# De kleine Johannes (Editie B2)

*Frederik van Eeden*

## I

Aan mijn vrouw

Ik zal u iets van de kleine Johannes vertellen. Het heeft veel van een sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zo gebeurd. Zodra u het niet meer gelooft, moet u niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor u. Ook mag u er nooit met de kleine Johannes over spreken, als u hem soms ontmoet. Want dat zou hem verdriet doen, en het zou mij spijten dat ik u dit alles verteld heb.

Johannes woonde in een oud huis met een grote tuin. Het was er moeilijk de weg te vinden. Want in het huis waren veel donkere portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in de tuin waren overal schuttingen en broeikassen. Het was een hele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte.

Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat hij er rupsen grootbracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een kip gevonden had. Die was er niet vanzelf gekomen, maar was daar door Johannes' moeder neergezet om te broeden. In de tuin koos hij namen uit het plantenrijk, en hij lette daarbij vooral op de producten die voor hem van belang waren. Zo onderscheidde hij een frambozenberg, een dirkjesbos en een aardbeiendal. Helemaal achterin was een plekje dat hij het paradijs noemde, en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was een groot water, een vijver, waar witte waterlelies dreven en waar het riet lange fluisterende gesprekken hield met de wind. Aan de overkant lagen de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan deze oever, omringd door kreupelhout, waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde tussen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd, en dan lag hij uren te staren zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor hem. Hoe gezellig moest het daar zijn, tussen die waterplanten, in dat vreemde schemerlicht! Dan dacht hij weer aan de verre, prachtig gekleurde wolken die boven de duinen zweefden. Wat zou daar wel achter zijn, en zou het heerlijk zijn daarheen te kunnen vliegen? Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zo op elkaar dat ze de ingang van een grot leken te vormen. In de diepte van die grot schitterde dan zachtrood licht. Dat was wat Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen …

Maar hoe vaak hij dat ook wenste, telkens viel de grot uiteen in vale, donkere wolkjes, zonder dat hij er dichter bij kon komen. Dan werd het koud en vochtig aan de vijver, en hij moest weer zijn donkere slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.

Hij woonde daar niet helemaal alleen: hij had een vader die goed voor hem zorgde, een hond die Presto heette en een kat die Simon heette. Natuurlijk hield hij van zijn vader het meest, maar hij zag Presto en Simon lang niet zo ver onder zich staan als een groot mens dat zou doen. Hij vertrouwde zelfs meer geheimen toe aan Presto dan aan zijn vader, en voor Simon voelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder! Simon was een grote kat met een glanzend zwart vel en een dikke staart. Men kon aan hem zien dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam. Dat bleef hij zelfs als hij zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid van Presto kneep hij minachtend zijn groene ogen toe en dacht: Nu ja! Die honden weten niet beter.

Begrijpt u nu dat Johannes ontzag voor hem had? Met de kleine bruine Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of voornaam hondje, maar wel bijzonder goedig en slim. Hij was nooit verder dan twee passen van Johannes weg te krijgen, en hij zat geduldig te luisteren naar wat zijn meester hem meedeelde. Ik hoef u niet te zeggen hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel wat ruimte in zijn hart over voor anderen. Vindt u het vreemd dat zijn donkere slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een grote plaats innam? Hij hield van het behang met de grote bloemfiguren, waarin hij gezichten zag. De vormen daarvan had hij heel vaak bestudeerd, als hij ziek was of 's morgens wakker lag. Hij hield van het ene schilderijtje dat er hing. Daarop waren stijve wandelaars afgebeeld, die in een nog stijvere tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin hemelhoge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen. Het meest hield hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op, en hij vond het een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als ze sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zolang Johannes niet sliep. Was de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich heel schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. U zou misschien lachen, als u hem met zijn kamer hoorde praten. Maar let eens op hoe vaak u in uzelf praat. Dat vindt u helemaal niet belachelijk. Johannes was er bovendien van overtuigd dat zijn toehoorders hem volkomen begrepen, en hij had geen antwoord nodig. Maar heimelijk verwachtte hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behang.

Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk niet. Hij speelde met hen, smeedde samenzweringen op school en vormde roversbenden met hen buiten, maar hij voelde zich pas echt thuis als hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nooit naar jongens en voelde hij zich volkomen vrij en veilig.

Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls meenam op lange tochten door bossen en duinen. Dan spraken ze weinig en liep Johannes tien passen achter zijn vader. Hij groette de bloemen die hij tegenkwam. De oude bomen, die altijd maar op dezelfde plaats moesten blijven, streek hij vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors. En ruisend bedankten de goedige reuzen hem dan.

Soms schreef zijn vader al lopend letters in het zand, één voor één, en dan spelde Johannes de woorden die ze vormden. Soms ook bleef zijn vader staan en leerde hij Johannes de naam van een plant of dier.

En Johannes vroeg ook dikwijls iets, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. Domme vragen stelde hij vaak. Hij vroeg waarom de wereld was zoals ze was, en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zei niet alles wat hij wist. Dat was goed voor Johannes.

's Avonds voordat hij ging slapen, deed Johannes altijd een lang gebed. Dat had de kindermeid hem zo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor Presto. Simon had het niet nodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor zichzelf, en het slot was meestal de wens dat er toch eens een wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen rond in het half donkere kamertje. Hij keek naar de figuren van het behang, die nog vreemder leken in het zwakke schemerlicht. Hij keek naar de deurknop en naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog niet, het werd helemaal donker en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.

Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij.

### Woordenlijst

- **portaaltjes**: kleine ruimtes in een huis, bij een trap of een deur.
- **rommelzolders**: ruimtes onder het dak waar oude spullen staan.
- **broeikassen**: glazen huisjes waarin planten warm kunnen groeien.
- **broeden**: op eieren zitten tot de jonge dieren eruit komen.
- **kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **nachtegaalskruid**: hoge wilde plant.
- **ontzag**: groot respect, met een beetje angst erbij.
- **verwaardigde**: iets deed wat je eigenlijk te min vindt.
- **kokette**: graag mooi gevonden willen worden.
- **verzuim**: iets wat je had moeten doen, maar niet gedaan hebt.
- **samenzweringen**: geheime plannen die je met anderen maakt.

## II

Het was warm aan de vijver en doodstil. De zon, rood en uitgeput van haar dagelijkse werk, leek een ogenblik uit te rusten op een verre duinrand, voordat ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water haar gloeiende gezicht. De bladeren van de beuk, die over de vijver hingen, maakten van de stilte gebruik om zichzelf eens aandachtig in de spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die op één poot tussen de brede bladeren van de waterlelie stond, vergat dat hij was uitgegaan om kikkers te vangen. Hij tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.

Daar kwam Johannes op het grasveldje om de wolkengrot te zien. Plomp! plomp! sprongen de kikkers van de kant. De spiegel kreeg rimpels, het beeld van de zon brak in brede strepen en de beukenbladeren ritselden verstoord, want ze waren nog niet klaar met hun beschouwing.

Vastgebonden aan de naakte wortels van de beuk lag een oude kleine boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was de verleiding deze avond sterk! De wolken vormden zich al tot een enorme poort, waarachter de zon te ruste zou gaan. Schitterende rijen wolkjes stelden zich aan de zijkanten op als een lijfwacht in gouden harnassen. Het wateroppervlak gloeide mee, en rode vonken vlogen als pijlen door het oeverriet.

Langzaam maakte Johannes het touw van de boot los van de beukenwortels. Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was al in de boot gesprongen, en voordat zijn meester het zelf wilde, schoven de rietstengels uiteen. Samen dreven ze weg in de richting van de avondzon. Johannes lag op de voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!

De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs de oever. Roerloos staken ze hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen de donkere achtergrond leek dat prachtig bleekgroen kantwerk.

Stil! wat was dat? Het schoot als een suizen over het wateroppervlak, als een lichte windvlaag die een spitse vore in het water groef. Het kwam van de duinen, van de wolkengrot.

Toen Johannes omkeek, zat er een grote blauwe waterjuffer op de rand van de boot. Zo groot had hij er nog nooit een gezien. Ze zat stil, maar haar vleugels bleven in een wijde cirkel trillen. Het leek Johannes dat de punten van haar vleugels een lichtende ring vormden.

Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.

Maar de ring werd groter en groter, en de vleugels trilden zo snel dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit die nevel twee donkere ogen schitteren, en op de plaats van de libel zat een lichte, ranke gestalte in een teerblauw kleedje. In het blonde haar was een krans van witte winden, en aan de schouders zaten dunne, doorzichtige vleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.

Een huivering van geluk trok door Johannes heen. Dát was een wonder!

'Wilt u mijn vriend zijn?' fluisterde hij.

Dat was wel een vreemde manier om een onbekende aan te spreken, maar het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.

'Ja Johannes!' hoorde hij. De stem klonk als het schuifelen van het riet in de avondwind, of als het ruisen van de regen op de bladeren in het bos.

'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes.

'Ik ben geboren in de kelk van een winde. Noem mij Windekind!'

En Windekind lachte en staarde Johannes zo vertrouwelijk in de ogen, dat hij zich wonderbaarlijk zalig voelde.

'Het is vandaag mijn verjaardag,' zei Windekind. 'Ik ben hier in de buurt geboren, uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. Men zegt wel dat de zon vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.'

Johannes nam zich voor morgen op school van *den* zon te spreken.

'En kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijn moeder al tevoorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt ze weer goedig en bedrukt!'

Hij wees naar de horizon in het oosten. Groot en glanzend rees daar de maan aan de grauwe hemel, achter het kantwerk van de wilgen, dat zwart tegen de lichte schijf afstak. Ze trok werkelijk een heel pijnlijk gezicht.

'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!'

Het mooie wezen trilde vrolijk met zijn doorzichtige vleugels en tikte Johannes met de iris die hij in zijn hand had op de wang.

'Ze vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. U bent de eerste. Maar ik vertrouw u, Johannes. U mag nooit, nooit aan een mens mijn naam noemen of over mij spreken. Belooft u dat?'

'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zo vreemd. Hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig, maar vreesde zijn geluk te verliezen. Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het wateroppervlak en dansten in de zoele lucht, net als anders. Het was alles zo helder en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.

Daar klonk weer de zoet ruisende stem:

'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet u waar ik was? Soms zat ik op de zandbodem van de vijver tussen de dichte waterplanten. Dan keek ik naar u op, als u over het water boog om te drinken of om de watertorren en salamanders te bekijken. Maar mijzelf zag u nooit. Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel. Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karekietennest. Ja! dat is heel zacht.'

Windekind wiegde tevreden op de rand van de boot en sloeg met zijn bloem naar de muggen.

'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zo eentonig, uw leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel betere dingen dan de schoolmeesters u wijsmaken. Die weten er helemaal niets van. En als u mij niet gelooft, zal ik het u zelf laten zien en horen. Ik zal u meenemen.'

'O, Windekind! lieve Windekind! kunt u mij daarheen meenemen?' riep Johannes. Hij wees naar de kant waar zojuist het purperen licht van de ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Het heerlijke gevaarte begon al in grijze nevels te vervloeien. Toch drong de bleekrode glans nog uit de verste diepte naar voren.

Windekind staarde in het licht, dat zijn fijne gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en schudde zachtjes zijn hoofd.

'Nu niet! nu niet! Johannes. U moet niet meteen te veel vragen. Zelf ben ik nog nooit bij Vader geweest.'

'Ik ben altijd bij mijn vader,' zei Johannes.

'Nee! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de uwe. Maar uw moeder is de aarde, en daarom verschillen wij veel. Ook bent u in een huis bij mensen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed met elkaar vinden!'

Toen sprong Windekind luchtig op de zijkant van de boot, die niet bewoog onder die last, en kuste Johannes op het voorhoofd.

Wat was dat een vreemd gevoel voor Johannes! Het was of alles om hem heen veranderde.

Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan nu veel vriendelijker keek, en hij zag dat de waterlelies gezichten hadden, waarmee ze hem verwonderd en peinzend aanstaarden.

Hij begreep nu ineens waarom de muggen zo vrolijk op en neer dansten. Ze dansten altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange benen het water raakten. Hij had er wel eens over nagedacht, maar nu begreep hij het vanzelf.

Hij hoorde ook wat het riet fluisterde, en hoe de bomen aan de oever zachtjes klaagden dat de zon was ondergegaan.

'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed met elkaar vinden!'

'Geef mij een hand,' zei Windekind, en hij sloeg zijn veelkleurige vleugels uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de bladeren van de plompen, die in het maanlicht glinsterden.

Hier en daar zat een kikker op een blad. Maar nu sprong hij niet in het water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en zei: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, want hij wilde zich vooral niet verwaand tonen.

Daar kwamen ze bij het riet. Dat was breed, en de hele boot verdween erin zonder dat ze het land bereikten. Maar Johannes pakte zijn gids stevig vast, en toen klauterden ze tussen de hoge stengels aan land.

Johannes meende wel dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit tegen een rietstengel had kunnen opklimmen.

'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult u iets aardigs zien.'

Ze wandelden door het hoge gras, onder donker kreupelhout dat hier en daar een smal, glanzend straaltje maanlicht doorliet.

'Hebt u 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? Het lijkt of ze een concert geven, nietwaar? En u kunt nooit horen waar het geluid vandaan komt. Nu, ze zingen nooit voor hun plezier, maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun lessen uit het hoofd leren. Wees nu stil, want we zijn er bijna.'

Shrrr! Shrrr!

Het kreupelhout werd minder dicht. Toen Windekind met zijn bloem de grashalmen uiteenschoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje. Daar waren de krekeltjes tussen het dunne, spichtige duingras hun lessen aan het leren.

Shrrr! Shrrr!

Een grote, dikke krekel was de meester en overhoorde hen. Eén voor één sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één sprong terug naar hun plaats. Wie mis sprong, moest te pronk staan op een paddenstoel.

'Luister goed Johannes! dan kunt u misschien óók wat leren,' zei Windekind.

Johannes verstond heel goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek in niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geografie. Van de werelddelen wisten ze niets. Ze moesten alleen 26 duinen kennen en twee vijvers. Van wat verder lag kon niemand iets weten, zei de meester, en wat erover verteld werd, was ijdele fantasie.

Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allemaal erg knap, en er werden veel prijzen uitgedeeld: uitgezochte jonge, malse grashalmpjes van verschillende lengte.

Maar de zoölogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en vliegen en stonden dus bovenaan, daarna volgden de kikkers. Vogels werden met alle tekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk genoemd. Eindelijk werd ook de mens besproken. Het was een groot, nutteloos en schadelijk dier, dat heel laag stond omdat het vliegen noch springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat nog nooit een mens gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat hij de mens per vergissing onder de onschadelijke dieren rekende.

Zoiets had Johannes nog nooit gehoord.

Toen riep de meester opeens: 'Stilte! springoefening!' Meteen hielden alle krekeltjes op met leren en begonnen op heel kunstige en bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.

Dat was zo'n vrolijk gezicht, dat Johannes van pret in zijn handen klapte. Bij dat geluid stoof de hele school in een ogenblik het duin in, en werd het doodstil op het grasveldje.

'Ja, dat komt ervan, Johannes. U moet zich niet zo lomp gedragen! Men kan toch wel merken dat u bij mensen geboren bent!'

'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zo aardig!'

'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind.

Ze staken het grasveldje over en beklommen het duin aan de andere kant. Oef! dat was zwoegen in het dikke zand. Maar toen Johannes Windekind bij het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegenop. Halverwege de top was een konijnenhol.

Het konijntje dat er thuishoorde, lag met kop en voorpoten uit de ingang. De duinrozen bloeiden nog, en hun fijne, zachte geur mengde zich met die van de tijm die op de duintop groeide.

Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij elkaar zitten, en zouden ze het niet benauwd hebben?

Hij was dan ook erg blij toen hij zijn metgezel aan het konijntje hoorde vragen of ze het hol eens mochten bekijken.

'Wat mij betreft, wel!' zei het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig dat ik vanavond juist mijn hol heb afgestaan voor een liefdadigheidsfeest, en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.'

'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?'

'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig. 'Een grote ramp! We komen het in geen jaren te boven. Zo'n duizend sprongen hier vandaan is een mensenhuis gebouwd, zo groot! zo groot! En er zijn mensen komen wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen, en nog driemaal zoveel zijn hun hol kwijtgeraakt. En met het geslacht Muis en de familie Mol is het nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nabestaanden. Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat overhebben voor zijn medeschepselen.'

Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met zijn rechtervoorpoot zijn lange oor over zijn kopje, om er een traan mee uit zijn oog te vegen. Dat was zo zijn zakdoek.

Daar ritselde iets in het helmgras, en een dikke, logge gedaante kwam op het hol af scharrelen.

'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! wel! durft u nog zo laat op 't pad, Pad!'

De Pad nam geen notitie van het grapje. Aardigheden over zijn naam verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in een droog blad gewikkeld, bij de ingang neer. Toen klom hij behendig over de rug van het konijntje het hol in.

'Mogen wij binnengaan?' zei Johannes, die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.'

Hij herinnerde zich dat hij nog een beschuitje in zijn zak had. Een rond beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het tevoorschijn haalde, merkte hij pas hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks met twee handen tillen, en hij begreep niet hoe het nog in zijn broekzak gezeten had.

'Dat is heel kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje. 'Dat is een kostbaar geschenk!'

Eerbiedig liet het hen allebei binnen. Het was donker in het hol, en Johannes liet Windekind maar voorgaan. Al gauw zagen ze een bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood hen voor te lichten.

'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zei de glimworm onder het lopen. 'Er zijn al veel gasten. U bent elfen, zo lijkt mij, nietwaar?' De glimworm keek daarbij enigszins wantrouwend naar Johannes.

'U kunt ons als elfen aankondigen,' antwoordde Windekind.

'Weet u dat uw koning ook van de partij is?' ging de glimworm verder.

'Is Oberon hier? Wel, dat doet mij echt veel genoegen,' riep Windekind, 'ik ken hem persoonlijk.'

'O?' zei de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had …' en zijn lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja, Zijne Majesteit houdt gewoonlijk meer van de buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het zal wel een luisterrijk feest zijn.'

Dat was het inderdaad. De grote zaal in het konijnenhol was prachtig versierd. De vloer was platgetreden en met geurige tijm bestrooid. Dwars voor de ingang hing een vleermuis aan zijn achterpoten. Die riep de namen van de gasten af en diende tegelijk als gordijn, dat was een zuinigheidsmaatregel. De wanden van de zaal waren smaakvol versierd met dorre bladeren, spinnenwebben en kleine hangende vleermuisjes. Talloze glimwormen kropen daartussen en over het plafond rond, en vormden een allerleukste beweeglijke verlichting. Aan het eind van de zaal was een troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een mooi gezicht!

Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. Een mol sprak druk met een veldmuis over de mooie verlichting en de versiering. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen elkaar te klagen over het aanhoudend droge weer. Een kikker probeerde gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken. Dat ging hem slecht af, want hij was verlegen en gejaagd en sprong telkens te ver, waarbij hij soms de wandversiering flink in de war bracht.

Op de troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg van elfen, die enigszins minachtend op de omgeving neerkeken. De koning zelf was, zoals het een vorst betaamt, uiterst minzaam en praatte vriendelijk met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op zijn hoofd droeg hij een donkerblauw bloemkelkje, dat nog fris geurde, alsof het zojuist geplukt was. In zijn hand hield hij de meeldraad van een lotusbloem als koningsstaf.

Alle aanwezigen waren vol stille lof over zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna even mooi waren als de oosterse vuurvliegen. Ook had hij met genoegen naar de wandversiering gekeken, en een mol had zelfs opgemerkt dat hij goedkeurend met zijn hoofd had geknikt.

'Ga mee,' zei Windekind tegen Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En ze drongen door tot aan de zetel van de koning.

Oberon spreidde vol vreugde zijn armen uit toen hij Windekind herkende, en hij kuste hem. Dit gaf gefluister onder de gasten en jaloerse blikken van het elfengevolg. De twee dikke padden in de hoek mompelden samen iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'. Toen knikten ze elkaar veelbetekenend toe.

Windekind sprak lang in een vreemde taal tegen Oberon en wenkte toen Johannes om dichterbij te komen.

'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekinds vrienden zijn de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teken van ons verbond geven.'

Oberon maakte van zijn halsketting een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en vast in zijn hand sloot.

'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de koning verder. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. U moet maar ijverig zoeken. Als u goede vrienden met mij en Windekind blijft, en standvastig en trouw bent, zal het u wel lukken.'

De elfenkoning knikte daarbij hartelijk met zijn mooie hoofdje, en overgelukkig bedankte Johannes hem.

Daar begonnen drie kikkers, gezeten op een kleine verhoging van vochtig mos, de inleiding tot een langzame wals te zingen, en er vormden zich paartjes. Een groen hagedisje, dat als ceremoniemeester werkte en onhandig heen en weer vloog, drong de niet-dansers naar de kanten. Dat ergerde de twee padden enorm, en ze klaagden dat ze niets konden zien. Toen begon de dans.

Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde zich natuurlijk dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen en kikkers sprongen hoog op hun achterpoten, en een oude rat draaide zo woest dat alle dansers voor hem opzij gingen. Ook een vette boomslak waagde een rondje met een mol. Maar ze gaf het al gauw op, onder het voorwendsel dat ze er een steek in de zij van kreeg. De ware reden was dat ze het niet goed kon.

Het ging echter heel ernstig en plechtig toe. Men maakte er een gewetenszaak van, en gluurde angstig naar de koning om een teken van goedkeuring op zijn gezicht te zien. Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek heel strak. Zijn gevolg vond het beneden zijn danskunst om mee te doen.

Johannes had zich bij die ernst lang goed gehouden. Maar toen zag hij een klein padje rondzwieren met een lange hagedis. Die tilde het ongelukkige padje soms hoog boven de grond en liet het een halve cirkel in de lucht beschrijven. Toen barstte zijn vrolijkheid uit in een schaterlach.

Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De ceremoniemeester vloog in volle vaart op de lacher af en verzocht hem dringend zich wat gepaster te gedragen.

'Dansen is een ernstige zaak,' zei hij, 'en helemaal geen bezigheid om uit te lachen. Dit is een deftig gezelschap, waar men niet zomaar voor de grap danst. Ieder deed zijn best en niemand wilde uitgelachen worden. Dat is een grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest, om droevige redenen. Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen alsof men bij mensen is!'

Daar schrok Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met de koning had hem veel vijanden bezorgd.

Windekind trok hem opzij:

'Het is maar beter dat we weggaan, Johannes!' fluisterde hij. 'U hebt het weer verknoeid. Ja! Ja! dat komt ervan, als men bij mensen is opgevoed!'

Haastig glipten ze onder de vleugels van de vleermuisportier door en kwamen in de donkere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

'Hebt u zich goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt u koning Oberon gesproken?'

'O ja! het was een vrolijk feest,' zei Johannes. 'Moet u hier altijd in de donkere gang blijven?'

'Dat is mijn eigen vrije keuze,' zei de glimworm op weemoedig bittere toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.'

'Kom,' zei Windekind, 'dat meent u niet.'

'Het is zoals ik zeg. Vroeger, vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en danste en mij met zulke onbenulligheden bezighield. Maar nu ben ik door het lijden gelouterd, nu …'

En hij werd zo ontroerd dat zijn lichtje weer uitging. Gelukkig waren ze dicht bij de uitgang, en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, ging een beetje opzij, zodat het maanlicht naar binnen scheen.

Zodra ze bij het konijntje buiten waren, zei Johannes: 'Vertelt u ons eens uw geschiedenis, glimworm!'

'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Ze zal u niet vermaken.'

'Vertel het, vertel het toch maar,' riepen allen.

'Nu: u weet dan toch allen wel dat wij glimwormen heel bijzondere wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken dat wij glimwormen het hoogst begaafd zijn van alles wat leeft.'

'Waarom? dat weet ik niet,' zei het konijntje.

Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt u licht geven?'

'Nee! dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen.

'Nu, *wij* geven licht! Allemaal! En wij kunnen het laten schijnen of doven naar willekeur. Licht is de beste gave van de natuur, en licht geven is het hoogste waartoe een levend wezen kan komen. Zou iemand onze voorrang nog willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels en kunnen mijlenver vliegen.'

'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig.

'Door de goddelijke gave van het licht die wij hebben,' ging de glimworm verder, 'ontzien andere dieren ons ook, en geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste van allemaal, zoekt ons en neemt ons mee. Dat is de mens, het afschuwelijkste gedrocht van de schepping.'

Johannes keek Windekind aan bij deze uitval, alsof hij het niet begreep. Maar Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen.

'Eens vloog ik vrolijk rond, als een helder dwaallicht tussen de donkere struiken. En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan de oever van een sloot, daar woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk met mijn geluk verbonden was. Mooi schitterde zij in bleke smaragdglans, als zij tussen de glanzende stengels rondkroop, en machtig bekoorde zij mijn jonge hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best haar aandacht te trekken door mijn glans te laten wisselen. Dankbaar zag ik hoe zij mijn groet opmerkte en zedig haar lichtje verduisterde. Sidderend van ontroering stond ik op het punt mijn vleugels op te vouwen en in verrukking bij mijn stralende geliefde neer te dalen. Toen vulde een enorm geluid de lucht. Donkere gestalten naderden. Het waren mensen. Ik vluchtte verschrikt. Ze joegen mij na en sloegen naar mij met grote, zwarte dingen. Maar sneller dan hun logge benen droegen mijn vleugels mij. Toen ik terugkwam …'

Hier begaf de stem van de verteller het. Pas na een ogenblik van stille ontroering, waarin de drie toehoorders eerbiedig zwegen, ging hij verder:

'U kunt het al vermoeden. Mijn tedere bruid, de stralendste en schitterendste van allemaal, zij was verdwenen, meegesleept door de boosaardige mens. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt, en haar geliefde plekje aan de sloot was donker en leeg. Ik was alleen op de wereld.'

Hier haalde het gevoelige konijntje weer een oor naar beneden om een traan uit zijn oog te vegen.

'Sinds die tijd ben ik veranderd. Ik walg van alle ijdele vermaken. Ik denk alleen aan haar die ik verloren heb, en aan de tijd dat ik haar zal weerzien.'

'Zo! hebt u daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd.

'Ik heb meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijn geliefde weerzien.'

'Maar …' wilde het konijntje zeggen.

'Konijn!' zei de glimworm ernstig, 'ik kan begrijpen dat iemand twijfelt die in het donker moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien, met eigen ogen zien? Dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!' zei het glimwormpje, en hij keek vol eerbied naar de hemel, die fonkelde van de sterren. 'Daar zie ik hen! Al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar, duidelijk stralend, in nog heerlijker glans dan hier op aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en vliegen naar haar, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'

Zuchtend verliet het glimwormpje zijn toehoorders en kroop weer het donkere hol in.

'Arm schepsel!' zei het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.'

'Ik hoop het ook,' voegde Johannes eraan toe.

'Ik vrees van niet,' zei Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'

'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'

'Kom dan naast mij liggen, ik zal u met mijn mantel toedekken.'

Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelf uit. Zo gingen ze liggen in het geurige mos op de duinhelling, met de armen om elkaars hals.

'Uw hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt u ze tegen mij laten rusten?'

Dat deden ze.

'Nacht moeder!' zei Windekind tegen de maan.

Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in zijn hand, vlijde zijn hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in.

### Woordenlijst

- **waterjuffer**: groot insect met lange vleugels, dat bij het water leeft.
- **winde**: plant met witte bloemen als kelkjes, die om andere planten heen groeit.
- **kelk**: het deel van een bloem dat op een beker lijkt.
- **den* zon**: oude vorm; zo zei je het vroeger als iets mannelijk was. Johannes zegt het expres.
- **karekietennest**: nest van de karekiet, een kleine vogel die in het riet woont.
- **plompen**: waterplanten met grote ronde bladeren die op het water drijven.
- **kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **krekels**: kleine insecten die springen en een hoog geluid maken.
- **ijdele**: leeg, zonder waarde of nut.
- **helmgras**: stekelig gras dat in de duinen groeit.
- **glimworm**: klein insect dat licht geeft in het donker.
- **vermolmd**: oud en zacht geworden en bijna tot poeder vergaan.
- **meeldraad**: dun deel in een bloem dat het stuifmeel draagt.
- **gelouterd**: door lijden beter en zuiverder geworden.
- **dwaallicht**: klein licht boven nat land, dat mensen de verkeerde kant op brengt.

## III

Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Wat een schrik, wakker te worden in de boot, in het riet, helemaal alleen, en de baas spoorloos verdwenen. Het was om bang van te worden.

En loop je hem nu al zo lang te zoeken, terwijl je zenuwachtig blijft piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zo vast slapen en niet merken dat de baas uit de boot ging? Anders word je meteen wakker zodra hij zich maar beweegt.

Je kon nauwelijks herkennen waar de baas aan land was gegaan, en hier in de duinen ben je het spoor nu helemaal bijster. Het ijverige snuffelen hielp niet. Wat een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek dan Presto, zoek hem dan!

Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een kleine donkere gedaante? Kijk eens goed!

Een ogenblik staat het hondje onbeweeglijk en kijkt ingespannen in de verte. Dan steekt het opeens zijn kop naar voren en holt, vliegt met alle kracht van zijn vier dunne pootjes naar dat donkere plekje op de duinhelling.

Maar toen dat werkelijk het zo pijnlijk gemiste baasje bleek te zijn, vond hij alle pogingen nog te weinig om zijn hele blijdschap en dankbaarheid te uiten. Hij kwispelde, draaide zijn hele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn koude neus likkend en snuffelend in het gezicht van de lang gezochte.

'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.

Hoe dom van de baas! Er is geen mand in de buurt, zover men kan zien.

Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van de kleine slaper. Het snuffelen van Presto, dat was hij elke morgen zo gewend. Maar voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, als ochtendnevels om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem van de ochtend die zou verjagen.

'Ogen dichthouden,' dacht hij, 'anders zie ik de klok en het behang weer, zoals altijd!'

Maar hij lag vreemd. Hij voelde dat hij geen deken had. Langzaam en voorzichtig opende hij zijn oogleden op een kier.

Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.

Toen opende Johannes zijn ogen wagenwijd en zei: 'Is het dan toch waar?'

Ja, hij lag midden in het duin. Vrolijke zonneschijn verwarmde hem, hij ademde frisse ochtendlucht in, en een fijne nevel omgaf de bossen in de verte. Hij zag alleen de hoge beuk bij de vijver en het dak van zijn huis, dat boven het groen uitstak. Bijen en kevers gonsden om hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk hondengeblaf en het geluid van de verre stad. Het was alles heldere werkelijkheid.

Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het konijntje?

Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zo dicht mogelijk bij hem en keek hem afwachtend aan.

'Zou ik aan het slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht.

Naast hem was een konijnenhol. Maar zulke waren er zoveel in het duin. Hij ging rechtop zitten om het goed te bekijken. Wat voelde hij daar in zijn nog vastgesloten hand?

Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij zijn hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.

Een tijd lang zat hij sprakeloos.

'Presto!' zei hij toen, terwijl de tranen hem in de ogen kwamen. 'Presto, het is *toch* waar!'

Presto sprong op en probeerde zijn meester door blaffen duidelijk te maken dat hij honger had en naar huis wilde.

Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht, en hij had er weinig zin in. Maar al gauw hoorde hij verschillende stemmen zijn naam roepen. Toen begon hij te begrijpen dat men zijn gedrag helemaal niet braaf en fatsoenlijk zou vinden, en dat hem lang geen vriendelijke woorden te wachten stonden.

Een ogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één moeite door tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling. Hij dacht aan het geschenk van de elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare waarheid van alles wat er gebeurd was. En hij zocht kalm en op alles voorbereid de weg naar huis.

De ontmoeting viel niet mee. Zo erg had hij zich de onrust en angst van zijn huisgenoten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven nooit meer zo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.

'Dat kan ik niet,' zei hij vastberaden. Daar keek men vreemd van op. Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind en hield vol.

Wat konden straffen hem schelen, als hij Windekinds vriendschap maar behield, en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Hij klemde het sleuteltje vast tegen zijn borst en perste zijn lippen op elkaar, terwijl hij elke vraag met schouderophalen beantwoordde.

'Ik kan niets beloven,' zei hij weer.

Maar zijn vader zei: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel vertellen.'

Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed het kostbare sleuteltje eraan en hing het om zijn hals op zijn blote borst. Toen ging hij getroost naar school.

Het ging erg slecht die dag op school. Hij kende geen van zijn lessen en lette helemaal niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar de vijver en naar de wonderbaarlijke gebeurtenissen van de vorige avond. Hij kon zich nauwelijks voorstellen dat een vriend van de elfenkoning nu weer verplicht zou zijn sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. Maar het was toch allemaal waar geweest. Niemand om hem heen wist er iets van of zou het kunnen geloven of begrijpen. Zelfs de meester niet, hoe bars hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luie rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de slechte aantekening, en hij maakte het strafwerk dat zijn verstrooidheid hem op de hals haalde.

'Ze begrijpen er toch geen van allen iets van. Ze mogen mij uitschelden zoveel ze willen. Ik blijf Windekinds vriend, en Windekind is mij meer waard dan zij allemaal samen. Ja, met de meester erbij.'

Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn medemensen was niet gestegen, na al het kwaad dat hij er de vorige avond over had moeten horen.

Maar, zoals het vaker gaat, hij wist zijn wijsheid nog niet verstandig genoeg te gebruiken, of liever, te verzwijgen.

Toen de meester vertelde dat alleen de mens door God met rede was begaafd en als heerser was aangesteld over alle andere dieren, begon hij te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aantekening en een ernstige vermaning. Zijn buurman las uit een oefenboek de volgende zin op: 'De ouderdom van mijn moedwillige tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon.' Toen riep Johannes haastig en luid: 'van *den* zon!'

Allen lachten hem uit. De meester was verbaasd over zo'n aanmatigende domheid, zoals hij het noemde, en liet Johannes nablijven. Honderdmaal moest hij overschrijven: 'De ouderdom van mijn moedwillige tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon, het grootst echter is mijn aanmatigende domheid.'

De leerlingen waren verdwenen, en Johannes zat eenzaam in het grote schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vrolijk naar binnen. Het liet onderweg duizenden stofjes glinsteren en vormde op de witte muur lichte plekken, die met de uren langzaam voortkropen. De meester was weggegaan en had de deur hard dichtgeslagen. Johannes was al bij de tweeënvijftigste moedwillige tante. Toen kwam er een klein, vlug muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit de verste hoek van het lokaal onhoorbaar langs de muur lopen. Johannes hield zich doodstil om het leuke diertje niet te verjagen. Het was niet bang en kwam tot vlak bij Johannes' plaats. Toen gluurde het een tijdlang met zijn kleine heldere oogjes scherp in het rond. Daarna sprong het behendig met één sprong op de bank en met een tweede op de lessenaar waaraan Johannes schreef.

'Ei, ei!' zei Johannes, half tegen zichzelf, 'jij bent me een dapper muisje!'

'Ik zou niet weten voor wie ik bang moest zijn,' zei een fijn stemmetje, en het muisje liet zijn tandjes zien alsof het lachte.

Johannes was al aan veel wonderlijks gewend, maar hij zette nu toch weer grote ogen op. Zo midden op de dag en op school, het was ongelooflijk.

'Voor mij hoef je niet bang te zijn,' zei hij zacht, uit angst het muisje te laten schrikken. 'Kom je van Windekind?'

'Ik kom u even zeggen dat de meester groot gelijk heeft en dat u uw strafwerk ruimschoots verdiend hebt.'

'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze vader.'

'Ja, maar dat hoeft niemand anders te weten. Wat hebben de mensen daarmee te maken? U moet nooit over zulke tedere zaken met mensen spreken. Daar zijn ze te grof voor. De mens is een verbazend boosaardig en lomp wezen, dat het liefst alles vangt en doodtrapt wat onder zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ervaring mee.'

'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver weg, naar de bossen?'

'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn te veel aan het stadsvoedsel gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast om hun vallen en hun zware voeten te mijden, is het onder mensen wel uit te houden. Wij zijn gelukkig nogal vlug. Het ergst is dat de mens zijn eigen logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een grote ramp. Maar in het bos zijn uilen en sperwers, en sterven moeten wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de meester!'

'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn sleuteltje moet doen. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn blote borst. Maar zaterdag krijg ik schone kleren, en ik ben zo bang dat iemand het zal zien. Zeg mij waar ik het veilig kan bewaren, lief muisje!'

'Onder de grond, altijd onder de grond, daar is alles het veiligst. Zal ik het bewaren?'

'Nee! niet hier op school.'

'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal mijn neef de veldmuis laten weten dat hij erop moet passen.'

'Dank je, muisje!'

Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In de tijd dat Johannes zijn pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.

Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurende angst. Hij werd streng in de gaten gehouden, en hij kreeg geen enkele kans om naar de duinen te ontsnappen. Het werd vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje rond. De volgende avond zou hij schone kleren krijgen. Men zou het sleuteltje ontdekken en hem afnemen, en hij huiverde bij die gedachte. In huis of tuin durfde hij het niet te verbergen, want geen plekje leek hem veilig genoeg.

Het werd vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat voor het raam van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, over de groene struiken van de tuin, naar de verre duinen.

'Windekind! Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig.

Daar ruiste een zachte vleugelslag naast hem, hij rook de geur van lelietjes-van-dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.

Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een lelietje-van-dalen aan de slanke stengel wiegen.

'Bent u daar eindelijk! Ik heb zo naar u verlangd!' zei Johannes.

'Ga met mij mee, Johannes, we gaan uw sleuteltje begraven.'

'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.

Maar Windekind pakte hem bij de hand, en hij voelde hoe hij, licht als het pluizige zaadje van een paardenbloem, wegzweefde door de stille avondlucht.

'Windekind,' zei Johannes onder het zweven, 'ik houd zoveel van u. Ik geloof dat ik alle mensen voor u zou willen geven, en Presto ook.'

Windekind zei: 'En Simon?'

'O, het kan Simon niet zoveel schelen of ik van hem houd. Ik geloof dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de visvrouw, en dat ook alleen maar als hij honger heeft. Gelooft u dat Simon een gewone kat is, Windekind?'

'Nee, hij is vroeger een mens geweest.'

Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan.

'Kunt u niet beter voor u uitkijken?' bromde de meikever. 'Dat elfengoed vliegt maar, alsof het de hele lucht in pacht heeft! Dat heb je van die nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven. Iemand als ik, die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zo hard eet als hij kan, wordt erdoor uit de koers gebracht.'

Luid brommend vloog hij verder.

'Neemt hij ons kwalijk dat wij niet eten?' vroeg Johannes.

'Ja, dat is zo'n meikevergewoonte. Bij de meikevers wordt het als de hoogste plicht beschouwd veel te eten. Zal ik u eens de geschiedenis van een jonge meikever vertellen?'

'Ja, doe dat, Windekind.'

'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit de grond was gekropen. Nu, dat was een grote verrassing. Een heel jaar had hij onder de donkere aarde gezeten en gewacht op de eerste warme avond. En toen hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende gras en de zingende vogels hem helemaal in verlegenheid. Hij wist niet wat hij eigenlijk moest beginnen. Hij betastte de grashalmpjes in de buurt met zijn sprieten en stak die als een waaier uit. Daaraan merkte hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn soort, met glanzende zwarte poten, een dik, bestoven achterlijf en een borstschild dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet ver van hem vandaan, een andere meikever. Die was wel niet zo mooi, maar hij was al een dag eerder uitgevlogen en dus al heel oud. Heel bescheiden, omdat hij nog zo jong was, roept hij hem aan.

"Wat wou je, vriendje?" zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag dat het een nieuweling was. "Wou je mij de weg vragen?"

"Nee, ziet u!" zei de jongste beleefd, "maar ik weet niet wat ik hier moet doen. Wat doet men zoal als meikever?"

"Zo! zo!" zei de ander, "weet je dat niet? Nu, dat neem ik je niet kwalijk, ik ben óók zo geweest. Luister maar goed, dan zal ik het je zeggen. De hoofdzaak in het meikeverleven is eten. Niet ver hier vandaan is een kostelijke lindehaag, die daar voor ons is gezet om er zo vlijtig mogelijk van te eten."

"Wie heeft die lindehaag daar neergezet?" vroeg de jonge kever.

"Wel, een groot wezen dat het heel goed met ons meent. Elke morgen komt hij langs de haag, en wie dan het meest gegeten heeft, neemt hij tot zich. Hij brengt hem in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar alle meikevers gelukkig bij elkaar zijn. Wie echter de hele nacht blijft rondvliegen in plaats van te eten, wordt door de vleermuis gevangen."

"Wie is dat?" vroeg de nieuweling.

"Dat is een vreselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet." Toen de kever dat zei, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door merg en been ging.

"Hu! dat is hij," riep de oudste. "Pas op voor hem, jonge vriend. Wees dankbaar dat ik je op tijd gewaarschuwd heb. Je hebt een hele nacht voor je, verknoei die nu niet. Hoe minder je eet, hoe meer kans je hebt door de vleermuis te worden verslonden. En alleen wie een ernstige levensroeping kiest, komt in het huis met het heldere schijnsel. Denk erom! Een ernstige roeping!"

'Toen scharrelde de kever, die een hele dag ouder was, tussen de grashalmen verder en liet de eerste getroffen achter. Weet je wat een roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het had iets met eten te maken, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die lindehaag komen?

'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, die zachtjes wiegde in de avondwind. Die pakte hij maar stevig vast met zijn zes kromme pootjes. Het leek van beneden gezien een hoog gevaarte en erg steil. Toch wilde de meikever erin. "Dat is een roeping!" dacht hij, en hij begon moedig te klimmen. Het ging langzaam en dikwijls gleed hij terug, maar hij kwam vooruit. En toen hij eindelijk in het dunste topje was geklommen en meewiegde met de schommelingen, voelde hij zich voldaan en gelukkig. Wat een uitzicht had hij hier! Het leek hem alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zo van alle kanten door lucht omgeven te zijn! Gretig zoog hij zijn achterlijf vol. Wat werd hij daar wonderlijk van! Nog hoger wilde hij!

'Hij lichtte in verrukking zijn dekschilden op en liet zijn vliezige vleugels even trillen. Hoger wilde hij! Hoger! Weer trilden zijn vleugels, zijn poten lieten de grashalm los en … O, vreugde … Hoe-oe-oe! daar vloog hij vrij en vrolijk in de stille, warme avondlucht.'

'En toen?' vroeg Johannes.

'Het vervolg is niet vrolijk. Dat vertel ik u later wel eens.'

Ze waren over de vijver heen gevlogen. Een paar late, witte kapelletjes fladderden met hen mee.

'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen ze.

'Naar de grote duinroos, die daar bloeit tegen die helling.'

'Wij gaan mee! wij gaan mee!'

Al van ver was ze te zien, met haar talrijke, teergele, zijdezachte bloemen. De knopjes waren rood, en de open bloemen hadden rode streepjes, als tekenen van de tijd dat ze nog knoppen waren.

In eenzame rust bloeide de wilde duinroos, en ze vulde de omgeving met haar wonderzoete geuren. Die zijn zo heerlijk dat de duinelfen alleen daarvan leven.

De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem na bloem.

'Wij komen u een schat toevertrouwen,' riep Windekind. 'Wilt u die voor ons bewaken?'

'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos. 'Het wachten verveelt mij niet, en ik denk hier niet weg te gaan, als men mij niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.'

Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.

'Als u het nu weer terug wilt, moet u mij weer roepen. Dan hoeft u de roos geen schade te doen.'

De roos vlocht zijn doornige twijgen dicht over de ingang en zwoer plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen.

De volgende morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij Presto, de klok en het behang. Het koord om zijn hals en het sleuteltje daaraan waren verdwenen.

### Woordenlijst

- **Koest**: woord waarmee je tegen een hond zegt dat hij rustig moet zijn.
- **luie rekel**: scheldwoord voor een luie jongen.
- **aantekening**: slechte opmerking van de leraar in het schoolboek.
- **verstrooidheid**: het niet opletten omdat je met je gedachten ergens anders bent.
- **vermaning**: ernstige waarschuwing dat je iets niet meer mag doen.
- **den* zon**: oude vorm; zo zei je het vroeger als iets mannelijk was. Johannes zegt het expres.
- **moedwillige**: met opzet, ondeugend.
- **aanmatigende**: alsof je meer bent of meer weet dan een ander.
- **nablijven**: na de les op school moeten blijven.
- **sperwers**: roofvogels die kleine dieren vangen.
- **in pacht heeft**: doet alsof het helemaal van hem is.
- **meikever**: dikke bruine kever die in mei vliegt.
- **roeping**: het werk waarvoor je je leven wilt geven.
- **dekschilden**: de harde voorste vleugels van een kever.
- **kapelletjes**: kleine vlindertjes.

## IV

'Jongen! Jongen! Wat is zo'n zomer toch ontzettend vervelend,' zuchtte een van de drie grote kachels. Ze stonden op een zolder in het oude huis bij elkaar in een donkere hoek te kniezen. 'Wekenlang heb ik geen levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte vanbinnen. Het is afschuwelijk!'

'Ik zit vol spinnenwebben,' zei de tweede. 'Dat zou 's winters ook niet gebeuren.'

'En ik ben zo stoffig dat ik me dood zal schamen als tegen de winter de zwarte man weer verschijnt, zoals Van Alphen zegt.' Die wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als hij 's winters voor de haard versjes opzei.

'U moet niet zo oneerbiedig over de Smid spreken,' zei de eerste kachel, die de oudste was. 'Dat hindert mij!'

Hier en daar op de grond lagen enkele tangen en asschoppen, in papier gewikkeld tegen het roesten. Ook zij lieten duidelijk hun verontwaardiging over die lichtzinnige uitdrukking blijken.

Maar plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd opgetild. Een lichtstraal drong tot in de donkere hoek door en stelde het hele gezelschap in zijn stoffige verwarring ten toon.

Het was Johannes die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een grote aantrekkingskracht op hem. Nu, na alle vreemde gebeurtenissen van de laatste tijd, kwam hij er vaak. Hij vond er rust en eenzaamheid. Ook was er een raam dat met een luik gesloten was en dat op de duinen uitkeek. Het was een groot genot om dat luik plotseling open te doen. Na het geheimzinnige schemerdonker van de zolder zag hij dan ineens het wijde, fel verlichte landschap voor zich, begrensd door de witte, zacht golvende duinrij.

Er waren drie weken verlopen na die vrijdagavond, zonder dat Johannes iets van zijn vriend had gemerkt. Het sleuteltje was nu ook weg, en niets gaf hem nog zeker bewijs dat hij niet had gedroomd. Vaak kon hij de vrees niet wegredeneren dat het toch alles maar verbeelding was geweest. Hij werd er stil van, en angstig merkte zijn vader op dat Johannes na die nacht in de duinen zeker een ziekte onder de leden had gekregen. Maar Johannes verlangde naar Windekind.

'Zou hij net zoveel van mij houden als ik van hem?' mijmerde hij, terwijl hij aan het zolderraam stond en over de groene, bloemrijke tuin staarde. 'Waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen? Als ik kon … Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van houden, meer dan van mij? Ik heb geen andere vrienden, niet één. Ik houd alleen van hem. Zo veel! o zo veel!'

Tegen de diepblauwe hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven afsteken, die met klapperende vleugels over het huis zwenkten. Het leek of één gedachte hen dreef, zo snel en gelijktijdig veranderden ze telkens van richting. Het was alsof ze volop wilden genieten van de zee van zonlicht waarin ze zweefden.

Opeens vlogen ze naar Johannes' dakraampje toe en streken met veel gefladder en vleugelgeklepper op de dakgoot neer. Daar bleven ze druk koerend heen en weer trippelen. Een van hen had een rood veertje in zijn vleugel. Hij pluisde en trok eraan tot hij het in zijn bek hield. Toen vloog hij op Johannes af en gaf het hem.

Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zo licht en vlug werd als een van de duiven. Hij strekte zijn ledematen uit, de duiven vlogen op, en Johannes zweefde in hun midden mee, in de ruime, vrije lucht en de heldere zonneschijn. Niets was er om hem heen dan het zuivere blauw en de felle schittering van de witte duivenvleugels.

Ze vlogen over de grote tuin naar het bos, waarvan de dichte boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee. Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam in de huiskamer zitten. Simon zat met gevouwen voorpoten op de vensterbank en koesterde zich in de zon. 'Zou hij mij zien?' dacht Johannes, maar hij durfde niet te roepen.

Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iedere struik en achter elke muur. Hij krabde aan elk deurtje van broeikas of oranjerie, om zijn baasje te vinden.

'Presto! Presto!' riep Johannes. Het hondje keek op en begon te kwispelen en klagelijk te janken.

'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver weg.

Ze zweefden boven het bos, en de kraaien vlogen krassend op uit de hoge toppen waarin ze hun nesten hadden. Het was midden in de zomer, en de geur van de bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud omhoog.

In een leeg nest, op de top van een hoge linde, zat Windekind, met zijn krans van windekelken op zijn hoofd. Hij knikte Johannes toe.

'Bent u daar! dat is goed,' zei hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen wij lang bij elkaar blijven—als u wilt.'

'Ik wil wel graag,' zei Johannes.

Toen dankte hij de vriendelijke duiven die hem gebracht hadden, en daalde met Windekind in het bos af.

Daar was het fris en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna hetzelfde, maar toch een beetje anders.

'De arme vogel,' zei Windekind. 'Hij was eens een paradijsvogel. Dat ziet u nog wel aan zijn vreemde gele veren, maar hij is veranderd en uit het paradijs verjaagd. Er is een woord dat hem zijn vroegere prachtige kleed kan teruggeven en hem weer in het paradijs kan brengen. Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag om het terug te vinden. Het lijkt er wel wat op, maar het juiste is het niet.'

Talloze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen die door het donkere gebladerte drongen. Als je aandachtig luisterde, kon je hun gonzen horen als een groot, eentonig concert dat het hele bos vulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.

Dik, donkergroen mos bedekte de grond, en Johannes was weer zo klein geworden dat het hem een nieuw bos leek op de bodem van het grote bos. Wat een sierlijke stammetjes! En wat groeiden ze dicht op elkaar! Het was moeilijk ertussendoor te komen, en het moswoud leek ontzettend groot.

Daar kwamen ze bij een mierenpaadje. Honderden mieren liepen druk heen en weer, sommige met stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in hun kaken. Het was zo'n gewoel dat Johannes er bijna duizelig van werd.

Het duurde lang voordat een van de mieren hen te woord wilde staan. Ze hadden het allemaal zo druk. Eindelijk vonden ze een oude mier die was aangesteld om de bladluisjes te bewaken, waarvan de mieren de honingdauw halen. Omdat zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje met de vreemdelingen bemoeien en hun het grote nest laten zien. Het was aangelegd aan de voet van een oude boomstam, en het was heel groot, met honderden gangen en kamertjes. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit hun witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.

De oude mier vertelde dat men in grote drukte leefde vanwege de veldtocht die over enkele dagen zou beginnen. Men zou een andere mierenkolonie, niet ver weg, met een grote macht gaan overvallen. Het nest zou vernield worden en de larven zouden geroofd of gedood worden. Daarvoor zouden alle krachten nodig zijn, en daarom moest eerst het dringendste werk af.

'Waarom is die veldtocht?' zei Johannes. 'Dat lijkt mij niet mooi.'

'Nee! nee!' zei de luizenhoeder. 'Het is een zeer mooie en lofwaardige tocht. U moet bedenken, het zijn de Strijdmieren die wij gaan aanvallen. Wij gaan hun geslacht uitroeien, en dat is een zeer goed werk.'

'Bent u dan geen Strijdmieren?'

'Zeker niet! Wat denkt u wel? Wij zijn Vredemieren.'

'Wat betekent dat dan?'

'Weet u dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren voortdurend aan het vechten, en er ging geen dag om zonder grote slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het veel moeite zou besparen als de mieren onderling afspraken niet meer te vechten.

'Toen hij dat zei, vond men het erg vreemd, en om die reden begon men maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen er nog andere mieren die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar eindelijk kwamen er zoveel dat het stukbijten te veel werk was voor de anderen.

'Toen noemden ze zich Vredemieren en hielden allen vol dat de eerste Vredemier gelijk had. Wie dat tegensprak, beten ze op hun beurt in stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden, en de stukjes van de eerste Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard. Wij hebben de kop. De echte. Wij hebben al twaalf andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden de echte kop te hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Ze noemen zich Vredemieren, maar het zijn natuurlijk Strijdmieren, want wij hebben de echte kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij over enkele dagen de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.'

'Ja! Ja!' zei Johannes. 'Het is heel merkwaardig!'

Hij was eigenlijk een beetje bang geworden. Hij voelde zich veel rustiger toen ze de behulpzame herder dankend vaarwel hadden gezegd. Nu zaten ze ver van het mierenvolk uit te rusten, wiegend op een grashalm, in de schaduw van een sierlijk varenblad.

'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.'

Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neer.

'O!' zei hij, 'u moet hen niet dom noemen. De mensen gaan naar de mieren om wijs te worden.'

Zo liet Windekind Johannes alle wonderen van het bos zien. Ze vlogen samen naar de vogels in de boomtoppen en in de dichte struiken. Ze daalden af in de kunstige woningen van de mollen en zagen het bijennest in de oude boomstam.

Eindelijk kwamen ze bij een open plek, omringd door kreupelhout. Er groeide kamperfoelie in grote overvloed. Overal slingerden de weelderige twijgen zich over de struiken, en de welriekende bloemkransen prijkten tussen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde tussen de blaadjes, met luidruchtig getjilp en gekwetter.

'Laten we hier wat blijven,' vroeg Johannes. 'Hier is het heerlijk.'

'Goed,' zei Windekind. 'Dan zult u ook iets grappigs zien.'

Op de grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een ervan zitten en begon een gesprek over de bijen en de vlinders. Dat waren goede vrienden van het klokje, en daarom vlotte het gesprek ook al gauw.

Wat was dat? Een grote schaduw kwam over het gras, en iets als een witte wolk daalde op het klokje neer … Johannes had nauwelijks tijd om weg te komen en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoeliebloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was. En bom! daar ging een dikke juffrouw op de zakdoek zitten, en op het arme klokje dat eronder was.

Hij had geen tijd om het te beklagen, want het geluid van stemmen en het gekraak van takken vulden de open plek in het bos. Een menigte mensen kwam dichterbij.

'Nu zullen wij lachen,' zei Windekind.

Daar kwamen ze aan, de mensen. De vrouwen met manden en paraplu's in de hand, de mannen met hoge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren bijna allemaal zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bos zagen ze eruit als grote, lelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.

Struiken werden uit elkaar geduwd, bloemen werden vertrapt en er werden nog veel witte zakdoeken uitgespreid. De lijdzame grassprietjes en de geduldige mosplantjes gaven zuchtend mee onder het gewicht dat ze moesten dragen, en ze vreesden nooit meer van de klap te herstellen.

Sigarenrook kringelde over de kamperfoeliestruiken en verdreef nijdig de tere geur van hun bloemen.

Harde stemmen verjoegen de vrolijke zwerm meesjes, die met verschrikt en verontwaardigd getjilp een toevlucht zochten in de bomen vlakbij.

Een man stond op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zei iets, en toen deden alle mensen hun mond erg wijd open en begonnen te zingen. Ze zongen zo hard dat de kraaien krassend opvlogen van hun hoge nesten. De nieuwsgierige konijntjes, die van de duinrand waren gekomen om eens te kijken, gingen verschrikt aan het lopen. Ze bleven nog een kwartier lang doorlopen, toen ze al veilig weer in het duin waren.

Windekind lachte en sloeg de sigarenrook voor zich weg met een varentak. Johannes kreeg tranen in zijn ogen, maar niet van de rook.

'Windekind,' zei hij, 'ik wilde weg, het is zo lelijk en zo hard.'

'Nee, wij moeten nog blijven. U zult lachen, het wordt nog grappiger.'

Het zingen hield op en de bleke man begon te spreken. Hij schreeuwde hard, zodat iedereen hem zou verstaan, maar wat hij zei klonk erg vriendelijk. Hij noemde de mensen broeders en zusters. Hij sprak van de heerlijke natuur en de wonderen van de schepping, van Gods zonneschijn en van de lieve vogels en bloemen …

'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is hij een vriend van u?'

Windekind schudde minachtend zijn bekranste hoofdje.

'Hij kent mij niet, en de zon, de vogels en de bloemen evenmin. Het is alles leugen wat hij zegt.'

De mensen luisterden allemaal heel aandachtig. De dikke juffrouw die op het blauwe klokje zat, begon een paar keer te huilen. Ze veegde haar tranen af met de punt van haar rok, omdat ze haar zakdoek niet kon gebruiken.

De bleke man zei dat God omwille van hun bijeenkomst de zon zo vrolijk had laten schijnen. Toen lachte Windekind en gooide uit de dichte bladeren een eikel op zijn neus.

'Hij zal het anders ondervinden,' zei hij. 'Mijn vader zou voor hem schijnen, wat verbeeldt hij zich wel!'

Maar de bleke man was te veel in vuur geraakt om op de eikel te letten die uit de lucht scheen te vallen. Hij sprak lang, en hoe langer hoe harder. Op het laatst werd hij rood en blauw in zijn gezicht. Hij balde zijn vuisten en schreeuwde zo luid dat de bladeren trilden en de grashalmen ontzet heen en weer wiegden. Toen hij eindelijk tot bedaren was gekomen, begonnen ze allemaal weer te zingen.

'Wel foei!' zei een merel, die vanuit een hoge boom het lawaai aanhoorde. 'Wat een afschuwelijk kabaal! Ik heb nog liever dat er koeien in het bos komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!'

Nu! de merel is een kenner en heeft een fijne smaak.

Na het gezang haalden de mensen allerlei eetwaren tevoorschijn uit manden, dozen en zakken. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en sinaasappels verdeeld. Ook flessen en glazen kwamen tevoorschijn.

Toen riep Windekind zijn bondgenoten bij elkaar en begon de smullende troep te belegeren.

Een dappere kikker sprong op de schoot van een oude juffrouw, vlak naast het broodje dat ze juist wilde opeten. Hij bleef daar zitten, alsof hij verbaasd was over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een ijselijke gil en staarde ontzet naar de aanvaller, zonder zich te durven verroeren. Het moedige voorbeeld werd nagevolgd. Groene rupsen kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes en brachten overal angst en schrik. Grote, dikke kruisspinnen lieten zich aan glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen, en een luid gegil volgde steeds op hun aanval. Talloze vliegjes bestormden de mensen recht in hun gezicht. Ze offerden hun leven voor de goede zaak door zich op eten en drinken te storten en het met hun lichaam onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen en vielen de vijand bij honderden tegelijk aan, op de meest onverwachte plaatsen. Wat een verwarring en ontsteltenis bracht dat teweeg! Haastig sprongen mannen en vrouwen op van de zo lang verdrukte mos- en grasplantjes. Ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door de goed geslaagde aanval van twee oorwormen op de benen van de dikke juffrouw. De wanhoop nam toe. Dansend en springend, met de vreemdste gebaren, probeerden de mensen aan hun vervolgers te ontkomen. De bleke man bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje om zich heen. Maar een paar baldadige meesjes, die geen aanvalsmiddel te laag vonden, en een wesp, die hem door zijn zwarte broek in de kuit stak, schakelden hem uit.

Toen kon de vrolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het gezicht achter een wolk. Grote regendruppels vielen op de strijdende partijen. Het was alsof door de regen plotseling een bos van grote, zwarte paddenstoelen uit de grond schoot. Dat waren de regenschermen die werden opgestoken. Vrouwen sloegen hun rokken over hun hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste benen en schoenen zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! Hij moest zich aan de bloemstengel vasthouden van het lachen.

Dichter en dichter stroomde de regen, en hij begon het bos te omhullen met een grauwe, glinsterende sluier. Kletterende waterstralen vielen van paraplu's, hoge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de schilden van de watertor. De schoenen zoenden en smakten in de doorweekte grond. Toen gaven de mensen het op en dropen in kleine groepjes zwijgend af. Ze lieten een massa papieren, lege flessen en sinaasappelschillen achter als onooglijke sporen van hun bezoek. Op het open veldje in het bos werd het weer eenzaam, en al gauw hoorde je niets meer dan het eentonige ruisen van de regen.

'Nu, Johannes! nu hebben wij ook mensen gezien. Waarom lacht u ook niet om hen?'

'Ach, Windekind! zijn alle mensen zo?'

'O! er zijn er nog veel ergere en lelijkere. Soms razen en tieren ze en vernielen ze alles wat mooi en heerlijk is. Ze hakken bomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Ze vertrappen met opzet de bloemen en doden voor hun plezier elk dier dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar ze op elkaar kruipen, is alles vuil en zwart, en de lucht is bedompt en vergiftigd door stank en rook. Ze zijn helemaal vervreemd van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken ze zo'n dwaas en droevig figuur als ze erin terugkeren.'

'Ach! Windekind! Windekind!'

'Waarom huilt u, Johannes? U moet niet huilen omdat u bij mensen geboren bent. Ik houd immers van u en heb u uitgekozen uit allen. Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en u de blik van de bloemen laten verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde houdt van u als van haar liefste kind. Waarom zou u niet blij zijn, nu ik uw vriend ben?'

'O, Windekind, dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die mensen!'

'Waarom? U hoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet. U kunt hier wonen en altijd met mij meegaan. Wij zullen wonen in het dichtste deel van het bos, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan de vijver. Ik zal u overal brengen: op de bodem van het water tussen de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleren voor u laten maken en u vleugels geven, zoals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met de zomer meetrekken, naar de plek waar de hoge palmen oprijzen. Daar hangen kleurige bloemtrossen aan de rotsen en schittert het donkerblauwe zeevlak in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt u dat, Johannes?'

'Zal ik nooit meer onder mensen wonen?'

'Onder mensen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeidheid en zorg. Dag aan dag zult u tobben en zuchten onder de last van uw leven. Ze zullen uw tere ziel stoten en pijnigen met hun grofheid. Ze zullen u ter dood vervelen en martelen. Houdt u meer van de mensen dan van mij?'

'Nee! nee! Windekind, ik wil bij u blijven!'

Nu kon hij tonen hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wens.

De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere glimlach van de zon over het woud. Hij viel op de vochtige, glanzende bladeren en op de druppels die aan elk twijgje en halmpje fonkelden. Ze sierden ook de spinnenwebben die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam steeg een fijne nevel uit de vochtige grond tussen het kreupelhout omhoog, met duizend zwoele, dromerige geuren. De merel vloog nu naar de hoogste boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de dalende zon. Het was alsof zij wilde laten horen welke zang hier paste, in de plechtige avondstilte, bij de zachte begeleiding van de vallende druppels.

'Is dat niet mooier dan mensengeluid, Johannes? Ja! de merel weet wel de juiste toon te treffen. Hier is alles harmonie, zo volmaakt zult u die bij mensen nooit vinden.'

'Wat is harmonie, Windekind?'

'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat waarnaar alles streeft. Ook de mensen. Maar zij doen als jongens die een vlinder willen vangen. Ze jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'

'Zal ik haar bij u vinden?'

'Ja, Johannes! Maar dan moet u de mensen vergeten. Het is een slecht begin, bij mensen geboren te zijn, maar u bent nog jong. U moet alle herinneringen aan uw mensenleven van u afzetten. Bij hen zou u dwalen en in verwarring, strijd en ellende raken. Het zou met u gaan als met de jonge meikever over wie ik u vertelde.'

'Wat is er verder met hem gebeurd?'

'Hij heeft het heldere schijnsel gezien waarvan de oude kever sprak. Hij dacht niet beter te kunnen doen dan er meteen heen te vliegen. Hij vloog recht een kamer in en viel in mensenhanden. Drie dagen lang is hij daar gemarteld. Hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, en men heeft hem draadjes aan de poten gebonden en hem zo laten vliegen. Toen heeft hij zich losgerukt en een vleugel en een poot verloren. Eindelijk kroop hij hulpeloos rond op een vloerkleed en probeerde nog vergeefs de tuin te bereiken. Toen werd hij door een zware voet verpletterd.

'Alle dieren, Johannes, die in de nacht ronddolen, zijn evengoed kinderen van de zon als wij. En ook al hebben ze hun schitterende vader nooit gezien, toch drijft een onbewuste herinnering hen steeds weer naar alles waar licht van uitgaat. En duizenden arme schepsels van de duisternis vinden een jammerlijke dood door die liefde tot de zon, van wie ze al lang gescheiden en vervreemd zijn. Zo brengt een onbegrepen, onweerstaanbare neiging de mensen ten verderve in de schijnbeelden van dat Grote Licht, dat hen deed ontstaan en dat ze niet meer kennen.'

Vragend keek Johannes op naar Windekinds ogen. Maar die waren diep en vol geheimen, als de donkere hemel tussen de sterren.

'Bedoelt u God?' vroeg hij eindelijk verlegen.

'God?' De diepe ogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan u denkt als u die klank uitspreekt. Aan de stoel voor uw bed, waartegen u elke avond het lange gebedje zegt. Aan de groene wollen gordijnen voor het kerkraam, waarnaar u op zondagmorgen zo lang kijkt. Aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkzakje met de lange steel, aan lelijk gezang en een muffe mensenlucht. Wat u met die naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld. Het is, in plaats van de zon, een grote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden mugjes hulpeloos vastgeplakt zitten.'

'Maar hoe heet dan dat Grote Licht, Windekind? En tot wie moet ik dan bidden?'

'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde heette, die met hem ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, dan zou u het verstaan zoals een aardworm de muziek van de sterren. Maar bidden zal ik u leren.'

En met de kleine Johannes, die in stille verwondering over Windekinds woorden nadacht, vloog hij uit het bos omhoog. Hij vloog zo hoog dat boven de duinrand een lange streep zichtbaar werd, fonkelend als goud. Ze vlogen verder, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken weg, en de lichtstreep werd breder en breder. De groene kleur van de duinen verdween, het helmgras zag vaal, en er groeiden vreemde, bleekblauwe planten tussen. Nog een hoge heuvelrij, een lange, smalle strook zand, en dan de wijde, ontzaglijke zee.

Blauw was het grote vlak tot aan de horizon, maar onder de zon straalde een smalle strook in verblindend rode schittering. Een lange, donzig witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zoals hermelijn het blauwe fluweel omzoomt.

En aan de horizon scheidde een fijne, wonderbaarlijke lijn lucht en water. Een wonder leek ze: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, zichtbaar en toch ongrijpbaar. Ze was als de toon van een harp, die lang en dromend naklinkt, die lijkt weg te sterven en toch blijft.

Toen ging de kleine Johannes op de duinrand zitten en staarde …, staarde in lang, roerloos zwijgen, totdat het hem was alsof hij ging sterven. Het was alsof de grote, gouden deuren van het heelal zich statig openden en zijn kleine ziel het eerste licht van de oneindigheid tegemoet zweefde.

En totdat de opwellende tranen in zijn wijd geopende ogen de mooie zon versluierden en de pracht van hemel en aarde deden wegwijken in een donkere, trillende schemering …

'Zo moet u bidden!' zei Windekind toen.

### Woordenlijst

- **kniezen**: stil en somber zitten en over iets blijven piekeren.
- **de Smid**: de man die in de winter de kachels op hun plaats zet; de kachels noemen hem ook 'de zwarte man'.
- **afsteken**: tegen een achtergrond duidelijk zichtbaar zijn.
- **zwenkten**: plotseling van richting veranderden.
- **de oranjerie**: gebouw waarin planten, zoals sinaasappelbomen, de winter doorbrengen.
- **de wielewaal**: gele vogel die mooi fluit.
- **de bladluisjes**: heel kleine insecten op planten.
- **uitroeien**: alle mensen of dieren van een groep doden.
- **het kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **de kamperfoelie**: klimplant met bloemen die sterk geuren.
- **het kerkzakje**: zakje aan een lange stok waarmee in de kerk geld wordt opgehaald.
- **de petroleumlamp**: oude lamp die op olie brandt.
- **de harmonie**: toestand waarin alles goed bij elkaar past; rust en geluk.
- **het schijnbeeld**: iets wat echt lijkt, maar het niet is.
- **hermelijn**: witte vacht, die vroeger aan de mantels van koningen zat.

## V

Hebt u wel eens op een mooie herfstdag door het bos gedwaald? Als de zon zo stil en helder op het bont gekleurde gebladerte schijnt, als de takken kraken en de dorre bladeren ruisen onder uw voet?

Dan lijkt het woud zo moe, het kan alleen nog wijken en leeft in oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het als een droom, met geheimzinnige pracht. De glinsterende herfstdraden zweven in trage golvingen door de lucht, als mooie, doelloze mijmeringen.

Maar uit de vochtige grond, tussen mos en dorre bladeren, rijzen dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten van de paddenstoelen op. Sommige zijn dik, mismaakt en vlezig, andere slank en rijzig, met een geringde steel en een schitterend gekleurde hoed. Dat zijn vreemde droombeelden van het woud.

Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken talloze kleine, witte stompjes met zwarte topjes, alsof ze verbrand zijn. Sommige wijze mensen houden ze voor een soort zwammen. Maar Johannes leerde beter:

Het zijn kaarsjes. Ze branden in stille herfstnachten, en dan zitten de kaboutermannetjes erbij en lezen in kleine boekjes.

Dat leerde Windekind hem op zo'n stille herfstdag, en Johannes ademde een droomstemming in met de doffe geur die uit de bosgrond opsteeg.

Hoe komen de bladeren van de esdoorn zo zwartgevlekt?

'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als ze 's nachts geschreven hebben, gooien ze 's morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uit. Ze houden niet van die boom. Van essenhout maakt men kruisjes en stelen voor kerkzakjes.'

Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, ijverige kabouters, en hij liet Windekind beloven hem bij een van hen te brengen.

Hij was al lang bij Windekind. Hij was zo gelukkig in zijn nieuwe leven dat hij nog weinig spijt voelde over zijn belofte om alles wat achter hem lag te vergeten. Er waren geen tijden van angst of eenzaamheid, waarin altijd de spijt komt. Windekind verliet hem nooit, en bij hem was elke plek een thuis. Rustig sliep hij in het wiegende nest van een karekiet, dat tussen de groene rietstengels hing, al brulde de roerdomp en krasten de kraaien nog zo onheilspellend. Hij voelde geen angst bij kletterende regen of gierende storm. Dan schuilde hij in holle bomen of konijnenholen, kroop dicht onder Windekinds manteltje en luisterde naar zijn stem, die sprookjes vertelde.

En nu zou hij de kabouters zien.

Het was een goede dag daarvoor. Zo stil! zo stil! Johannes meende al hun fijne stemmetjes en het geschuifel van hun voetjes te horen, maar het was nog middag. De vogels waren bijna allemaal weg, alleen de lijsters smulden van de felrode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met uitgespreide vleugels hing ze daar te spartelen, tot het scherp omknelde pootje bijna doorscheurde. Johannes bevrijdde haar snel, en met een blij getink vloog ze haastig weg.

De paddenstoelen hadden het druk onder elkaar.

'Kijk mij eens!' zei een dikke duivelszwam. 'Hebt u ooit zoiets gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allemaal. En dat in één nacht!'

'Ba!' zei de rode vliegenzwam. 'U bent zeer lomp. Zo bruin en grof. Ik wieg op mijn slanke steel als een rietstengel. Ik ben prachtig rood als de lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben mooier dan allemaal.'

'Stil!' zei Johannes, die hen nog van vroeger kende. 'U bent allebei giftig.'

'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.

'Bent u soms een mens?' bromde de dikke spottend. 'Dan mag ik hopen dat u mij opeet.'

Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in de vlezige hoed. Dat stond gek, en alle andere paddenstoelen lachten. Ook een groepje dunne paddenstoelen met bruine kopjes, die samen in een paar uur waren opgeschoten en elkaar verdrongen om de wereld in te kijken. De duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daarmee kwam zijn giftige aard aan het licht.

Aardsterren hieven hun ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder in vochtige bodem neerviel, zouden draden zich door de zwarte aarde vlechten. Het volgende jaar zouden daar honderden nieuwe aardsterren opschieten.

'Wat een mooi bestaan!' zeiden ze tegen elkaar.

'Stuiven is het hoogste levensdoel! Wat een geluk, te kunnen stuiven zolang men leeft!'

En met aandachtige toewijding dreven ze de kleine poederwolkjes de lucht in.

'Hebben zij gelijk, Windekind?'

'Waarom niet? Wat kan voor hen hoger zijn? Gelukkig dat ze niet meer verlangen, want ze kunnen niet anders.'

Toen de nacht was gevallen en de schaduwen van de bomen tot een gelijkmatig donker waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, tussen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde de tocht van onhoorbare vleugelslagen en was zich bewust van onzichtbare wezens dichtbij. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes trippelen. Kijk, daar in de donkere diepte van de struiken gloeide even een klein, blauw vonkje en verdween. Daar weer een, en nog een! Stil … als hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij hem—bij die donkere boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen erachter tevoorschijn en bleven stilstaan op de top.

Overal zag Johannes nu lichtjes glimmen. Ze zweefden tussen het donkere gebladerte en dansten met kleine sprongen over de grond, en daarginds straalde een grote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.

'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'

'Dat is een vermolmde boomstam,' zei Windekind. Ze gingen op een stil, helder lichtje af.

'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste van de kabouters.'

Toen hij dichterbij kwam, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Bij de blauwe schijn kon je duidelijk het gerimpelde gezichtje met de grijze baard onderscheiden. Hij las hardop, met samengetrokken wenkbrauwen. Op zijn hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje. Voor hem zat een kruisspin, die naar de voorlezing luisterde.

Toen de twee naderden, keek de kabouter uit zijn boekje op zonder zijn hoofd op te heffen, en hij trok zijn wenkbrauwen omhoog. De kruisspin kroop weg.

'Goedenavond!' zei de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie bent u beiden?'

'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennismaken. Wat leest u daar?'

'Dat is niet voor uw oren bestemd,' zei Wistik. 'Dat is alleen voor kruisspinnen.'

'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.

'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek van de spinnen. Dat bewaar ik en dat mag ik nooit uit handen geven. Ik heb de heilige boeken van kevers en vlinders en egels en mollen en alles wat hier leeft. Ze kunnen niet allemaal lezen, en als ze nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat is een grote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt u?'

Het mannetje knikte een paar keer heel ernstig en stak een wijsvingertje op.

'Waar was u nu mee bezig?'

'Met de geschiedenis van Kribbelgauw, de grote held van de kruisspinnen, die heel lang geleden leefde. Hij had een net dat over drie bomen gespannen was, waarin hij miljoenen vliegen op één dag ving. Vóór Kribbelgauws tijd maakten de spinnen geen netten en leefden ze van gras en dode beestjes. Maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees dat ook levende beestjes voor spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was een groot wiskundige. En de kruisspinnen maken nog altijd hun netten precies, draadje aan draadje, zoals hij het geleerd heeft, maar veel kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving grote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, dat was nog eens een grote spin. Eindelijk is er een geweldige storm gekomen. Die heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie bomen waaraan het vastzat door de lucht meegesleept naar verre bossen. Daar wordt hij nu eeuwig vereerd om zijn grote moordlust en vlugheid.'

'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.

'Het staat in dit boekje,' zei Wistik.

'Gelooft u het?'

De kabouter kneep één oog dicht en legde zijn wijsvinger langs zijn neus.

'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar ik houd me erbuiten.'

'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'

Wistik keek Johannes enigszins wantrouwend aan.

'Wat bent u eigenlijk voor een wezen, Johannes? U hebt zoiets … zoiets … menselijks, zou ik zeggen.'

'Nee! nee! wees gerust, Wistik,' zei Windekind toen. 'Wij zijn elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel mensen gezien. U kunt hem echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'

'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste van de kabouters, en ik heb lang en ijverig gestudeerd voordat ik wist wat ik weet. Nu moet ik voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik mijn reputatie.'

'Maar in welk boekje denkt u dan dat het juiste staat?'

'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet dat ik dat boekje ooit gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, en ook niet het kabouterboekje. Toch moet het er zijn.'

'Het mensenboekje misschien?'

'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet groot geluk en grote vrede brengen. Daarin moet nauwkeurig staan waarom alles is zoals het is, zodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Nu, zó ver zijn de mensen, geloof ik, niet.'

'O! O nee!' lachte Windekind.

'Is er stellig zo'n boekje?' vroeg Johannes gretig.

'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje. 'Ik weet het uit oude, oude verhalen. En—stil!—ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'

'O! Wistik! Wistik!'

'Waarom hebt u het dan nog niet?' vroeg Windekind.

'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bijzonderheden weet ik nog niet. Maar spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor gewerkt en naar gezocht. Want voor hem die het vindt, zal het leven zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel rondom. Maar geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en geen druppel zal tikken. De schaduwen zullen niet veranderen, en het goud op de boomtoppen zal niet verbleken. Wat ons licht schijnt, zal duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig zijn voor hem die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook eens vinden.'

Het kaboutertje trok zijn wenkbrauwen heel hoog op en legde zijn vinger op zijn mond.

'Wistik, zou u mij kunnen leren …' begon Johannes. Maar voordat hij kon uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag hij een grote, zwarte gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.

Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog net een voetje in de boomstronk verdwijnen. Wip! het kaboutertje was voorover in zijn hol gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon zwakker en zwakker te branden en ging opeens uit. Het zijn heel bijzondere kaarsjes.

'Wat was dat?' vroeg Johannes, en hij klemde zich in het donker angstig aan Windekind vast.

'Een nachtuil,' zei Windekind.

Ze zwegen allebei een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft u wat Wistik gezegd heeft?'

'Wistik is niet zo wijs als hij zelf denkt. Zo'n boekje vindt hij nooit, en u ook niet.'

'Maar bestaat het?'

'Dat boekje bestaat zoals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard u ook loopt en hoe voorzichtig u ook grijpt, u zult haar niet inhalen of pakken. En eindelijk merkt u dat u uzelf zoekt. Wees niet dwaas en vergeet dat kabouterpraatje! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen. Ga mee. Wij zullen naar de rand van het bos gaan en zien hoe onze goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden tilt. Ga mee!'

Johannes ging mee, maar Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad volgde hij niet. En terwijl hij de schitterende herfstmorgen zag opkomen, mijmerde hij over het boekje waarin stond waarom alles is zoals het is. Zachtjes herhaalde hij bij zichzelf: 'Wistik! …'

### Woordenlijst

- **rijzig**: lang en slank.
- **vermolmd**: zacht en bros geworden door ouderdom; gezegd van hout.
- **de zwam**: paddenstoel of een plant die erop lijkt.
- **de esdoorn**: boom met grote, ingesneden bladeren.
- **de karekiet**: kleine vogel die in het riet woont.
- **de roerdomp**: vogel die in het riet leeft en een diep, brullend geluid maakt.
- **omknelde**: heel strak vastgehouden, zodat het pijn doet.
- **het getink**: licht, hoog geluid, als van glas of metaal.
- **giftig**: gevaarlijk om te eten; je kunt er ziek of dood van gaan.
- **de aardster**: paddenstoel in de vorm van een ster.
- **stuiven**: als heel fijn poeder door de lucht vliegen.
- **de kruisspin**: grote spin met een kruis op zijn rug.
- **ontaard**: slechter geworden dan vroegere generaties.
- **verfoeilijk**: zo slecht dat je er een grote afkeer van hebt.
- **de nachtuil**: vogel die 's nachts jaagt.

## VI

Toen leek het hem de volgende dagen alsof het niet zo vrolijk en prettig meer was bij Windekind in het bos en de duinen. Zijn gedachten waren niet helemaal meer vervuld van alles wat Windekind zei en hem liet zien. Telkens moest hij weer over dat boekje peinzen, en daarover durfde hij niet te spreken. Wat hij zag, leek hem niet zo mooi en wondervol meer als vroeger. De wolken waren zo zwart en zwaar en maakten hem bang, alsof ze op hem zouden neerkomen. Het deed hem pijn als de herfstwind rusteloos de arme, moede bomen schudde en zweepte. Dan kwam de bleke achterkant van de groene bladeren boven, en geel blad en dorre takken vlogen op in de lucht.

Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet, en nooit kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord als hij een van zijn oude vragen stelde.

Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zo klaar en eenvoudig geschreven stond, en aan die eeuwig zonnige, stille herfstdag die dan zou volgen.

'Wistik! Wistik!'

Windekind hoorde het.

'Johannes! u zult toch een mens blijven, vrees ik. Zelfs uw vriendschap is als die van mensen. De eerste die na mij tot u sprak, heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'

'Nee, Windekind! maar u bent zoveel wijzer dan Wistik, u bent ook zo wijs als dat boekje. Waarom zegt u mij niet alles? Kijk nu! waarom blaast de wind door de bomen, zodat ze moeten buigen en weer buigen? Kijk, ze kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden laten de blaadjes los, ook al zijn ze nog groen en fris. Ze zijn zo moe en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer opnieuw geschud en geslagen door die ruwe, nijdige wind. Waarom is dat? Wat wil de wind?'

'Arme Johannes! dat is mensentaal!'

'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'

'U vraagt en wilt als een mens, en daarvoor is geen antwoord en geen vervulling. Als u niet beter leert vragen en wensen, zal de herfstdag nooit voor u aanbreken. Dan wordt u als de duizenden mensen die Wistik gesproken hebben.'

'Zijn er zoveel?'

'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig, maar toch is hij een prater die zijn geheim niet kan verzwijgen. Hij hoopt het boekje bij de mensen te vinden, en hij deelt zijn wijsheid mee aan iedereen die hem misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij daarmee gemaakt. Ze geloven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als sommigen de kunst om goud te maken. Ze offeren alles op, vergeten al hun werk en geluk, en sluiten zich op tussen dikke boeken, vreemde stoffen en werktuigen. Ze wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten de blauwe hemel en de goede, milde natuur, en ook hun medemensen. Soms vinden ze mooie en nuttige dingen, als goudklompen, die ze uit hun holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien. Maar zelf bekommeren ze zich daar niet om. Ze laten anderen ervan genieten en graven en wroeten ingespannen en rusteloos voort in het donker. Geen goud zoeken ze, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder het werk, vergeten hun doel en hun wens en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft de kabouter hen kinds gemaakt. Men ziet hen torentjes van zand bouwen en tellen hoeveel korrels er nodig zijn voordat ze omvallen. Ze maken watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje dat het water zal maken. Ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft om die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme verdwaasden in hun werk en vraagt men wat ze doen, dan kijken ze u ernstig en gewichtig aan. Ze schudden hun hoofd en mompelen: "Wistik! Wistik!" Ja, dit alles is de schuld van die kleine, nare kabouter. Pas op voor hem, Johannes!'

Maar Johannes staarde voor zich uit naar de zwaaiende en piepende bomen. Boven zijn heldere kinderogen plooide de tere huid zich tot rimpels. Nog nooit had hij zo ernstig gekeken.

'Maar toch, u hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker, daar staat ook in over het Grote Licht, dat u mij niet noemen wilt.'

'Arme, arme Johannes!' zei Windekind, en zijn stem was boven het bruisende geruis van de storm als een vredig koraalgezang dat van ver klonk. 'Houd van mij, houd van mij met uw hele wezen. In mij vindt u meer dan wat u wenst. U zult begrijpen wat u zich niet kunt denken, en u zult zelf zijn wat u verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning zijn.

'Houd van mij, houd van mij! Blijf aan mij vast als de hop aan de boomstam! Blijf mij trouw als het meer de bodem! In mij alleen is al uw rust, Johannes!'

Windekinds woorden zwegen, maar het was alsof het koraalgezang doorging. Uit de verre verte leek het aan te zweven, plechtig en gelijkmatig, door het razen en suizen van de wind. Het was vredig als het maanlicht dat door de jagende wolken scheen.

Windekind spreidde zijn armen uit, en Johannes sliep aan zijn borst, beschermd door het blauwe manteltje.

Maar in de nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan was onder de horizon gezakt. Roerloos hing het vermoeide gebladerte, zwijgende duisternis vulde het bos.

Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging terug in Johannes' hoofd en joegen het nog zo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom waren de mensen zo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?

Daar dansten in de diepte van het kreupelhout weer de blauwe lichtjes. Ze kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het grote, heldere lichtje glanzen op de donkere boomstronk. Windekind sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes, en hij gleed onder het blauwe manteltje weg.

'Bent u daar weer!' zei Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'

'Daarginds. Ik wilde u alleen nog één vraag stellen. Wilt u mij daarop antwoorden?'

'U bent bij mensen geweest, nietwaar? Is het u om mijn geheim te doen?'

'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'

'Ja, ja! dat is het! dat is het! Wilt u mij helpen, als ik het u zeg?'

'Als ik kan, zeker!'

'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend grote ogen op en trok zijn wenkbrauwen hoger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs de rug van zijn handje: 'Mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, mensenvriend alleen opent het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet de weg.'

'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes, en hij dacht aan zijn sleuteltje.

'Ja!' zei Wistik.

'Waarom vond niemand het dan nog? Zoveel mensen zoeken ernaar.'

'Ik heb geen mens, geen mens gezegd wat ik u heb toevertrouwd. Ik vond nog nooit een elfenvriend.'

'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in zijn handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'

Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Maar hij struikelde telkens, en zijn stap was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij anders nog geen grashalmpje boog.

Daar was de dichte varenplant waaronder ze geslapen hadden; wat leek die hem laag!

'Windekind!' riep hij. Maar hij schrok van het geluid van zijn stem.

'Windekind!' Het klonk als een mensenstem, en een schuwe nachtvogel vloog krijsend op.

Leeg was het onder de varenstruik, Johannes zag niets.

De blauwe lichtjes waren verdwenen. Het was kil en grondeloos donker om hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen van de boomkruinen tegen de sterrenlucht.

Nog één keer riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schending van de stilte, en Windekinds naam klonk als spot.

Toen viel het arme Johannesje neer en snikte in radeloos berouw.

### Woordenlijst

- **peinzen**: lang en diep over iets nadenken.
- **de voldoening**: het tevreden gevoel dat iets goed is.
- **versuffen**: langzaam dom en slaperig worden.
- **het gebeuzel**: druk bezig zijn met dingen die niet belangrijk zijn.
- **kinds**: door ouderdom in de war, en weer als een kind.
- **de verdwaasden**: mensen die hun verstand zijn kwijtgeraakt.
- **het koraalgezang**: plechtig, rustig kerklied.
- **de hop**: klimplant die om een boom of stok heen groeit.
- **het kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **het roodborstje**: kleine vogel met een rode borst.
- **de schim**: donkere vorm die je niet duidelijk kunt zien.
- **radeloos**: zo wanhopig dat je niet meer weet wat je moet doen.
- **het berouw**: diepe spijt.

## VII

Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door de storm van hun bladeren beroofd, huilden in de mist.

Over het natte, neergeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort. Hij staarde voor zich uit naar de kant waar het woud lichter werd, alsof hij daar een doel had. Zijn ogen waren rood van het huilen en strak van angst en ellende. Zo had hij de hele nacht gelopen, alleen op zoek naar het licht. Met Windekind was het veilige thuisgevoel weg. In elke donkere plek zat het spook van de verlatenheid, en hij durfde niet om te kijken.

Eindelijk kwam hij aan de bosrand. Hij keek uit over een weiland, waarop een fijne, klamme regen langzaam neerkwam. Middenin stond een paard, naast een kale wilgenboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, en het water druppelde traag van zijn glimmende flanken en uit zijn samengeklitte manen.

Johannes liep door, langs het bos. Hij keek met matte, angstige blik naar het eenzame paard en de grauwe regennevel en kreunde zacht.

'Nu is alles uit,' dacht hij. 'Nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. Nu zal het altijd voor mij blijven zoals hier.'

Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stil te staan, want dan zou het verschrikkelijkste komen, dacht hij.

Toen zag hij het grote hek van een buitenplaats en een huisje onder een lindeboom met heldergele bladeren.

Hij ging het hek door en liep door de brede lanen, waar de bruine en gele lindebladeren in een dikke laag de grond bedekten. Langs de grasperken groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen wild door elkaar.

Hij kwam bij een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Tegen de muren groeiden rozenstruiken en klimop. Alles was doods en gesloten. Half ontbladerde kastanjebomen stonden stil rondom, en op de grond, tussen het afgevallen loof, zag Johannes de glimmend bruine kastanjes blinken.

Toen week het kille, dode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen huis. Daar stonden ook kastanjebomen, en altijd ging hij in deze tijd de gladde kastanjes zoeken. Plotseling begon hij te verlangen, alsof hij een bekende stem had horen roepen. Hij ging op een bank bij het grote huis zitten en huilde zich rustig.

Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met een wit schort voor en een pijp in zijn mond. Om zijn middel had hij stroken lindebast, waarmee hij de bloemen opbond. Johannes kende die geur zo goed. Die deed hem denken aan zijn eigen tuin en aan de tuinman, die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.

Hij schrok niet, al was het een mens die bij hem stond. Hij vertelde de man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar de kleine woning onder de lindeboom met de gele bladeren.

Binnen zat de vrouw van de tuinman zwarte kousen te breien. Boven het turfvuurtje op de haardplaat hing een grote ketel water te koken. Op de vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpoten, precies zoals Simon gezeten had toen Johannes van huis ging.

Johannes werd bij het vuur gezet om zijn voeten te drogen. 'Tik!—Tik!—Tik!—Tik!' zei de grote hangklok. Johannes keek naar de stoom die suizend uit de ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes die vlug en grillig om de stukken turf huppelden. 'Nu ben ik onder mensen,' dacht hij.

Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en vriendelijk en vroegen hem wat hij nu het liefst wilde.

'Het liefst wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.

Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en ze zouden hem zeggen dat hij kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens moeten denken.

Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar hij droeg hier liever het stille verlangen dan het pijnlijke, moeilijke weerzien. En het was alsof hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.

Windekind was nu zeker weggegaan, ver weg naar het zonnige land waar de palmen over de blauwe zee heen buigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.

Daarom smeekte hij de twee goede mensen of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen de tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen deze winter maar. Want in stilte hoopte hij dat Windekind met de lente zou terugkomen.

De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggelopen omdat hij thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem en beloofden hem dat hij mocht blijven.

Hij bleef en hielp de bloemen in de tuin verzorgen. Ze gaven hem een slaapkamertje, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's ochtends de natte, gele lindebladeren langs het raam strijken. 's Nachts zag hij de donkere stammen heen en weer wiegen, waarachter de sterren verstoppertje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde hij de helderste: Windekind.

Aan de bloemen, die hij bijna allemaal van thuis kende, vertelde hij zijn geschiedenis. Aan de ernstige, grote asters, aan de kleurige zinnia's, aan de witte chrysanten, die zo lang bleven bloeien in het ruwe najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanten er nog. Zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes vroeg naar hen kwam kijken, staken ze hun vrolijke gezichtjes op. Ze zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat had u niet gedacht!' Zij hielden zich goed, maar twee dagen later waren zij allemaal dood.

Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens, en daar hingen de vreemde bloemtrossen van de orchideeën in de vochtige warmte. Met verwondering staarde Johannes in hun prachtige kelken en dacht aan Windekind. Hoe kil en kleurloos leek alles dan als hij buiten kwam: de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelige, druipende boomgeraamten.

Soms vielen de sneeuwvlokken uren en uren achter elkaar zwijgend neer, zodat de twijgen bogen onder het aangroeiende dons. Alleen dan liep Johannes graag in de violette schemering van het bos onder de sneeuw. Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna mooier dan het groen van de zomer als het blinkende wit van de gekruiste takjes tegen de helderblauwe hemel afstak. Of als een te zwaar beladen struik zijn sneeuwloof van zich af liet glijden, dat als een schitterend wolkje uiteenstoof en neerdaalde.

Eens, op zo'n wandeling, was hij zo ver gekomen dat hij om zich heen niets zag dan sneeuw en takken vol sneeuw, half wit, half zwart. Alle geluid en leven leken verdoofd in het glinsterende, donzige omhulsel. Toen meende hij een klein, wit diertje snel voor zich uit te zien lopen. Hij volgde het. Het leek op geen enkel diertje dat hij kende. Maar toen hij het wilde grijpen, verdween het plotseling in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'

Hij dacht niet veel aan hem. Dat leek hem slecht, en hij wilde zijn boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede mensen deed hem weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin veel over God werd gesproken, maar hij kende dat boek en las zonder na te denken.

De nacht na die wandeling in de sneeuw lag hij echter wakker in zijn bedstede en keek naar het koude maanlicht op de vloer. Daar zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de bedplank uitkwamen en zich stevig om de rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit bontmutsje tussen de twee handjes, en ten slotte zag hij een paar ernstige oogjes onder hoog opgetrokken wenkbrauwen.

'Goedenavond, Johannes!' zei Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan onze afspraak. U kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denkt u er wel aan? Wat is dat voor een dik boek waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'

'Dat denk ik niet, Wistik,' zei Johannes. Hij draaide zich om en wilde slapen. Maar het sleuteltje wilde hem niet uit zijn hoofd. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij eraan, en dan zag hij duidelijk dat het niet het echte was.

### Woordenlijst

- **klamme**: een beetje vochtig en koud.
- **flanken**: de zijkanten van het lichaam van een dier.
- **samengeklitte**: in plukken aan elkaar vast.
- **buitenplaats**: groot huis met een park, buiten de stad.
- **asters**: bloemen met veel smalle blaadjes, die in de herfst bloeien.
- **lindebast**: de zachte vezels onder de schors van een lindeboom.
- **turfvuurtje**: klein vuur van turf; turf is gedroogde grond uit een moeras, die je kunt stoken.
- **boete**: iets moeilijks dat je doet omdat je spijt hebt.
- **bedstede**: bed in een kast in de muur.
- **chrysanten**: bloemen die laat in het najaar nog bloeien.
- **serre**: glazen kamer voor planten.
- **prijkten**: stonden er mooi bij.
- **kelken**: de delen van een bloem die op een beker lijken.
- **boomgeraamten**: kale bomen zonder blad, die op skeletten lijken.
- **boomstronk**: het onderste stuk van een boom dat overblijft als de boom weg is.

## VIII

'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen voor het eerst de sneeuw was weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes in groepjes tevoorschijn kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Maar zij wisten het niet. Ze bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, alsof zij zich schaamden over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.

Konden zij dat maar! De verstijvende oostenwind begon al gauw weer te blazen, en de sneeuw stapelde zich hoog op over de voorbarige stumpertjes.

Weken later kwamen de viooltjes. Hun zoete geur zweefde tussen het kreupelhout. En toen de zon lang en warm op de mossige grond geschenen had, gingen ook de blonde primula's open, bij honderden en duizenden.

De schuwe viooltjes met hun sterke geuren waren geheimzinnige voorboden van de heerlijkheid die komen ging, maar de vrolijke primula's waren de blije werkelijkheid zelf. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en maakte er een gouden sieraad van. 'Nu dan! Nu komt hij toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bekeek hij de knoppen aan de takken. Van dag tot dag zwollen ze langzaam en wrongen ze zich los uit de schors, tot de eerste bleekgroene puntjes tussen de bruine schubben tevoorschijn kwamen. Lang bleef Johannes naar die groene blaadjes kijken. Hij zag ze toch nooit bewegen, maar als hij zich even had omgedraaid, leken ze groter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen aankijk,' dacht hij.

Het groen begon al schaduw te werpen. Nog steeds was Windekind niet gekomen, geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tegen de bloemen sprak, knikten zij alleen even en antwoordden niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.

Toen kwam hij op een zonnige lentemorgen bij de vijver van het huis. De ramen stonden allemaal wijd open. Zouden er mensen in gekomen zijn?

De vogelkersstruik aan de vijver was al helemaal met tere blaadjes bedekt. Alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag alleen haar lichtblauwe jurkje en blond haar. Een roodborstje op haar schouder pikte uit haar hand.

Opeens draaide zij haar hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!' zei ze, en ze knikte vriendelijk.

Weer ging er een rilling door hem heen, van zijn hoofd tot zijn voeten. Dat waren Windekinds ogen, dat was Windekinds stem.

'Wie bent u?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van ontroering.

'Ik ben Robinetta! En dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je van vogels?'

Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was precies als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.

'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zei Windekinds stem.

'Kent u mij niet? Weet u niet dat ik Johannes heet?'

'Hoe zou ik dat weten?'

Wat betekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch die donkere, hemeldiepe ogen.

'Waarom kijk je mij zo aan, Johannes? Heb je mij ooit eerder gezien?'

'Ja, ik geloof het wel.'

'Dat heb je toch zeker gedroomd.'

Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu dromen?

'Waar bent u geboren?' vroeg hij.

'Heel ver van hier, in een grote stad.'

'Bij mensen?'

Robinetta lachte. Het was Windekinds lach. 'Ik geloof het wel. Jij niet?'

'Ach ja, ik ook!'

'Vind je dat jammer? Hou je niet van mensen?'

'Nee! Wie zou van mensen houden?'

'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?'

'O, veel meer, en van bloemen.'

'Dat doe ik eigenlijk ook wel eens. Een enkele keer. Maar dat is niet goed. Wij moeten van mensen houden, zegt Vader.'

'Waarom is dat niet goed? Ik houd van wie ik wil, of het goed is of niet.'

'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van hen?'

'Ja,' zei Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mens is.'

'Waarom dan?'

'Dat weet ik niet. Omdat hij niet is als andere mensen, omdat hij ook van bloemen en vogels houdt.'

'Dat doe ik ook, Johannes! Dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje op haar hand en sprak het vriendelijk toe.

'Dat weet ik,' zei Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'

'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je het meest?'

'Van …' Johannes aarzelde. Zou hij Windekinds naam noemen? De angst dat die naam hem tegenover mensen zou ontvallen, was onafscheidelijk van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe jurkje niet Windekind? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven? 'Van u!' zei hij opeens, en hij keek haar recht in de diepe ogen. Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar toch was hij bang en wachtte hij gespannen af hoe zijn kostbare geschenk ontvangen zou worden.

Weer lachte Robinetta met haar heldere lach, maar zij pakte zijn hand, en haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.

'Wel, Johannes,' zei ze, 'waarmee heb ik dat zo opeens verdiend?'

Johannes antwoordde niet en bleef haar aankijken met groeiend vertrouwen. Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was groter dan hij.

Zo wandelden zij door het bos en plukten grote bossen sleutelbloemen, totdat zij zich wel konden verschuilen onder de berg doorschijnende gele bloemen. Het roodborstje vloog mee van tak tot tak en gluurde naar hen met schitterende zwarte oogjes.

Zij spraken niet veel, maar keken elkaar vaak van opzij aan. Zij waren allebei verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker wat zij van elkaar moesten denken.

Maar al gauw moest Robinetta terug, en dat speet haar.

'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens met me wandelen? Ik vind je een aardig jongetje,' zei ze bij het weggaan.

'Wiet! wiet!' zei het roodborstje, en het vloog haar achterna.

Toen zij weg was en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde hij er niet meer aan wie zij was.

Zij was dezelfde aan wie hij al zijn vriendschap had gegeven. De naam Windekind klonk zwakker in hem en raakte vermengd met Robinetta.

En alles werd weer om hem heen zoals het vroeger geweest was. De bloemen knikten vrolijk, en hun geur verdreef het weemoedige verlangen naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekoesterd had. Tussen het tere groen, in de lauwe, zachte lentelucht, voelde hij zich opeens thuis, als een vogel die zijn nest gevonden heeft. Hij moest zijn armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zo gelukkig. Op de weg naar huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, altijd voor hem uit, welke kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon gekeken had en het beeld van de zon overal met zijn blik meevloog.

Van die dag af ging Johannes elke heldere morgen naar de vijver. Hij ging vroeg, zodra hij gewekt werd door de ruziënde mussen in de klimopbladeren om zijn raam. Ook de spreeuwen wekten hem met hun gekwetter en lange getjilp, terwijl ze op de dakgoot fladderden en krioelden in de jonge zonneschijn. Dan rende hij vlug door het vochtige gras tot dicht bij het huis. Daar wachtte hij achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan en de lichte gestalte op hem af zag komen.

Dan wandelden zij door het bos en door de duinen, waaraan het bos grensde. Zij spraken over alles wat zij zagen, over de bomen en de planten en de duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel als hij met haar liep. Soms voelde hij zich weer zo licht dat hij dacht door de lucht te kunnen vliegen. Maar dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen die hij door Windekind van de bloemen en dieren wist. Maar hij vergat hoe hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen Robinetta. Hij genoot als zij naar hem lachte en hij vriendschap in haar ogen zag. Hij sprak tegen haar zoals hij vroeger tegen zijn hondje gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder aarzeling of schuwheid. De uren dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar. Bij alles wat hij deed, vroeg hij zich af of Robinetta het goed of mooi zou vinden.

En zijzelf leek altijd zo blij als zij hem zag. Dan glimlachte zij en liep ze sneller. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zo graag wandelde als met hem.

'Maar, Johannes,' vroeg ze eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de meikevers denken en wat de lijsters zingen? Hoe weet je hoe het eruitziet in het konijnenhol en op de bodem van het water?'

'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een konijnenhol geweest en op de bodem van het water.'

Robinetta trok haar fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. Maar zij vond geen valsheid.

Zij zaten onder seringenbomen, waaraan dikke, paarse bloemtrossen hingen. Voor hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte torretjes in kringen over het water glijden en rode spinnetjes bedrijvig op en neer duiken. Het krioelde daar van wriemelend leven. Johannes keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zei:

'Daar ben ik eens gedoken. Ik gleed langs een rietstengel naar beneden en kwam op de bodem. Die is helemaal bedekt met dorre bladeren, dat loopt zo licht en zacht. Het is er altijd schemerig, een groene schemering, want het licht valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd als zulke grote dieren zo over je heen zwemmen. Ik kon niet ver vooruit kijken, daar was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen tevoorschijn: watertorren met roeipoten en platte wantsen, soms ook een klein visje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof ik. Middenin was een groot bos van waterplanten, waar slakken tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. Stekelbaarsjes schoten erdoorheen. Soms bleven ze mij met open mond en trillende vinnen aankijken, zo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennisgemaakt met een aal, die ik per ongeluk op zijn staart trapte. Hij heeft mij van zijn reizen verteld. Hij was tot in zee geweest, zei hij. Daarom hadden ze hem koning gemaakt in de vijver, want niemand was zo ver geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was. Ze wilden graag een dikke koning, dat stond deftig. O, het was prachtig mooi in die vijver!'

'Waarom kun je er dan nu niet meer heen?'

'Nu?' vroeg Johannes, en hij keek haar met grote, peinzende ogen aan.

'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou er verdrinken. Maar het is niet nodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'

Robinetta schudde verwonderd haar blonde hoofdje en streek Johannes over zijn haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan de rand van de vijver allerlei lekkers leek te vinden. Hij keek even op en bleef hen allebei een ogenblik met zijn heldere oogjes aankijken.

'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'

Het vogelijn keek heel slim en ging toen door met zoeken en pikken.

'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'

Dat deed Johannes graag, en Robinetta luisterde, gelovig en aandachtig.

'Maar waarom is dat allemaal opgehouden? Waarom kun je nu niet met mij gaan, overal daarheen? Ik zou ook graag willen.'

Johannes spande zijn herinnering in, maar een zonnig waas bedekte de donkere afgrond waar hij overheen was gegaan. Hij wist niet precies meer hoe hij zijn vroegere geluk verloren had.

'Ik weet het niet goed, u moet er niet naar vragen. Een naar klein wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger.'

De geur van de seringen kwam uit de struiken op hen neer. De vliegen gonsden boven het water en de zon scheen stil. Toen begon er op het huis een bel te luiden met een piepende zwaai, en Robinetta vloog haastig weg.

Die avond kwam Johannes op zijn kamertje en keek hij naar de maanschaduwen van de klimopbladeren, die over de ruiten schoven. Toen leek het alsof er tegen het glas getikt werd.

Johannes dacht dat het een klimopblad was dat in de nachtwind trilde. Maar het tikte zo duidelijk, telkens drie keer achter elkaar, dat hij zachtjes het raam opendeed en voorzichtig rondkeek. De klimopbladeren tegen het huisje glansden in het blauwe schijnsel. Daaronder was een duistere wereld vol geheimen: holen en spelonken, waarin het maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog dieper maakten.

Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag hij eindelijk de vorm van een klein mannetje, vlak naast het raam, verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik meteen aan de grote, verwonderde ogen onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen. Op het puntje van Wistiks lange neus tekende de maan een klein vonkje.

'Hebt u mij vergeten, Johannes? Waarom denkt u er nu niet aan? Het is de rechte tijd. Hebt u roodborstje de weg niet gevraagd?'

'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik kan verlangen. Ik heb Robinetta.'

'Maar dat zal niet lang duren. En u kunt nog gelukkiger worden, en Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen? Denk eens hoe heerlijk het is als u samen het boekje vindt. Vraag er roodborstje naar. Ik zal u helpen als ik kan.'

'Ik kan er altijd naar vragen,' zei Johannes.

Wistik knikte en klom vlug naar beneden.

Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voor hij naar bed ging.

De volgende dag vroeg hij het roodborstje of het de weg wist naar het gouden kistje. Robinetta hoorde het verwonderd aan. Johannes zag het roodborstje knikken en schuin naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte het vogeltje.

'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.

'Weet u er niets van, Robinetta? Weet u niet waar het te vinden is? Wacht u niet op het gouden sleuteltje?'

'Nee, nee! Vertel eens, wat is dat?'

Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.

'En ik heb het gouden sleuteltje. Ik dacht dat u het gouden kistje had. Is het niet zo, vogelijn?'

Maar het vogelijn deed alsof het niets hoorde en fladderde tussen het jonge, lichte beukengroen.

Zij zaten tegen een duinhelling met kleine beuken en sparren. Een groen paadje liep er schuin tegenop, en zij zaten aan de rand ervan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen van de laagste boompjes heen kijken, op een groene bladerzee met licht en donker getinte golven.

'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je kan vinden wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom je daaraan?'

'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' mompelde Johannes, en hij staarde over het groen in de verte.

Alsof ze plotseling in het zonnige blauw ontstaan waren, kwamen er opeens twee witte vlinders in zijn blikveld. Zij dwarrelden, trilden en schitterden in het zonlicht, met een onbestemde, grillige vlucht. Maar ze kwamen dichterbij.

'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens, nu hij het zich herinnerde.

'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.

Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madeliefjes in het gras voor hem leken Johannes opeens hevig geschrokken aan te staren, met hun wijde, witte oogjes.

'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en zweeg, maar zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles geleerd? Waar is hij?'

'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan Robinetta, alleen Robinetta.' Hij pakte haar arm vast en drukte zijn hoofdje ertegen.

'Mal jongetje!' zei ze, en ze lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden, ik weet waar het is.'

'Maar dan moet ik de sleutel gaan halen, en die is ver weg.'

'Nee, nee, dat hoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen, ik beloof het je.'

Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.

Johannes droomde die nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele anderen. Het waren allemaal goede vrienden. Zij stonden om hem heen en keken hem hartelijk en vertrouwelijk aan. Maar opeens waren de gezichten veranderd, hun blikken koel en spottend. Hij keek angstig om: aan alle kanten wrede, vijandige gezichten. Hij voelde een naamloze benauwdheid en werd huilend wakker.

### Woordenlijst

- **voorbarige**: die te vroeg komen of te vroeg iets doen.
- **stumpertjes**: arme, zielige wezentjes.
- **kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **voorboden**: tekens die laten zien dat er iets gaat komen.
- **schubben**: kleine, harde blaadjes die om een knop zitten.
- **vogelkers**: struik met tere blaadjes, die vaak bij water groeit.
- **overgave**: het gevoel dat je iemand helemaal vertrouwt en niets voor jezelf houdt.
- **seringen**: struiken met geurende paarse bloemen.
- **kroos**: heel kleine groene plantjes die op stilstaand water drijven.
- **salamanders**: dieren die op een hagedis lijken en veel in het water leven.
- **wantsen**: platte insecten, die onder andere op het water leven.
- **stekelbaarsjes**: kleine visjes met stekels op hun rug.
- **aal**: lange vis die op een slang lijkt.
- **spelonken**: grotten.
- **kapelletjes**: kleine vlindertjes.

## IX

Al lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en grote wolken dreven dicht over de aarde, in een statige, eindeloze rij. Ze spreidden somber grauwe, wijd golvende mantels uit en krulden hun trotse koppen in het klare licht dat daarboven scheen. Wonderlijk snel wisselden zonlicht en schaduw op de bomen, als een vuur dat telkens opvlamde. Johannes werd er angstig van. Hij dacht na over het boekje en geloofde niet echt dat hij het vandaag zou vinden. Tussen de wolken, veel hoger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw. Daarop lagen tere, witte wolkjes, fijn als veertjes, die zich kalm uitstrekten in onbeweeglijke rust. 'Zo moet het zijn,' dacht hij, 'zo hoog, zo licht, zo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.

'Het is goed, Johannes,' riep ze luid. 'Je mag komen en het boek zien.'

'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.

'Dat is niet meegekomen. We gaan toch niet wandelen.'

Hij ging mee en dacht voortdurend bij zichzelf: 'Het kan niet, zó kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'

Maar hij volgde het glanzende blonde haar, dat voor hem uit lichtte. Ach! nu ging het droevig met de kleine Johannes. Ik wenste dat zijn geschiedenis hier eindigde. Hebt u wel eens heerlijk gedroomd, van een tovertuin met bloemen en dieren die van u hielden en tegen u spraken? En hebt u dan in uw droom wel eens beseft dat u spoedig zou ontwaken en al die heerlijkheid zou verliezen? Dan probeert u tevergeefs haar vast te houden en wilt u het koude morgenlicht niet zien.

Zo'n gevoel had Johannes toen hij meeging.

Hij kwam in een huis, in een gang waar zijn voetstappen weerklonken. Hij rook de lucht van kleren en eten. Hij dacht aan lange dagen waarop hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan alles wat somber en koud in zijn leven was geweest.

Hij kwam in een kamer met mensen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, maar toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed. Dat had grote, onmogelijke bloemen met felle kleuren. Ze waren even vreemd en lelijk als die van het behang in zijn slaapkamer thuis.

'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zei een stem recht tegenover hem. 'Kom maar hier, vriendje, je hoeft niet bang te zijn.'

En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar wel een leuk vriendje.'

Wat betekende dat allemaal? Weer kwamen er boven de donkere kinderogen van Johannes diepe rimpels, en verward en geschrokken keek hij rond.

Daar zat een zwart geklede man, die hem met koude, grijze ogen aankeek.

'En je wilde zo kennismaken met het boek der boeken? Het verwondert me dat je vader, die ik als een vroom man ken, je dat niet heeft gegeven.'

'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'

'Zo! Nu, dat is hetzelfde. Kijk, mijn vriendje! Lees hier veel in, het zal je op je levensweg …'

Maar Johannes had het boek al herkend. Zó kon hij het ook niet krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde zijn hoofd.

'Nee, nee! Dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'

Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken die hem van alle kanten staken.

'Wat? Wat bedoel je, mannetje?'

'Ik ken dit boekje, het is het mensenboek. Maar het geeft niet genoeg, anders zou er rust zijn onder de mensen en vrede. En die zijn er niet. Ik bedoel iets anders, waaraan niemand kan twijfelen die het ziet. Iets waarin staat waarom alles is zoals het is, precies en duidelijk.'

'Hoe is het mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'

'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'

'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen, en die napraat!'

Zo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, hij begon duizelig te worden, de kamer draaide, en de grote bloemen op het vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje dat hem zo trouw gewaarschuwd had op school, die eerste dag? Het was nu nodig.

'Ik praat het niet uit boeken na, en wie het mij geleerd heeft is meer waard dan u allemaal. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun vertrouweling. Ik weet ook wat mensen zijn en hoe ze leven. Ik ken alle geheimen van feeën en kabouters, want zij houden van mij, meer dan van de mensen.'

Muisje! muisje!

Johannes hoorde proesten en lachen, om hem heen en achter hem. Het zong en suisde in zijn oren.

'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'

'Hij is niet goed bij zijn hoofd.'

De man voor hem zei: 'Als je Andersen kent, mannetje, dan zou je meer van zijn eerbied moeten hebben voor God en zijn Woord.'

'God!' Dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.

'Ik heb geen eerbied voor God. God is een grote petroleumlamp, waardoor duizenden verdwalen en verongelukken.'

Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in zijn rug. Het was als in zijn droom van de vorige nacht.

De zwart geklede man stond op en pakte hem bij zijn arm. Dat deed pijn en brak bijna zijn moed.

'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga weg en kom niet meer onder mijn ogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet je geen voet meer. Begrepen?'

Alle blikken waren koud en vijandig, net als die nacht.

Johannes keek angstig rond.

'Robinetta! Waar is Robinetta!'

'Jawel, mijn kind bederven! Pas op als je ooit weer tegen haar spreekt!'

'Nee! Laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' huilde Johannes.

Maar zij zat angstig in een hoek en keek niet op.

'Weg, bengel! Hoor je niet? Pas op als je het hart hebt om terug te komen!'

En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende wolken.

Hij huilde niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam verder liep. De droevige rimpels boven zijn ogen waren dieper en gingen niet meer weg.

Het roodborstje zat in een lindehaag en keek naar hem. Hij bleef staan en staarde zwijgend terug. Maar er was geen vertrouwen meer in de schuwe, glurende oogjes. Toen hij een stap dichterbij kwam, vloog het vlugge diertje met een snorrende vlucht weg. 'Weg! weg! een mens,' tjilpten de mussen die op het tuinpad bij elkaar zaten, en ze vlogen naar alle kanten uiteen.

Ook de open bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, zoals ze bij iedere vreemde doen.

Maar Johannes begreep die tekens niet. Hij dacht aan de krenking die de mensen hem hadden aangedaan. Het was alsof zijn diepste binnenste door koude, harde handen was ontwijd. 'Ze zullen mij geloven,' dacht hij. 'Ik zal mijn sleuteltje halen en het hun tonen.'

'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje in een hulstboom, en de grote ogen van Wistik keken over de rand. 'Waar gaat u heen?'

'Het is alles uw schuld, Wistik,' zei Johannes. 'Laat mij met rust!'

'Waarom spreekt u er ook met mensen over? Mensen begrijpen u toch niet. Waarom zegt u die dingen tegen mensen? Dat is heel dom.'

'Ze hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! Ik haat ze.'

'Nee Johannes, u houdt van hen.'

'Nee! nee!'

'Anders zou het u minder verdriet doen dat zij niet zijn zoals u. Dan zou het u niet kunnen schelen wat zij zeggen. U moet zich minder om mensen bekommeren.'

'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun tonen.'

'Dat moet u niet doen, ze zouden u toch niet geloven. Waar zou het goed voor zijn?'

'Ik wil mijn sleuteltje, onder de rozenstruik. Weet u die te vinden?'

'Jazeker! Bij de vijver, nietwaar? Ja, die weet ik.'

'Breng mij er dan heen, Wistik!'

Wistik klom op Johannes' schouder en wees hem de weg. Zij liepen de hele dag. Het waaide en van tijd tot tijd vielen er regenbuien. Maar tegen de avond werden de wolken stil en rekten ze zich uit tot lange gouden en grauwe stroken.

Toen zij bij het duin kwamen dat Johannes kende, werd hij week van binnen, en hij fluisterde telkens: 'Windekind! Windekind!'

Daar was het konijnenhol, en het duin waartegen hij eens geslapen had. Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn voet. De rozen waren uitgebloeid, en de gele teunisbloemen met hun bedwelmende, flauwe geur staken bij honderden hun kelken op. Nog hoger rezen de lange, trotse toortsen met dikke, viltige bladeren.

Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige blad van de duinroos.

'Waar is zij, Wistik? Ik zie haar niet.'

'Ik weet er niets van,' zei Wistik. 'U hebt het sleuteltje verborgen, ik niet.'

Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele teunisbloemen, die wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg het aan hen en ook aan de toortsen. Die waren echter veel te trots, want hun lange bloemtros stak ver boven hem uit. Hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op de zandgrond.

Maar niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allemaal van deze zomer. Zelfs de verwaande toorts, die zo hoog was.

'Ach, waar is zij? Waar is zij?'

'Hebt *u* mij ook al beetgenomen?' zei Wistik. 'Ik dacht het wel, dat heb je altijd met mensen.'

En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tussen het helmgras.

Wanhopig staarde Johannes rond. Daar stond een klein duinrozenstruikje.

'Waar is de grote roos,' vroeg Johannes, 'de grote die hier vroeger stond?'

'Wij spreken niet met mensen,' zei het struikje.

Dat was het laatste wat hij hoorde. Al het levende om hem heen zweeg, alleen het helmgras suisde in de zachte avondwind.

'Ben ik een mens?' dacht Johannes. 'Nee, dat kan niet, dat kan niet. Ik wil geen mens zijn. Ik haat de mensen.'

Hij was moe en dof van geest. Hij ging liggen aan de rand van het veldje, op het weke, grijze mos, dat een vochtige, sterke geur verspreidde.

'Nu kan ik niet terug, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou ik niet doodgaan als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een mens zijn, een mens zoals die anderen, die mij uitlachten?'

Daar zag hij opeens de twee witte vlinders weer, die van de kant van de ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun vlucht. Zouden zij hem de weg wijzen? Zij vlogen over zijn hoofd, naderden elkaar en gingen weer uit elkaar, en dwarrelden om elkaar heen in wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon. Eindelijk zweefden ze over de rand van de duinen naar het bos. Daarvan kleurden alleen de hoogste toppen nog in de avondgloed, die rood en fel onder de lange sombere wolkenrijen uit scheen.

Johannes volgde hen. Maar toen ze boven de eerste bomen waren, zag hij hoe een donkere schaduw hen in een onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en inhaalde. Het volgende ogenblik waren ze verdwenen. De zwarte schaduw schoot snel op hem af, en angstig bedekte hij zijn gezicht met zijn handen.

'Wel, vriendje! Wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe, spottende stem vlak naast hem. Johannes had een grote vleermuis op zich af zien komen, maar toen hij opkeek, stond er een zwart mannetje op het duin, niet veel groter dan hijzelf. Hij had een groot hoofd met grote oren, die donker afstaken tegen de lichte avondhemel, en een mager figuurtje met dunne benen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de kleine, schitterende ogen.

'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zei hij. Maar Johannes schudde zwijgend zijn hoofd.

'Kijk eens! Wil je die van mij hebben?' begon hij weer, en hij opende zijn hand.

Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het waren de witte kapelletjes, die stervend trilden met hun gescheurde en gebroken vleugeltjes. Johannes voelde een huivering, alsof iemand tegen zijn achterhoofd blies, en angstig keek hij op naar het vreemde wezen.

'Wie bent u?' vroeg hij.

'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, gewoon Pluizer. Ik heb nog wel mooiere namen, maar die begrijp je toch niet.'

'Bent u een mens?'

'Wel, nu nog mooier! Ik heb toch armen en benen en een hoofd, kijk eens wat een hoofd! En nu vraagt zo'n jongen nog of ik een mens ben. Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend, doordringend geluid.

'Hoe weet u wie ik ben?' vroeg Johannes.

'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend veel, bijna alles.'

'Ach, mijnheer Pluizer …'

'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'

'Weet u dan ook …' Maar Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mens,' dacht hij.

'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'

'Maar ik dacht niet dat mensen daarvan konden weten.'

'Domme jongen! En Wistik heeft het al aan zovelen verklapt.'

'Kent u Wistik dan ook?'

'O ja! Een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! Lang niet!' En Pluizer klopte zelfvoldaan met zijn magere handje op zijn grote hoofd.

'Weet je, Johannes,' ging hij verder, 'wat een groot gebrek van Wistik is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'

'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.

'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. En hij zegt van mij dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta! Drommels goed!'

En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij heel lelijk en stak een lange tong uit. Johannes voelde zich toch al niet op zijn gemak, alleen met dit wonderlijke wezen, bij de vallende avond in het eenzame duin. Nu rilde hij van angst.

'Dit is een allerleukste manier om de wereld te bekijken,' zei Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staand. 'Als je wilt, zal ik het je ook leren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'

En hij spartelde met zijn spillebeentjes in de lucht en draaide zich om op zijn handen. Toen de rode avondgloed op het omgekeerde gezicht viel, vond Johannes het afschuwelijk. De kleine oogjes knipperden in het licht en lieten het wit zien, aan de kant waar je het niet gewend bent.

'Zie je, zo lijken de wolken de vloer en de aarde het deksel van de wereld. Dat kun je even goed volhouden als het tegenovergestelde. Boven of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het zijn op die wolken.'

Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat ze leken op een geploegd land met rode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee straalde de poort van de wolkengrot.

'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.

'Gekheid!' zei Pluizer, en hij stond opeens weer op zijn benen, tot grote opluchting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie wolken dáár is het mistig, grijs en koud.'

'Ik geloof u niet,' zei Johannes. 'Nu zie ik pas goed dat u een mens bent.'

'Och kom! Geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mens ben? En wat ben je zelf dan wel voor bijzonders?'

'O Pluizer, ben ik ook een mens?'

'Wat dacht je! Een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging vlak voor Johannes zitten, met gekruiste benen, en grijnsde hem strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijflijk benauwd en verlegen onder die blik en had zich het liefst verstopt of onzichtbaar gemaakt. Maar hij kon zijn ogen niet meer afwenden.

'Alleen mensen worden verliefd, Johannes, hoor je! En jij bent verliefd als de beste, al ben je nog zo klein. Aan wie denk je op dit ogenblik?'

'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes, nauwelijks hoorbaar.

'Naar wie verlang je het meest?'

'Robinetta!'

'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'

Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!'

'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te zijn? Elfen worden niet verliefd op mensenkinderen.'

'Maar het was Windekind …' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen keek Pluizer ontzettend vals en greep hij Johannes met zijn benige handjes bij de oren.

'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met die snuiter bang maken? Die is nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat erger is, hij bestaat helemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen dat ik er ben.'

En hij schudde de arme Johannes hard aan zijn oren. Die riep:

'Maar ik heb hem toch zo lang gekend, en ik ben zo ver met hem weggetrokken.'

'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, hè? Maar nu droom je niet, voel je wel?'

'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.

Het was al donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hun hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog in het bos.

'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes. 'Naar mijn vader?'

'Je vader? Wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel vriendelijk ontvangen, nadat je zo lang bent weggebleven.'

'Ik verlang naar huis,' zei Johannes. Hij dacht aan de huiskamer met het heldere lamplicht, waar hij zo vaak bij zijn vader zat en naar het krassen van diens pen luisterde. Daar was het vredig en gezellig.

'Ja, dan had je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter wille van die malle snuiter die niet bestaat. Nu is het te laat. En het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zo'n vader, dat is toch maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen anderen zijn die even goed en even knap zijn? Ik ben even goed en veel knapper, veel knapper.'

Johannes had geen moed om te antwoorden. Hij sloot zijn ogen en knikte flauw.

'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje verder. Hij legde zijn handen op Johannes' schouders en praatte dicht bij zijn oor.

'Dat kind hield je even goed voor de gek als die anderen. Heb je niet gezien dat ze in de hoek bleef zitten en geen woord zei, toen je werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een aardig jongetje en heeft met je gespeeld zoals ze met een meikever zou spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen zoeken. Ik weet bijna alles.'

En Johannes begon hem te geloven.

'Ga je met mij mee? Wil je met mij zoeken?'

'Ik ben zo moe,' zei Johannes. 'Laat mij ergens slapen.'

'Ik houd eigenlijk niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig voor. Een mens moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je met rust laten. Tot morgen.'

Toen zette hij het vriendelijkste gezicht dat hij zetten kon, en Johannes keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders meer zag. Zijn hoofd werd zwaar en hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes leken verder en verder te lichten, totdat ze sterren waren aan de zwarte hemel. Het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, alsof de aarde onder hem wegweek. Toen hield zijn denken op.

### Woordenlijst

- **het boek der boeken**: de Bijbel.
- **vertrouweling**: iemand aan wie je je geheimen vertelt.
- **petroleumlamp**: oude lamp die op olie brandt.
- **goddeloosheid**: gedrag of woorden zonder eerbied voor God.
- **krenking**: iets wat iemand diep pijn doet in zijn gevoel of eer.
- **ontwijd**: iets heiligs of kostbaars dat is beschadigd doordat iemand het slecht heeft behandeld.
- **hulstboom**: boom met harde, stekelige groene bladeren.
- **rendiermos**: grijs, droog mos in de duinen.
- **teunisbloemen**: gele bloemen die 's avonds opengaan.
- **toortsen**: hoge planten met zachte bladeren en gele bloemen.
- **helmgras**: stekelig gras dat in de duinen groeit.
- **kapelletjes**: kleine vlindertjes.
- **spillebeentjes**: heel dunne beentjes.
- **voren**: lange, lage lijnen die een ploeg in de grond maakt.
- **snuiter**: rare vent.

## X

Nog voor hij goed wakker was, had hij een vaag besef dat er iets bijzonders met hem was gebeurd terwijl hij sliep. Maar hij had geen verlangen om het te weten en om zich heen te kijken. Hij wilde weer terug in de droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok. Daarin was Robinetta weer naar hem toe gekomen en had ze hem over zijn haar gestreken, zoals vroeger. Daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in de tuin met de vijver.

'Au!' Dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende zijn ogen en zag in de grauwe morgenschemering een klein mens vlak bij zich, die hem aan zijn haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in een kamer.

Maar het gezicht dat zich over hem heen boog, bracht hem opeens al de ellende en somberheid van gisteren weer te binnen. Het was Pluizers gezicht, minder spookachtig en menselijker, maar even lelijk en angstwekkend als de vorige avond.

'Och nee! laat mij dromen,' zei hij.

Maar Pluizer schudde hem door elkaar: 'Ben je mal, luiaard? Dromen is dwaasheid, daarmee kom je niet verder. Een mens moet werken en denken en zoeken. Daar ben je een mens voor.'

'Ik wil geen mens zijn. Ik wil dromen.'

'Dat helpt niet. Je moet. Je staat nu onder mijn hoede, en samen met mij zul je werken en zoeken. Alleen met mij kun je vinden wat je verlangt. En ik zal je niet verlaten tot wij het gevonden hebben.'

Johannes voelde een vage ontzetting. Maar het was alsof een overmacht hem drukte en dwong. Zonder wil onderwierp hij zich.

Weg waren duinen, bomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig verlicht kamertje. Daarbuiten zag hij, zo ver hij kon kijken, huizen en weer huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.

Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige nevel in de straten neer. En op die straten liepen de mensen als grote, zwarte mieren haastig door elkaar. Een verward geluid steeg dof en aanhoudend uit hun massa op.

'Kijk, Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn allemaal mensen. En al die huizen zo ver je kunt zien, nog verder dan die blauwe toren daar, zitten ook vol mensen, van boven tot beneden vol. Is dat niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'

Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, verschrikkelijk ondier werd getoond. Het was alsof hij op de rug van het monster stond. Hij zag het zwarte bloed door dikke aderen stromen en de donkere adem uit honderd neusgaten opstijgen. En hij werd bang voor het onheilspellende grommen van de geweldige stem.

'Zie hoe hard al die mensen lopen, Johannes,' ging Pluizer verder. 'Je kunt zien dat ze haast hebben en iets zoeken, nietwaar? Maar het is grappig dat niemand precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje gezocht hebben, komen ze iemand tegen die Hein heet …'

'Wie is dat?' vroeg Johannes.

'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu, die Hein zegt dan: "Zoek je mij?" Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: "O nee! … jou bedoel ik niet!" Maar dan antwoordt Hein weer: "Er is toch niets anders te vinden dan mij." Dan moeten ze wel tevreden zijn met Hein.'

Johannes begreep dat hij over de dood sprak.

'En gaat dat altijd, altijd zo?'

'Welzeker, altijd. Er komen echter elke dag weer een massa nieuwe bij. Die beginnen dagelijks te zoeken zonder te weten waarnaar, en ze zoeken en zoeken tot ze eindelijk Hein vinden. Zo gaat het al een aardig poosje, en zo zal het ook nog wel een poosje doorgaan.'

'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan …'

'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe. Zoeken maar! altijd blijven zoeken!'

'Maar het boekje dan, Pluizer? U zou mij het boekje laten vinden.'

'Nu! wie weet! Ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft Wistik ons geleerd. En er zijn er die hun hele leven zoeken om te weten waarnaar ze eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeren, Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'

'Dat is verschrikkelijk, Pluizer.'

'O nee, helemaal niet. Hein is een heel goedige man. Maar hij wordt miskend.'

Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het op de houten treden.

Klos! Klos! dichter en dichterbij. Toen tikte iemand tegen de deur, en het was alsof er ijzer op hout tikte.

Er kwam een grote man binnen. Hij had diepliggende ogen en lange, magere handen. Een koude tocht woei het kamertje in.

'Zo,' zei Pluizer, 'bent u daar? Ga zitten! Wij spraken juist over u. Hoe gaat het met u?'

'Druk, druk!' zei de lange man, en hij veegde het koude zweet van zijn benige, bleke voorhoofd.

Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende ogen, die strak op hem gericht waren. Ze waren heel ernstig en donker, maar niet wreed, niet vijandig. Na enkele ogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte zijn hart minder hevig.

'Dit is Johannes,' zei Pluizer. 'Hij heeft van een zeker boekje gehoord, waarin staat waarom alles is zoals het is. Dat gaan wij nu samen zoeken, nietwaar?' Toen lachte Pluizer veelbetekenend.

'Zo! zo! nu, dat is goed!' zei de Dood vriendelijk, en hij knikte Johannes toe.

'Hij is bang het niet te vinden, maar ik heb hem gezegd dat hij eerst maar ijverig moet zoeken.'

'Zeker!' zei de Dood. 'IJverig zoeken is het beste.'

'Hij dacht dat u zo verschrikkelijk was. Nu zie je toch, Johannes, dat je je vergist hebt, nietwaar?'

'Ach ja!' zei de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'

Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen bezig is dan waarover hij spreekt. Toen wendde zijn donkere blik zich van Johannes af naar buiten en dwaalde peinzend over de grote stad.

Lang durfde Johannes niet te spreken. Eindelijk zei hij zacht:

'Zult u mij meenemen?'

'Wat bedoel je, mijn jongen?' zei de Dood, opkijkend uit zijn gedachten. 'Nee! nu nog niet. U moet opgroeien en een goed mens worden.'

'Ik wil geen mens worden zoals de anderen.'

'Kom! kom!' zei de Dood, 'daar is niets aan te doen.'

Men kon horen dat dit een dagelijkse uitdrukking van hem was. Hij ging verder.

'Mijn vriend Pluizer kan u leren hoe men een goed mens wordt. Dat kan op verschillende manieren, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets moois, een goed mens te zijn. Iets om naar te verlangen. Daar moet u niet op neerzien, ventje!'

'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.

'Zeker, zeker!' zei de Dood. En toen tegen Pluizer: 'Bij wie zult u hem brengen?'

'Bij dokter Cijfer, mijn oud-leerling.'

'Ah ja! Dat is een goede leerling. Dat is een heel fraai voorbeeld van een mens. Bijna volmaakt in zijn soort.'

'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.

'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood.

'O! hij is al verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer geniepig.

'Nee! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood. 'Die dingen zul je bij dokter Cijfer wel verleren. Wie zoekt wat u zoekt, moet al het andere verliezen. Alles of niets.'

'Ik zal een mens uit één stuk van hem maken. Dat verliefde gedoe pluist hij wel uit zijn hoofd.'

En Pluizer lachte vrolijk. De Dood richtte zijn zwarte ogen weer op de arme Johannes, die met moeite zijn snikken inhield. Want hij schaamde zich voor de Dood.

Die stond plotseling op. 'Ik moet weg,' zei hij, 'ik verpraat mijn tijd. Er is hier veel te doen. Goedendag, Johannes! Wij zullen elkaar nog wel weerzien. U moet niet bang voor mij zijn.'

'Ik ben niet bang voor u, ik wou dat u mij meenam. Toe! neem mij liever mee!'

Maar de Dood wees hem zacht terug, hij was zulke vragen gewend.

'Nee! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik vraag maar één keer en dan is het tijd genoeg.'

Toen hij verdwenen was, gedroeg Pluizer zich weer heel buitensporig. Hij sprong over stoelen, buitelde over de grond, klom op de kast en de schoorsteenmantel en deed halsbrekende toeren in de open ramen.

'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij. 'Vond je hem niet aardig? Een beetje lelijk en knorrig om te zien. Maar hij kan ook heel vrolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar vaak verveelt het hem. Het is ook wel wat eentonig.'

'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'

Pluizer gluurde Johannes vals en onderzoekend aan.

'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij krijgen kan.'

Later heeft Johannes anders gezien. Maar nu wist hij niet beter of Pluizer sprak in alles de waarheid.

Ze gingen de straat op en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte mensen liepen door elkaar, lachten en praatten, zo vrolijk dat Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer veel mensen toeknikte, maar niemand beantwoordde de groet. Allen keken voor zich uit alsof ze niets gezien hadden.

'Ze lopen nu te lachen,' zei Pluizer, 'alsof geen van allen mij kent. Maar dat lijkt maar zo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeren, en dan zijn ze ook niet zo vrolijk.'

En onder het lopen was Johannes zich ervan bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek, zag hij de lange, bleke man, die met grote, onhoorbare stappen tussen de mensen schreed. Hij knikte Johannes toe.

'Zien de mensen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.

'Ja zeker! allemaal, maar ze willen hem ook niet kennen. Nu, ik gun hun die trots!'

De drukte en het lawaai brachten Johannes in een soort verdoving, waardoor hij zijn verdriet vergat. De smalle straten en de hoge huizen verdeelden het hemelblauw in rechte stroken. Mensen gingen langs hem heen en weer, voetstappen sleepten en wagens ratelden. Dat alles verstoorde de oude visioenen en de droom van die nacht, zoals een storm de beelden in een waterspiegel verstoort. Het was alsof er niets anders bestond dan muren, ramen en mensen, alsof hij moest meedoen, meedraven in het rusteloze, ademloze gewoel.

Toen kwamen ze in een stille buurt, waar een groot huis stond met grauwe ramen zonder versiering. Het zag er streng en onvriendelijk uit. Binnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, scherpe geuren, met daaronder de muffe lucht van een kelder. In een kamer vol wonderlijke werktuigen zat een eenzame man. Hij was omringd door boeken, glazen en koperen voorwerpen, die Johannes allemaal vreemd waren. Er viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen de kamer in en die fonkelde op flessen met mooi gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door een koperen buis en keek niet op.

Toen Johannes dichterbij kwam, hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'

Naast de man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs dat Johannes niet goed kon onderscheiden.

'Goedemorgen, dokter!' zei Pluizer, maar de dokter keek nog steeds niet op.

Toen schrok Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen keek, begon opeens krampachtig te rukken. Wat hij gezien had, was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met de beweeglijke neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak langs het lichaam gebonden. De wanhopige poging om zich te bevrijden duurde kort. Toen lag het beestje weer stil, en alleen de snelle beweging van de bloedige keel liet zien dat het nog leefde.

En Johannes zag het ronde, goedige oog, dat zo wijd staarde in machteloze angst, en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet het zachte lijfje waartegen hij gerust had in die eerste, zalige elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem naar boven. Hij vloog op het diertje af:

'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig probeerde hij de koordjes los te knopen, die in de tere pootjes sneden.

Maar zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach klonk bij zijn oor.

'Wat betekent dat, Johannes? Ben je nog zó kinderachtig? Wat moet de dokter wel van je denken?'

'Wat wil die jongen? Wat doet hij hier?' vroeg de dokter verbaasd.

'Hij wilde een mens worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt, Johannes!'

'Nee! dit is de manier niet,' zei de dokter.

'Dokter, maak dat konijntje los!'

Maar Pluizer kneep hem in beide handen, zodat hij ineenkromp. 'Wat hebben wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in het oor. 'Zoeken zouden wij, nietwaar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme dieren. Wij zouden mensen zijn, mensen! versta je? Als je een kind wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, dan laat ik je gaan. Zoek dan alleen!'

Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot zijn ogen om het konijntje niet te zien.

'Beste jongen!' zei de dokter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te beginnen. Het is waar, de eerste keer is zoiets naar om te zien. Ikzelf zie het altijd ongraag en vermijd het zoveel mogelijk. Maar het is onmisbaar. En je moet begrijpen: wij zijn mensen en geen dieren, en het heil van de mensheid en de wetenschap gaat boven dat van een paar konijnen.'

'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de mensheid!'

'De man van de wetenschap,' ging de dokter verder, 'staat hoger dan alle andere mensen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden die de gewone mensen kennen, laten varen voor dat ene grote: de wetenschap. Wil je zo'n mens worden? Was dat je roeping, mijn jongen?'

Johannes aarzelde. Hij wist nog niet goed wat een roeping was, net zomin als de meikever.

'Ik wilde het boekje vinden,' zei hij, 'waar Wistik van sprak.'

De dokter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'

Maar Pluizer zei snel: 'Hij wil het, dokter, ik weet het wel. Hij wil de hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen van de dingen begrijpen.'

Johannes knikte. 'Ja!' Voor zover hij het begreep, was dat zijn bedoeling.

'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'

En Johannes hielp met trillende handen de losgemaakte koorden weer vaster om de pootjes van het konijntje te knopen.

### Woordenlijst

- **hoede**: zorg en bescherming; wie onder iemands hoede staat, wordt door die persoon in de gaten gehouden.
- **ontzetting**: grote schrik en angst.
- **ondier**: groot, eng dier; monster.
- **wijsgeren**: filosofen; mensen die nadenken over grote vragen.
- **miskend**: niet gewaardeerd zoals iemand verdient.
- **verliefd**: heel veel van iemand houden en steeds aan die persoon denken.
- **buitelde**: rolde over de kop.
- **werktuigen**: instrumenten of gereedschap om mee te werken.
- **buikdons**: de zachte, korte haren op de buik van een dier.
- **teergevoelig**: snel geraakt of snel verdrietig door iets.
- **wetenschap**: het zoeken naar kennis met onderzoek.
- **roeping**: het werk waarvoor je je leven wilt geven.

## XI

'We zullen toch eens zien,' zei Pluizer, 'of ik je niet evenveel moois vertonen kan als Windekind.'

Toen ze de dokter vaarwel hadden gezegd en beloofd hadden gauw terug te komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken van de grote stad. Hij toonde hem hoe het grote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, hoe het in zichzelf verteerde en uit zichzelf weer opgroeide.

Maar hij had een voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de mensen dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig was en de lucht zwaar en bedompt.

Hij ging met hem naar binnen in een van de grote gebouwen waaruit de rook opsteeg die Johannes de eerste dag had gezien. Er heerste een verdovend lawaai. Overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het. Grote wielen wentelden en lange riemen schoven slingerend voort. Muren en vloer zagen zwart, de ramen waren gebroken of stoffig. Hoog rezen de geweldige schoorstenen boven het zwarte gebouw uit en stuurden dikke, kronkelende rookzuilen omhoog. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes heel wat mensen met bleke gezichten, met zwarte handen en kleren, die zwijgend en rusteloos werkten.

'Wie zijn dat?' vroeg hij.

'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of mensen, als je wilt. Wat ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mens zijn, in hun soort tenminste.'

En ze kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zo smal leek als een vinger en nog donkerder werd door de kleren die erboven waren uitgespannen. Daar krioelde het van de mensen. Ze verdrongen elkaar, schreeuwden, lachten en zongen soms ook. In de huizen waren de kamertjes zo klein, zo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde te ademen. Hij zag haveloze kinderen over de kale vloer kruipen en jonge meisjes met verwilderd haar, die liedjes neuriedden voor magere, bleke baby's. Hij hoorde ruzie en schelden, en alle gezichten om hem heen zagen er moe uit, of dom en onverschillig.

Het greep Johannes aan met een verschrikkelijke smart. Die had niets gemeen met zijn vroegere verdriet, daarvoor schaamde hij zich.

'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die mensen altijd hier geleefd, zo akelig en ellendig? Ook toen ik …'

Hij durfde niet verder te gaan.

'Welzeker, en dat is gelukkig. Ze leven helemaal niet akelig en ellendig. Ze zijn het hier gewend en weten niet beter. Het is dom, onverschillig vee. Kijk die twee vrouwen daar eens voor hun deur zitten! Ze kijken even tevreden naar de vuile straat als jij vroeger naar je duinen! Om die mensen hoef je niet te huilen. Dan kun je net zo goed om de mollen huilen, die nooit het daglicht zien.'

En Johannes wist niets te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch moest huilen. En midden in het luidruchtige drijven en woelen zag hij steeds de bleke man met de holle ogen voortschrijden, met geruisloze tred.

'Toch een goede man, nietwaar?' zei Pluizer, 'om de mensen hier weg te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'

Toen de nacht was gevallen en de honderden lichtjes in de wind flikkerden en lange, wiegende beelden in het donkere water wierpen, liepen beiden langs de stille straten. De oude, hoge huizen leken moe tegen elkaar geleund te slapen. De meeste hadden hun ogen gesloten. Maar hier en daar schemerde nog een raam met matte, gele glans.

Pluizer vertelde Johannes lange verhalen over de mensen die daarachter woonden en over de pijnen die daar werden verdragen. Hij vertelde van de strijd die daar werd gestreden tussen ellende en levenslust. Hij spaarde hem niets. Het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en hij grinnikte van genoegen als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd en zweeg.

'Pluizer,' vroeg Johannes opeens, 'weet u iets van het Grote Licht?'

Hij dacht dat die vraag hem zou redden uit de duisternis, die dichter en drukkender om hem heen samendrong.

'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zei Pluizer. 'Hersenschimmen en dromerijen! Er zijn alleen mensen, en ikzelf. Dacht je dat een God of zoiets er plezier in zou hebben om zo'n rommel te regeren als het hier op aarde is? En zo'n groot licht zou er niet zovelen hier in het donker laten.'

'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, alsof hij verwachtte dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.

'Die sterren? Weet je wel waarover je praat, ventje? Het zijn geen lichtjes daarboven, zoals de lantaarns die je hier om je heen ziet. Het zijn allemaal werelden, elk veel groter dan deze wereld met haar duizenden steden. Middenin zweven wij als een klein stofje, en er is geen onder of boven. Naar alle kanten zijn er werelden, alsmaar werelden, en dat houdt nooit, nooit op.'

'Nee! Nee!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie lichtjes op een groot donker veld boven mij.'

'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang omhoog, je zou niets anders zien dan lichtjes op een donker veld boven je. Maar je kunt, je *moet* weten dat het werelden zijn, boven noch onder. Daarin is dit kluitje met zijn armzalige, wriemelende mensenzootje niets, en als niets zal het verdwijnen. Spreek dus niet meer van "de sterren", alsof het er een paar dozijn waren. Dat is een dwaasheid.'

Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde het.

'Kom aan,' zei Pluizer, 'nu gaan we iets vrolijks zien.'

Af en toe kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hun tegemoet. Aan een donkere gracht stond een groot huis, waar het licht fel uit vele, hoge ramen brak.

Er stond een lange stoet rijtuigen voor. Het stampen van de paarden klonk hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! Lichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het vernis van de wagens.

Binnen was het een en al licht. Half verblind staarde Johannes in de schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en bloemen. Lichte gestalten streken langs de ramen, naar elkaar toe buigend, met een lach en een gebaar van de hand. Tot ver achter in de zalen bewogen de rijk getooide mensen zich met langzame stappen of met snelle, wiegende draaiingen. Een verward geluid van gelach en blije stemmen, slepende stappen en ruisende gewaden drong tot op straat door. Het werd meegedragen op de golven van de zachte, bedwelmende muziek die Johannes al van ver had gehoord. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere gestalten. Alleen hun gezichten werden vreemd en ongelijk verlicht door de glans waarin ze gretig staarden.

'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes. Hij genoot van zoveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij daarin?'

'Zo, vind je dit nu toch mooi? Of heb je soms liever een konijnenhol? Kijk die mensen eens lachen en buigen en schitteren. Kijk eens hoe deftig en glad die mannen zijn, hoe bont en opgedirkt die vrouwen! En wat een aandacht bij het dansen, alsof het de belangrijkste zaak ter wereld was.'

Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol, en hij zag veel dat hem eraan herinnerde. Maar alles was hier groter en schitterender. De jonge vrouwen met hun rijke tooi leken hem zo mooi als elfen, als ze dansend de lange, blanke armen ophieven en het hoofd half opzij draaiden. De bedienden gingen statig rond en boden heerlijke dranken aan, met een eerbiedige buiging.

'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.

'Erg mooi, vind je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende gezichten, nietwaar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen en aanstellerij. Die vriendelijke oude dames aan de kant zitten daar als hengelaars om een vijver. Die jonge vrouwen zijn het aas, de heren zijn de vissen. En hoe lief ze ook met elkaar kletsen, ze misgunnen elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heren om zich heen lokt dan de andere. En het plezier van de heren ontstaat vooral door die blote halzen en armen. Achter al die lachende ogen en vriendelijke lippen schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechten denken lang niet eerbiedig. Als opeens uitkwam wat ze allemaal echt dachten, dan zou het feest gauw afgelopen zijn!'

En toen Pluizer hem alles aanwees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in gezichten en gebaren. Hij zag de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het lachende masker heen gluurden of plotseling tevoorschijn kwamen als het even werd afgelegd.

'Nu,' zei Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die mensen moeten zich toch amuseren. En anders kunnen ze het niet.'

Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij keek om. Het was de welbekende, lange gestalte. Het bleke gezicht werd grillig door de felle glans verlicht, zodat de ogen grote, donkere plekken vormden. Hij prevelde zachtjes bij zichzelf en wees met zijn vinger de lichte zaal in.

'Kijk,' zei Pluizer, 'hij is weer aan het uitzoeken.'

Johannes zag waar de vinger heen wees. En hij zag hoe de oude dame onder het gesprek even haar ogen sloot en haar hand naar haar hoofd bracht. En hij zag hoe de mooie jonge vrouw even ophield met rondlopen en met een lichte rilling voor zich uit staarde.

'Wanneer?' vroeg Pluizer aan de Dood.

'Dat is mijn zaak,' zei deze.

'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zei Pluizer, en hij knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'

'Vanavond?' vroeg de Dood.

'Waarom niet?' zei Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er al.'

'Ik kan niet mee,' zei de Dood, 'ik heb te veel werk. Maar noem de naam van dat wat wij beiden kennen, en u zult ook zonder mij de weg vinden.'

Ze liepen toen een eind door de eenzame straten, waar de gasvlammen flikkerden in de nachtwind en het donkere, koude water tegen de grachtmuren kabbelde. De zachte muziek klonk zwakker en zwakker en stierf eindelijk weg in de grote rust die over de stad lag.

Daar klonk opeens van boven, met volle, galmende metaalklank, een luid en feestelijk lied.

Plotseling viel het neer van de hoge toren, op de slapende stad, in de droeve, duistere ziel van de kleine Johannes. Verwonderd keek hij op. De klokkenzang hield aan, met een heldere, kalme klank, die zich jubelend verhief en krachtig de doodse stilte scheurde. Vreemd leken hem die blije tonen, die feestzang midden in stille slaap en donkere rouw.

'Dat is de klok,' zei Pluizer. 'Die is altijd even vrolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt ze hetzelfde lied met dezelfde kracht en opgewektheid. En 's nachts klinkt het blijer dan overdag. Het is alsof de klok juicht dat ze niet hoeft te slapen, dat ze altijd door even gelukkig kan zingen, terwijl duizenden onder haar huilen en lijden. Maar het vrolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'

Nogmaals verhief zich de jubelende galm.

'Eens, Johannes,' ging Pluizer verder, 'zal achter zo'n raam in een stille kamer een zwak lichtje branden. Een droevig lichtje, dat peinzend trilt en de schaduwen op de wand laat dansen. Er zal geen geluid zijn in de kamer, alleen nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine Johannes geweest zijn. O, dan zal opeens datzelfde lied luid en vrolijk die kamer binnenbreken en het eerste uur bezingen na zijn dood.'

Twaalf zware slagen dreunden met lange tussenpozen door de lucht. Bij de laatste kreeg Johannes opeens een gevoel alsof hij droomde. Hij liep niet meer, maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizers hand. In snelle vaart schoven de huizen en lantaarns aan hem voorbij. De huizen stonden nu minder dicht op elkaar. Ze vormden losse rijen, met donkere, geheimzinnige gaten ertussen, waar het gaslicht kuilen, plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam er een grote poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren ze eroverheen gezweefd en kwamen ze neer op vochtig gras naast een grote zandhoop. Johannes dacht dat hij in een tuin was, want hij hoorde het ruisen van bomen in het rond.

'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol dat ik niet meer kan dan Windekind.'

Toen riep Pluizer luid een korte, sombere naam, die Johannes deed huiveren. Van alle kanten herhaalde de duisternis de klank, en de wind voerde hem mee omhoog in gierende draaiingen, tot hij wegstierf in de hoge lucht.

En Johannes zag hoe de grashalmen tot boven zijn hoofd reikten, en hoe de kleine steen die zojuist aan zijn voeten lag, hem nu het uitzicht benam. Pluizer naast hem, even klein als hij, pakte de steen met beide handen en wentelde hem met alle kracht om. Een verward geroep van fijne, hoge stemmetjes steeg op van de bodem die vrij was gekomen.

'Hé! wie doet dat? Wat betekent dat? Lomperd!' klonk het door elkaar.

Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar lopen. Hij herkende de vlugge, zwarte loopkever, de glimmend bruine oorworm met zijn fijne knijpers, pissebedden met hun ronde ruggen en duizendpoten als slangen. In het midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel terug in zijn gang.

Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van de aardworm af.

'Heidaar! lange, blote slungel! kom eens tevoorschijn met je rode puntneus!' riep Pluizer.

'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.

'Jij moet eruit, omdat ik erin wil, hoor je, kale zandeter!'

Voorzichtig rekte de pier zijn spitse kop uit de opening en tastte er een paar keer mee in het rond. Toen trok hij langzaam het naakte, geringde lijf verder naar boven.

Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen drongen.

'Een van jullie gaat mee en licht ons voor. Nee, zwarte kever, jij bent te dik, en jij met je duizend poten zou me duizelig maken. Ha, jij daar, oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mee en draag het licht in je scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van rottend hout.'

De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.

Toen daalden ze af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtende hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was nauw en duister daar beneden. Zwak zag Johannes de zandkorrels verlicht door het matte, blauwe schijnsel. Ze leken zo groot als stenen en half doorzichtig, en het lichaam van de pier had ze tot een gladde, vaste wand geschuurd. De pier volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitse kop, die zich nu eens snel vooruit strekte en dan weer wachtte tot het lange lijf dichterbij was getrokken. Ze daalden zwijgend, lang en diep. Waar het pad te steil werd voor Johannes, steunde Pluizer hem. Er leek geen einde aan te komen. Altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de oorworm voort, draaiend en buigend met de kronkels van de gang. Eindelijk werd de weg breder en weken de wanden uiteen. De zandkorrels werden zwart en vochtig. Boven vormden ze een gewelf, waarlangs waterdruppels glinsterende strepen trokken en waar boomwortels doorheen staken als verstijfde slangen.

Daar rees plotseling voor Johannes' ogen een loodrechte wand op, zwart en hoog, die de hele ruimte voor hem afsloot. De oorworm draaide zich om.

'Ziezo! Nu komt het erop aan daarachter te komen. Dat zal de pier wel weten, die is hier thuis.'

'Kom, wijs ons de weg!' zei Pluizer.

Langzaam schoof de aardworm zijn geringde lijf tot bij de zwarte wand en betastte die zoekend. Johannes zag dat het hout was. Hier en daar was het tot bruinachtig stof vergaan. Daar boorde de worm zich in, en het lange, lenige lijf gleed in drie keer weg.

'Nu jij!' zei Pluizer, en hij duwde Johannes in de kleine ronde opening. Even dacht Johannes te stikken in de zachte, vochtige molm. Toen voelde hij zijn hoofd vrijkomen en werkte hij zich met moeite helemaal uit de opening los. Een grote ruimte leek hem te omgeven. De grond was hard en vochtig, de lucht dik en ondraaglijk benauwd. Johannes durfde nauwelijks te ademen en wachtte in naamloze angst.

Hij hoorde Pluizers stem, die hol klonk als in een grote kelder.

'Hier, Johannes, volg me!'

Voor zich voelde hij de grond oplopen tot een berg. Aan Pluizers hand klom hij erop, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed liep, dat meegaf onder zijn voeten. Hij strompelde over kuilen en heuvels, achter Pluizer aan. Die trok hem mee naar een vlakke plek, waar hij zich vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet in zijn hand waren.

'Hier staan we goed! Licht!' riep Pluizer.

Daar kwam het matte licht uit de verte aan, met zijn drager dalend en stijgend. Hoe dichterbij het kwam en hoe meer het zwakke schijnsel de ruimte vulde, hoe verschrikkelijker Johannes' benauwdheid werd.

De berg die hij beklommen had, was lang en wit. Het riet dat hij omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar beneden.

Hij herkende de rechte gestalte van een mens, en de kille vlakte waarop hij stond, was het voorhoofd.

Voor hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken ogen. Het blauwe licht scheen op de dunne neus en de grauwe lippen, geopend in een akelige, stijve dodenlach.

Uit Pluizers mond klonk een schelle lach, die meteen smoorde in de vochtige houten wanden.

'Dit is nu een verrassing, Johannes!'

De lange worm kwam aankruipen tussen de plooien van het lijkkleed. Hij schoof voorzichtig tegen de kin op en glipte over de strakke lippen de zwarte mondholte in.

'Dit is nu de mooiste van het dansfeest, die jij mooier vond dan een elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleren en haren, toen lonkten haar ogen en lachten haar lippen. Kijk nu eens!'

Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de ogen van Johannes. Zo snel? Die pracht was zo-even, en nu al …?

'Geloof je mij niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tussen toen en nu. Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar je moet het geloven. Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon Windekind niet zeggen.'

Grinnikend sprong Pluizer rond op het dodengezicht en maakte de afschuwelijkste grappen. Hij zat op de wenkbrauw en trok aan de lange wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vrolijk had zien schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje.

'Nu vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'

De pier kroop langzaam uit de rechter mondhoek tevoorschijn en de bange tocht ging verder.

Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen.

'Nu komt een oude,' zei de aardworm, toen er weer een zwarte wand de weg afsloot. 'Deze is hier al heel lang.'

Het was minder verschrikkelijk dan de vorige keer. Johannes zag alleen een verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht bracht onrust.

'Waar komt u vandaan? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet nodig.'

En snel schoten ze weg tussen plooien en in holten. Maar ze herkenden een soortgenoot.

'Bent u in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog hard.'

De eerste worm ontkende.

'Hij wil het buitenkansje voor zichzelf houden,' zei Pluizer zacht tegen Johannes.

Verder trokken ze. Pluizer gaf uitleg en wees aan wie Johannes kende. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende ogen, dikke, zwarte lippen en wangen.

'Dit was een deftig heer,' zei hij toen vrolijk. 'Je had hem moeten zien, zo rijk, zo voornaam en zo verwaand. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'

Zo ging het verder. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met grote hoofden en oude gezichten van denkers.

'Kijk, die zijn pas na hun dood oud geworden!' zei Pluizer.

Ze kwamen bij een man met een volle baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden blonken. Midden in zijn voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.

'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij was toch wel hier gekomen.'

En weer kwamen er gangen en nieuwe gangen, en weer rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerloze, over elkaar gelegde handen.

'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'

'Laten we omkeren,' zei de pier.

'Nog één, nog één!' riep Pluizer.

De tocht ging verder.

'Het bestaat allemaal, wat je ziet,' zei Pluizer onder het lopen, 'het is allemaal waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. Jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'

En hij schaterlachte toen hij de angstige, wezenloze blik van Johannes bij zijn woorden zag.

'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'

'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zei de oorworm knorrig.

'Ik wil verder!' zei Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'

Zonder wil in zijn ellende gehoorzaamde Johannes en groef de vochtige, fijne aarde weg.

Zwijgend en zwoegend werkten ze door, tot het zwarte hout kwam.

De pier had zijn geringde kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.

'Ze komen er niet in, het hout is te nieuw,' zei hij bij het weggaan.

'Ik wil,' zei Pluizer, en met zijn haakvingers scheurde hij lange, witte splinters krakend uit het hout.

Een verschrikkelijke benauwdheid drukte op Johannes. Maar hij moest, hij kon niet anders.

Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer pakte het licht en kroop haastig naar binnen.

'Hier, hier!' riep hij, en hij liep naar het hoofdeinde.

Maar toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde naar de magere, witte vingers, half verlicht aan de bovenkant. Opeens herkende hij ze. Hij herkende de vorm en de plooien van de vingers, de gedaante van de lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje op de wijsvinger.

Het waren zijn eigen handen.

'Hier, hier!' riep Pluizers stem van het hoofdeinde. 'Kijk eens, herken je hem?'

Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en naar het licht gaan dat hem wenkte. Maar hij kon niet meer. Het lichtje doofde tot volkomen duisternis, en hij viel bewusteloos neer.

### Woordenlijst

- **groezelig**: een beetje vuil en grijs.
- **bedompt**: benauwd en muf, met weinig frisse lucht.
- **raderen**: grote wielen in een machine.
- **gewoel**: drukke, onrustige beweging van veel mensen of dingen door elkaar.
- **hersenschimmen**: dingen die alleen in je gedachten bestaan.
- **hengelaars**: mensen die met een stok en een lijn vissen vangen.
- **aas**: eten waarmee je dieren of vissen lokt om ze te vangen.
- **oorworm**: klein bruin insect met een tang aan zijn achterlijf.
- **pissebedden**: kleine grijze diertjes met een ronde rug, onder stenen.
- **pier**: lange, naakte worm in de grond.
- **dwaallicht**: klein licht boven nat land, dat mensen de verkeerde kant op brengt.
- **molm**: zacht, vergaan hout dat bijna stof is geworden.
- **lijkkleed**: de witte doek om een dode.
- **lonkten**: keken naar iemand om zijn aandacht te trekken.
- **buitenkansje**: iets goeds dat je onverwacht krijgt.

## XII

Diep zonk hij weg in de slaap, tot in de diepte waar geen dromen zijn.

Toen hij uit die duisternis weer opsteeg, langzaam, naar het grauwe, koele licht van de morgen, streek hij door bonte, zachte dromen uit vroeger tijd. Hij ontwaakte en ze gleden van zijn ziel als dauwdruppels van een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn ogen, die nog half staarden in het gewemel van de lieflijke beelden.

Maar met pijn, als iemand die het licht niet verdraagt, sloot hij ze voor het vale daglicht. Hij zag wat hij ook de vorige morgen gezien had. Het leek hem ver en lang geleden. Maar uur na uur kwam hem weer te binnen, van de droevige morgen tot de vreselijke nacht. Hij kon niet geloven dat al die verschrikkingen op één dag waren verschenen. Het begin van zijn ellende leek zo ver, verloren in grauwe mist.

Spoorloos gleden de zachte dromen van zijn ziel. Pluizer schudde hem, en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorloper van vele, vele andere.

Maar wat hij de vorige avond op die bange tocht gezien had, bleef hem bij. Was het alleen maar een afschuwelijk visioen geweest?

Toen hij Pluizer er aarzelend naar vroeg, keek die hem spottend en verwonderd aan.

'Wat bedoel je?' vroeg hij.

Maar Johannes zag de spot in zijn blik niet en vroeg of het niet echt zo gebeurd was. Hij zag het nog zo scherp en duidelijk voor zich!

'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet gebeuren!'

En Johannes wist niet wat hij moest denken.

'We zullen je gauw aan het werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen niet meer stellen.'

En ze gingen naar dokter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden wat hij zocht.

Maar in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees Johannes een mens uit de menigte aan.

'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer, en hij schaterde het uit toen Johannes bleek werd en de man verschrikt nastaarde.

Hij had hem de vorige nacht gezien, diep onder de aarde.

Vriendelijk ontving de dokter hen en hij deelde zijn wijsheid met Johannes. Uren luisterde hij die dag, en vele dagen daarna.

Wat hij zocht had de dokter nog niet gevonden. Maar hij had het bijna, zei hij. Hij zou Johannes zo ver brengen als hij zelf was, en dan zouden ze er beiden wel komen.

Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden lang. Hij voelde weinig hoop, maar hij begreep dat hij nu dóór moest gaan, zo ver mogelijk. Hij vond het vreemd dat het, terwijl hij licht zocht, steeds donkerder om hem heen werd. Het begin van alles wat hij leerde was het beste, maar hoe dieper hij doordrong, hoe doodser en donkerder het werd. Hij begon met planten en dieren, met alles wat om hem heen was, en als hij er lang naar gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen in cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond dokter Cijfer heerlijk, en hij zei dat het voor hem licht werd als de cijfers kwamen, maar voor Johannes was dat duisternis.

Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort als hij moedeloos en moe was. Alle ogenblikken van genot of bewondering bedierf hij hem.

Johannes verbaasde en verheugde zich toen hij leerde en zag hoe fijn de bloemen gebouwd waren. Hij zag hoe ze vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen bij die taak.

'Dat is toch prachtig,' zei hij, 'hoe juist is dat alles berekend en hoe fijn en doelmatig gemaakt.'

'Ja, verbazend doelmatig,' zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden vruchten en hoeveel pitten worden bomen?'

'Maar het lijkt toch allemaal naar een groot plan gemaakt,' antwoordde Johannes. 'Kijk! De bijen zoeken honing voor zichzelf en weten niet dat ze de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen met hun kleur. Het is een plan, en ze werken allebei mee zonder het te weten.'

'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, bijten ze een gat onder in de bloem en maken ze de hele ingewikkelde inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij voor de gek laat houden.'

Bij het wonderbare samenstel van mensen en dieren ging het nog erger. Van alles wat Johannes mooi en kunstig leek, toonde hij de onvolmaaktheid en de gebreken. Het hele leger van kwalen en ellende dat mens en dier kan treffen toonde hij hem, en met voorliefde koos hij het walgelijkste en afzichtelijkste.

'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte vergat hij iets. De mensen hebben hun handen vol om al die gebreken zo goed mogelijk op te lappen. Kijk maar om je heen! Een paraplu, een bril, zelfs kleren en huizen, het is allemaal menselijk lapwerk. Het hoort helemaal niet bij het plan. Maar de plannenmaker heeft er niet aan gedacht dat mensen het koud zouden hebben en boeken zouden lezen. Hij heeft ook niet bedacht dat ze duizend dingen meer zouden gaan doen waarvoor zijn plan niet deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven zonder te denken dat ze eruit zouden groeien. Nu zijn bijna alle mensen allang hun natuurpakje ontgroeid. Nu gaan ze alles zelf doen en storen ze zich helemaal niet meer aan de plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en op eigen gezag. En waar het hem blijkbaar om ging hen te laten sterven, ontlopen ze de dood soms lange tijd met allerlei kunstgrepen.'

'Maar het is de schuld van de mensen,' riep Johannes. 'Waarom wijken ze moedwillig af van de natuur?'

'O domme Johannes! Als een kindermeid een onnozel kind met vuur laat spelen en het brandt zich, wie is dan schuldig? Het kind dat geen vuur kende, of de meid die wist dat het kind zich zou branden? En wie is schuldig als de mensen afdwalen in ellende en onnatuur: zijzelf, of de alwijze plannenmaker, bij wie ze als onwetende kinderen zijn?'

'Maar ze zijn niet onwetend, ze wisten …'

'Johannes! Stel dat jij tegen een kind zegt: "Raak dat vuur niet aan! Het doet pijn." En het kind doet het dan toch, omdat het niet weet wat pijn is. Kun je je dan van schuld vrijpleiten? Kun je dan zeggen: "Kijk! Het kind was niet onwetend"? Jij wist toch dat het je raad niet zou volgen. Mensen zijn dwaas en dom als kinderen. Maar glas is bros en leem is week. En wie mensen maakt en geen rekening houdt met hun dwaasheid, is als iemand die wapens maakt van glas en niet bedenkt dat ze zullen breken. Hij is als iemand die pijlen maakt van leem en niet bedenkt dat ze zullen buigen.'

En de woorden vielen als druppels vloeibaar vuur op Johannes' ziel. En in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong en hem vaak deed huilen, in de stille, slapeloze uren van de nacht.

Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed, en zijn dromen brachten hem altijd terug naar zijn vroegere leven. Heerlijk leek het hem als hij ervan droomde, maar overdag kon hij zich niet meer herinneren hoe het geweest was. Hij wist alleen dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren dan het lege, dode gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd, hij had eens uur na uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat geweest!

Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe minder zijn verlangen werd. Want ook dat werd uit elkaar gehaald. Toen schaamde hij zich, en dokter Cijfer zei dat hij er nog geen cijfers van kon maken, maar dat dat wel gauw zou gebeuren. Zo werd het donkerder en donkerder om de kleine Johannes.

Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid dat hij Robinetta niet herkend had op zijn vreselijke tocht met Pluizer.

Als hij er met Pluizer over sprak, zei die niets en lachte sluw. Maar Johannes begreep dat het niet gebeurd was om hem te sparen.

De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer om hem de mensen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen. Hij bracht hem in de ziekenhuizen, waar in grote zalen de zieken lagen, lange rijen bleke, uitgeteerde gezichten met een doffe of pijnlijke uitdrukking. Er hing een sombere stilte, die alleen werd gebroken door hoesten en jammeren. En Pluizer wees hem aan wie van hen die zalen nooit meer zouden verlaten. En als op een bepaald uur stromen mensen het gebouw binnenkwamen om hun zieke familieleden te bezoeken, zei Pluizer: 'Kijk! Die weten allemaal dat ook zij eens in dit huis en in die droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te worden.'

'Hoe kunnen ze ooit nog vrolijk zijn?' dacht Johannes.

En Pluizer bracht hem naar een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig halfduister heerste. De verre klanken van een piano uit een huis in de buurt drongen er onophoudelijk en dromerig door. Daar wees Pluizer hem onder de anderen een zieke aan, die suf voor zich uit staarde naar een smal zonnestraaltje dat traag langs de muur kroop.

'Die ligt daar al zeven jaar,' zei Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan en de bossen van Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange jaren met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer vandaan, maar het kan nog even lang duren.'

Na die dag was het Johannes' bangste droom dat hij opeens zou ontwaken in dat zaaltje, in dat weemoedige halfduister bij die dromerige klanken. Dan zou hij tot het einde toe niets anders meer zien dan het gaande en komende licht.

Pluizer bracht hem ook in de grote kerkgebouwen en liet hem luisteren naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij grote plechtigheden, in de binnenkamers van vele huizen.

Johannes leerde de mensen kennen, en soms gebeurde het dat hij aan zijn vroegere leven moest denken. Dan dacht hij aan de sprookjes die Windekind hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren mensen die hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven makkers meende te zien. Anderen deden hem denken aan die ene meikever, die een dag ouder was dan de andere en zoveel over een roeping gesproken had. En hij hoorde verhalen die hem deden denken aan Kribbelgauw, de held van de kruisspinnen. Of aan de aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke koning deftig stond. Zichzelf vergeleek hij wel met de jonge meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt over het vloerkleed kroop, met een draadje om zijn lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.

Ach, de tuin zou hij wel niet meer vinden. Wanneer zou de zwarte voet komen en hem verpletteren?

Pluizer bespotte hem als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te geloven dat Windekind er nooit geweest was.

'Maar, Pluizer! Dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'

'Niets! Niets! Er zijn mensen en cijfers, dat is alles wat waar is en bestaat, eindeloos veel cijfers.'

'Maar, Pluizer, dan hebt u mij bedrogen. Laat mij ophouden, laat mij niet meer zoeken, laat mij alleen!'

'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mens zou je worden, een volmaakt mens.'

'Ik wil niet, het is vreselijk.'

'Je moet, je hebt het ééns gewild. Kijk eens naar dokter Cijfer, vindt die het vreselijk? Word zoals hij is.'

Het was waar. Dokter Cijfer leek altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studerend en onderwijzend, tevreden en gelijkmoedig.

'Kijk naar hem,' zei Pluizer. 'Hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de mensen alsof hij zelf een ander wezen is, dat niets met hen te maken heeft. Hij gaat tussen kwalen en ellende door als een onkwetsbare en gaat met de dood om als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. Hij is met alles tevreden, zodra hij het bereikt. Zó moet je ook worden.'

'Maar dat kan ik nooit.'

'Ja, daar kan ik niets aan doen.'

Dat was altijd het hopeloze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en onverschillig en zocht en zocht, zonder nog te weten waarnaar en waarom. Hij werd zoals de velen die Wistik gesproken hadden.

Het werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

Op een kille, mistige morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de straten lag en van bomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn dagelijkse gang.

Op een plein ontmoette hij een paar jonge meisjes, op een rij, met schoolboeken in de hand. Ze gooiden sneeuw naar elkaar en lachten en stoeiden. Helder klonken hun stemmetjes over het besneeuwde plein. Je hoorde geen voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende bellen van de paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blije lach door de stilte. Johannes zag hoe een van de meisjes hem aankeek en hem bleef nastaren. Ze had een bontmanteltje om en droeg een zwarte hoed. Hij kende haar gezicht heel goed, maar wist toch niet wie ze was. Ze knikte eens, en nog eens.

'Wie is dat? Ik ken haar.'

'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar Robinetta.'

'Nee, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje.'

'Ha! ha! ha! Zij kan niet op niemand lijken. Maar zij is wie zij is. Je hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'

'Nee, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zoals de anderen.'

En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en mompelde:

'Dat is het laatste, er is niets! niets!'

### Woordenlijst

- **visioen**: beeld dat iemand ziet alsof het echt is, maar dat alleen in zijn hoofd bestaat.
- **doelmatig**: zo gemaakt dat het goed werkt voor wat het moet doen.
- **lapwerk**: iets wat slordig en met losse stukjes is gerepareerd.
- **moedwillig**: met opzet, ondeugend.
- **leem**: zachte, natte aarde waarvan je stenen en potten kunt maken.
- **uitgeteerde**: heel mager en zwak door een lange ziekte.
- **de roeping**: het werk waarvoor je je leven wilt geven.
- **meikever**: dikke bruine kever die in mei vliegt.
- **aal**: lange, dunne vis die op een slang lijkt.
- **gelijkmoedig**: altijd rustig, wat er ook gebeurt.

## XIII

Het heldere, warme zonlicht van een eerste lentemorgen stroomde over de grote stad. Felle stralen vielen in het kamertje waar Johannes woonde. Op het lage plafond trilde en schommelde een grote lichtplek, weerkaatsing van het rimpelende water van de gracht.

Johannes zat voor het raam in de zonneschijn en staarde over de stad. Ze zag er heel anders uit. De grauwe mist was een glanzend blauw zonnewaas geworden, dat het einde van de lange straten en de torens in de verte omhulde. De lichtkanten van de leien daken schitterden zilverwit. Alle huizen hadden door het zonlicht heldere lijnen en lichte vlakken, en er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water leek levend geworden. De bruine knopjes van de iepen waren dik en glanzend, en luidruchtige mussen fladderden tussen de takjes.

Johannes voelde zich zo vreemd terwijl hij staarde. De zonneschijn bracht hem in een zoete verdoving.

Er was vergetelheid en onmiddellijke weelde in. Dromend staarde hij naar de schittering van de golfjes en de zwellende iepenknopjes, en hij luisterde naar het tjilpen van de mussen. Er was vreugde in dat geluid.

Zo week was zijn stemming in lange tijd niet geweest, zo gelukkig had hij zich in lange tijd niet gevoeld.

Dat was de oude zonneschijn, die hij herkende. Dat was de zon die hem vroeger naar buiten riep, naar de tuin. Daar ging hij dan, in de luwte van een oud muurtje, op de warme grond liggen. Hij kon lang genieten van al dat licht en die warmte, starend naar de grashalmpjes en kluitjes voor hem, gekoesterd in de zon.

Hij voelde zich zo goed in dat licht. Het gaf hem het veilige thuisgevoel, zoals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van zijn moeder. Hij moest aan alles van vroeger denken, maar hij huilde of verlangde niet. Hij zat stil en droomde, en wenste niets anders dan dat de zon mocht blijven.

'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer. 'Je weet dat ik niet van dromen houd.'

Johannes sloeg smekend zijn peinzende ogen op.

'Laat mij nog wat zo blijven,' zei hij. 'De zon is zo goed.'

'Wat vind je aan die zon?' zei Pluizer. 'Het is toch niets anders dan een grote kaars. Of je in kaarslicht of in zonlicht zit, is precies hetzelfde. Kijk! Die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is toch niets anders dan het schijnsel van een licht dat wat stil brandt en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! Daar! Voorbij dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! Daar is het nu nacht, nu en altijd.'

Maar zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme zonnestralen drongen in hem door en vervulden zijn hele ziel. Het was licht en vredig in hem.

Pluizer nam hem mee naar het kille huis van dokter Cijfer. Een tijdlang zweefden de zonnebeelden nog voor zijn geest. Toen vervaagden ze langzamerhand, en midden op de dag was het helemaal donker in hem.

Maar toen de avond kwam en hij weer door de straten van de stad ging, was de lucht zacht en warm en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en in de nauwe straten benauwde het hem. Maar op de open pleinen rook hij het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar in de rustige wolkjes, in het tere rood van de westelijke hemel.

De schemering spreidde een zachte, grijze nevel over de stad, vol fijne tinten. Het werd stil in de straten. Alleen een straatorgel in de verte speelde een weemoedige wijs. De huizen leken zwarte schimmen tegen de rode avondhemel, en als talloze armen staken ze hun grillige spitsen en schoorstenen op.

Het was Johannes als een vriendelijke glimlach van de zon, toen ze voor het laatst scheen over de grote stad, vriendelijk als de glimlach die een dwaasheid vergeeft. En de zachte lucht streek Johannes liefkozend langs de wangen.

Toen kwam er een grote weemoed in Johannes' hart, zo groot dat hij niet verder kon en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar de wijde hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en vergeving in hem.

Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve ogen.

'Kom! Johannes! doe niet zo raar, de mensen kijken!' zei Pluizer.

De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide kanten somber en troosteloos uit. Een jammerklacht in de zachte lucht, een klaagtoon tussen het roepen van de lente!

De mensen zaten aan de deuren en op de stoepen om van de lente te genieten. Het leek Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte op hen. Nog rekte het orgel in de verte zijn weemoedige tonen.

'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar—de zee!'

Maar hij moest mee naar het hoge kleine kamertje, en die nacht lag hij wakker.

Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen die hij met hem maakte. Dan liep hij tien passen achter hem en schreef zijn vader letters voor hem in het zand. Hij moest denken aan de plaatsen waar de viooltjes groeien tussen het kreupelhout, en aan de dagen dat hij ze met zijn vader gezocht had. De hele nacht zag hij het gezicht van zijn vader, zoals het was als hij 's avonds bij het stille lamplicht naar hem zat te kijken. Dan luisterde hij naar het krassen van zijn pen.

Elke morgen vroeg hij Pluizer toen om nog één keer terug te mogen gaan, naar zijn huis en zijn vader. Hij wilde nog één keer zijn tuin en de duinen zien. Nu merkte hij dat hij meer van zijn vader had gehouden dan van Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg.

'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, omdat ik zo lang ben weggebleven.'

Pluizer haalde zijn schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je helpen?'

Maar de lente bleef hem roepen, luider en luider. Elke nacht droomde hij van het donkergroene mos op de duinhellingen en van zonnestralen die door het fijne, jonge groen schenen.

'Zo kan het niet langer duren,' dacht Johannes. 'Ik kan het niet uithouden.'

En vaak, als hij niet kon slapen, stond hij zachtjes op, ging naar het raam en staarde in de nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen wolkjes langzaam langs de schijf van de maan schoven, vredig drijvend in een zee van zachte glans. Hij dacht eraan hoe daar in de verte nu de duinen sliepen in de zachte nacht. Hij dacht ook hoe wondervol het moest zijn in de lage bosjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen. Daar zou het geuren naar vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van ver het golvende koor van de kikkers te horen, dat zo geheimzinnig over de velden komt aanzweven. Hij meende ook het lied te horen van de enige vogel die de plechtige stilte mag begeleiden. Die begint zijn zang zo zacht en klagend en breekt hem zo plotseling af, dat de stilte nog stiller lijkt. En het riep hem, alles riep hem. Hij boog zijn hoofd op de vensterbank en snikte op zijn arm.

'Ik kan niet! Ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik niet komen mag.'

Toen Pluizer hem de volgende dag wekte, zat hij nog bij het raam, waar hij in slaap was gevallen met zijn hoofd op zijn arm.

De dagen gingen voorbij, werden lang en warm, en er kwam geen verandering. Maar Johannes stierf niet en hij moest zijn smart dragen.

Op een morgen zei dokter Cijfer tegen hem: 'Ga je mee, Johannes? Ik moet een zieke bezoeken.'

Dokter Cijfer stond bekend als een geleerd man, en velen riepen zijn hulp in tegen ziekte en dood. Johannes was al vaak met hem meegegaan.

Pluizer was die morgen bijzonder vrolijk. Hij ging telkens op zijn hoofd staan, danste en buitelde, en maakte allerlei uitgelaten grappen. Hij grinnikte voortdurend geheimzinnig, als iemand die een ander een verrassing bereid heeft. Johannes was erg bang voor hem in die stemming.

Dokter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.

Ze gingen die morgen een verre weg, in een trein en te voet. Ze gingen verder dan anders. Johannes was nog nooit buiten de stad meegenomen.

Het was een warme, zonnige dag. Uit de trein zag Johannes de grote, groene weiden voorbijgaan, met langgepluimd gras en grazende koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar de lucht trilde van de hitte van de zon.

Maar opeens voelde hij een tinteling: daar strekte zich de lange, golvende duinrij uit!

'Nu, Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'

Half ongelovig bleef Johannes naar de duinen staren. Ze kwamen dichter en dichterbij. De lange sloten aan beide kanten leken om hun middelpunt te draaien, en snel vlogen enkele huizen langs de weg voorbij.

Toen kwamen de bomen: dichtbebladerde kastanjebomen, rijk bloeiend met duizenden grote, witte of rode bloemtrossen, donkere blauwgroene dennen, grote, statige linden.

Het was toch waar, hij zou zijn duinen weerzien.

De trein stopte, en toen liepen ze met hun drieën te voet, onder schaduwrijk loof.

Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken van de zonnestralen op de bosgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennennaalden.

'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?'

Zijn ogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon in zijn geluk te geloven. Deze bomen, deze grond kende hij, dit bospad was hij vaak gegaan.

Ze waren alleen op de weg. Maar Johannes moest omkijken, alsof iemand hen volgde. En hij meende tussen het eikenloof de donkere figuur van een mens te zien, die telkens verborgen bleef achter de laatste bocht van het pad.

Pluizer keek hem vals en geheimzinnig aan. Dokter Cijfer liep met lange passen en staarde naar de grond.

De weg werd hem steeds bekender en vertrouwder, elke steen en elk struikje kende hij. Toen schrok Johannes opeens hevig, want hij stond voor zijn eigen huis.

De kastanjeboom voor het huis breidde zijn grote, handvormige bladeren schaduwend uit. Tot boven in de hoge top prijkten de prachtige witte bloesems in de volle, ronde massa van het loof.

Hij hoorde het geluid van de opengaande deur, dat hij zo goed kende, en hij rook de geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren vertrouwdheid. Het was allemaal een deel van zijn leven, van zijn eenzame, mijmerende kinderleven. Tegen al die dingen had hij gesproken. Hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij geen mens toeliet. Maar nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven van het hele oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij voelde dat die scheiding onherroepelijk was, en het was hem alsof hij een kerkhof bezocht, zo weemoedig en droevig.

Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn, maar Presto was zeker weg of dood.

Maar waar was zijn vader?

Hij keek terug naar de open deur en de zonnige tuin daarbuiten. Hij zag de man die hem onderweg leek te achtervolgen, nu al op het huis af schrijden. Hij kwam dichter en dichterbij en leek groter te worden bij het naderen. Toen hij bij de deur was, vulde een grote, kille schaduw de gang. Toen herkende Johannes de Man.

Het was doodstil in huis en ze gingen zwijgend de trap op. Er was een trede die altijd kraakte onder je voet, dat wist Johannes. En nu hoorde hij haar drie keer kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Maar onder de vierde voetstap was het als een doffe snik.

En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zo regelmatig als langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk, akelig geluid.

De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwe blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behang staarden hem verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.

Ze gingen naar de kamer waar het geluid vandaan kwam. Het was de slaapkamer van zijn vader. De zon scheen vrolijk naar binnen, op de gesloten, groene gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in de zonneschijn. Er hing een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het zachte kreunen klonk nu van dichtbij.

Johannes hoorde stemmen fluisteren en voorzichtige voetstappen schuifelen. Toen werden de groene gordijnen opengeslagen.

Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij de laatste tijd zo vaak voor zich had gezien. Maar het was helemaal anders. De vriendelijke, ernstige uitdrukking was weg, en het keek strak en benauwd. Het was vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in de halfopen mond, en het wit van de ogen onder de halfgesloten oogleden. Het hoofd lag weggezonken in het kussen. Regelmatig hief het zich bij het kreunen even op, om dan weer moe opzij te vallen.

Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde, strakke ogen naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht. Hij durfde geen vinger te bewegen, hij durfde die oude, bleke handen niet te pakken, die slap op het witte linnen lagen.

Alles was zwart om hem heen, de zon en de lichte kamer, het groen daarbuiten en de blauwe lucht van zojuist. Al wat achter hem lag werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in die nacht zag hij alleen dat bleke hoofd daar voor hem. En hij moest alleen denken aan dat arme hoofd, dat zo moe leek en zich telkens en telkens weer met een smartelijk geluid moest opheffen.

Daar kwam een ogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de ogen staarden zoekend rond en de lippen probeerden iets te zeggen.

'Dag vader!' fluisterde Johannes, en hij staarde angstig bevend in de zoekende ogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, samengeplooide hand werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar Johannes. Toen viel ze krachteloos weer neer.

'Kom! kom!' zei Pluizer. 'Geen scène hier.'

'Ga uit de weg, Johannes,' zei dokter Cijfer. 'Wij moeten zien wat er te doen valt.'

De dokter begon het onderzoek, maar Johannes ging weg van het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de heldere lucht, en naar de brede kastanjebladeren, waarop dikke vliegen zaten die blauw glansden in de zon. Het kreunen begon weer met dezelfde gelijkmatigheid.

Een zwarte merel huppelde tussen het hoge gras in de tuin. Grote rood-zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken. Uit het loof van de hoogste bomen drong het zachte, vleiende gekir van de houtduiven tot Johannes door.

Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest ernaar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende druppel die je krankzinnig maakt. Gespannen wachtte hij bij elke pauze, en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap van de naderende dood.

En daarbuiten heerste warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete weelde. Boven de hoge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde een reiger met kalme vleugelslag.

Johannes begreep het niet, het was hem allemaal een raadsel. Het was zo verward en donker in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij zijn!' dacht hij.

'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij, mij, Johannes?'

Het was alsof hij over een vreemde sprak. Het was allemaal een verhaal dat hij gehoord had. Hij had iemand horen vertellen over Johannes en over het huis waar hij woonde, en over zijn vader, die hij verlaten had en die nu ging sterven. Hij was het zelf niet, hij had het horen vertellen. Het was wel een droevig verhaal, echt droevig. Maar het ging hem niet aan.

Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!

'Ik begrijp de zaak niet,' zei dokter Cijfer, terwijl hij zich oprichtte. 'Het is een raadselachtig geval.'

Pluizer kwam bij Johannes staan.

'Kom je niet eens kijken, Johannes? Het is een belangrijk geval. De dokter weet het niet.'

'Laat mij,' zei Johannes zonder zich om te draaien. 'Ik kan niet denken.'

Maar Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, zoals zijn gewoonte was.

'Niet denken! Dacht je dat je niet kon denken? Dat heb je mis. Je moet denken. Al kijk je nu naar het groen en de blauwe lucht, dat helpt niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?'

'Ik weet het niet! Ik wil het niet weten.'

Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, dat zacht klagend en verwijtend klonk. Dokter Cijfer maakte aantekeningen in een boekje. Bij het hoofd van het bed zat de donkere gestalte die hen gevolgd was. Het hoofd was gebogen, de lange hand naar de zieke gestrekt en de diepliggende ogen op de klok gericht.

Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.

'Waarom kijk je zo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je op Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu niet? Zou hij bang zijn voor die donkere vriend aan het hoofdeinde? Die was er toch altijd.'

'Zie je nu wel dat het allemaal verbeelding geweest is, Johannes?'

'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zojuist. Je kunt horen dat het wel gauw helemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er hebben er al zoveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep tussen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en ga je niet de duinen in, zoals vroeger? Kijk! Alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee met al die vrolijkheid en dat leven?'

'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu is het weer niet goed. Kijk! Ik laat je gaan. Ga door het hoge gras, lig in die koele schaduw, laat de vliegen om je heen gonzen en ruik de geur van het jonge kruid! Ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'

'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik je verteld heb? Loog Windekind of ik?'

'Hoor het kreunen! Zo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'

'Kijk maar niet zo angstig om, Johannes. Hoe eerder het stil is, hoe beter. Nu zullen er geen lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer met hem naar viooltjes zoeken. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld hebben, denk je, toen je weg was? Ja, je kunt het hem nu niet meer vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je wel tevreden zijn met mij. Als je mij wat vroeger gekend had, zou je nu niet zo jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zoals je moet zijn. Denk je dat dokter Cijfer in jouw geval zo zou kijken? Het zou hem even bedroefd maken als die kat, die daar spint in de zon. En dat is goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd? Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Ze weten niets, daarom zijn ze zo. Jij bent eens begonnen met iets te weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik alleen je leren. Alles of niets.'

'Luister naar mij. Wat maakt het uit of dat je vader is? Het is een mens die sterft, dat is een gewone zaak.'

'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak, nietwaar? Het zijn nu wel de laatste.'

Johannes keek naar het bed, bang en beklemd.

Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en ging spinnend naast de stervende in het bed liggen.

Het arme, moede hoofd bewoog niet meer. Het lag stil in het kussen gezonken, maar uit de halfopen mond kwamen nog regelmatig de korte, matte klanken.

Ze werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.

Toen wendde de Dood zijn donkere ogen van de klok naar het ingezonken hoofd en hief zijn hand op. Daarna werd het stil.

Een vale schaduw viel over het strakke gezicht.

Stilte, doffe, lege stilte!

Johannes wachtte, wachtte.

Maar de regelmatige klank kwam niet terug. Het bleef stil, een grote, suizende stilte.

De spanning van het luisteren van de laatste uren hield op. Het was Johannes alsof zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwarte, grondeloze leegte. Hij viel dieper en dieper. Het werd stiller en donkerder om hem heen.

Daar klonk Pluizers stem, als van een grote afstand.

'Ziezo! dat verhaaltje is weer uit.'

'Dat is goed,' zei dokter Cijfer. 'Nu kunt u zien wat het geweest is. Ik laat dat aan u over. Ik moet weg.'

Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.

De kat zette een hoge rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij zocht de zonneschijn weer op.

Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig bekeek en ermee naar het bed ging.

Toen schudde Johannes de verdoving van zich af. Voordat Pluizer bij het bed was, stond hij voor hem.

'Wat wilt u?' vroeg hij. Zijn ogen waren wijd open van ontzetting.

'Wij zullen zien wat het geweest is,' zei Pluizer.

'Nee!' zei Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.

'Wat betekent dat?' zei Pluizer met een grimmig flikkerende blik.

'Kun jij mij dat verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'

'Ik wil niet,' zei Johannes. Hij klemde zijn tanden op elkaar en haalde diep adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte zijn hand naar hem uit.

Maar Pluizer kwam dichterbij. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde met hem.

Pluizer was sterk, dat wist hij, nog nooit had hij hem weerstaan. Maar hij liet niet los, en zijn wil brak niet.

Het mes schitterde voor zijn ogen, hij zag vonken voor zijn blik en rode vlammen. Maar hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er zou komen als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. Maar wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.

En terwijl ze hijgend worstelden, lag achter hem het dode lichaam gestrekt en bewegingloos, zoals het gelegen had op het ogenblik toen de stilte kwam. Het wit van de ogen was zichtbaar als een smalle streep, de mondhoeken waren opgetrokken tot een strakke grijns.

Alleen als ze in hun strijd allebei tegen het bed stootten, schudde het hoofd zachtjes heen en weer.

Nog hield Johannes vol. De adem begaf hem en hij zag niets meer. Er was een sluier van bloedrood licht voor zijn ogen. Toch hield hij vol.

Toen werd de weerstand van de beide polsen onder zijn greep langzamerhand zwakker. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn lijf en zijn gesloten handen waren leeg.

Toen hij opkeek, was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en knikte.

'Dat was goed van u, Johannes,' zei hij.

'Zal hij terugkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde zijn hoofd.

'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'

'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?'

Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend meer, maar zacht en ernstig. Hij trok Johannes aan, als een grote diepte.

'*Ik* alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt u het boekje vinden.'

'Neem mij dan mee, er is nu niemand meer. Neem mij nu ook mee, zoals de anderen, ik wil niets anders meer …'

Nog eens schudde de Dood zijn hoofd.

'U houdt van de mensen, Johannes. U wist het niet, maar u hebt altijd van hen gehouden. U moet een goed mens worden. Het is iets moois, een goed mens te zijn.'

'Ik wil niet, neem mij mee …'

'Het is niet zo. U wilt. U kunt niet anders!'

Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' ogen. Ze vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in de kamer en trok weg langs de zonnestralen.

Johannes boog zijn hoofd over de rand van het bed en huilde bij de dode man.

### XIV

Na lange tijd hief hij zijn hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en hadden een rode glans. Ze leken rechte, gouden staven. 'Vader! Vader!' fluisterde Johannes.

Buiten vervulde de zon de hele natuur met een wolk van schitterend gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige zonnewijding.

En langs het licht daalde een zacht gesuis naar binnen. Het was alsof de lichte stralen zongen.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes hief zijn hoofd op en luisterde. Het ruiste in zijn oren.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Het leek Windekinds stem. Die alleen had hem zo genoemd. Zou hij hem nu roepen?

Maar hij keek naar het gezicht naast hem, hij wilde niet meer luisteren.

'Arme, lieve vader!' zei hij.

Maar plotseling klonk het weer om hem heen, van alle kanten, zo sterk, zo dringend, dat hij huiverde van wonderbare ontroering.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tussen de grashalmen en vonkte in de donkere schaduwplekken. De hele lucht was ermee vervuld, tot hoog in het blauw, waar de eerste, tere avondwolkjes zich vormden.

Over het grasveld tussen de groene bomen en heesters zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw van de hemel.

Rustig lagen ze uitgestrekt in een kleed van tere tinten. De fijne golving van hun omtrekken bracht vrede als een gebed. Johannes voelde weer hoe het was toen Windekind hem had leren bidden.

Was die daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Kijk! Daar midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is dat niet Windekind, die hem wenkt?

Johannes vloog naar buiten in de zonneglans. Daar stond hij een ogenblik stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht en durfde zich nauwelijks te bewegen, nu het loof zo stil was.

Maar daar voor hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! Hij was het. Het stralende hoofdje was naar hem toegekeerd, de mond half open, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen van zijn slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

Met een blijde kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de geliefde verschijning. Maar die verhief zich en zweefde voor hem uit, met lachend gezicht en wenkende hand. Soms raakte de verschijning de aarde in langzame daling, maar dan rees die weer op, licht en snel, en zweefde verder als het zaadpluis dat de wind voortdrijft.

Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zoals vroeger en zoals in zijn droom. Maar de aarde trok aan zijn voeten en zijn stap bleef zwaar op de grazige grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de struiken, waarvan het loof ritselend langs zijn kleren streek en de takken hem in het gezicht sloegen. Zwoegend moest hij de bemoste hellingen van de duinen beklimmen. Maar hij volgde onvermoeid, en zijn oog werd niet afgewend van Windekinds stralende verschijning, van wat daar blonk in de hoog geheven hand.

Daar was hij midden in de duinen. In de gloeiende valleien bloeiden de duinrozen en keken met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. Er bloeiden ook vele andere bloemen, helderblauwe, gele en purperen. Zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl hij voortging. Hij rook de tijm en de geur van het droge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

En voor het lieflijke beeld dat hij volgde, zag hij de bonte duinvlinders fladderen. Het waren kleine zwarte en rode kapelletjes, en het zandoogje, het vrolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van het teerste blauw. Rond zijn hoofd snorden de gouden kevers die op de duinroos leven, en dikke hommels dansten gonzend tussen het verschroeide duingras.

Wat was het heerlijk, wat zou hij gelukkig zijn als hij maar bij Windekind was. Maar Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos moest hij volgen. De grote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem tegen en krasten hem met hun doornen. De vale, wollige toortsen schudden hun lange hoofden als hij ze in zijn vaart wegduwde. Hij klom tegen de zandige walletjes op en verwondde zijn handen aan het stekelige helmgras.

Hij drong door de lage berkenbosjes, waar het gras hem tot de knieën reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers die glinsterden tussen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met die van het berkenloof en van de munt, die veel groeide op de moerassige grond.

Maar toen hielden de bosjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tussen het vale, dorre helmgras.

Op de top van de laatste hoge duinenrij zag Johannes Windekinds beeld. Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend klonk een groot, voortdurend bruisen van de andere kant, overgedragen door een koele wind. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde, en langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op zijn knieën en staarde over de zee.

Toen hij boven de duinrand uitkwam, omgaf hem een rode gloed. De avondwolken hadden zich geschaard voor de uitvaart van het licht. Als een wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omringden ze de dalende zon. Op de zee was een brede weg van levend purpervuur, een vlammende, schitterende lichtweg, die leidde naar de ingang van de verre hemel.

Achter de zon, waarin het oog nog niet kon staren, wemelden tere tinten van blauw en roze door elkaar, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten, langs de hele wijde hemel, glansden rode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend vuur.

Johannes wachtte totdat de zonneschijf de gloeiende weg die naar hem toe leidde, aan het verste einde raakte.

Toen keek hij naar beneden, en dichtbij was het lichte beeld dat hij gevolgd was. Een vaartuig, helder en glinsterend als kristal, dreef bij het strand op de brede vuurbaan. Aan het ene einde van de boot stond Windekinds slanke gestalte, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes de donkere Dood.

'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Maar terwijl Johannes het wonderlijke vaartuig naderde, keek hij naar de horizon. In het midden van de lichte ruimte, omgeven door de grove, vurige wolken, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Die werd groter en groter. Langzaam naderde een mens, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, maar kalm en rustig kwam hij dichterbij.

Het was een mens, zijn gezicht was bleek en zijn ogen waren diep en donker. Ze waren zo diep als de ogen van Windekind, maar in hun blik was eindeloos zachte weemoed, zoals Johannes die nooit in andere ogen gezien had.

'Wie bent u?' vroeg Johannes. 'Bent u een mens?'

'Ik ben meer!' zei hij.

'Bent u Jezus, bent u God?' vroeg Johannes.

'Noem die namen niet,' zei de gestalte. 'Zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostbaar als voedend koren, maar zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrenkleren voor de dwazen. Noem ze niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, moet die namen wegwerpen en naar zichzelf luisteren.'

'Ik ken u! ik ken u!' zei Johannes.

'Ik was het die u deed wenen om de mensen, terwijl u uw tranen niet kon begrijpen. Ik was het die u deed liefhebben, waar u uw liefde niet begreep. Ik ben bij u geweest en u hebt mij niet gezien, ik heb uw ziel bewogen en u hebt mij niet gekend.'

'Waarom zie ik u nu pas?'

'Vele tranen moeten de ogen verhelderen die mij zullen zien. En niet voor uzelf alleen, maar voor mij moet u wenen. Dan zal ik u verschijnen en u zult mij herkennen als een oude vriend.'

'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'

Johannes strekte zijn handen uit. Maar de mens wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op de vurige weg.

'Zie!' zei hij. 'Dat is de weg naar alles wat u verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult u het niet vinden. Doe nu uw keuze. Daar is het Grote Licht, daar zult u zelf zijn wat u verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de mensheid is en haar verdriet, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht dat u gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, u weet het. Doe uw keuze.'

Toen wendde Johannes langzaam zijn oog af van Windekinds wenkende gestalte en strekte zijn handen naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote, donkere stad, waar de mensheid was en haar verdriet.

* * * * *

Wellicht vertel ik u eenmaal meer van de kleine Johannes, maar op een sprookje zal het dan niet meer lijken.

### Woordenlijst

- **omhulde**: bedekte aan alle kanten, als met een doek.
- **de luwte**: plek die beschut is tegen de wind.
- **het kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **grinnikte**: lachte zacht en een beetje spottend.
- **kamfer**: stof met een sterke geur, vroeger gebruikt bij zieken.
- **kreunen**: een zacht geluid maken van pijn.
- **blonk**: glansde fel (verleden tijd van blinken).
- **rendiermos**: grijs, droog mos in de duinen.
- **helmgras**: stekelig gras dat in de duinen groeit.
- **zeedistel**: stekelige blauwe plant bij de zee.
- **priestergewaden**: lange, plechtige kleren van een priester.
- **draf**: voer voor varkens.
- **narrenkleren**: kleren van een clown.
- **het dwaallicht**: klein licht boven nat land, dat mensen de verkeerde kant op brengt.
