen gekomen. Nu kwam er haat uit het leven op, als een giftige damp uit de grond. Van Oudijck was nooit bijgelovig geweest. Hij had koel en kalm gewerkt in zijn eenzame huis. Daar spookte het om hem heen, op een manier die niemand begreep. Hij had verslagen gelezen terwijl het boven zijn hoofd hamerde. Hij had doorgewerkt terwijl zijn whisky-soda geel werd in zijn glas. Maar nu zag hij de sombere blikken van Theo en van Doddy. Hij zag zijn vrouw elke dag brutaler worden. Opeens vond hij haar hand in hand met de jonge de Luce, met haar knieën bijna tegen de zijne. En hij zag zichzelf: veranderd, ouder geworden, somber en vol wantrouwen. En nu werd Van Oudijck voor het eerst in zijn leven bijgelovig. Hij kon er niets tegen doen. Hij geloofde in een stille kracht, verborgen op een plek die hij niet kende. In Indië, in de grond van Indië, in een diep geheim, ergens, ergens. Het was een kracht die hem kwaad wilde doen. Want hij was een Europeaan, een heerser en een vreemdeling op de geheimzinnige, heilige grond. Hij zag dit bijgeloof in zichzelf. Het was zo nieuw voor hem, een praktisch man. Het was zo vreemd en ongelooflijk voor hem, een eenvoudige, mannelijke man. Hij schrok van zichzelf. Het was alsof hij diep in zich het begin van waanzin zag.

Hij was heel sterk geweest tijdens de vreemde dingen zelf. Hij had ze nog met één dreigend woord kunnen laten ophouden. Maar dit bijgeloof was als een ziekte die achteraf komt. Het vond een zwakke plek in hem, een plek waar hij te raken was. Hij was zo verbaasd over zichzelf dat hij zichzelf niet begreep. Hij was bang dat hij gek zou worden. En toch, toch bleef hij piekeren. Zijn gezondheid werd zwakker, want er begon een leverziekte. Hij bekeek steeds zijn huid, die geel begon te worden. Plotseling dacht hij aan vergif. De keuken werd onderzocht en de kokkie werd ondervraagd. Maar er werd niets gevonden. Hij begreep dat hij bang was voor niets. Maar de dokter zei dat zijn lever gezwollen was. Hij moest het gewone dieet volgen. Vroeger zou hij dat heel gewoon hebben gevonden, want die ziekte kwam zo vaak voor. Maar nu vond hij het opeens vreemd. Het was voor hem weer iets vreemds, waarover hij piekerde. En het ging op zijn zenuwen werken. Als hij werkte, werd hij nu plotseling erg moe. Hij kreeg kloppende hoofdpijn. Door zijn jaloezie werd hij gejaagd. Er kwam een onrust over hem, waardoor hij beefde. Plotseling dacht hij aan iets. Als het nu boven zijn hoofd zou hameren, als het nu sirih om hem heen zou spugen... Dan had hij niet in zijn huis kunnen blijven. Hij geloofde in een haat die als een pest om hem heen opsteeg uit de grond, vol wraak. Hij geloofde in een kracht, diep verborgen in de dingen van Indië. In de natuur van Java, in het klimaat van Laboewangi. In het gegoochel, zoals hij het nog noemde. Dat gegoochel maakt de Javaan soms slimmer dan de westerling. Het geeft hem macht, geheime macht. Niet om zich van het juk te bevrijden. Maar wel om ziek te maken, om mensen langzaam te laten wegteren. Om te plagen en te kwellen, om te spoken op een vreselijke manier die niemand begrijpt. Het was een stille kracht, een stille macht. Die kracht was vijandig aan ons karakter, ons bloed, ons lichaam en onze ziel. Vijandig aan onze beschaving, aan alles wat *wij* goed vinden om te doen, te zijn en te denken. Het was opeens in hem opgekomen, als een plotseling licht. Het kwam niet uit nadenken. Het kwam als een schrik, als een plotselinge ontdekking. Het was helemaal in strijd met de logica van zijn rustige leven en zijn rustige manier van denken. In één verschrikkelijk beeld zag hij het opeens voor zich. Het was als het licht van zijn ouderdom, die dichterbij kwam. Zo zien oude mannen soms opeens de waarheid. En toch was hij nog jong, hij was nog sterk... Hij voelde iets. Als hij zijn gekke gedachten niet een andere kant op stuurde, konden ze hem ziek maken. Dan zou hij zwak en ellendig worden, voor altijd, voor altijd...

Vooral voor hem, een eenvoudig man van de praktijk, was deze verandering bijna niet te dragen. Iemand met een ziekelijke geest had er rustig over nagedacht. Maar hem gaf het een witte, flitsende schrik. Hij had nooit gedacht dat er diep in het leven geheime dingen konden zijn. Dingen die sterker waren dan je wil en je verstand. Hij had de nachtmerrie moedig overwonnen. Maar nu leek het of die nachtmerrie hem toch had uitgeput. Ze had hem allerlei zwakheden gegeven. Het was ongelooflijk, maar nu luisterde hij 's avonds onder het werk. Hij luisterde naar de zachte geluiden van de avond in de tuin. Of naar de rat die boven zijn hoofd rondliep. En dan stond hij plotseling op, liep de kamer van Léonie in en keek onder haar bed.

Ten slotte ontdekte hij iets over de brieven zonder naam die hem steeds achtervolgden. Veel ervan kwamen van een halfbloed die zich zijn zoon noemde. In de kampong noemden de mensen hem zelfs bij Van Oudijcks eigen familienaam. Maar Van Oudijck aarzelde om de zaak te onderzoeken. Want misschien kwam er iets aan het licht dat hij zelf vergeten was. Iets uit zijn tijd als controleur, vroeger, in Ngadjiwa. Vroeger was hij zeker van zijn zaak. Nu twijfelde hij. Hij kon zijn herinneringen aan die tijd niet meer goed ordenen. Hij kon niet meer zweren dat hij geen zoon had. Misschien had hij die toen gekregen, bijna zonder het te weten. Hij herinnerde zich de huishoudster niet goed meer. Die had hij gehad vóór zijn eerste huwelijk. Hij liet de hele zaak van de brieven liever rustig verder smeulen in het donker. Hij wilde het niet onderzoeken, hij wilde er niet in roeren. Hij liet de kleurling die zich zijn zoon noemde zelfs geld geven. Want die man gebruikte de naam die hij zichzelf gaf. Daarmee eiste hij overal in de kampong cadeaus: kippen, rijst en kleren. Si-Oudijck vroeg die dingen aan dessa-mensen die niets wisten. Hij dreigde hun met de boosheid van zijn vader, de Kandjeng daar in Laboewangi. Van Oudijck wilde niet dat er nog langer met zijn boosheid werd gedreigd. Daarom stuurde hij hem geld. Dat was een zwakte: vroeger had hij dat nooit gedaan. Maar nu wilde hij liever alles rustig houden en dingen goedpraten. Hij wilde niet meer zo streng zijn. Alles wat scherp was, maakte hij liever vaag en half. Eldersma was soms verbaasd. Vroeger was de resident altijd beslist. Nu zag hij hem twijfelen en toegeven, in zaken en in ruzies met erfpachters. Zoiets had hij vroeger nooit gedaan. Langzaam zou het werk op het kantoor vanzelf slap zijn geworden. Maar Eldersma nam het werk van Van Oudijck over. Zo kreeg hij het nog drukker dan hij het al had. Iedereen zei dat de resident ziek was. En zijn kleur was ook geel, zijn lever deed pijn. Het minste maakte hem zenuwachtig. Daardoor kwam er een zenuwachtige sfeer in huis. Daarbij kwamen de driftbuien van Doddy, en de jaloezie en de haat van Theo. Want Theo was alweer thuis; hij had zijn werk in Soerabaia laten liggen. Alleen Léonie bleef de overwinnaar. Ze was altijd mooi, wit, kalm, glimlachend en tevreden. Ze was gelukkig met Addy, wiens passie bleef duren. Ze wist hem te binden als een heks van de liefde, een vrouw die alles van passie wist. Het noodlot had haar gewaarschuwd, en Theo hield ze ver van zich. Maar verder was ze gelukkig en tevreden.

Toen kwam plotseling de plaats in Batavia vrij. Er werden twee of drie residenten genoemd. Maar Van Oudijck had de meeste kans. Hij piekerde erover en was er bang voor. Hij hield niet van Batavia als residentie. Hij zou er niet kunnen werken zoals hij hier gewerkt had. Hier zorgde hij met ijver voor zoveel verschillende belangen, van de landbouw en van de bevolking. Hij had liever Soerabaia gekregen, waar veel gebeurde. Of een van de Vorstenlanden. Daar kon hij zijn tact met Javaanse vorsten goed gebruiken. Maar Batavia! Voor een resident als ambtenaar was dat het minst interessante gewest. En voor de trots van een resident was het het minst fijn. Hij zat er vlak bij de Gouverneur-Generaal, tussen de hoogste ambtenaren. Elders had een resident bijna alle macht. Maar daar was hij maar één hoge ambtenaar tussen de Raden van Indië en de Directeuren. En hij zat er te dicht bij Buitenzorg, met de verwaande Secretarie daar. Die bureaucratie met haar theorie van papieren was altijd in strijd met de praktijk. Ze paste nooit bij het echte werk van de residenten zelf.

De kans op die benoeming maakte hem helemaal van streek. Hij was onrustiger dan ooit. Misschien moest hij binnen een maand Laboewangi verlaten en een vendutie houden. Het zou zijn hart breken om Laboewangi te verlaten. Hij had er veel geleden, maar toch hield hij van de stad, en vooral van zijn gewest. Al die jaren had hij overal in zijn gewest sporen achtergelaten. Sporen van zijn werk, zijn aandacht, zijn ambitie en zijn liefde. Nu moest hij dat alles misschien binnen een maand aan een opvolger geven. Hij moest zich losscheuren van alles waar hij met liefde voor had gezorgd. Dat maakte hem somber en verdrietig. Met een promotie kwam ook zijn pensioen dichterbij. Maar dat gaf hem niets. Een toekomst van niets doen, en de verveling van de ouderdom die eraan kwam: dat was voor hem een nachtmerrie. En de opvolger zou misschien alles veranderen. Misschien zou hij het met niets eens zijn.

Toen ging hij zo ziekelijk veel aan zijn mogelijke promotie denken, dat het ongelooflijke gebeurde. Hij schreef aan de Directeur van B.B. en aan de Gouverneur-Generaal. Hij vroeg of hij in Laboewangi mocht blijven. Er lekte weinig uit van deze brieven. Hij zelf zei er niets over, niet tegen zijn familie en niet tegen zijn ambtenaren. Toen werd een jongere resident van de tweede klasse benoemd tot resident van Batavia. De mensen praatten erover dat Van Oudijck was overgeslagen. Maar ze wisten niet dat hij het zelf zo had gewild. Ze zochten naar een reden. In de roddels haalden ze het ontslag van de Regent van Ngadjiwa weer op, en de vreemde dingen daarna. Maar in geen van beide vonden ze een echte reden waarom de regering Van Oudijck zou overslaan.

Hij zelf vond er een vreemde rust door. Het was de rust van iemand die moe is en zich laat gaan. Hij groeide vast in zijn bekende Laboewangi. Hij was Indisch geworden in het binnenland, en hij hoefde niet naar Batavia, waar alles zo anders was. Bij de laatste audiëntie had de Gouverneur-Generaal met hem gesproken over verlof naar Europa. Toen was hij bang geweest voor Europa, bang dat hij zich er niet meer thuis zou voelen. Nu voelde hij die angst zelfs voor Batavia. En toch wist hij heel goed hoe nep dat westerse gedoe van Batavia was. Hij wist heel goed dat de hoofdstad van Java maar deed alsof ze erg Europees was. In werkelijkheid was ze maar half Europees. Zijn vrouw vond het jammer dat de droom van Batavia voorbij was. Maar zonder dat zij het zag, lachte hij er stilletjes om. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen om in Laboewangi te blijven. Maar bij die lach voelde hij dat hij veranderd was. Hij was ouder en minder geworden. Hij keek niet meer langs die lijn omhoog, naar een steeds hogere plaats tussen de mensen. Dat was altijd de lijn van zijn leven geweest. Waar was zijn eerzucht gebleven? Hoe was zijn wil om te heersen zo slap geworden? Hij dacht dat het allemaal door het klimaat kwam. Het zou zeker goed zijn om zijn bloed en zijn geest in Europa op te frissen. Hij kon er een paar winters doorbrengen. Maar meteen brak die gedachte af, zonder wil. Nee, hij wilde niet naar Europa. Hij hield van Indië. Hij gaf zich over aan lang en stil nadenken. Hij lag in een lange stoel en genoot van zijn koffie en zijn luchtige kleren. Hij genoot ervan dat zijn spieren zacht en slap werden en dat zijn gedachten doelloos wegdreven. In dat dromen was alleen zijn wantrouwen scherp, en dat werd steeds groter. Dan schrok hij plotseling wakker uit zijn traagheid. Hij luisterde naar een vaag geluid, een zacht, ingehouden lachen. Hij dacht dat hij het hoorde in de kamer van Léonie. Zo luisterde hij 's nachts ook, vol wantrouwen, want misschien ging het weer spoken. Dan luisterde hij naar de zachte geluiden in de tuin, en naar de rat boven zijn hoofd.

### Woordenlijst

- **loeak**: wilde kat.
- **kriauw**: het geluid van een loeak, zoals 'miauw'.
- **pontianak**: spook; volgens Oerip de zielen van kleine kinderen die in de bomen huilen.
- **tjelaka**: ongeluk, onheil.
- **petangans**: geheime berekeningen van gelukkige en ongelukkige dagen.
- **sedeka**: offermaal om de geesten gunstig te stemmen, bijvoorbeeld bij een nieuwe put.
- **kebon-kotta**: de stadstuin; kotta betekent stad.
- **kamprets**: kleine vleermuizen.
- **soesa**: last, gedoe, zorgen.
- **Apa bolè boeat**: wat kun je eraan doen.
- **ajer-wangi**: reukwater, parfum.
- **Ini apa**: wat is dit dan? (hier: dit is hem toch?)
- **toekan-besie**: smid, iemand die sloten en sleutels maakt.
- **gajong**: waterschep om je mee te wassen.
- **gespuugd**: van spugen: vocht met kracht uit je mond laten vliegen.
- **djàgà's**: politieagenten, wachters.
- **gegoochel**: trucs en bedrog; zo noemt de resident de vreemde dingen in zijn huis
- **tournee**: reis van de resident door zijn gewest om alles te bekijken
- **sabel**: lang, gebogen zwaard van een officier
- **loge**: aparte plaats met stoelen voor belangrijke gasten bij een concert of toneel
- **creools**: van Europese ouders, maar geboren en opgegroeid in de koloniën
- **politie-rol**: zitting waarin de resident kleine strafzaken behandelt
- **tjikar**: klein karretje
- **inten-inten**: diamanten
- **galangan**: smalle dijk tussen de natte rijstvelden (sawahs)
- **erfpachter**: iemand die voor lange tijd grond van de staat huurt
- **Vorstenlanden**: gebieden op Java waar nog Javaanse vorsten regeren
- **audiëntie**: officieel gesprek met een zeer belangrijk persoon
- **vendutie**: openbare verkoop van je spullen voordat je vertrekt
- **Directeur van B.B.**: hoogste ambtenaar van het Nederlandse bestuur in Indië, onder de Gouverneur-Generaal

## Zevende hoofdstuk

### I.

Addy zat bij mevrouw Van Does in het kleine achtergalerijtje. Toen hoorden ze aan de voorkant een rijtuig aankomen. Ze keken elkaar glimlachend aan en stonden op.

—Ik laat jullie alleen, zei mevrouw Van Does.

Ze verdween in een dos-à-dos. Ze wilde door de stad rijden en bij kennissen zaken doen.

Léonie was binnengekomen.

—Waar is mevrouw Van Does? vroeg ze.

Want ze deed elke keer alsof het de eerste keer was. Dat was haar grote charme.

Addy wist dat, en hij antwoordde:

—Ze is net weggegaan. Ze zal het jammer vinden dat ze u niet gezien heeft...

Hij sprak zo omdat hij wist dat ze daarvan hield. Elke keer was er dat deftige begin, als een ceremonie. Zo bleef hun geheime liefde fris en nieuw.

Nu gingen ze in het kleine, gesloten middengalerijtje op een divan zitten, hij naast haar.

De divan was bekleed met katoen vol bonte bloemen. Aan de witte muren hingen wat goedkope waaiers en kakemono's. Aan beide kanten van een spiegeltje stond een beeldje op een plankje. De beeldjes waren van nepbrons en stelden vage ridders voor. Ze hadden één been naar voren en een speer in de hand. Door de glazen deur zag je vaag het muffe achtergalerijtje. De pilaren waren groengeel van het vocht. De bloempotten waren ook groengeel, met een paar dode rozenstruiken. Daarachter lag het vochtige tuintje, helemaal verwilderd. Er stonden een paar magere klapperbomen. Hun bladeren hingen naar beneden als geknakte veren.

Hij trok haar nu in zijn armen, maar zij duwde hem zachtjes terug.

—Doddy is onuitstaanbaar, zei ze. Daar moet een eind aan komen.

—Hoe dan?

—Ze moet het huis uit. Ze is zo snel boos dat ik geen leven met haar heb.

—Je plaagt haar ook.

Ze haalde haar schouders op. Ze was nog boos door een scène met haar stiefdochter.

—Vroeger plaagde ik haar niet. Vroeger hield ze van me, vroeger konden we goed met elkaar opschieten. Nu wordt ze om het minste kwaad. Het is jouw schuld. Die eeuwige avondwandelingen, die tot niets leiden, maken haar zenuwachtig.

—Het is maar beter dat ze tot niets leiden, zei hij zacht, met het lachje van een verleider. Maar ik kan toch niet met haar breken. Dat zou haar verdriet doen. En ik kan een vrouw nooit verdriet doen.

Ze lachte minachtend.

—Ja, je bent zo goedig. Uit pure goedheid zou je je gunsten overal uitdelen. Maar hoe dan ook, zij gaat het huis uit.

—Waar naartoe?

—Vraag niet zulke domme vragen! riep ze boos.

Ze was helemaal uit haar gewone onverschilligheid gerukt.

—Weg, weg, ze gaat weg. Het kan me niet schelen waar naartoe. Je weet het: als ik eenmaal iets zeg, gebeurt het. En dit, dit gebeurt.

Hij nam haar nu in zijn armen.

—Je bent zo boos. Zo ben je helemaal niet mooi...

Ze was boos en wilde zich eerst niet laten kussen. Maar hij hield niet van zulke buien. En hij kende zijn macht: hij was een mooie, Moorse man, en geen vrouw kon hem weerstaan. Lachend, met ruwe kracht, overwon hij haar. Hij hield haar zo dicht tegen zich aan dat ze zich niet kon bewegen.

—Je mag niet meer boos zijn...

—Jawel... Ik haat Doddy.

—Het arme kind heeft je niets gedaan.

—Dat kan wel zijn...

—Integendeel, jij plaagt haar.

—Ja, omdat ik haar haat...

—Waarom? Je bent toch niet jaloers...

Ze lachte hard.

—Nee! Dat zit niet in mijn aard.

—Waarom dan?

—Wat kan het jou schelen! Ik weet het zelf niet. Ik haat haar. Ik heb er plezier in om haar te plagen.

—Ben je net zo slecht als je mooi bent?

—Wat is slecht? Weet ik veel! Ik zou jou ook willen plagen, als ik maar wist hoe.

—En ik zou jou een pak slaag willen geven...

Ze lachte weer hard.

—Misschien zou dat me nu wel goed doen, gaf ze toe. Ik ben bijna nooit slecht gehumeurd, maar Doddy...!

Ze kneep haar vingers hard samen. Toen werd ze opeens kalmer. Ze kroop tegen hem aan en sloeg haar armen om zijn lichaam.

—Vroeger was ik erg onverschillig, gaf ze toe. De laatste tijd ben ik veel zenuwachtiger. Dat komt doordat ik zo geschrokken ben in die badkamer. Doordat ze me zo bespuugd hebben, met sirih. Geloof jij dat het spoken was, van geesten? Ik geloof het niet. Het was plagerij van de Regent. Die ellendige Javanen weten allerlei dingen... Maar sinds die tijd ben ik, om zo te zeggen, uit mijn voegen geslagen. Begrijp je die uitdrukking?... Vroeger was het heerlijk. Ik liet alles langs mijn koude kleren gaan. Maar ik ben zo ziek geweest, en sindsdien ben ik veranderd. Ik ben zenuwachtiger. Theo was eens boos op me, en toen zei hij iets. Hij zei dat ik sinds die tijd hysterisch ben... En dat was ik vroeger niet... Ik weet het niet, misschien heeft hij wel gelijk. Maar veranderd ben ik wel... Ik geef minder om de mensen. Ik geloof dat ik erg brutaal word... Ze roddelen ook gemener dan vroeger... Van Oudijck werkt op mijn zenuwen als hij zo rondloopt... Hij begint iets te merken... En Doddy, Doddy...! Ik ben niet jaloers. Maar die avondwandelingen met jou kan ik niet uitstaan... Je moet dat niet meer doen, hoor, met haar wandelen... Ik wil het niet meer hebben, ik wil het niet meer... En verder verveelt alles me hier in Laboewangi... Wat een ellendig, saai leven... Soerabaia vind ik ook vervelend... Batavia ook... Het is allemaal zo muf. De mensen bedenken niets nieuws... Ik zou naar Parijs willen... Ik geloof wel dat ik het in me heb om me in Parijs te amuseren.

—Verveel ik je ook?

—Jij?

Ze streelde met haar handen over zijn gezicht, over zijn borst, tot langs zijn benen.

—Zal ik je eens wat zeggen? Je bent een mooie jongen, maar je bent zo goedig. Dat werkt ook op mijn zenuwen. Je kust maar iedereen die door jou gekust wil worden. Op Patjaram je oude moeder, je zussen, je likt ze allemaal maar af. Dat vind ik ellendig van je!

Hij lachte.

—Je wordt jaloers! riep hij.

—Jaloers? Word ik echt jaloers? Het is ellendig als ik dat word. Ik weet het niet. Ik geloof toch van niet... Ik wil het niet worden. Ik geloof toch dat er iets is dat mij altijd zal beschermen.

—Een duivel...

—Misschien. Un bon diable.

—Begin je Frans te spreken?

—Ja. Omdat ik naar Parijs ga...

—Iets dat me beschermt, ging ze verder. Ik geloof vast dat het leven geen grip op me heeft. Dat niets me kan raken, helemaal niets.

—Je wordt bijgelovig.

—O, dat was ik al. Misschien ben ik het erger geworden. Zeg, ben ik veranderd, de laatste tijd?

—Je bent zenuwachtiger...

—Niet meer zo onverschillig?

—Je bent vrolijker, leuker.

—Was ik vroeger vervelend?

—Je was wat stil. Je was altijd mooi, heerlijk, goddelijk... maar wat stil.

—Misschien gaf ik toen meer om de mensen.

—Nu niet meer?

—Nee, niet meer. Ze roddelen toch... Maar zeg, ben ik niet nog meer veranderd?

—Jawel... jaloerser, bijgeloviger, zenuwachtiger... Wat wil je nog meer...

—Mijn lichaam... is mijn lichaam niet veranderd...?

—Nee.

—Ben ik niet ouder geworden... Krijg ik geen rimpels?

—Jij? Nooit.

—Zeg... ik geloof dat ik nog een hele toekomst voor me heb... Iets heel anders...

—In Parijs?

—Misschien... Zeg, ben ik niet te oud?

—Waarvoor?

—Voor Parijs... Hoe oud denk je dat ik ben?

—Vijfentwintig.

—Je liegt. Je weet heel goed dat ik tweeëndertig ben... Zie ik eruit als tweeëndertig?

—Nee, nee...

—Zeg, vind je Indië geen rotland?... Je bent nooit in Europa geweest?

—Nee...

—Ik alleen maar van mijn tiende tot mijn vijftiende jaar... Eigenlijk ben jij een bruine sinjo en ik een blanke nonna...

—Ik hou van mijn land.

—Ja, omdat je jezelf zo'n beetje een prins uit Solo vindt... Dat is het belachelijke van jullie op Patjaram... Ik, ik haat Indië... Ik spuug op Laboewangi. Ik wil weg. Ik moet naar Parijs. Ga je mee?

—Nee. Dat zou ik nooit willen...

—Ook niet als je bedenkt dat er in Europa honderden vrouwen zijn die je nog nooit gehad hebt...?

Hij keek haar aan. Iets in haar woorden en in haar stem liet hem opkijken. Het was iets hysterisch, iets dat helemaal in de war was. Vroeger was hem dat nooit opgevallen. Toen was ze altijd de stille, hartstochtelijke minnares geweest, met half gesloten ogen. Daarna wilde ze het altijd meteen vergeten, en dan werd ze weer correct. Nu stootte iets in haar hem af. Hij hield van een zachte, soepele liefkozing, een die meegaf. Ze moest lui zijn en glimlachen, zoals zij vroeger was. Hij hield niet van deze half gekke ogen en deze paarse mond, klaar om te bijten. Het was alsof ze het voelde, want opeens duwde ze hem weg. Ze zei bot:

—Je verveelt me... Ik ken je nu wel. Ga weg...

Maar dat wilde hij niet. Hij hield niet van een afspraak voor niets. Hij sloeg zijn armen om haar heen en vroeg haar...

—Nee, zei ze kort. Je verveelt me. Iedereen verveelt me hier. Alles verveelt me...

Op zijn knieën sloeg hij zijn armen om haar middel en trok haar naar zich toe. Ze lachte een beetje en gaf wat meer toe. Ze woelde zenuwachtig met haar hand door zijn haar. Toen kwam er aan de voorkant een rijtuig aan.

—Hoor, zei ze.

—Dat is mevrouw Van Does...

—Wat komt ze vroeg terug...

—Ze zal niets verkocht hebben.

—Dan kost het jou een tientje...

—Waarschijnlijk wel...

—Betaal je haar veel? Voor onze afspraakjes?

—Ach, wat doet dat ertoe...

—Hoor, zei ze weer. Nu luisterde ze beter.

—Dat is mevrouw Van Does niet...

—Nee...

—Dat is de stap van een man...

—Het was ook geen dos-à-dos. Het rammelde veel te veel.

—Het zal niets zijn, zei ze. Iemand die verkeerd is. Hier komt niemand.

—De man loopt om het huis heen, zei hij. Hij luisterde.

Ze luisterden allebei even. En toen kwam er plotseling iemand met twee, drie stappen door het smalle tuintje. In het kleine achtergalerijtje stond nu *zijn* gestalte voor de dichte glazen deur. Je zag hem door het gordijn: het was Van Oudijck. Hij rukte de deur open, voordat Léonie en Addy anders konden gaan zitten. Zo zag Van Oudijck hen allebei. Zij zat op de divan en hij zat geknield voor haar. Haar hand lag nog op zijn haar, alsof ze die vergeten was.

—Léonie!! riep haar man, met een stem als de donder.

Door de schok stormde haar bloed als een golf door haar heen. In één ogenblik zag ze een hele toekomst voor zich. Zijn woede, een scheiding, een proces, het geld dat haar man haar zou geven. Alles draaide door elkaar... Maar ze dwong zichzelf met al haar zenuwen tot rust. Meteen zakte die golf van bloed weer weg, en ze bleef rustig zitten. Alleen in haar ogen zag je nog één moment de schrik. Toen kon ze ze hard als staal op Van Oudijck richten. Met haar vingers drukte ze zacht op Addy's hoofd. Zo gaf ze hem te verstaan dat hij zo moest blijven, geknield aan haar voeten. En ze sprak als in een zelfhypnose. Verbaasd luisterde ze naar de klank van haar eigen stem, die een beetje hees was:

—Otto... Adrien de Luce vraagt mij om bij jou een goed woord voor hem te doen... Hij vraagt... om de hand van Doddy...

Ze bleven alle drie zonder beweging. Alle drie stonden ze onder de invloed van deze woorden, van deze gedachte. Léonie wist zelf niet waar die vandaan kwam... Want stijf als een sibille herhaalde ze het. Ze zat rechtop en drukte nog steeds zacht op Addy's hoofd:

—Hij vraagt... om de hand van Doddy...

Nog sprak alleen zij. Toen ging ze verder:

—Hij weet dat je een paar bezwaren hebt. Hij weet dat je zijn familie niet sympathiek vindt, omdat er Javaans bloed... in hun aderen zit.

Ze sprak nog steeds alsof iemand anders in haar sprak. En ze moest glimlachen om dat meervoud: aderen. Ze wist niet waarom. Misschien omdat ze dat woord voor het eerst van haar leven in een gesprek gebruikte, in het meervoud.

—Maar... ging ze verder. Er zijn geen bezwaren over geld, als Doddy op Patjaram wil wonen... En de kinderen houden van elkaar... al zo lang. Ze waren bang voor jou...

Nog steeds sprak alleen zij.

—Doddy is al zo lang zenuwachtig, bijna ziek... Het zou een moord zijn als je niet toegaf, Otto...

Langzaam ging haar stem mooier klinken, als muziek. De glimlach kwam terug om haar lippen. Maar haar ogen keken nog hard als staal. Het was alsof ze dreigde met een geheime woede, als Van Oudijck haar niet geloofde.

—Kom... zei ze heel zacht, heel lief.

Ze klopte Addy zacht op zijn hoofd, met vingers die nog beefden.

—Sta op... Addy... en ga... naar... papa...

Hij stond op, als een machine.

—Léonie, vroeg Van Oudijck schor, waarom was je hier?

Ze keek op, onschuldig verbaasd, zacht en eerlijk.

—Hier? Ik was bij mevrouw Van Does...

—En hij? vroeg Van Oudijck, en hij wees naar Addy.

—Hij...? Hij kwam hier ook... Mevrouw Van Does moest weg... Toen vroeg hij of hij me kon spreken... En toen vroeg hij mij... om de hand van Doddy...

Weer zeiden ze alle drie niets.

—En jij, Otto? vroeg ze nu, iets harder. Hoe kom jij hier?

Hij keek haar hard aan.

—Moest je soms iets kopen van mevrouw Van Does...? vroeg ze.

—Theo zei dat je hier was...

—Dan had Theo gelijk...

—Léonie...

Ze stond op. Met haar ogen, hard als staal, liet ze hem iets weten. Hij moest het geloven. Ze *wilde* niets anders dan dat hij het geloofde.

—Hoe dan ook, Otto, zei ze, weer zacht, kalm en lief. Laat Addy niet langer twijfelen. En jij, Addy, wees niet bang en vraag papa om de hand van Doddy... Ik heb over Doddy... niets te zeggen. Dat heb ik je al gezegd.

Nu stonden ze alle drie dicht bij elkaar in het smalle middengalerijtje. Ze kregen het benauwd van hun adem en van al hun opgekropte gevoelens.

—Resident... zei Addy toen. Ik vraag u... om de hand... van uw dochter...

Aan de voorkant kwam een dos-à-dos aanrijden.

—Dat is mevrouw Van Does, zei Léonie snel. Otto, zeg iets voor ze binnenkomt...

—Het is goed... zei Van Oudijck somber.

Voordat mevrouw Van Does binnenkwam, ging hij weg via de achterkant. Hij zag de hand niet die Addy naar hem uitstak. Mevrouw Van Does kwam binnen. Ze beefde. Achter haar kwam een baboe die een bundel droeg: haar spullen om te verkopen. Ze zag Léonie en Addy staan, stijf, alsof ze betoverd waren.

—Dat was het rijtuig van de residèn... zei de Indische dame. Ze was wit van schrik en haar stem haperde. Dat was de residèn?!

—Ja... zei Léonie kalm.

—Astaga!... En wat is er gebeurd??

—Niets, zei Léonie lachend.

—Niets?

—Of ja, toch wel iets...

—Wat dan?

—Addy en Doddy zijn...

—Wat dan?

—Geëngageerd!!

En ze barstte uit in een schelle lach. Ze kon zich niet inhouden, zo wild en dol op het leven was ze. Ze draaide de verbaasde mevrouw Van Does in het rond. Ze schopte de bundel uit de handen van de baboe. Een pak gebatikte spreien en tafellopers viel op de grond. Er rolde een kleine stopfles uit, vol glimmende kristallen, en die brak.

—Astaga... mijn briljanten!!!

Léonie gaf nog een schop, uit pure dolle pret. De tafellopers vlogen naar links en naar rechts. De diamanten lagen overal verspreid tussen de poten van tafels en stoelen, en vingen het licht. Addy had de schrik nog in zijn ogen. Hij kroop op zijn handen rond en raapte ze bij elkaar. Mevrouw Van Does herhaalde:

—Geëngageerd??

### II.

Doddy was dolblij, ze was in de wolken. Van Oudijck vertelde haar dat Addy om haar hand had gevraagd. En ze hoorde dat mama een goed woord voor haar had gedaan. Toen viel ze Léonie wild om de hals. Doddy had een spontaan, levendig karaktertje. Nu voelde ze weer de aantrekkingskracht die Léonie lang op haar had gehad. Meteen vergat Doddy alles wat haar had dwarsgezeten in de te grote vriendschap tussen mama en Addy. Ze vergat hoe hij over mama's stoel hing en zacht met haar praatte. Wat ze soms had gehoord, had ze nooit geloofd. Want Addy had haar altijd verzekerd dat het niet waar was. En ze was zo gelukkig, omdat ze samen met Addy op Patjaram zou wonen. Want Patjaram was voor haar het ideale thuis. Het grote huis stond tegen de suikerfabriek aan. Het was vol zonen en dochters en kinderen en dieren. Over hen allemaal lag dezelfde goedheid, hartelijkheid en verveling. En achter die zonen en dochters lag de glans van hun afkomst uit Solo. Dat was voor Doddy de ideale plek om te wonen. Ze voelde zich verwant aan al die kleine tradities. Een baboe zat laag op de grond achter haar stoel. Ze stampte en wreef de sambal, terwijl Doddy rijsttafelde. Dat vond Doddy het allerlekkerste wat er was. Dan de races in Ngadjiwa. Al die vrouwen liepen er langzaam in een lange stoet, lengang-lengang. Achter hen liepen de baboes met zakdoek, parfumflesje en verrekijker. Voor Doddy was dat het allerhoogste van elegantie. Ze hield van de oude Raden-Ajoe-douairière, de moeder van Addy. En aan Addy had ze helemaal haar hart gegeven, zonder iets achter te houden. Dat was zo vanaf het eerste ogenblik dat ze hem had gezien. Toen was zij een klein meisje van dertien, en hij een jongen van achttien. Om hem had ze zich altijd verzet als papa haar naar Europa wilde sturen. Ze zou dan naar een kostschool in Brussel gaan. Om hem had ze nooit iets anders gewild dan Laboewangi, Ngadjiwa en Patjaram. Om hem zou ze op Patjaram leven en sterven. Om hem had ze al die kleine jaloezieën gekend, als hij met een ander danste. En ook de grote jaloezie, als haar vriendinnen zeiden dat hij verliefd was op die of op die andere. Om hem zou ze die jaloezie altijd blijven kennen, haar hele leven lang. Hij zou haar leven zijn, Patjaram haar wereld. De suiker zou haar belang zijn, omdat het het belang van Addy was. Om hem zou ze veel kinderen willen, heel veel kinderen. Ze zouden wel bruin zijn, niet blank zoals papa en mama en Theo. Want haar eigen moeder was bruin, zij zelf was zacht bruin, en Addy was mooi bronsbruin, als een Moor. Op Patjaram zouden haar kinderen opgroeien in de schaduw van de fabriek, net als de anderen daar. Ze zouden helemaal leven voor de suiker. Later zouden ze de velden beplanten en het suikerriet malen. Zo zouden ze het fortuin van de familie weer opbouwen, zodat het weer zou stralen als vroeger. Ze was zo gelukkig als ze zich geluk maar kon voorstellen. Haar ideaal van verliefd meisje was zo dichtbij: Addy en Patjaram. Ze had geen idee hoe haar geluk was ontstaan. Het kwam door het woord dat Léonie in zelfhypnose had gezegd. Léonie had het bijna zonder te weten gezegd, op het allerlaatste moment. O, nu hoefde ze niet meer met Addy de donkere hoekjes en de donkere sawahs op te zoeken. Nu viel ze hem telkens om de hals, in het volle licht. Ze zat stralend dicht naast hem. Ze keek vol bewondering naar hem op, en iedereen kon het zien. Want ze had de kracht niet meer om het voor de mensen te verbergen. Nu was hij van haar, nu was hij van haar! En hij liet het goedig toe, als een jonge sultan. Hij liet zich kussen en over zijn haar aaien. Hij liet haar arm om zijn hals liggen. Hij nam het allemaal aan als iets dat hem toekwam. Hij was het gewend dat vrouwen hem liefde gaven en hem verwenden. Dat was al zo sinds hij een klein, mollig jongetje was. Toen droeg Tidjem hem rond, zijn baboe, die verliefd op hem was. En hij speelde in een tjelana-monjet met zijn zussen en nichtjes, die allemaal dol op hem waren. Hij nam al die liefde goedig aan. Maar diep vanbinnen was hij verbaasd en geschokt door wat Léonie had gedaan... En toch, zo redeneerde hij, misschien was het op een dag ook vanzelf zo gegaan. Want Doddy hield zoveel van hem... Hij was liever ongetrouwd gebleven. Ongetrouwd had hij op Patjaram toch thuis genoeg. En dan hield hij zijn vrijheid om goedig veel liefde aan de vrouwen te geven... En naïef dacht hij nu al dat het niet zou lukken. Hij zou Doddy nooit lang trouw kunnen blijven. Hij was echt te goedig, en de vrouwen waren allemaal zo gek op hem. Later moest Doddy daar maar aan wennen en leren het te accepteren. En, dacht hij, in Solo, in de Kraton, ging het toch ook zo, bij zijn ooms en zijn neven...

Had Van Oudijck het geloofd? Hij wist het zelf niet. Doddy had Léonie ervan beschuldigd dat ze verliefd was op Addy. Die ochtend had Van Oudijck gevraagd waar Léonie was. Theo had kort geantwoord:

—Bij mevrouw Van Does... met Addy.

Van Oudijck had zijn zoon woedend aangekeken, maar verder niets gevraagd. Hij was meteen naar het huisje van mevrouw Van Does gereden. En daar had hij zijn vrouw inderdaad gevonden, samen met de jonge de Luce, aan haar knieën. Maar zij had zo rustig tegen hem gezegd:

—Adrien de Luce vraagt mij om de hand van je dochter...

Nee, hij wist zelf niet of hij het geloofde. Zijn vrouw had zo rustig geantwoord. En nu, in de eerste dagen van de verloving, was ze zo kalm geweest, glimlachend zoals altijd... Dat vreemde van haar, alsof niets haar kon raken, zag hij nu voor het eerst. Voelde hij wat er achter die muur lag? Het spottende geheim van deze vrouw en haar stille, vurige leven? Hij was zenuwachtig en vol wantrouwen geworden, en onrustig. Hij was een beetje bijgelovig geworden en luisterde naar de stilte waarin het spookte. Het leek alsof hij daardoor had geleerd om dingen om zich heen te zien. Vroeger was hij daar blind voor, in zijn stoere kracht van heerser en trotse hoge ambtenaar. Hij wilde de geheimen die hij vermoedde zeker weten. Hij was ziekelijk prikkelbaar, en dat verlangen werd heel sterk. Daarom werd hij steeds vriendelijker tegen zijn zoon. Vroeger had hij Theo altijd liefgehad, vanzelf, als een vader. Maar nu deed hij het uit nieuwsgierigheid. Hij wilde hem uithoren en Theo alles laten zeggen wat hij wist. En Theo haatte Léonie, en zijn vader, en Addy en Doddy. Hij haatte alle mensen om hem heen. Hij haatte het leven, met het koppige idee van een blonde sinjo. Hij wilde geld en mooie vrouwen. Hij was boos omdat de wereld hem niet in de armen viel. Het leven, fortuin en geluk, zoals hij die zich op zijn kleine manier voorstelde, vielen hem niet om de hals. Theo deed het maar al te graag. Hij perste er zijn paar woorden uit, als bittere druppels. Hij genoot stil als hij zijn vader zag lijden. Heel langzaam liet hij Van Oudijck raden dat het toch waar was: van mama en van Addy. Van Oudijck kon het nog steeds niet aannemen. Uit wantrouwen en haat groeide een vertrouwelijkheid tussen vader en zoon. Daarin sprak Theo over die broer in de kampong. Hij zei dat hij wist dat papa hem geld gaf. Daarmee gaf papa dus toe dat het waar was... En Van Oudijck was niet zeker meer. Hij wist de waarheid niet meer. Hij gaf toe dat het kon, hij gaf toe dat het zo was. Toen dacht hij aan de brieven zonder naam. Pas de laatste tijd kreeg hij die niet meer, sinds hij geld stuurde aan de halfbloed die zijn naam gebruikte. Hij dacht aan de vuile dingen die hij er zo vaak in had gelezen. Toen had hij die altijd als vuil van zich afgegooid. Hij dacht aan de twee namen die er zo vaak samen in stonden: die van zijn vrouw en van Theo zelf. Zijn wantrouwen laaide op als vlammen. Het was een brand die niet meer te blussen was. Die brand verschroeide alle andere gevoelens en gedachten in hem. Ten slotte kon hij zich niet meer inhouden. Hij sprak er openlijk met Theo over. Theo was verontwaardigd en ontkende het, maar zijn vader vertrouwde dat niet. En nu vertrouwde hij niets meer en niemand. Hij wantrouwde zijn vrouw en zijn kinderen, en zijn ambtenaren. Hij wantrouwde zijn kok...

### III.

Toen ging er als een donderslag een gerucht door Laboewangi. Van Oudijck en zijn vrouw zouden gaan scheiden. Léonie ging heel plotseling naar Europa. Eigenlijk wist niemand waarom, en ze nam van niemand afscheid. Het was een groot schandaal in het stadje. Men sprak over niets anders. Men sprak er zelfs over tot in Soerabaia en tot in Batavia. Alleen Van Oudijck zei er niets over. Zijn rug was alleen wat dieper gebogen. Verder ging hij gewoon door, hij werkte door en leefde zijn gewone leven. Hij was ontrouw geworden aan zijn principe: hij had Theo aan een baan geholpen, om van hem af te zijn. Hij had het liefst dat Doddy op Patjaram logeerde. Daar zouden de dames de Luce haar helpen met haar uitzet. Hij had het liefst dat Doddy snel trouwde, en dat ze op Patjaram trouwde. In zijn grote, lege huis wilde hij nu alleen nog de eenzaamheid. Het was een enorme, ongezellige eenzaamheid. Hij liet de tafel niet meer voor zich dekken. Men bracht hem gewoon een bordje rijst en een kop koffie in zijn kantoor. Hij voelde zich ziek en zijn ijver werd minder. Een doffe onverschilligheid vrat zich in hem vast. Al het werk, het hele gewest, kwam op Eldersma neer. Eldersma had in weken niet geslapen en was gek van uitputting. Toen zei hij tegen de resident dat de dokter hem met een spoedcertificaat naar Europa wilde sturen. Toen verloor Van Oudijck alle moed. Hij zei dat hij zich ook ziek voelde. Hij vroeg verlof aan de Gouverneur-Generaal en ging naar Batavia. Hij zei er niets over, maar hij wist zeker dat hij niet meer naar Laboewangi terug zou gaan. Hij ging stilletjes weg, zonder om te kijken naar zijn grote werkterrein. Daar had hij eens met zoveel liefde een geheel van gemaakt. Het bestuur bleef in handen van de assistent-resident in Ngadjiwa. Iedereen dacht dat Van Oudijck met de Gouverneur-Generaal over belangrijke zaken wilde praten. Maar plotseling kwam het bericht dat hij ontslag wilde nemen. Eerst geloofde men het niet, maar het gerucht werd bevestigd. Van Oudijck kwam niet meer terug.

Hij was gegaan zonder om te kijken, in een vreemde onverschilligheid. Die onverschilligheid had hem langzaam tot in het merg ziek gemaakt. Eerst was hij zo'n krachtige en praktische man geweest, die door het werk altijd jong bleef. Nu was hij onverschillig voor Laboewangi. Vroeger dacht hij dat hij Laboewangi alleen met groot heimwee zou verlaten, als hij resident eerste klasse werd. Nu was hij ook onverschillig voor zijn gezin, dat er niet meer was. In zijn ziel was iets dat zacht verwelkte, zwakker werd en wegstierf. Het leek of al zijn krachten wegsmolten in die onverschilligheid, lauw als stilstaand water. In Batavia leefde hij als een plant in een hotel. En iedereen dacht dat hij naar Europa zou gaan.

Eldersma was al weg, doodziek. Eva had niet met hem mee gekund, met het kleine jongetje. Ze had namelijk zware malariakoortsen. Toen ze een beetje beter werd, hield ze een vendutie. Daarna wilde ze naar Batavia gaan en daar drie weken bij kennissen logeren, voor haar boot vertrok. Ze verliet Laboewangi met heel gemengde gevoelens. Ze had er veel geleden. Maar ze had er ook veel nagedacht. En ze had er een diep gevoel gehad voor Van Helderen. Het was zo'n zuiver en prachtig gevoel. Zo'n gevoel straalt maar één keer in een leven, dacht ze. Ze nam afscheid van hem als van een gewone vriend, tussen andere mensen. Ze gaf hem alleen een hand. Maar ze voelde zo'n diep verdriet bij die handdruk en bij dat gewone woord van afscheid. De snikken kwamen in haar keel. Die avond, alleen, huilde ze niet. Maar in haar hotelkamer keek ze uren stil voor zich uit. Haar man was ziek en weg... Ze wist niet hoe ze hem terug zou zien, of ze hem nog terug zou zien. Daarginds lag Europa, na haar Indische jaren. Het liet haar lachend zijn kusten zien, zijn steden, zijn beschaving en zijn kunst. Maar ze was bang voor Europa. Ze was stil bang dat ze met haar verstand achteruit was gegaan. Daarom was ze bijna bang voor de kring in het huis van haar ouders. Over vier weken zou ze daar terug zijn. Ze was bang dat men haar Indisch zou vinden. In haar manieren en ideeën, in haar taal en haar kleren, in de opvoeding van haar kind. Daardoor werd ze al van tevoren verlegen. En dat terwijl ze toch een elegante, artistieke vrouw was, met veel durf. Ze was zeker achteruit gegaan in haar pianospel. In Den Haag zou ze niet meer durven spelen. Ze dacht dat het goed zou zijn om een paar weken in Parijs te blijven. Dan kon ze haar ruwe schil wat kwijtraken, voordat ze zich in Den Haag liet zien...

Maar Eldersma was te ziek... En haar man, hoe zou men *hem* vinden? Hij was zo veranderd. Haar frisse, Friese man was afgebeuld en uitgeput. Hij was geel als oud perkament en slordig in zijn uiterlijk. Hij mopperde somber bij alles wat hij zei... Maar toen zag ze voor haar ogen zacht een beeld verschijnen. Ze zag de frisse natuur van Duitsland en de sneeuw van Zwitserland. Ze zag de muziek in Bayreuth en de kunst in Italië. En ze zag zichzelf samen met haar zieke man. Niet meer samen in liefde, maar samen onder het juk van het leven. Dat leven hadden ze nu eenmaal samen op zich genomen... En dan de opvoeding van haar kind! O, haar kind redden van Indië, voor Indië! En toch was hij, Van Helderen, nooit uit Indië weg geweest. Maar hij was die hij was, en hij was een uitzondering.

Ze had afscheid van hem genomen... Ze moest hem vergeten. Europa wachtte op haar, en haar man, en haar kind...

Een paar dagen later was ze in Batavia. Ze kende Batavia bijna niet. Jaren geleden, toen ze naar Indië kwam, was ze er een paar keer geweest. In Laboewangi woonde ze ver weg, in een hoek van haar kleine residentie. Daar was Batavia in haar fantasie langzaam steeds mooier geworden. Ze zag het als een zeer Europese en oosterse hoofdstad. Een centrum van Europese en oosterse beschaving. Ze had een vaag beeld van grote, deftige lanen en pleinen. Daaromheen stonden grote, rijke villa's met pilaren. En daar reden de elegante rijtuigen druk langs elkaar... Ze had altijd zoveel gehoord over de luxe van Batavia. Nu logeerde ze er bij vrienden. De man was de baas van een groot handelshuis. Hun huis was een van de mooiste villa's aan het Koningsplein. En meteen viel haar iets heel vreemds op. Die grote stad van villa's was zo somber en zo dood, als bij een begrafenis. Duizenden levens haastten zich daar stil en koortsachtig naar een toekomst van geld en rust. Al die huizen waren somber, ondanks hun witte zuilen en hun grootse voorkant. Het was alsof het gezichten vol zorgen waren, met een frons. Ze wilden hun zorgen verbergen achter de deftige brede bladeren en groepen palmen. De huizen leken heel doorzichtig en open tussen hun zuilen. Maar ze bleven gesloten, en de mensen waren nooit te zien. Alleen 's ochtends deed Eva boodschappen langs de winkels van Rijswijk en Molenvliet. Die winkels hadden een paar Franse namen. Ze probeerden te lijken op een winkelstad in het zuiden van Europa, vol elegantie. Daar zag Eva de witte mannen in een lange stroom naar de Stad gaan. Ze waren wit van gezicht en wit van kleren. Hun blik was ook als leeg en wit van zorgen en nadenken. Ieder van hen keek met die verre, witte blik vol zorg naar de toekomst. Ze rekenden die toekomst uit in tientallen of in vijftallen jaren. In dat en dat jaar heb ik zoveel verdiend. En dan weg, weg uit Indië, naar Europa. Het was als een andere koorts dan de malaria, die hen sloopte. Hun lichamen en hun zielen waren nooit aan het land gewend. Ze voelden die koorts zo erg dat ze de dag van vandaag wel wilden overslaan. Ze wilden meteen naar morgen, naar overmorgen. Want die dagen brachten hen iets dichter bij hun doel. In stilte waren ze bang dat ze zouden sterven voordat ze hun doel bereikten. De stroom vulde de trams met witte, stille mannen, als doden. Velen hadden al wat geld, maar waren nog niet rijk genoeg voor hun doel. Zij reden in hun eigen rijtuigjes tot aan de Harmonie. Daar namen ze de tram, om hun paarden niet te moe te maken.

En in de Oude Stad bogen ze zich over hun werk. Ze werkten in de oude, deftige huizen van de eerste Hollandse kooplieden. Die huizen waren nog op de Hollandse manier gebouwd, met eikenhouten trappen naar de verdiepingen. Nu, in de Oostmoesson, hing er een dikke, benauwde warmte. Die warmte was zo dik dat je haar bijna kon aanraken. Je kon er bijna niet doorheen ademen. Daar keken ze met dorstige ogen naar de witte woestijn van hun papieren. En steeds zagen ze daartussen de fata morgana van die toekomst. Het was een oase met fris water, de droom van mensen die alleen aan geld denken. Over zoveel tijd geld, en dan weg, weg... naar Europa... En in de villastad rond het Koningsplein, langs de groene lanen, verstopten de vrouwen zich. De vrouwen bleven onzichtbaar, de hele lange, lange dag. De warme dag ging voorbij. Dan kwam het uur van heerlijke koelte, van half zes tot zeven. De mannen kwamen doodmoe terug in hun huizen en rustten uit. En de vrouwen rustten uit naast de mannen. Ze waren moe van hun huishouden, van hun kinderen en van niets. Moe van het leven van niets, het leven zonder doel. Moe van hun lege, dode bestaan. In het uur van heerlijke koelte was er rust. De rust na het bad, in losse huiskleren, rond het theeblad. Het was maar een korte rust, één ogenblik. Want angstig kwam het uur van zeven dichterbij. Dan was het al donker, en dan moest men naar een receptie. Een receptie, dat betekende: je warm aankleden in Europese kleren. Het was het verschrikkelijke uur van de salons en de grote wereld. Dan deed je even mee met de Europese beschaving. Maar het betekende ook dat je die of die persoon ontmoette. Dan kon je proberen een stap verder te komen, naar de fata morgana van de toekomst. Naar geld, en eindelijk naar rust in Europa. De hele dag was de villastad in de zon somber geweest, en dood, alsof er niemand meer leefde. De mannen waren ginds in de Oude Stad, de vrouwen zaten verstopt in hun huizen. Maar nu, in het donker, reden er een paar rijtuigen langs het Koningsplein en de groene lanen. Een paar mensen die er Europees uitzagen, gingen naar een receptie. Alle andere villa's rond het Koningsplein en aan de groene lanen bleven somber en dood, als bij een begrafenis. Ze liepen vol met sombere duisternis. Maar het huis waar een receptie was, straalde van de lampen tussen de palmen. Verder bleef het overal stil en dood. Overal hing het sombere piekeren boven de huizen. Daarin verstopten zich de moede mensen: de mannen, afgebeuld van het werk, de vrouwen, afgebeuld van niets...

—Wil je niet een ritje maken, Eva? vroeg haar gastvrouw, mevrouw De Harteman.

Zij was een kleine Hollandse vrouw, wit als was, en altijd moe van haar kinderen.

—Maar ik ga liever niet mee, als je het niet erg vindt, zei zij. Ik wacht liever op Harteman. Anders vindt hij niemand thuis. Ga jij dus maar, met je kleine jongen.

En Eva maakte met haar zoontje een rit in de „wagen” van De Harteman. Het was het koele uur, en het was nog licht. Zij kwam twee, drie rijtuigen tegen. Daarin zaten mevrouw zus en mevrouw zo. Van hen wist iedereen dat zij 's middags een rit maakten. Op het Koningsplein zag zij een heer en een dame wandelen. Dat waren meneer en mevrouw zo-en-zo. Zij wandelden altijd; dat wist heel Batavia. Verder kwam zij niemand tegen. Niemand. In dit heerlijke koele uur bleef de villastad stil als de dood. Het was een stad van doden, een enorm graf tussen het groen.

Toch was het Koningsplein een zegen na de zware hitte. Het lag daar als een reusachtige weide. Het verbrande gras werd met de eerste regens weer groen. De huizen lagen zo ver weg in hun dichte tuinen dat je bijna buiten leek te zijn. Het was als bos en veld en weide, met de wijde lucht erboven. Daar haalden de longen nu diep adem. Het was alsof zij voor het eerst die dag lucht en leven inademden. En die wijde lucht had elke dag andere, rijke kleuren. Het was een overvloed van zonsondergang, een prachtige dood van de hete dag. Het leek alsof de zon zelf brak in zeeën van vloeibaar goud. Daartussen hingen lila wolken die met regen dreigden. Het was zo wijd en zo heerlijk, zo'n enorme zegen, dat het echt troost gaf voor die dag.

Maar niemand zag het, behalve die twee, drie mensen. Van hen wist men in Batavia dat zij reden of wandelden. De lucht werd paars en het werd donker. De nacht viel met een zware schaduw. De hele dag was de stad stil als de dood geweest, met een somber gezicht vol zorgen. Nu viel zij moe in slaap, als een stad van zorg...

Vroeger was het anders, zei de oude mevrouw De Harteman, de schoonmoeder van Eva's vriendin. Nu waren ze er niet meer, de gezellige huizen met hun Indische gastvrijheid. Vroeger stond de tafel voor iedereen open. Gasten werden met echte hartelijkheid ontvangen. Maar het karakter van de kolonist leek veranderd. Het was donkerder geworden, omdat zijn kansen slechter waren geworden. Hij was teleurgesteld, want hij bereikte zijn doel niet snel. Dat doel was rijk worden, alleen maar geld. Door die bitterheid leken ook zijn zenuwen boos en giftig te worden. Zoals zijn ziel donkerder werd, werd zijn lichaam zwakker. Het kon niet meer vechten tegen het klimaat, dat alles kapotmaakte...

Eva vond in Batavia niet de ideale stad die zij in de Oosthoek voor zich had gezien. Zij had gedacht aan een stad van Europese en oosterse beschaving. Maar in dit grote centrum dacht iedereen alleen aan zorgen om geld en verlangen naar geld. Alle vrije, natuurlijke vrolijkheid was verdwenen. Het leven werd saai en suf. Men sloot zich altijd op, op kantoor of thuis. Men zag elkaar alleen op de recepties. Voor de rest sprak men elkaar door de telefoon. Dat misbruik van de telefoon in huis maakte alle gezelligheid tussen kennissen kapot. Men zag elkaar niet meer. Men hoefde zich niet meer aan te kleden. Men hoefde het rijtuig, de wagen, niet meer te laten inspannen. Want men praatte door de telefoon, in sarong en kabaai, of in nachtbroek en kabaai. En men hoefde zich bijna niet te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand. Door de achtergalerij rinkelde steeds het belletje. Men belde elkaar op voor niets, alleen voor het plezier van het bellen.

De jonge mevrouw De Harteman had een goede vriendin die zij nooit zag. Toch sprak zij haar elke dag een half uur door de telefoon. Zij ging er dan bij zitten; zo werd zij er niet moe van. Zij lachte en maakte grapjes met haar vriendin. Daarvoor hoefde zij zich niet aan te kleden en niet te bewegen. Zo deed zij het ook met andere kennissen: zij legde haar bezoeken af door de telefoon. Ook haar boodschappen bestelde zij door de telefoon. In Laboewangi was Eva niet gewend aan dat eeuwige gerinkel en gebel. Het maakte elk gesprek kapot. In de achtergalerij hoorde je luid de ene helft van een gesprek. Het antwoord konden de anderen niet horen. Zo klonk het als een eindeloos geratel van één kant. Eva werd er zenuwachtig van en ging naar haar kamer.

Het leven was hier saai. Voor de man was het vol zorgen en stil gepieker, en daardoorheen ratelde het telefoongepraat van zijn vrouw. Daarom was het voor Eva een verrassing dat er plotseling iets bijzonders gebeurde. Er kwam een Fancy-fair, en er waren repetities voor een opera, gespeeld door amateurs. In die weken ging zij zelf naar een voorstelling. Zij was verbaasd. Het was echt een heel goede uitvoering. Het leek alsof die muzikale amateurs speelden met de kracht van de wanhoop. Zo wilden zij de verveling van de avonden in Batavia verjagen... Want de Italiaanse opera was weg. Eva moest lachen om een rubriek in de Javabode: „publieke vermakelijkheden”. Meestal kon men daar alleen kiezen uit drie of vier vergaderingen van aandeelhouders.

Ook dat was vroeger anders, zei de oude mevrouw De Harteman dan. Zij herinnerde zich nog de uitstekende Franse opera van vijfentwintig jaar geleden. Die kostte duizenden guldens, maar die duizenden waren er altijd. Nee, de mensen hadden geen geld meer om 's avonds plezier te maken. Soms gaven zij een heel duur diner. Of zij gingen naar een vergadering van aandeelhouders.

Eva vond het in Laboewangi echt toch veel gezelliger. Het was waar: zij had zelf veel aan die gezelligheid meegewerkt. Van Oudijck had haar daar altijd bij aangemoedigd. Hij was blij als hij van zijn residentiestad een leuk, vrolijk stadje kon maken. En Eva kwam tot een conclusie. Zij hield toch meer van een kleine plaats in het binnenland, met een paar beschaafde, gezellige Europeanen. Die moesten dan wel goed met elkaar overweg kunnen. Zij mochten niet te veel ruziemaken, zo dicht op elkaar. Zo'n plaats vond zij beter dan Batavia, dat zich zo belangrijk voelde, op anderen neerkeek en somber was. Alleen bij de militairen was er leven. Alleen de huizen van officieren hadden 's avonds licht. Voor de rest stierf de stad weg, de hele lange warme dag. Zij keek vol zorgen, met haar onzichtbare mensen die naar de toekomst uitkeken. Die toekomst was geld, en misschien nog meer: rust, in Europa.

En Eva wilde weg. Batavia benam haar de adem, ondanks haar ritje elke dag langs het wijde Koningsplein. Zij had nog maar één wens, een wens vol verdriet: afscheid nemen van Van Oudijck. Zij was een elegante, artistieke vrouw. Toch had zij, heel vreemd, oog gehad voor zijn karakter: dat van een eenvoudige man van de praktijk. Zij had er de charme van gevoeld. Misschien had zij, heel even maar, iets voor hem gevoeld, heel diep vanbinnen. Het was een vriendschap, het tegenovergestelde van haar vriendschap voor Van Helderen. Het was meer bewondering voor zijn hoge menselijke kwaliteiten. Het was niet het gevoel dat hun zielen bij elkaar hoorden. Zij had met hem meegeleefd in die vreemde dagen vol geheimen. Toen was hij alleen in zijn enorme huis, met de vreemde gebeurtenissen om hem heen. Zij had diep medelijden met hem gehad toen zijn vrouw wegging. Het was alsof zij haar hoge positie wegschopte. Zij was gegaan in een brutale bui, om schandaal te maken. Niemand wist precies waarom. Eerst was zijn vrouw altijd correct geweest, hoe slecht zij vanbinnen ook was. Maar langzaam had het vreemde gebeuren haar opgegeten, als een kanker. Zij kon zich niet meer inhouden. Zij liet de geheimste dingen van haar zondige ziel zien, op de koudste, meest onverschillige manier. De rode sirihspatten, door spoken op haar blote lichaam gespuugd, hadden haar ziek gemaakt. Zij waren diep in haar binnengedrongen, tot in haar botten. Het was alsof haar ziel uit elkaar viel. Misschien zou zij daaraan heel langzaam ten onder gaan. Wat men nu over haar vertelde, over haar leven in Parijs, kon men alleen zacht zeggen. Het was zo slecht dat men er niet hardop over durfde te spreken.

In Batavia hoorde Eva daarover, tussen de praatjes op de recepties. Zij vroeg ook naar Van Oudijck. Waar logeerde hij? Ging hij snel naar Europa, na zijn ontslag? Hij had dat zo onverwacht genomen, en de hele wereld van ambtenaren was erover verbaasd. Maar men wist het niet goed. Men vroeg elkaar of hij niet meer in hotel Wisse woonde. Daar had men hem toch een paar weken gezien. Hij lag in zijn stoel in het kleine voorgalerijtje, met de benen op de leuningen. Hij bewoog niet, alsof hij steeds naar één punt keek... Hij was bijna niet uitgegaan. Hij at wel in het hotel, maar hij kwam niet aan de table-d'hôte. Altijd had hij met honderden mensen moeten omgaan. Nu leek het alsof hij bang voor mensen was geworden.

Eindelijk hoorde Eva dat Van Oudijck in Bandong woonde. Zij moest daar nog een paar afscheidsbezoeken doen, dus ging zij naar de Preanger. Maar in Bandong was hij niet te vinden. De hotelhouder vertelde wel dat resident Van Oudijck een paar dagen bij hem had gelogeerd. Maar hij was weggegaan, en de man wist niet waarheen. Eindelijk hoorde zij toevallig van een heer aan tafel dat Van Oudijck dicht bij Garoet woonde. Zij ging naar Garoet, blij dat zij hem op het spoor was. In het hotel daar kon men haar uitleggen waar hij woonde.

Zij wist niet of zij hem eerst zou schrijven om haar bezoek aan te kondigen. Het was alsof zij al voelde dat hij dan een excuus zou geven. Dan zou zij hem nooit meer zien. En zij stond op het punt Java te verlaten. Zij wilde hem zien, uit sympathie en ook uit nieuwsgierigheid. Zij wilde zelf zien hoe hij geworden was. Zij wilde begrijpen waarom hij zo plotseling ontslag had genomen. Hij had zijn mooie plaats in het leven weggegooid, een plaats waar velen jaloers op waren. Meteen had een ander die plaats ingenomen. Dat was iemand die achter hem stond te dringen, in de grote haast naar promotie.

De volgende morgen vertrok zij dus heel vroeg in een rijtuig van het hotel. Zij had niets laten weten. De hotelhouder had de koetsier uitgelegd waar hij heen moest. Zij reed heel lang, langs het meer van Lellès. De koetsier wees haar erop. Het was een heilig, donker meer. Op twee eilanden erin liggen de oeroude graven van heiligen. Boven het meer hing een zwerm heel grote kalongs, als een donkere wolk van dood. Het waren zwarte, reusachtige vleermuizen, die altijd in het rond vlogen. Ze sloegen met hun vleugels als duivels. Ze schreeuwden hun wanhopige kreet van overwinning. Steeds maar draaiden ze in kringen rond. Het was een zwarte, draaiende wolk, zwart als rouw. Daarachter lag de eindeloos diepe blauwe lucht van de dag. Vroeger waren deze duivels zo bang voor de dag. Nu leek het alsof zij hadden gewonnen. Ze waren niet meer bang voor het licht. Want met de schaduw van hun donkere vlucht maakten ze het licht toch zwart.

En het was zo benauwend: het heilige meer, de heilige graven, en daarboven een zwerm als van zwarte duivels in de diepe blauwe lucht. Het was alsof iets van het geheim van Indië zich plotseling liet zien. Het verborg zich niet meer, vaag en zacht. Het was echt zichtbaar in de zon, en het maakte je bang met zijn dreigende overwinning... Eva beefde. Zij keek angstig naar boven. Het leek haar alsof de zwarte zwerm met zijn vleugels naar beneden zou slaan. Op haar... Maar de schaduw van de dood tussen haar en de zon draaide alleen rond, hoog boven haar hoofd. Hij schreeuwde alleen wanhopig zijn triomf... Zij reed verder, en de vlakte van Lellès lag groen en vrolijk voor haar. De seconde waarin het geheim zich liet zien, was al voorbij. Er was niets meer dan de groene en blauwe rijkdom van de natuur van Java. Het geheim verborg zich alweer tussen de fijne, wuivende bamboes. Het loste op in de blauwe oceaan van de lucht.

De koetsier reed langzaam een weg op die omhoog liep. De natte sawahs gingen als trappen naar boven, als terrassen van spiegels. Ze waren licht en zacht groen van de jonge padi, die voorzichtig was geplant. Toen was het plotseling als een laan van varens. Reusachtige varens stonden hoog als waaiers, en grote vlinders als uit een sprookje vlogen rond. Tussen de dunne bamboes werd een klein huis zichtbaar. Het was half van steen en half van gevlochten bamboe. Er lag een tuintje omheen, met een paar witte potten met rozen. Een heel jonge vrouw in sarong en kabaai keek naar buiten. Haar wangen hadden een zachte gouden kleur. Haar ogen waren zwart als kolen en keken nieuwsgierig. Zij keek verrast naar het rijtuig, dat heel langzaam aankwam. Toen vluchtte zij naar binnen. Eva stapte uit en hoestte zacht. Plotseling zag zij om een scherm in de kleine middengalerij een stukje van het gezicht van Van Oudijck. Hij keek stiekem naar haar. Meteen verdween hij weer.

—Resident! riep zij, en zij maakte haar stem lief.

Maar niemand kwam, en zij werd verlegen. Zij durfde niet te gaan zitten. Maar zij wilde ook niet weer weggaan. Buiten keek een gezichtje om de hoek van het huisje. Het waren twee bruine gezichtjes van heel jonge nonna-meisjes. Ze verdwenen weer, lachend. In het huisje hoorde Eva zacht praten, heel zenuwachtig, alsof er iets heel spannends gebeurde. Zij hoorde iemand roepen en zacht zeggen: „Sidin! Sidin!” Zij glimlachte en kreeg wat meer moed. Zij bleef en liep wat heen en weer in de kleine voorgalerij.

Eindelijk kwam er een oude vrouw. Misschien was zij niet zo heel oud in jaren. Maar zij had al een huid vol rimpels en ogen zonder licht. Zij droeg een kabaai van gekleurde katoen en sleepte met haar sloffen. Zij sprak een beetje Nederlands en toen toch maar Maleis. Glimlachend en beleefd vroeg zij Eva te gaan zitten. Zij zei dat de resident meteen zou komen. Zij ging zelf ook zitten en glimlachte. Zij wist niet wat zij moest zeggen. Eva vroeg haar iets over het meer en over de weg. Maar zij kon geen antwoord geven. Daarom liet zij liever siroop brengen, en ijswater, en dunne koekjes. Zij praatte niet, maar glimlachte en zorgde voor haar gast. Soms keken de jonge nonna-gezichtjes weer om het huisje. Dan stampte de oude vrouw boos met haar slof en riep hun plotseling een boos woord toe. Dan verdwenen ze lachend en renden hard weg. Je hoorde hun blote voetjes op de grond klappen. Dan glimlachte de oude vrouw weer met haar rimpelige mond, die altijd glimlachte. Zij keek een beetje verlegen naar de dame, alsof zij excuus vroeg.

Het duurde heel lang voordat Van Oudijck eindelijk kwam. Hij begroette Eva heel hartelijk. Hij vroeg excuus dat hij haar had laten wachten. Je kon zien dat hij zich snel had geschoren en een schoon wit pak had aangetrokken. Hij was duidelijk blij haar te zien. De oude vrouw ging weg, nog steeds met haar glimlach, alsof zij zich wilde verontschuldigen.

In die eerste vrolijkheid leek Van Oudijck voor Eva helemaal dezelfde. Maar toen zat hij rustiger. Hij vroeg of zij nieuws van Eldersma had, en wanneer zij zelf naar Europa ging. Toen zag zij dat hij oud was geworden, een oude man. Het was niet zijn figuur. In zijn goed gesteven witte pak had hij nog altijd iets breeds en militairs, iets sterks. Alleen zijn rug was wat krommer, alsof hij een last droeg. Maar het was in zijn gezicht te zien. Zijn ogen keken moe en zonder interesse. Op zijn voorhoofd stonden zware lijnen, alsof het hem bijna pijn deed. Zijn huid was geel en droog. En zijn brede snor was helemaal grijs. Soms speelde daar nog de oude vrolijke trek omheen. Zijn handen beefden een beetje, van de zenuwen. Hij vroeg haar uit over wat men in Laboewangi had gezegd. Hij was nog altijd nieuwsgierig naar de mensen daar, naar zijn gewest, waar hij eens zo veel van had gehouden... Zij sprak er vaag over. Zij maakte alles mooier en zachter. Vooral vertelde zij hem niets van de praatjes. Men zei dat hij met de noorderzon was vertrokken, dat hij gevlucht was. Waarvoor, dat wist men zelf niet.

—En u, resident? vroeg zij. Gaat u ook gauw naar Europa?

Hij keek lang voor zich uit. Toen lachte hij, met pijn, voordat hij antwoord gaf. Eindelijk zei hij, bijna verlegen:

—Nee, mevrouwtje, ik ga niet meer terug. Kijk, hier in Indië ben ik iets geweest. Daar zou ik niets zijn. Ik ben nu ook niets meer, maar ik voel toch dat Indië mijn land is geworden. Het land is mijn meester geworden, en ik hoor er nu bij. Bij Holland hoor ik niet meer. En niets en niemand in Holland hoort bij mij. Het is waar, ik ben opgebrand. Maar ik leef toch liever hier nog een tijdje verder dan daar. In Holland zou ik niet meer tegen het klimaat kunnen, en niet meer tegen de mensen. Hier vind ik het klimaat prettig, en van de mensen heb ik mij teruggetrokken. Theo heb ik nog een laatste keer geholpen, en Doddy is getrouwd. En de twee jongens gaan naar Europa, voor hun opvoeding...

Plotseling boog hij zich naar haar toe. Met een andere stem zei hij heel zacht, alsof hij iets wilde bekennen:

—Kijk... als alles gewoon was gegaan... dan... dan had ik niet zo gehandeld. Ik ben altijd een man van de praktijk geweest, en daar was ik trots op. Ik was trots op het gewone leven. Mijn eigen leven leidde ik volgens principes die ik goed vond. Zo ging ik naar een hoge plaats tussen de mensen. Zo ben ik altijd geweest, en zo ging het goed. Alles ging mij voor de wind. Als anderen zich zorgen maakten over promotie, sprong ik over vijf mensen tegelijk heen. Alles ging glad voor mij, tenminste in mijn carrière. In mijn leven thuis ben ik niet gelukkig geweest. Maar ik zou nooit zo zwak zijn dat ik daardoor van verdriet langzaam ziek werd. Er is voor een man zoveel buiten zijn leven thuis. En toch hield ik altijd veel van mijn huiselijke kring. Ik geloof niet dat het mijn schuld was dat alles zo gelopen is. Ik hield van mijn vrouw, ik hield van mijn kinderen, ik hield van mijn huis. Daar was ik man en vader. Maar dat gevoel in mij heeft nooit echt de ruimte gekregen. Mijn eerste vrouw was een nonna. Ik trouwde met haar omdat ik verliefd op haar was. Met haar rare buien kon zij mij niet klein krijgen. Daarom ging het na een paar jaar niet meer. Op mijn tweede vrouw was ik misschien nog verliefder dan op mijn eerste. Ik ben in die dingen een eenvoudige man... Maar ik heb het nooit mogen hebben: een lieve huiselijke kring. Een lieve vrouw, kinderen die op je schoot kruipen. Kinderen die je mooi ziet opgroeien tot mensen. Mensen die alles aan jou te danken hebben: hun leven, hun bestaan, eigenlijk alles wat zij hebben en zijn... Dat had ik graag gehad... Maar zoals ik zeg: ook al miste ik het, het zou mij nooit kapot hebben gemaakt...

Hij zei even niets. Toen ging hij verder, nog zachter, alsof het een geheim was:

—Maar dát, ziet u... dát, wat er gebeurd is... dat heb ik nooit begrepen... En dat heeft mij hierheen gebracht... Al dat, wat inging tegen het leven, tegen de praktijk en de logica... al die... (hij sloeg met zijn vuist op de tafel) al die verdomde onzin, die toch... die toch maar gebeurde... dat heeft het gedaan. Ik was er wel sterk tegen, maar mijn kracht hielp niet. Het was iets waar niets tegen hielp... Ik weet het wel: het was de Regent. Toen ik hem gedreigd heb, is het opgehouden... Maar, mijn God, mevrouwtje, zeg mij: wát was het?? Weet u het? Nee, nietwaar? Niemand, niemand wist het, niemand weet het. Die vreselijke nachten. Die geluiden boven mijn hoofd, die niemand kon verklaren. Die nacht in de badkamer met de majoor en de andere officieren... Het was echt geen inbeelding. Wij zagen het, wij hoorden het, wij voelden het. Het viel op ons, het spuugde op ons. De hele badkamer was er vol van!! Andere mensen hebben het niet meegemaakt. Die kunnen gemakkelijk zeggen dat het niet waar is. Maar ik, wij allemaal, wij hebben het toch gezien, gehoord, gevoeld... En niemand van ons wist wat het was... En sindsdien heb ik het altijd gevoeld. Het was om mij heen, in de lucht, onder mijn voeten... Ziet u, dat... en dat alleen... (dat zei hij heel zacht) dat heeft het gedaan. Daardoor kon ik daar niet meer blijven. Daardoor werd ik als stom en dom in het gewone leven, in al mijn praktijk en logica. Die leek mij opeens een verkeerd gebouwde manier van leven. Alsof het alleen maar losse gedachten op papier waren. Want er gebeurden dwars daardoorheen dingen uit een andere wereld. Dingen die ik niet kon vatten, ik niet en niemand. Dat, dat alleen heeft het gedaan. Ik was mezelf niet meer. Ik wist niet meer wat ik dacht, wat ik deed, wat ik gedaan had. Alles in mij werd onzeker. Die ellendeling in de kampong... hij is mijn kind niet, ik verwed er mijn leven om. En ik... ik heb het geloofd. Ik heb hem geld laten sturen. Zeg mij, begrijpt u mij? Zeker niet? Je kunt het niet begrijpen, dat vreemde, dat onnatuurlijke. Niet als je het zelf niet hebt meegemaakt, in je vlees en in je bloed, tot het diep in je botten zat...

—Ik geloof dat ik het ook wel eens gevoeld heb, zei zij nu zacht. Als ik met Van Helderen langs de zee wandelde. Dan was de lucht zo ver en de nacht zo diep. Of als de regens van heel ver aankwamen, met hun geruis, en dan neervielen... Of in de nachten, doodstil en toch zo vol geluid. Dan was er om je heen altijd een muziek die je niet kon vatten en bijna niet kon horen... Of gewoon als ik in de ogen van een Javaan keek. Als ik met mijn baboe sprak, en het leek alsof niets van wat ik zei tot haar doordrong. En alsof haar antwoord haar echte, geheime antwoord verborg...

—Dat is weer iets anders, zei hij. Dat begrijp ik niet. Ik, voor mij, kende de Javaan wel. Maar misschien voelt elke Europeaan dát op een andere manier, volgens zijn karakter en zijn natuur. Voor de een is het misschien de afkeer die hij vanaf het begin voelt voor dit land. Hij denkt alleen aan geld en dingen, en daar is hij zwak. Daar valt het land hem aan, en het blijft tegen hem vechten... Terwijl het land zelf toch zo vol poëzie is en... vol geheim, zou ik bijna zeggen. Voor een ander is het het klimaat, of het karakter van de inlander, of iets anders. Dat keert zich tegen hem, en dat begrijpt hij niet. Voor mij... waren het feiten die ik niet begreep. Tot nu toe had ik een feit altijd kunnen begrijpen... tenminste, zo leek het mij. Nu leek het of ik niets meer begreep... Zo werd ik een slechte ambtenaar. Toen begreep ik dat het voorbij was. Toen ben ik er rustig mee gestopt. En nu ben ik hier, en nu blijf ik maar hier. En weet u wat het vreemde is? Hier heb ik mijn huiselijke kring... misschien eindelijk gevonden...

De bruine gezichtjes keken om de hoek. Hij riep ze en lokte ze, vriendelijk, met een breed gebaar als een vader. Maar ze stampten weer weg; je hoorde hun blote voetjes. Hij lachte.

—Ze zijn heel verlegen, die kleine apen, zei hij. Het zijn de zusjes van Lena. En die u net gezien hebt, is haar moeder.

Hij zei even niets, heel eenvoudig, alsof zij wel zou begrijpen wie Lena was. Lena was de heel jonge vrouw met de zachte gouden wangen en de ogen zwart als kolen. Eva had haar heel even gezien.

—En dan zijn er broertjes, die naar school moeten in Garoet. Ziet u, dat is nu mijn huiselijke kring. Toen ik Lena leerde kennen, heb ik de hele familie er maar bij genomen. Het kost me wel veel geld. Want ik heb mijn eerste vrouw in Batavia, mijn tweede in Parijs, René en Ricus in Holland. Dat kost me allemaal geld. En nu hier mijn nieuwe „huiselijke kring”. Maar nu hèb ik tenminste mijn kring... U zult zeggen: het is wel een Indische boel. Dat Indisch huwelijk met een dochter van een opzichter van een koffieplantage. En daarbij krijg ik ook nog de oude vrouw en de broertjes en zusjes. Maar ik doe er toch iets goeds mee. De mensen hadden geen cent, en ik help ze. En Lena is een lief kind, en de troost van mijn oude dag. Ik kan niet leven zonder vrouw, en zo is het vanzelf gekomen... En zo is het heel goed. Ik leef hier nu rustig als een plant. Ik drink lekkere koffie, en ze zorgen goed voor de oude man...

Hij zei even niets, en toen:

—En u... u gaat naar Europa? Arme Eldersma, ik hoop dat hij snel beter wordt... Het is allemaal mijn schuld, nietwaar? Ik liet hem te veel werken. Maar zo gaat het in Indië, mevrouw. Wij werken hier allemaal hard. Tot we niet meer werken. En u gaat... al over een week? Wat zult u blij zijn uw ouders te zien en mooie muziek te horen. Ik ben u nog altijd dankbaar. U hebt veel voor ons gedaan. U was de poëzie in Laboewangi. Arm Indië... wat schelden ze er niet op! Het land kan er toch niets aan doen dat er Kaninefaten op zijn grond zijn gekomen. Wilde veroveraars, die alleen maar rijk willen worden en weg willen... En als ze dan niet rijk worden... dan schelden ze. Op de warmte, die God het land vanaf het begin gegeven heeft... Op het gebrek aan voedsel voor ziel en geest... de ziel en geest van de Kaninefaat. Het arme land, waarop zo gescholden wordt, zal wel denken: was maar weggebleven! En u... u hield ook niet van Indië.

—Ik heb geprobeerd de poëzie ervan te vatten. En soms lukte dat ook. Voor de rest... is alles mijn schuld, resident, en niet de schuld van dit mooie land. Net als uw Kaninefaat... had ik hier niet moeten komen. Al mijn spleen, al mijn verdriet... dat ik hier heb gehad, in dit mooie land vol geheimen... dat is mijn eigen schuld. Ik scheld niet op Indië, resident.

Hij pakte haar hand, bijna ontroerd. Zijn ogen waren bijna vochtig.

—Ik dank u daarvoor, zei hij zacht. Dat woord is van u, uw eigen woord. Het is het woord van een verstandige, ontwikkelde vrouw. U bent niet als een domme Hollander die er maar op los scheldt. Die scheldt omdat hij hier niet precies heeft gevonden wat bij zijn kleine ideaal paste. Ik weet het: uw natuur heeft hier veel geleden. Het kan niet anders. Maar... het was niet de schuld van het land.

—Het was mijn eigen schuld, resident, zei zij nog eens, met haar zachte stem en haar glimlach.

Hij vond haar een heerlijke vrouw. Zij ging niet vloeken en schelden. Zij barstte ook niet uit in vreugde omdat zij over een paar dagen Java verliet. Dat deed hem goed. Toen zij opstond en zei dat het tijd werd, voelde hij een zwaar verdriet.

—En ik zie u dus nooit meer terug?

—Ik geloof niet dat wij terug zullen komen.

—Het is dus een afscheid voor altijd?

—Misschien zien wij u nog in Europa...

Hij maakte met zijn hand een gebaar van nee.

—Ik ben u heel dankbaar dat u de oude man eens bent komen opzoeken. Ik rijd met u mee naar Garoet...

Hij riep het naar binnen. Daar zaten de vrouwen verstopt, onzichtbaar, en daar lachten de kleine zusjes. Hij stapte met haar in het kleine rijtuig. Zij reden de laan van varens uit. Plotseling zagen zij het heilige meer van Lellès. Het was donker van de draaiende wolk kalongs, die altijd in het rond vlogen.

—Resident, zei zij zacht, ik voel het hier...

Hij glimlachte.

—Dat zijn maar kalongs, zei hij.

—Maar in Laboewangi... daar was het misschien ook maar een rat...

Hij fronste even zijn wenkbrauwen. Toen glimlachte hij weer, met de oude vrolijke trek om zijn brede snor. Nieuwsgierig keek hij naar boven.

—Hè, zei hij zacht. Echt? Voelt u het hier?

—Ja.

—Nee, ik niet... Het is voor iedereen iets anders.

De reusachtige vleermuizen schreeuwden hard en wanhopig hun triomf. Het rijtuigje reed verder en kwam langs een kleine spoorweghalte. Deze streek was anders altijd zo eenzaam. Daarom was het vreemd dat er nu een hele bevolking bij het kleine station samenkwam. Het was een zwerm van kleurige Soendanezen. Zij keken vol verlangen uit naar een langzame trein. De trein kwam tussen de bamboes aan, met zwarte rook. Alle ogen waren wijd open, als gek. Het was alsof zij hun redding verwachtten van de eerste blik. Alsof de eerste indruk een schat zou zijn voor hun ziel.

—Dat is een trein met nieuwe hadji's, zei Van Oudijck. Allemaal verse Mekka-gangers...

De trein stopte. Uit de lange wagons van de derde klas stapten de hadji's uit. Zij deden het ernstig en langzaam, vol heilig gevoel. Zij wisten goed hoeveel zij waard waren. Om hun hoofd droegen zij rijke tulbanden in geel en wit. Daaronder lichtten hun ogen trots. Hun lippen waren trots op elkaar geperst. Zij droegen nieuwe, glimmende jassen en lange goudgele en paarse samaren. Die vielen deftig bijna tot op hun voeten. De wachtende menigte kwam dichterbij, met een zacht, blij geluid. Soms steeg er een kreet van heilige vreugde op, die zij niet konden inhouden. De mensen stormden op de smalle uitgangen van de lange wagons af... Ernstig stapten de hadji's uit. Hun broeders en vrienden vochten erom wie hun handen mocht grijpen. Of de randen van hun goudgele en paarse samaren. En zij kusten die heilige hand en dat heilige kleed. Want dat bracht hun iets van het heilige Mekka. Zij vochten en duwden elkaar weg bij de hadji's, om als allereerste de kus te geven. En de hadji's, trots en zeker van zichzelf, leken boven die strijd te staan. Zij bleven deftig, rustig en ernstig te midden van de strijd. Om hen heen bewoog de menigte als golven, met een zacht, druk geluid. De hadji's gaven hun hand en de rand van hun lange kleed. Iedereen die achter hen aan kwam, mocht er een vurige kus op geven.

Het was vreemd. Dit was een land van diep, verborgen geheim, dat sliep. Dit volk van Java verborg zich altijd in het geheim van zijn ziel. Niemand kon in die ziel kijken. En toch zag je hier een heilige vreugde opkomen, onderdrukt maar toch zichtbaar. Je zag ogen kijken, dronken van geloof. Je zag een deel van die gesloten ziel opengaan. Zij aanbaden de mensen die het graf van de Profeet hadden gezien. Je hoorde zacht het geluid van religieuze vreugde. En plotseling, onverwacht, hoorde je een kreet van glorie opstijgen, die niet te onderdrukken was. Die kreet verdween meteen weer in het geluid van de menigte, alsof hij bang was voor zichzelf. Want het heilige moment was er nog niet...

Van Oudijck en Eva reden langzaam op de weg achter het station, om de drukke menigte heen. De menigte bleef met een zacht geluid om de hadji's heen staan. De mensen droegen eerbiedig hun bagage. Zij boden hun vleiend hun karretjes aan. Toen keken Van Oudijck en Eva elkaar plotseling aan. Geen van beiden wilde het in woorden zeggen. Maar met een blik vol begrip zeiden zij tegen elkaar dat zij Hèt voelden, Dàt. Allebei, allebei tegelijk nu, daar te midden van die vurige menigte...

Zij voelden het allebei, wat niet te zeggen is. Dat wat zich verbergt in de grond. Wat sist onder de vulkanen. Wat zacht meekomt met de verre winden, wat aankomt met het geruis van de regen. Wat aanrolt met de zware donder. Wat van ver over de horizon komt zweven, over de eindeloze zee. Dat wat kijkt uit het zwarte, geheime oog van de inlander, met zijn gesloten ziel. Wat in zijn hart kruipt en zich klein maakt in zijn nederige groet van eerbied. Dat wat als een gif en als haat knaagt aan het lichaam, de ziel en het leven van de Europeaan. Wat stil vecht tegen de overwinnaar en hem kapotmaakt. Het maakt hem zwak en laat hem langzaam sterven. Heel langzaam maakt het hem kapot; jarenlang maakt het hem zwak. En ten slotte laat het hem sterven, als hij al niet meteen op een tragische manier doodgaat. Zij voelden het allebei, het Onuitzegbare...

En terwijl zij het voelden, voelden zij ook het verdriet van hun afscheid, dat zo dichtbij was. Om hen heen bewoog en duwde de menigte, met haar zachte, drukke geluid. Eerbiedig duwde zij de deftige hadji's in geel en paars vooruit, die terugkwamen uit Mekka. En daarom zagen zij het niet. Zij zagen niet die ene grote witte figuur, die boven de menigte uitstak. Hij keek met zijn spottende lach naar de man. Die man had zijn hele leven op Java geademd. En toch was hij zwakker geweest dan Dàt...

Passaroean-Batavia, Oct. ’99–Febr. 1900.

### Woordenlijst

- **kakemono**: Japanse schildering op een lange rol, die aan de muur hangt
- **uit mijn voegen geslagen**: helemaal uit balans, niet meer zoals vroeger
- **langs mijn koude kleren gaan**: iets laat je koud; het raakt je niet
- **zelfhypnose**: toestand waarin je jezelf als in een droom iets laat zeggen of doen
- **sibille**: vrouw in de oudheid die de toekomst voorspelde
- **geëngageerd**: verloofd
- **lengang-lengang**: wiegend lopen met zwaaiende armen, de manier van lopen van Indische vrouwen
- **tjelana-monjet**: kinderpakje uit één stuk
- **Kraton**: paleis van de vorst van Solo
- **uitzet**: kleren, lakens en andere spullen die een bruid meeneemt naar haar nieuwe huis
- **spoedcertificaat**: verklaring van de dokter om snel met ziekteverlof naar Europa te gaan
- **vendutie**: openbare verkoop van je spullen voordat je vertrekt
- **fata morgana**: iets wat je in de verte meent te zien, maar wat er niet echt is
- **kalong**: grote zwarte vleermuis, ook vliegende hond genoemd.
- **hadji**: moslim die de bedevaart naar Mekka heeft gemaakt.
- **Mekka-ganger**: iemand die op bedevaart naar Mekka gaat of daar net vandaan komt.
- **samaar**: lang gewaad dat tot bijna op de voeten valt.
- **sawah**: nat rijstveld, vaak in trappen tegen een heuvel.
- **padi**: de rijstplant op het veld.
- **Soendanezen**: de mensen die in het westen van Java wonen, zoals in de Preanger.
- **nonna**: meisje of jonge vrouw uit Indië, vaak van gemengde afkomst.
- **Indisch huwelijk**: samenwonen zonder te trouwen met een vrouw uit Indië.
- **Kaninefaten**: oud volk aan de Nederlandse kust; Van Oudijck noemt zo spottend de Nederlanders die naar Indië komen.
- **met de noorderzon vertrekken**: stiekem weggaan, zonder iets te zeggen.
- **table-d'hôte**: de gezamenlijke maaltijd voor alle gasten in een hotel.
