# De kleine Johannes (Editie B1)

*Frederik van Eeden*

## I

Aan mijn vrouw

Ik zal u iets van de kleine Johannes vertellen. Mijn verhaal lijkt veel op een sprookje, maar het is toch allemaal echt zo gebeurd. Zodra u het niet meer gelooft, moet u niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor u. U mag ook nooit met de kleine Johannes hierover spreken, als u hem soms ontmoet. Dat zou hem verdriet doen, en dan zou ik er spijt van hebben dat ik u dit alles verteld heb.

Johannes woonde in een oud huis met een grote tuin. Het was er moeilijk de weg te vinden. Want in het huis waren veel donkere overlopen, trappen, kleine kamers en grote zolders vol oude spullen. En in de tuin stonden overal schuttingen en broeikassen. Het was een hele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten maken, en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte.

In het huis koos hij namen uit het dierenrijk. Er was de rupsenzolder, omdat hij daar rupsen grootbracht. Er was het kippenkamertje, omdat hij daar eens een kip gevonden had. Die was daar niet vanzelf gekomen: Johannes' moeder had haar daar gezet om op eieren te zitten. In de tuin koos hij namen uit het plantenrijk. Hij lette daarbij vooral op de dingen die er groeiden en die voor hem belangrijk waren. Zo had hij een frambozenberg, een dirkjesbos en een aardbeiendal.

Helemaal achter in de tuin was een plekje dat hij het paradijs noemde, en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar lag een groot water, een vijver. Op de vijver dreven witte waterlelies, en het riet voerde er lange, fluisterende gesprekken met de wind. Aan de overkant lagen de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveld aan deze kant van het water. Er stonden lage struiken omheen, en daartussen groeide het nachtegaalskruid hoog op.

Daar lag Johannes vaak in het dichte gras. Hij keek tussen de ruisende rietbladeren door naar de toppen van de duinen aan de overkant. Op warme zomeravonden was hij er altijd. Dan lag hij uren te staren en verveelde hij zich nooit. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor hem. Hoe gezellig moest het daar zijn, tussen die waterplanten, in dat vreemde, zwakke licht! En dan dacht hij weer aan de verre, prachtig gekleurde wolken die boven de duinen zweefden. Wat zou daarachter zijn? Zou het heerlijk zijn om daarheen te kunnen vliegen?

Als de zon net ondergegaan was, stapelden de wolken zich daar op elkaar. Zo leek het dan of ze de ingang van een grot vormden, en diep in die grot schitterde een zacht rood licht. Dat was wat Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar toch achter zijn? Zou ik daar ooit, ooit kunnen komen …

Maar hoe vaak hij dat ook wenste, elke keer viel de grot uit elkaar in grijze, donkere wolkjes. Hij kon er nooit dichterbij komen. Dan werd het koud en vochtig bij de vijver, en hij moest weer terug naar zijn donkere slaapkamertje in het oude huis.

Hij woonde daar niet helemaal alleen. Hij had een vader, die goed voor hem zorgde, een hond die Presto heette en een kat die Simon heette. Natuurlijk hield hij het meest van zijn vader. Maar hij vond Presto en Simon lang niet zo ver onder hem staan als een volwassene dat zou vinden. Hij vertelde Presto zelfs meer geheimen dan zijn vader, en voor Simon had hij veel eerbied en ontzag.

Nu, dat was geen wonder! Simon was een grote kat met een glanzende zwarte vacht en een dikke staart. Je kon aan hem zien dat hij helemaal overtuigd was van zijn eigen grootheid en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam. Dat bleef hij zelfs als hij zich verwaardigde om even met een rollende kurk te spelen. Dat bleef hij ook als hij achter een boom een vergeten haringkop opat. Als Presto wild en dol deed, kneep hij minachtend zijn groene ogen dicht en dacht: Nu ja! Die honden weten niet beter.

Begrijpt u nu dat Johannes ontzag voor hem had? Met de kleine bruine Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of deftig hondje, maar wel een bijzonder goedaardig en slim hondje. Je kreeg hem nooit meer dan twee stappen van Johannes weg. Geduldig zat hij te luisteren naar alles wat zijn baas hem vertelde.

Ik hoef u niet te zeggen hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook nog veel plaats in zijn hart voor anderen. Vindt u het vreemd dat zijn donkere slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een grote plaats had? Hij hield van het behang met de grote bloemfiguren. Hij zag er gezichten in. Hij had de vormen zo vaak bestudeerd als hij ziek was, of als hij 's morgens wakker lag. Hij hield van het ene schilderijtje dat er hing. Daarop stonden stijve wandelaars, die in een nog stijvere tuin liepen. Ze liepen langs gladde vijvers met fonteinen die tot aan de hemel spoten, en met kokette zwanen.

Maar het meest hield hij van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op. En hij vond het een noodzakelijke beleefdheid om naar haar te kijken als ze sloeg. Dat kon natuurlijk alleen zolang Johannes niet sliep. Soms was de klok blijven stilstaan doordat hij het opwinden vergeten had. Dan voelde Johannes zich erg schuldig en vroeg hij haar duizend keer vergeving.

U zou misschien lachen als u hem met zijn kamer hoorde praten. Maar let eens op hoe vaak u in uzelf praat. Dat vindt u helemaal niet belachelijk. Johannes was er bovendien van overtuigd dat zijn toehoorders hem volkomen begrepen, en hij had geen antwoord nodig. Maar stiekem verwachtte hij toch wel eens een antwoord van de klok of van het behang.

Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk niet. Hij speelde met hen. Op school smeedde hij samen met hen geheime plannen, en buiten vormde hij roversbendes met hen. Maar pas als hij alleen met Presto was, voelde hij zich echt thuis. Dan verlangde hij nooit naar jongens, en voelde hij zich helemaal vrij en veilig.

Zijn vader was een wijze, ernstige man, die Johannes vaak meenam op lange tochten door bossen en duinen. Ze spraken dan weinig. Johannes liep tien stappen achter zijn vader. Hij groette de bloemen die hij tegenkwam. Hij streek vriendelijk met zijn handje over de ruwe schors van de oude bomen. Die moesten zo altijd op dezelfde plaats blijven. Dan bedankten de goedaardige reuzen hem met hun ruisen.

Soms schreef zijn vader onder het lopen letters in het zand, één voor één. Dan spelde Johannes de woorden die ze vormden. En soms bleef zijn vader ook staan en leerde hij Johannes de naam van een plant of een dier.

Johannes stelde ook vaak vragen, want hij zag en hoorde veel wat hij niet begreep. Vaak waren het domme vragen. Hij vroeg waarom de wereld was zoals ze was. Hij vroeg waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zei niet alles wat hij wist. Dat was goed voor Johannes.

's Avonds voordat hij ging slapen, deed Johannes altijd een lang gebed. Dat had de kindermeid hem zo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor Presto. Simon had het niet nodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor zichzelf. Aan het eind wenste hij meestal dat er toch eens een wonder zou gebeuren.

Als hij amen gezegd had, keek hij gespannen rond in de halfdonkere kamer. Hij keek naar de figuren op het behang, die in het zwakke licht nog vreemder leken. Hij keek naar de deurknop en naar de klok, want daar zou het wonder nu beginnen. Maar de klok bleef altijd hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog niet. Het werd helemaal donker en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.

Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij.

### Woordenlijst

- **de overlopen**: open plekken boven aan een trap, in een huis.
- **de schuttingen**: houten muren om een stuk grond.
- **de broeikassen**: huizen van glas waarin planten warm staan.
- **de rupsen**: dieren die op kleine wormen lijken en later vlinders worden.
- **het dirkjesbos**: Johannes' eigen naam voor een plek in de tuin, naar de dirkjes die daar groeiden.
- **het riet**: hoge, dunne planten aan de rand van het water.
- **de duinen**: heuvels van zand bij de zee.
- **het nachtegaalskruid**: hoge plant die tussen de struiken groeit.
- **het ontzag**: groot respect, met een beetje angst erbij.
- **deftig**: ernstig, voornaam en netjes.
- **verwaardigde**: deed iets terwijl hij vond dat hij daar eigenlijk te goed voor was.
- **het behang**: papier met figuren op de muren van een kamer.
- **kokette**: mooi en een beetje trots, alsof ze bekeken willen worden.
- **de schors**: de ruwe buitenkant van een boom.
- **de kindermeid**: vrouw die in een huis voor de kinderen zorgt.

## II

Het was warm bij de vijver en doodstil. De zon was rood en moe van haar dagelijkse werk. Het leek of ze even uitrustte op een verre duinrand, voordat ze onderging. Het gladde water spiegelde haar gloeiende gezicht bijna helemaal. De bladeren van de beuk hingen over de vijver. Ze maakten gebruik van de stilte om zichzelf eens goed in de spiegel te bekijken. De eenzame reiger stond op één poot tussen de brede bladeren van de waterlelie. Hij vergat dat hij was uitgegaan om kikkers te vangen. Diep in gedachten keek hij langs zijn neus.

Daar kwam Johannes op het grasveldje om de wolkengrot te zien. Plomp! plomp! sprongen de kikkers van de kant. De spiegel kreeg rimpels en het beeld van de zon brak in brede strepen. De beukenbladeren ritselden boos, want ze waren nog niet klaar met kijken.

Aan de kale wortels van de beuk lag een oude kleine boot vastgebonden. Johannes mocht daar absoluut niet in gaan. O, wat was de verleiding sterk die avond! De wolken vormden al een enorme poort, waarachter de zon zou gaan rusten. Schitterende rijen wolkjes gingen aan de zijkant staan, als lijfwachten in gouden harnassen. Ook het water gloeide, en rode vonken vlogen als pijlen door het riet aan de oever.

Langzaam maakte Johannes het touw van de boot los van de beukenwortels. Daar te drijven, midden in die pracht! Presto was al in de boot gesprongen. En nog voor zijn baas het zelf wilde, gingen de rietstengels uit elkaar. Samen dreven ze weg, in de richting van de avondzon. Johannes lag op de voorkant van de boot en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!

De zon was verdwenen. De wolken bleven gloeien. In het oosten was de hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs de oever. Hun smalle witte blaadjes staken roerloos in de stille lucht. Tegen de donkere achtergrond leek dat prachtig bleekgroen kant.

Stil! Wat was dat? Het schoot ruisend over het water, als een lichte windvlaag die een scherpe voor in het water trok. Het kwam van de duinen, van de wolkengrot.

Toen Johannes omkeek, zat er een grote blauwe waterjuffer op de rand van de boot. Zo'n grote had hij nog nooit gezien. Ze zat stil, maar haar vleugels bleven in een wijde cirkel trillen. Het leek Johannes of de punten van haar vleugels een lichtende ring vormden.

Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.

Maar de ring werd groter en groter, en de vleugels trilden zo snel, dat Johannes alleen nog een nevel zag. Langzamerhand zag hij uit die nevel twee donkere ogen schitteren. En op de plaats van de libel zat een lichte, slanke gestalte in een teder blauw jurkje. In het blonde haar lag een krans van witte winden. Aan de schouders zaten dunne, doorzichtige vleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.

Een rilling van geluk ging door Johannes heen. Dát was een wonder!

'Wilt u mijn vriend zijn?' fluisterde hij.

Dat was wel een vreemde manier om iemand aan te spreken die je niet kende. Maar het ging hier niet gewoon toe. En hij had het gevoel dat hij het vreemde blauwe wezen al lang kende.

'Ja, Johannes!' hoorde hij. De stem klonk als het ruisen van het riet in de avondwind, of als de regen op de bladeren in het bos.

'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes.

'Ik ben geboren in de kelk van een winde. Noem mij Windekind!'

En Windekind lachte en keek Johannes zo vertrouwelijk in de ogen, dat hij zich wonderlijk gelukkig voelde.

'Het is vandaag mijn verjaardag,' zei Windekind. 'Ik ben hier in de buurt geboren, uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. De mensen zeggen wel dat de zon vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.'

Johannes nam zich voor om morgen op school van *den* zon te spreken.

'En kijk! Daar komt het ronde, witte gezicht van mijn moeder al tevoorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt ze weer lief en bezorgd!'

Hij wees naar de horizon in het oosten. Groot en glanzend kwam daar de maan op aan de grijze hemel. Ze stond achter het kant van de wilgen, dat zwart was tegen de lichte schijf. Ze trok werkelijk een heel pijnlijk gezicht.

'Kom! kom! moeder! Het is niets. Ik kan hem toch vertrouwen!'

Het mooie wezen trilde vrolijk met de doorzichtige vleugels. Hij tikte Johannes op zijn wang met de irisbloem die hij in zijn hand had.

'Ze vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. U bent de eerste. Maar ik vertrouw u, Johannes. U mag nooit, nooit aan een mens mijn naam noemen of over mij spreken. Belooft u dat?'

'Ja, Windekind,' zei Johannes.

Het was nog zo vreemd voor hem. Hij voelde zich gelukkiger dan hij kon zeggen, maar hij was bang om zijn geluk te verliezen. Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto rustig te slapen. De warme adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het water en dansten in de warme lucht, net als altijd. Alles om hem heen was zo helder en duidelijk. Het moest wel waar zijn. En steeds voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.

Daar klonk weer de zachte, ruisende stem:

'Ik heb u hier vaak gezien, Johannes. Weet u waar ik was? Soms zat ik op de zandbodem van de vijver, tussen de dichte waterplanten. Dan keek ik naar u omhoog, als u zich over het water boog om te drinken. Of als u de waterkevers en salamanders bekeek. Maar mij zag u nooit. Vaak keek ik ook naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel. Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg nest van een karekiet. Ja! Dat is heel zacht.'

Windekind wiegde tevreden op de rand van de boot en sloeg met zijn bloem naar de muggen.

'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Uw leven is anders zo saai. We zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel betere dingen dan de schoolmeesters u wijsmaken. Die weten er helemaal niets van. En als u mij niet gelooft, laat ik het u zelf zien en horen. Ik zal u meenemen.'

'O, Windekind! lieve Windekind! Kunt u mij daarheen meenemen?' riep Johannes.

Hij wees naar de plek waar net het purperen licht van de ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. De prachtige poort begon al weg te vloeien in grijze nevels. Toch kwam de bleekrode gloed nog uit de verste diepte naar voren. Windekind staarde in het licht, dat zijn fijne gezichtje en zijn blonde haren vergulde. Hij schudde zachtjes zijn hoofd.

'Nu niet! nu niet! Johannes. U moet niet meteen te veel vragen. Ik ben zelf nog nooit bij Vader geweest.'

'Ik ben altijd bij mijn vader,' zei Johannes.

'Nee! Dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de uwe. Maar uw moeder is de aarde, en daarom verschillen we veel. U bent ook in een huis bij mensen geboren, en ik in de kelk van een winde. Dat laatste is zeker beter. Maar we zullen het toch goed met elkaar kunnen vinden!'

Toen sprong Windekind licht op de rand van de boot. De boot bewoog niet onder dat gewicht. Hij kuste Johannes op zijn voorhoofd.

Wat was dat een vreemd gevoel voor Johannes! Het was of alles om hem heen veranderde.

Hij zag nu alles veel beter en juister, dacht hij. Hij zag dat de maan nu veel vriendelijker keek. En hij zag dat de waterlelies gezichten hadden, waarmee ze hem verwonderd en nadenkend aankeken.

Hij begreep nu ineens waarom de muggen zo vrolijk op en neer dansten. Ze dansten altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange poten het water raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het vanzelf.

Hij hoorde ook wat het riet fluisterde. En hij hoorde hoe de bomen aan de oever zachtjes klaagden dat de zon ondergegaan was.

'O, Windekind! Ik dank u, dat is heerlijk. Ja, we zullen het wel goed met elkaar kunnen vinden!'

'Geef mij een hand,' zei Windekind, en hij sloeg zijn veelkleurige vleugels uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water. Ze gingen door de bladeren van de waterlelies, die glinsterden in het maanlicht.

Hier en daar zat een kikker op een blad. Maar nu sprong die niet in het water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en zei: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug. Hij wilde vooral niet verwaand lijken.

Toen kwamen ze bij het riet. Dat was breed en de hele boot verdween erin, zonder dat ze het land bereikten. Maar Johannes pakte zijn gids stevig vast, en toen klommen ze tussen de hoge stengels aan land.

Johannes dacht wel dat hij kleiner en lichter geworden was, maar dat was misschien verbeelding. Toch kon hij zich niet herinneren dat hij ooit tegen een rietstengel had kunnen opklimmen.

'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult u iets leuks zien.'

Ze liepen door het hoge gras, onder donkere struiken die hier en daar een smal, glanzend straaltje maanlicht doorlieten.

'Hebt u 's avonds in de duinen wel eens de krekels gehoord, Johannes? Het lijkt of ze een concert geven, niet waar? En u kunt nooit horen waar het geluid vandaan komt. Nu, ze zingen nooit voor hun plezier. Dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun lessen uit het hoofd leren. Wees nu stil, want we zijn er bijna.'

Shrrr! Shrrr!

De struiken werden minder dicht. Windekind schoof met zijn bloem de grasstengels uit elkaar, en Johannes zag een helder verlicht open plekje. Daar waren de krekeltjes tussen het dunne, spitse duingras bezig hun lessen te leren.

Shrrr! Shrrr!

Een grote, dikke krekel was de meester en overhoorde hen. Eén voor één sprongen de leerlingen naar hem toe. Ze deden altijd één sprong heen en één sprong terug naar hun plaats. Wie mis sprong, moest voor straf op een paddenstoel staan, zodat iedereen hem kon zien.

'Luister goed, Johannes! Dan kunt u misschien óók wat leren,' zei Windekind.

Johannes verstond heel goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek in niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam aardrijkskunde. Van de werelddelen wisten ze niets. Ze moesten alleen 26 duinen kennen en 2 vijvers. Wat verder lag, kon niemand weten, zei de meester, en wat erover verteld werd, was alleen maar lege fantasie.

Toen was de plantkunde aan de beurt. Daarin waren ze allemaal erg knap en er werden veel prijzen uitgedeeld. Dat waren uitgezochte jonge, malse grasstengeltjes van verschillende lengte.

Maar de dierkunde verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en vliegen en stonden dus bovenaan. Dan volgden de kikkers. Vogels werden met alle tekenen van afschuw zeer schadelijk en gevaarlijk genoemd. Ten slotte werd ook de mens besproken. Dat was een groot, nutteloos en schadelijk dier. Het stond heel laag, omdat het vliegen noch springen kon, maar het was gelukkig zeldzaam. Een klein krekeltje had nog nooit een mens gezien. Het telde de mens per ongeluk bij de onschadelijke dieren en kreeg daarvoor drie slagen met een rietje.

Zoiets had Johannes nog nooit gehoord.

Toen riep de meester ineens: 'Stilte! Springoefening!' Meteen hielden alle krekeltjes op met leren. Ze begonnen heel handig en druk haasje-over te spelen, de dikke meester het eerst.

Dat zag er zo vrolijk uit, dat Johannes van plezier in zijn handen klapte. Bij dat geluid stoof de hele school in een ogenblik het duin in, en het werd doodstil op het grasveldje.

'Ja, dat komt ervan, Johannes. U moet u niet zo lomp gedragen! Je kunt toch wel merken dat u bij mensen geboren bent!'

'Het spijt me, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zo leuk!'

'Het wordt nog veel leuker,' zei Windekind.

Ze staken het grasveldje over en klommen aan de andere kant tegen het duin op. Oef! Dat was zwoegen in het dikke zand. Maar toen Johannes Windekind bij het lichte blauwe jurkje pakte, vloog hij er snel en licht tegenop. Halverwege de top was een konijnenhol.

Het konijntje dat daar woonde, lag met zijn kop en voorpoten uit de ingang. De duinrozen bloeiden nog. Hun fijne, zachte geur mengde zich met die van de tijm, die op de top van het duin groeide.

Johannes had vaak konijntjes in hun hol zien verdwijnen. Dan had hij gedacht: hoe zou het daarbinnen zijn? Hoeveel zouden er daar wel bij elkaar zitten, en zouden ze het niet benauwd hebben?

Hij was dan ook heel blij toen hij Windekind aan het konijntje hoorde vragen of ze het hol eens mochten bekijken.

'Wat mij betreft wel!' zei het konijntje. 'Maar het komt ongelukkig uit. Vanavond heb ik mijn hol juist afgestaan voor een liefdadigheidsfeest, dus ik ben eigenlijk geen baas in mijn eigen huis.'

'Ei! Ei! Is er een ongeluk gebeurd?'

'Ach ja!' zei het konijntje treurig. 'Een grote ramp! Daar komen we in geen jaren overheen. Duizend sprongen hiervandaan is een mensenhuis gebouwd, zo groot! zo groot! En daar zijn mensen komen wonen met honden. Daarbij zijn wel zeven leden van mijn familie omgekomen. Nog drie keer zoveel hebben geen hol meer. En met de familie Muis en de familie Mol is het nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. Nu hebben we een feest georganiseerd voor de families van de doden. Iedereen doet wat hij kan, ik geef mijn hol. Je moet wat overhebben voor je medeschepselen.'

Het medelijdende konijntje zuchtte. Met zijn rechtervoorpoot trok het zijn lange oor over zijn kopje, om er een traan mee uit zijn oog te vegen. Dat was zijn zakdoek.

Daar ritselde iets in het helmgras, en een dikke, logge gestalte kwam naar het hol toe gescharreld.

'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! wel! Durft u nog zo laat op pad, Pad!'

De pad lette niet op het grapje. Grappen over zijn naam verveelden hem al lang. Rustig legde hij een volle korenaar, netjes in een droog blad gewikkeld, bij de ingang neer. Toen klom hij handig over de rug van het konijntje het hol in.

'Mogen wij naar binnen?' zei Johannes, die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.'

Hij herinnerde zich dat er nog een koekje in zijn zak zat. Een rond koekje van Huntley en Palmers. Toen hij het tevoorschijn haalde, merkte hij pas hoe klein hij geworden was. Hij kon het bijna niet met twee handen tillen. Hij begreep niet hoe het nog in zijn broekzak gezeten had.

'Dat is heel kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje. 'Dat is een kostbaar geschenk!'

Met veel eerbied liet het hen allebei naar binnen. Het was donker in het hol, en Johannes liet Windekind maar voorgaan. Al gauw zagen ze een bleekgroen lichtje naderbij komen. Het was een glimworm, die hun vriendelijk aanbood om hen bij te lichten.

'Het belooft een gezellige avond te worden,' zei de glimworm onder het lopen. 'Er zijn al veel gasten. U bent elfen, lijkt mij, niet waar?' De glimworm keek daarbij een beetje wantrouwig naar Johannes.

'U kunt ons als elfen aankondigen,' antwoordde Windekind.

'Weet u dat uw koning er ook is?' ging de glimworm verder.

'Is Oberon hier? Wel, daar ben ik heel blij om,' riep Windekind. 'Ik ken hem persoonlijk.'

'O?' zei de glimworm. 'Ik wist niet dat ik de eer had …' En zijn lichtje ging van schrik bijna uit. 'Ja, Zijne Majesteit houdt gewoonlijk meer van de buitenlucht, maar voor een goed doel is hij altijd te vinden. Het wordt vast een schitterend feest.'

Dat was het inderdaad. De grote zaal in het konijnenhol was prachtig versierd. De vloer was platgetrapt en bestrooid met geurige tijm. Dwars voor de ingang hing een vleermuis aan zijn achterpoten. Hij riep de namen van de gasten af en deed ook dienst als gordijn. Dat was om geld te besparen. De wanden van de zaal waren smaakvol versierd met dorre bladeren, spinnenwebben en kleine hangende vleermuisjes. Daartussen en over het plafond kropen talloze glimwormen, en die vormden een heel leuke, bewegende verlichting. Aan het eind van de zaal stond een troon van stukjes verrot hout die licht gaven. Dat was mooi om te zien!

Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis tussen al die vreemden en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. Een mol sprak druk met een veldmuis over de mooie verlichting en de versiering. In een hoekje zaten twee dikke padden hun hoofd te schudden. Ze klaagden tegen elkaar over het aanhoudend droge weer. Een kikker probeerde arm in arm met een hagedis een wandeling door de zaal te maken. Dat lukte slecht, want hij was verlegen en zenuwachtig en sprong steeds te ver. Daarbij bracht hij soms de versiering op de wanden flink in de war.

Op de troon zat Oberon, de koning van de elfen. Om hem heen stond een klein gevolg van elfen, die een beetje minachtend op de anderen neerkeken. De koning zelf was, zoals vorsten doen, heel vriendelijk en sprak aardig met verschillende gasten. Hij kwam terug van een reis naar het Oosten en droeg een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladeren. Zulke bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op zijn hoofd had hij een donkerblauwe bloemkelk, die nog fris geurde, alsof hij net geplukt was. In zijn hand hield hij de meeldraad van een lotusbloem als koningsstaf.

Alle aanwezigen waren vol stille lof over zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen geprezen. Hij had gezegd dat de glimwormen hier bijna even mooi waren als de vuurvliegen in het Oosten. Ook had hij met plezier naar de versiering op de wanden gekeken. Een mol had zelfs gezien dat hij goedkeurend met zijn hoofd geknikt had.

'Ga mee,' zei Windekind tegen Johannes, 'ik zal u aan hem voorstellen.' En ze drongen door tot aan de zetel van de koning.

Oberon spreidde vol vreugde zijn armen toen hij Windekind herkende, en hij kuste hem. Daarop begonnen de gasten te fluisteren, en de elfen uit zijn gevolg keken jaloers. De twee dikke padden in de hoek mompelden samen iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'. Toen knikten ze elkaar veelbetekenend toe.

Windekind sprak lang in een vreemde taal met Oberon en wenkte toen Johannes om dichterbij te komen.

'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekinds vrienden zijn ook mijn vrienden. Waar ik kan, zal ik u helpen. Ik zal u een teken van onze vriendschap geven.'

Oberon maakte van zijn halsketting een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan Johannes. Johannes nam het vol eerbied aan en sloot het stevig in zijn hand.

'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de koning verder. 'Het past op een gouden kistje met kostbare schatten. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. U moet maar goed zoeken. Als u goede vrienden met mij en Windekind blijft, en als u standvastig en trouw bent, zal het u wel lukken.'

De elfenkoning knikte daarbij hartelijk met zijn mooie hoofdje, en Johannes bedankte hem, dolgelukkig.

Op een kleine verhoging van vochtig mos zaten drie kikkers. Zij begonnen het begin van een langzame wals te zingen, en er vormden zich paartjes. Een groen hagedisje was de ceremoniemeester. Het vloog onhandig heen en weer en duwde de gasten die niet dansten naar de kanten. Daar ergerden de twee padden zich erg aan, want ze klaagden dat ze niets konden zien. En toen begon de dans.

Dat was eerst grappig. Iedereen danste op zijn eigen manier en dacht natuurlijk dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen en kikkers sprongen hoog op hun achterpoten. Een oude rat draaide zo wild, dat alle dansers voor hem opzij gingen. Ook een vette boomslak waagde een dansje met een mol. Maar ze gaf het al gauw op, omdat ze er een steek in de zij van kreeg, zei ze. De echte reden was dat ze het niet goed kon.

Maar het ging allemaal heel ernstig en plechtig. Iedereen nam het heel zwaar op. Ze gluurden angstig naar de koning, om op zijn gezicht een teken van goedkeuring te zien. Maar de koning was bang om iemand ontevreden te maken en keek heel strak voor zich uit. Zijn gevolg vond het beneden hun danskunst om mee te doen.

Johannes had zich lang goed gehouden bij al die ernst. Maar toen zag hij een klein padje ronddraaien met een lange hagedis. De hagedis tilde het ongelukkige padje soms hoog van de grond en liet het een halve cirkel door de lucht maken. Toen barstte Johannes in lachen uit.

Dat gaf opschudding. De muziek stopte. De koning keek boos om. De ceremoniemeester vloog in volle vaart op de lacher af en vroeg hem dringend om zich wat beter te gedragen.

'Dansen is een ernstige zaak,' zei hij, 'en helemaal niet iets om om te lachen. Dit is een deftig gezelschap, waar men niet zomaar voor de grap danst. Iedereen deed zijn best en niemand wilde uitgelachen worden. Dat is grof. Men is hier bovendien op een treurfeest, om droevige redenen. Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet doen alsof men bij mensen is!'

Daar schrok Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met de koning had hem veel vijanden bezorgd.

Windekind trok hem opzij.

'Het is maar beter dat we weggaan, Johannes!' fluisterde hij. 'U hebt het weer verknoeid. Ja! Ja! Dat komt ervan, als je bij mensen bent opgevoed!'

Haastig glipten ze onder de vleugels van de vleermuis door, die daar portier was, en kwamen in de donkere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

'Hebt u zich goed vermaakt?' vroeg hij. 'Hebt u koning Oberon gesproken?'

'O ja! Het was een vrolijk feest,' zei Johannes. 'Moet u hier altijd in de donkere gang blijven?'

'Dat is mijn eigen vrije keuze,' zei de glimworm op een treurige, bittere toon. 'Ik houd niet meer van die onzinnige dingen.'

'Kom,' zei Windekind, 'dat meent u niet.'

'Het is zoals ik zeg. Vroeger, vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en danste en me met zulke kleinigheden bezighield. Maar nu heeft het lijden mij beter gemaakt, nu …'

En hij werd zo ontroerd, dat zijn lichtje weer uitging. Gelukkig waren ze dicht bij de uitgang. Het konijntje hoorde hen aankomen en ging een beetje opzij, zodat het maanlicht naar binnen scheen.

Zodra ze bij het konijntje buiten waren, zei Johannes: 'Vertel ons eens uw geschiedenis, glimworm!'

'Ach!' zuchtte de glimworm. 'Die is eenvoudig en droevig. U zult er geen plezier aan beleven.'

'Vertel het, vertel het toch maar,' riepen ze allemaal.

'Nu, u weet dan toch allemaal wel dat wij glimwormen heel bijzondere wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven ontkennen dat wij glimwormen het meest begaafd zijn van alles wat leeft.'

'Waarom? Dat weet ik niet,' zei het konijntje.

Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt u licht geven?'

'Nee! Dat nu wel niet,' moest het konijntje toegeven.

'Nu, *wij* geven licht! Allemaal! En we kunnen het laten schijnen of doven zoals we willen. Licht is de beste gave van de natuur. En licht geven is het hoogste wat een levend wezen kan bereiken. Zou iemand nu nog onze hoge plaats willen betwisten? Wij mannetjes hebben bovendien vleugels en kunnen mijlenver vliegen.'

'Dat kan ik ook niet,' gaf het konijntje nederig toe.

'Door de goddelijke gave van het licht laten ook andere dieren ons met rust,' ging de glimworm verder. 'Geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste van allemaal, zoekt ons en neemt ons mee. Dat is de mens, het afschuwelijkste monster van de schepping.'

Johannes keek Windekind aan bij deze uitval, alsof hij het niet begreep. Maar Windekind glimlachte en gaf een teken dat hij moest zwijgen.

'Eens vloog ik vrolijk rond, als een helder dwaallicht tussen de donkere struiken. En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan de oever van een sloot, daar woonde zij. Zonder haar kon ik niet gelukkig zijn. Mooi schitterde ze in een bleke, groene glans, als ze tussen de glanzende grasstengels rondkroop. En machtig betoverde ze mijn jonge hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best om met wisselend licht haar aandacht te trekken. Dankbaar zag ik hoe ze mijn groet opmerkte en bescheiden haar lichtje dimde. Ik trilde van ontroering. Ik wilde net mijn vleugels samenvouwen en vol vervoering bij mijn stralende geliefde neerdalen. Toen vulde een enorm geluid de lucht. Donkere gestalten kwamen dichterbij. Het waren mensen. Ik vloog geschrokken weg. Ze joegen me na en sloegen naar me met grote, zwarte dingen. Maar mijn vleugels droegen me sneller dan hun logge benen. Toen ik terugkwam …'

Hier liet zijn stem de verteller in de steek. Pas na een ogenblik van stille ontroering, waarin de drie luisteraars eerbiedig zwegen, ging hij verder:

'U kunt het al raden. Mijn tedere bruid, de mooiste en meest schitterende van allemaal, was verdwenen. De boze mens had haar meegesleept. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt, en haar geliefde plekje aan de sloot was donker en leeg. Ik was alleen op de wereld.'

Hier trok het gevoelige konijntje weer een oor naar beneden om een traan uit zijn oog te vegen.

'Sinds die tijd ben ik veranderd. Ik walg van alle onzinnige pleziertjes. Ik denk alleen aan haar die ik verloren heb, en aan de tijd dat ik haar zal terugzien.'

'Zo! Hebt u daar nog hoop op?' vroeg het konijntje blij.

'Ik heb meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijn geliefde terugzien.'

'Maar …' wilde het konijntje zeggen.

'Konijn!' zei de glimworm ernstig. 'Ik kan begrijpen dat iemand twijfelt die in het donker moet rondtasten. Maar als je kunt zien, met je eigen ogen zien? Dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!' zei het glimwormpje, en hij keek vol eerbied naar de hemel, die fonkelde van de sterren. 'Daar zie ik hen! Al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar, duidelijk stralend, in een nog heerlijker glans dan hier op aarde. Ach! Wanneer zal ik me uit dit lage leven kunnen verheffen, en naar haar toe vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'

Zuchtend verliet het glimwormpje zijn luisteraars en kroop weer het donkere hol in.

'Arm schepsel!' zei het konijntje. 'Ik hoop dat hij gelijk heeft.'

'Ik hoop het ook,' zei Johannes.

'Ik vrees ervoor,' zei Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'

'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'

'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.'

Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelf uit. Zo gingen ze liggen in het geurige mos op de helling van het duin, met hun armen om elkaars hals.

'Uw hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje. 'Wilt u ze tegen mij laten rusten?'

Dat deden ze.

'Nacht moeder!' zei Windekind tegen de maan.

Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje stevig in zijn hand. Hij legde zijn hoofd tegen de zachte vacht van het goede konijntje en viel rustig in slaap.

### Woordenlijst

- **den* zon**: oude vorm; zo zei je het vroeger als iets mannelijk was. Johannes wil het expres zo zeggen.
- **de beuk**: grote boom met gladde grijze schors.
- **het kant**: fijne stof vol gaatjes en figuren.
- **de voor**: lange, smalle lijn, als in omgeploegd land.
- **de waterjuffer / de libel**: groot insect met lange vleugels, dat bij het water leeft.
- **de krans**: ring van bloemen of bladeren.
- **de winde**: plant met witte bloemen als kelkjes, die om andere planten heen groeit.
- **de kelk**: het deel van een bloem dat op een beker lijkt.
- **de karekiet**: kleine vogel die in het riet woont.
- **de krekel / de krekeltjes**: klein insect dat springt en een hoog geluid maakt.
- **het helmgras**: stekelig gras dat in de duinen groeit.
- **de pad / de padden**: dier dat op een dikke kikker lijkt.
- **de glimworm**: klein insect dat licht geeft in het donker.
- **de ceremoniemeester**: iemand die op een feest zegt wat er moet gebeuren.
- **het dwaallicht**: klein licht boven nat land, dat mensen de verkeerde kant op brengt.

## III

Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Wat een schrik, wakker worden in de boot, in het riet, helemaal alleen, en de baas spoorloos verdwenen. Het was om bang van te worden.

En loop je hem nu al zo lang te zoeken, steeds zenuwachtig piepend? Arme Presto! Hoe kon je ook zo vast slapen en niet merken dat de baas uit de boot ging? Anders word je meteen wakker, zodra hij maar even beweegt.

Je kon maar net zien waar de baas aan land was gegaan. En hier in de duinen ben je het spoor nu helemaal kwijt. Hard snuffelen hielp niet. Wat een wanhoop! De baas weg! Spoorloos weg! Zoek dan, Presto, zoek hem dan!

Wacht! Daar recht voor je, tegen die helling van het duin, ligt daar niet een kleine donkere gestalte? Kijk eens goed!

Een ogenblik staat het hondje onbeweeglijk en kijkt ingespannen in de verte. Dan steekt het ineens zijn kop vooruit en holt. Het vliegt met alle kracht van zijn vier dunne pootjes naar dat donkere plekje op de helling.

Maar toen dat echt het zo pijnlijk gemiste baasje bleek te zijn, deed hij alles wat hij kon. Toch vond hij dat nog niet genoeg om al zijn blijdschap en dankbaarheid te uiten. Hij kwispelde, draaide zijn hele lijfje rond, sprong, jankte en blafte. Likkend en snuffelend duwde hij zijn koude neus in het gezicht van de baas die hij zo lang gezocht had.

'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.

Hoe dom van de baas! Er is geen mand in de buurt, zo ver je kunt kijken.

Langzaam begon het licht te worden in de ziel van de kleine slaper. Het snuffelen van Presto, dat was hij elke morgen gewend. Maar in zijn gedachten hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, als ochtendnevels om een duinlandschap. Hij was bang dat de koude adem van de ochtend ze zou verjagen.

'Ogen dichthouden,' dacht hij, 'anders zie ik de klok en het behang weer, zoals altijd!'

Maar hij lag vreemd. Hij voelde dat hij geen deken had. Langzaam en voorzichtig deed hij zijn ogen op een kiertje open.

Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.

Toen deed Johannes zijn ogen wijd open en zei: 'Is het dan toch waar?'

Ja, hij lag midden in het duin. De vrolijke zon verwarmde hem en hij ademde de frisse ochtendlucht in. Een fijne nevel lag om de bossen in de verte. Hij zag alleen de hoge beuk bij de vijver en het dak van zijn huis, dat boven het groen uitstak. Bijen en kevers gonsden om hem heen, en boven hem zong een leeuwerik die steeds hoger steeg. In de verte klonk hondengeblaf en het geluid van de stad. Het was allemaal heldere werkelijkheid.

Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? En het konijntje?

Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zo dicht mogelijk bij hem en keek hem afwachtend aan.

'Zou ik aan het slaapwandelen geweest zijn?' mompelde Johannes zacht.

Naast hem was een konijnenhol. Maar er waren er zoveel in de duinen. Hij kwam overeind om het goed te bekijken. Wat voelde hij daar in zijn hand, die nog dicht was?

Een rilling liep van de top van zijn hoofd tot aan zijn voeten toen hij zijn hand opendeed. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.

Een tijd lang zat hij zonder iets te zeggen.

'Presto!' zei hij toen, en de tranen kwamen in zijn ogen. 'Presto, het is *toch* waar!'

Presto sprong op. Met zijn geblaf probeerde hij zijn baas duidelijk te maken dat hij honger had en naar huis wilde.

Naar huis? Ja! Daaraan had Johannes niet gedacht, en hij had er weinig zin in. Maar al gauw hoorde hij verschillende stemmen zijn naam roepen. Toen begon hij te begrijpen dat ze zijn gedrag helemaal niet braaf en netjes zouden vinden. Er wachtten hem bepaald geen vriendelijke woorden.

Even scheelde het weinig, of zijn tranen van blijdschap waren meteen tranen van angst en spijt geworden. Maar toen dacht hij aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling. Hij dacht aan het geschenk van de elfenkoning en aan de heerlijke, zekere waarheid van alles wat er gebeurd was. Kalm en op alles voorbereid ging hij op weg naar huis.

De ontmoeting viel tegen. Zo erg had hij zich de ongerustheid en de angst van zijn huisgenoten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven dat hij nooit meer zo ondeugend en onvoorzichtig zou zijn.

'Dat kan ik niet,' zei hij vastberaden.

Daar keken ze vreemd van op. Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind en hield vol.

Wat konden straffen hem schelen, als hij Windekinds vriendschap maar hield? En wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Hij klemde het sleuteltje stevig tegen zijn borst en perste zijn lippen op elkaar. Op elke vraag haalde hij alleen zijn schouders op.

'Ik kan niets beloven,' zei hij weer.

Maar zijn vader zei: 'Laat hem nu maar met vrede, hij meent het serieus. Er moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel vertellen.'

Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af. Hij deed het kostbare sleuteltje eraan en hing het om zijn hals, op zijn blote borst. Toen ging hij getroost naar school.

Het ging die dag heel slecht op school. Hij kende geen enkele les en lette helemaal niet op. Steeds vlogen zijn gedachten naar de vijver en naar de wonderlijke gebeurtenissen van de vorige avond. Hij kon het zich bijna niet voorstellen: een vriend van de elfenkoning moest nu weer sommen maken en werkwoorden vervoegen! Maar het was toch allemaal waar geweest. Niemand om hem heen wist ervan of zou het kunnen geloven of begrijpen. Zelfs de meester niet, hoe streng hij ook keek, en hoe minachtend hij Johannes ook een luie rekel noemde. Vrolijk accepteerde hij de slechte aantekening. En hij maakte het strafwerk dat hij door zijn verstrooidheid kreeg.

'Ze begrijpen er toch geen van allen iets van. Ze mogen me uitschelden zoveel ze willen. Ik blijf Windekinds vriend, en Windekind is me meer waard dan zij allemaal samen. Ja, met de meester erbij.'

Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar hij had de vorige avond zoveel slechts over mensen moeten horen. Daardoor was zijn respect voor hen niet groter geworden.

Maar zoals het vaker gaat: hij wist zijn wijsheid nog niet verstandig genoeg te gebruiken, of liever, te verzwijgen.

De meester vertelde dat God alleen aan de mens verstand had gegeven. Hij had hem als heerser over alle andere dieren aangesteld. Toen begon Johannes te lachen. Dat leverde hem een slechte aantekening en een ernstige waarschuwing op. En toen las zijn buurman een zin voor uit een boek met oefenzinnen:

'De ouderdom van mijn moedwillige tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon.'

Johannes riep haastig en luid: 'van *den* zon!'

Iedereen lachte hem uit. De meester was verbaasd over zo'n aanmatigende domheid, zoals hij het noemde. Hij liet Johannes nablijven en honderd keer overschrijven: 'De ouderdom van mijn moedwillige tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon, het grootst echter is mijn aanmatigende domheid.'

De leerlingen waren verdwenen en Johannes zat eenzaam te schrijven in het grote klaslokaal. De zon scheen vrolijk naar binnen. Op haar weg liet ze duizenden stofjes glinsteren. Op de witte muur maakte ze lichte plekken, die met de uren langzaam verder kropen. De meester was weggegaan en had de deur hard dichtgeslagen.

Johannes was al bij de tweeënvijftigste moedwillige tante. Toen kwam er uit de verste hoek van het lokaal een klein, vlug muisje. Het had zwarte kraaloogjes en oortjes als zijde. Zonder geluid liep het langs de muur. Johannes hield zich doodstil om het leuke diertje niet weg te jagen. Het was niet schuw en kwam tot dicht bij zijn plaats. Toen keek het een tijdlang met zijn kleine heldere oogjes scherp om zich heen. Handig sprong het in één sprong op de bank, en met een tweede sprong op de lessenaar waaraan Johannes schreef.

'Ei, ei!' zei Johannes, half tegen zichzelf. 'Wat ben jij een dapper muisje!'

'Ik zou niet weten voor wie ik bang moest zijn,' zei een fijn stemmetje, en het muisje liet zijn tandjes zien alsof het lachte.

Johannes was al aan veel wonderlijks gewend, maar nu zette hij toch weer grote ogen op. Zo midden op de dag, en op school, het was ongelooflijk.

'Voor mij hoef je niet bang te zijn,' zei hij zacht, want hij wilde het muisje niet laten schrikken. 'Kom je van Windekind?'

'Ik kom u even zeggen dat de meester groot gelijk heeft, en dat u uw strafwerk ruimschoots verdiend hebt.'

'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze vader.'

'Ja, maar dat hoeft niemand anders te weten. Wat hebben de mensen daarmee te maken? U moet nooit met mensen over zulke tedere zaken spreken. Daar zijn ze te grof voor. De mens is een ontzettend slecht en lomp wezen. Hij vangt het liefst alles wat binnen zijn bereik komt, en trapt het dood. Daar hebben wij muizen ervaring mee.'

'Maar muisje! Waarom blijf je dan bij hem in de buurt? Waarom ga je niet ver weg, naar de bossen?'

'Ach, dat kunnen we niet meer. We zijn te veel gewend aan het eten in de stad. Je moet voorzichtig zijn, en altijd oppassen voor hun vallen en hun zware voeten. Dan is het onder mensen wel uit te houden. We zijn gelukkig nogal vlug. Het ergste is dat de mens zijn eigen logheid goedmaakt door een verbond te sluiten met de kat. Dat is een grote ramp. Maar in het bos zijn uilen en sperwers, en sterven moeten wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de meester!'

'Muisje! muisje! Ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn sleuteltje moet doen. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn blote borst. Maar zaterdag krijg ik schone kleren, en ik ben zo bang dat iemand het zal zien. Zeg me waar ik het veilig kan bewaren, lief muisje!'

'Onder de grond, altijd onder de grond, daar is alles het veiligst. Zal ik het bewaren?'

'Nee! Niet hier op school.'

'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis laten weten dat hij erop moet passen.'

'Dank je, muisje!'

Bom! Bom! Daar kwam de meester aangestapt. In de tijd dat Johannes zijn pen in de inkt doopte, was het muisje verdwenen. De meester wilde zelf ook graag naar huis, en hij schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.

Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurende angst. Ze hielden hem streng in de gaten en hij kreeg geen enkele kans om naar de duinen te ontsnappen. Het werd vrijdag en nog steeds liep hij met het kostbare sleuteltje rond. De volgende avond zou hij schone kleren krijgen. Ze zouden het sleuteltje ontdekken en het hem afnemen, en hij huiverde bij die gedachte. In huis of in de tuin durfde hij het niet te verbergen. Geen plekje leek hem veilig genoeg.

Het werd vrijdagavond en het begon te schemeren. Johannes zat voor het raam van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten. Hij keek over de groene struiken van de tuin, naar de verre duinen.

'Windekind! Windekind! Help mij,' fluisterde hij angstig.

Daar ruiste een zachte vleugelslag naast hem. Hij rook de geur van lelietjes-van-dalen en hoorde plotseling de bekende, zachte stem.

Windekind zat naast hem op de vensterbank. Hij liet de klokjes van een lelietje-van-dalen aan de slanke stengel heen en weer wiegen.

'Bent u daar eindelijk! Ik heb zo naar u verlangd!' zei Johannes.

'Ga met mij mee, Johannes, we gaan uw sleuteltje begraven.'

'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.

Maar Windekind pakte hem bij de hand. Hij voelde hoe hij wegzweefde door de stille avondlucht, licht als het pluizige zaadje van een paardenbloem.

'Windekind,' zei Johannes onder het zweven, 'ik houd zoveel van u. Ik geloof dat ik alle mensen voor u zou willen geven, en Presto ook.'

Windekind zei: 'En Simon?'

'O, het kan Simon niet zoveel schelen of ik van hem houd. Ik geloof dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de visvrouw, en ook alleen maar als hij honger heeft. Gelooft u dat Simon een gewone kat is, Windekind?'

'Nee, hij is vroeger een mens geweest.'

Hoe-oe-oe! boms! Daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan.

'Kunt u niet beter uitkijken?' bromde de meikever. 'Dat elfenvolk vliegt maar, alsof de hele lucht van hen is! Dat heb je met die nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven. Iemand als ik doet zijn plicht, zoekt altijd voedsel en eet zo hard als hij kan. En zo iemand wordt door hen uit de koers gebracht.'

Luid brommend vloog hij verder.

'Neemt hij ons kwalijk dat we niet eten?' vroeg Johannes.

'Ja, dat is een gewoonte van de meikevers. Bij hen is veel eten de hoogste plicht. Zal ik u eens de geschiedenis van een jonge meikever vertellen?'

'Ja, doe dat, Windekind.'

'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit de grond was gekropen. Nu, dat was een grote verrassing. Een heel jaar had hij onder de donkere aarde gezeten en gewacht op de eerste warme avond. Toen stak hij zijn kop uit de kluitjes aarde. Al dat groen bracht hem helemaal in de war, en ook het wuivende gras en de zingende vogels. Hij wist niet wat hij nu eigenlijk moest doen. Hij voelde aan de grasstengeltjes in de buurt met zijn sprieten, die hij als een waaier uitstak. Daaraan merkte hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn soort. Hij had glanzende zwarte poten, een dik achterlijf met fijn stof erop, en een borstschild dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet ver van hem vandaan, een andere meikever. Die was niet zo mooi, maar hij was al een dag eerder uitgevlogen en dus al heel oud. Heel bescheiden, omdat hij nog zo jong was, riep hij hem aan.

'"Wat wil je, vriendje?" zei de tweede uit de hoogte, want hij zag dat het een nieuweling was. "Wil je me de weg vragen?"

'"Nee, ziet u," zei de jongste beleefd, "maar ik weet niet wat ik hier moet doen. Wat doe je zoal als meikever?"

'"Zo! zo!" zei de ander. "Weet je dat niet? Nu, dat neem ik je niet kwalijk, ik ben óók zo geweest. Luister maar goed, dan zal ik het je zeggen. De hoofdzaak in het leven van een meikever is eten. Niet ver hiervandaan is een heerlijke lindenhaag. Die staat daar voor ons, zodat we er zo ijverig mogelijk van kunnen eten."

'"Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?" vroeg de jonge kever.

'"Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Elke morgen komt hij langs de haag. Wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij mee naar een heerlijk huis. Daar schijnt een helder licht en daar zijn alle meikevers gelukkig bij elkaar. Maar wie de hele nacht blijft rondvliegen in plaats van te eten, wordt door de vleermuis gevangen."

'"Wie is dat?" vroeg de nieuweling.

'"Dat is een vreselijk monster met scherpe tanden. Het komt plotseling achter ons aan vliegen en eet ons op met een afschuwelijk gekraak." Toen de kever dat zei, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hen door merg en been ging.

'"Hu! dat is hij," riep de oudste. "Pas op voor hem, jonge vriend. Wees dankbaar dat ik je op tijd gewaarschuwd heb. Je hebt een hele nacht voor je, verknoei die nu niet. Hoe minder je eet, hoe meer kans je hebt dat de vleermuis je verslindt. En alleen wie een ernstige roeping kiest, komt in het huis met het heldere licht. Denk erom! Een ernstige roeping!"

'Toen scharrelde de kever, die een hele dag ouder was, verder tussen de grasstengels. De eerste bleef onder de indruk achter. Weet je wat een roeping is, Johannes? Niet? Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het had met eten te maken, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die lindenhaag komen?

'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grasstengel, die zachtjes wiegde in de avondwind. Die pakte hij maar stevig vast met zijn zes kromme pootjes. Van beneden gezien leek het iets heel hoogs en erg steil. Toch wilde de meikever erin. "Dat is een roeping!" dacht hij, en hij begon moedig te klimmen. Het ging langzaam en vaak gleed hij terug, maar hij kwam vooruit. Eindelijk was hij in het dunste topje geklommen en wiegde hij mee met de stengel. Toen voelde hij zich tevreden en gelukkig. Wat had hij hier een uitzicht! Het leek hem of hij de wereld overzag. Wat was het heerlijk om zo van alle kanten door lucht omgeven te zijn! Gretig zoog hij zijn achterlijf vol. Wat voelde hij zich daarbij wonderlijk! Nog hoger wilde hij!

'In vervoering tilde hij zijn harde dekvleugels op en liet zijn dunne vleugels even trillen. Hoger wilde hij! Hoger! Weer trilden zijn vleugels, zijn poten lieten de grasstengel los en … O, vreugde … Hoe-oe-oe! Daar vloog hij vrij en vrolijk door de stille, warme avondlucht.'

'En toen?' vroeg Johannes.

'Het vervolg is niet vrolijk. Dat vertel ik u later nog wel eens.'

Ze waren over de vijver heen gevlogen. Een paar late, witte kapelletjes fladderden met hen mee.

'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen ze.

'Naar de grote duinroos, die daar bloeit tegen die helling.'

'Wij gaan mee! Wij gaan mee!'

Van ver was ze al te zien, met haar vele teergele bloemen, zo zacht als zijde. De knopjes waren rood. De open bloemen hadden rode streepjes, als tekens van de tijd dat ze nog knoppen waren.

In eenzame rust bloeide de wilde duinroos, en ze vulde de omgeving met haar wonderlijk zoete geur. Die is zo heerlijk, dat de duinelfen daar alleen van leven.

De vlinders dwarrelden naar haar toe en kusten de ene bloem na de andere.

'Wij komen u een schat toevertrouwen,' riep Windekind. 'Wilt u die voor ons bewaken?'

'Waarom niet? Waarom niet?' fluisterde de duinroos. 'Het wachten verveelt me niet, en ik ben niet van plan hier weg te gaan, als ik niet weggehaald word. Ik heb ook scherpe doornen.'

Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school. Hij groef een gang onder de wortels van de roos en droeg het sleuteltje naar binnen.

'Als u het weer terug wilt, moet u mij roepen. Dan hoeft u de roos geen schade te doen.'

De roos vlocht haar doornige takken dicht over de ingang en zwoer plechtig dat ze het trouw zou bewaken. De kapelletjes waren getuigen.

De volgende morgen werd Johannes wakker in zijn eigen bedje, bij Presto, de klok en het behang. Het koord om zijn hals en het sleuteltje eraan waren verdwenen.

### Woordenlijst

- **den* zon**: oude vorm; zo zei je het vroeger als iets mannelijk was. Johannes zegt het expres.
- **kwispelde**: bewoog zijn staart blij heen en weer.
- **jankte**: maakte het hoge, klagende geluid van een hond.
- **de leeuwerik**: kleine vogel die zingend hoog de lucht in vliegt.
- **de rekel**: ondeugende, luie jongen; een scheldwoord.
- **moedwillige**: met opzet, ondeugend.
- **aanmatigende**: alsof je meer bent of meer weet dan een ander.
- **het strafwerk**: extra schoolwerk als straf.
- **nablijven**: na de les op school moeten blijven.
- **de sperwers**: kleine roofvogels.
- **de stengel**: de lange, dunne steel van een plant.
- **de meikever**: dikke bruine kever die in mei vliegt.
- **de lindenhaag**: rij dicht bij elkaar geplante lindebomen.
- **de roeping**: het werk waarvoor je je leven wilt geven.
- **de kapelletjes**: kleine vlindertjes.

## IV

'Jongen! Jongen! Wat is zo'n zomer toch ontzettend vervelend,' zuchtte een van de drie grote kachels. Ze stonden op een zolder in het oude huis, in een donkere hoek bij elkaar te mopperen. 'Wekenlang heb ik geen levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte van binnen. Het is afschuwelijk!'

'Ik zit vol spinnenwebben,' zei de tweede. 'Dat zou 's winters ook niet gebeuren.'

'En ik ben zo stoffig! Ik zal me dood schamen als tegen de winter de zwarte man weer verschijnt, zoals Van Alphen zegt.' Die wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als hij 's winters voor de haard versjes opzei.

'U moet niet zo oneerbiedig over de Smid spreken,' zei de eerste kachel, die de oudste was. 'Dat stoort mij!'

Ook een paar tangen en asschoppen waren boos over die brutale woorden, en dat lieten ze duidelijk merken. Ze lagen hier en daar op de grond, in papier verpakt tegen het roesten.

Maar plotseling stopte het gesprek, want het luik van de zolder ging open. Een straal licht drong door tot in de donkere hoek en liet het hele gezelschap zien in al zijn stoffige verwarring.

Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd iets aantrekkelijks voor hem gehad. Nu, na alle vreemde gebeurtenissen van de laatste tijd, kwam hij er vaak. Hij vond er rust en eenzaamheid. Er was ook een raam dat met een luik gesloten was en dat op de duinen uitkeek. Het was een groot genot om dat luik plotseling open te doen. Eerst was er het geheimzinnige halfdonker van de zolder. En dan lag daar ineens het wijde, helder verlichte landschap voor hem. Het eindigde bij de witte, zacht golvende rij duinen.

Er waren drie weken voorbij sinds die vrijdagavond, en Johannes had niets van zijn vriend gemerkt. Het sleuteltje was nu ook weg. Hij had geen enkel bewijs meer dat hij niet gedroomd had. Vaak kon hij de angst niet wegredeneren dat het allemaal toch maar verbeelding was geweest. Hij werd er stil van. Zijn vader zei bezorgd dat Johannes na die nacht in de duinen zeker ziek aan het worden was. Maar Johannes verlangde naar Windekind.

Hij stond bij het zolderraam en keek over de groene, bloemrijke tuin.

'Zou hij net zoveel van mij houden als ik van hem?' dacht hij. 'Waarom zou hij dan niet vaker en langer bij mij komen? Als ik kon … Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij van hen ook houden, meer dan van mij? Ik heb geen andere vrienden, geen een. Ik houd alleen van hem. Zo veel! o zo veel!'

Tegen de diepblauwe hemel zag hij zes witte duiven vliegen, die met klappende vleugels boven het huis draaiden. Het leek of één gedachte hen dreef, zo snel en gelijktijdig veranderden ze steeds van richting. Het was alsof ze volop wilden genieten van de zee van zonlicht waarin ze zweefden.

Ineens vlogen ze naar Johannes' dakraampje toe. Met veel gefladder en vleugelgeklap streken ze neer op de dakgoot, waar ze druk koerend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje in zijn vleugel. Hij plukte en trok eraan tot hij het in zijn bek had. Toen vloog hij naar Johannes toe en gaf het hem.

Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zo licht en vlug werd als een van de duiven. Hij strekte zijn armen en benen uit, de duiven vlogen op, en Johannes zweefde midden tussen hen mee. Hij zweefde in de ruime, vrije lucht en de heldere zon. Om hem heen was alleen het zuivere blauw en de felle schittering van de witte duivenvleugels.

Ze vlogen over de grote tuin naar het bos. De dichte boomtoppen bewogen in de verte als de golven van een groene zee. Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam in de huiskamer zitten. Simon zat met gevouwen voorpoten op de vensterbank en genoot van de zon.

'Zou hij mij zien?' dacht Johannes, maar hij durfde niet te roepen.

Presto holde over de tuinpaden en snuffelde in elke struik en achter elke muur. Hij krabde tegen elk deurtje van de broeikassen en de oranjerie, om zijn baasje te vinden.

'Presto! Presto!' riep Johannes. Het hondje keek op en begon te kwispelen en klagend te janken.

'Ik kom terug, Presto! Wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver weg.

Ze zweefden boven het bos, en de kraaien vlogen krassend op uit de hoge toppen waarin ze hun nesten hadden. Het was midden in de zomer, en de geur van de bloeiende linden steeg in wolken op uit het groene bos.

In een leeg nest, boven in een hoge linde, zat Windekind, met zijn krans van winden op zijn hoofd. Hij knikte naar Johannes.

'Bent u daar! Dat is goed,' zei hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen we lang bij elkaar blijven, als u wilt.'

'Ik wil wel graag,' zei Johannes.

Toen bedankte hij de vriendelijke duiven die hem gebracht hadden, en met Windekind daalde hij af in het bos.

Daar was het fris en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna hetzelfde, maar toch steeds een beetje anders.

'De arme vogel,' zei Windekind. 'Hij was eens een paradijsvogel. Dat ziet u nog wel aan zijn vreemde gele veren. Maar hij is veranderd en uit het paradijs verjaagd. Er is een woord dat hem zijn vroegere prachtige kleren kan teruggeven en hem weer in het paradijs kan brengen. Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij het elke dag terug te vinden. Het lijkt er wel een beetje op, maar het juiste woord is het niet.'

Talloze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen die door de donkere bladeren drongen. Als je goed luisterde, kon je hun gonzen horen, als een groot eentonig concert dat het hele bos vulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.

Dik, donkergroen mos bedekte de grond. Johannes was weer zo klein geworden, dat het mos een nieuw bos op de bodem van het grote bos leek. Wat een sierlijke stammetjes! En wat groeiden ze dicht op elkaar! Het was moeilijk om ertussendoor te komen, en het mosbos leek ontzettend groot.

Toen kwamen ze bij een mierenpad. Honderden mieren liepen druk heen en weer. Sommige droegen stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in hun kaken. Het was zo'n gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.

Het duurde lang voordat een van de mieren hen te woord wilde staan, want ze hadden het allemaal zo druk. Eindelijk vonden ze een oude mier. Hij moest de bladluisjes bewaken, waarvan de mieren de honingdauw halen. Zijn kudde was erg rustig. Daarom had hij wel even tijd voor de vreemdelingen en kon hij hun het grote nest laten zien. Het lag aan de voet van een oude boomstam. Het was heel groot en had honderden gangen en kamertjes. De bladluisherder gaf uitleg en bracht de bezoekers overal rond. Hij bracht hen zelfs in de kinderkamers, waar de jonge larven uit hun witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.

De oude mier vertelde dat ze het zo druk hadden vanwege de veldtocht, die binnenkort zou beginnen. Ze zouden een andere mierenkolonie niet ver hiervandaan met een groot leger overvallen. Ze zouden het nest vernielen en de larven roven of doden. Daar waren alle krachten voor nodig, en daarom moest eerst het dringendste werk af.

'Waarom is die veldtocht?' zei Johannes. 'Dat lijkt me niet mooi.'

'Nee! nee!' zei de luizenhoeder. 'Het is een heel mooie en prijzenswaardige tocht. U moet bedenken, het zijn de Strijdmieren die we gaan aanvallen. We gaan hun volk uitroeien en dat is heel goed werk.'

'Bent u dan geen Strijdmieren?'

'Zeker niet! Wat denkt u wel? Wij zijn Vredemieren.'

'Wat betekent dat dan?'

'Weet u dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren voortdurend aan het vechten. Er ging geen dag voorbij zonder grote slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier. Hij bedacht dat het veel moeite zou besparen, als de mieren onderling zouden afspreken om niet meer te vechten.

'Toen hij dat zei, vond iedereen dat erg vreemd, en daarom begonnen ze hem maar in kleine stukjes te bijten. Later kwamen er nog andere mieren die hetzelfde vonden. Die werden ook in kleine stukjes gebeten. Maar eindelijk kwamen er zoveel, dat het stukbijten te veel werk werd voor de anderen.

'Toen noemden ze zich Vredemieren, en ze hielden allemaal vol dat de eerste Vredemier gelijk had. Wie dat tegensprak, beten zij op hun beurt in stukjes. Zo zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden. De stukjes van de eerste Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard. Wij hebben de kop. De echte. We hebben al twaalf andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden dat zij de echte kop hadden. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Ze noemen zich Vredemieren, maar het zijn natuurlijk Strijdmieren. Want wij hebben de echte kop, en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan we binnenkort de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel goed werk.'

'Ja! Ja!' zei Johannes. 'Het is heel merkwaardig!'

Eigenlijk was hij een beetje bang geworden. Hij voelde zich veel rustiger toen ze de behulpzame herder bedankt en gedag gezegd hadden. Ver van het mierenvolk zaten ze uit te rusten op een wiegende grasstengel, in de schaduw van een sierlijk varenblad.

'Hu!' zuchtte Johannes. 'Dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.'

Windekind lachte en schommelde met zijn grasstengel op en neer.

'O!' zei hij. 'U moet hen niet dom noemen. De mensen gaan naar de mieren om wijs te worden.'

Zo liet Windekind aan Johannes alle wonderen van het bos zien. Ze vlogen samen naar de vogels in de boomtoppen en in de dichte struiken. Ze daalden af in de knap gebouwde huizen van de mollen, en ze zagen het bijennest in de oude boomstam.

Eindelijk kwamen ze bij een open plek met lage struiken eromheen. Daar groeide heel veel kamperfoelie. Overal slingerden de rijke takken zich over de struiken, en tussen het groen pronkten de geurende bloemkransen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde tussen de blaadjes, luid tjilpend en kwetterend.

'Laten we hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'het is hier heerlijk.'

'Goed,' zei Windekind. 'Dan zult u ook iets grappigs zien.'

Op de grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een van hen zitten en begon een gesprek over de bijen en de vlinders. Dat waren goede vrienden van het klokje, en daarom ging het gesprek al gauw vlot.

Wat was dat? Een grote schaduw kwam over het gras, en iets als een witte wolk daalde op het klokje neer … Johannes had nauwelijks tijd om weg te komen. Hij vloog naar Windekind, die in een hoog bloeiende kamperfoeliebloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was. En bom! Daar ging een dikke juffrouw op de zakdoek zitten, en op het arme klokje dat eronder was.

Hij had geen tijd om het te beklagen, want het geluid van stemmen en krakende takken vulde de open plek in het bos. Er kwam een menigte mensen aan.

'Nu gaan we lachen,' zei Windekind.

Daar kwamen ze, de mensen. De vrouwen hadden manden en paraplu's in hun hand, de mannen droegen hoge, rechte, zwarte hoeden. Ze waren bijna allemaal zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bos zagen ze eruit als grote, lelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.

Struiken werden uit elkaar geduwd en bloemen vertrapt. Er werden nog veel meer witte zakdoeken uitgespreid. De lijdzame grassprietjes en de geduldige mosplantjes gaven zuchtend mee onder het gewicht dat ze moesten dragen. Ze waren bang dat ze nooit meer van die klap zouden herstellen.

Sigarenrook kringelde over de kamperfoeliestruiken en verdreef kwaad de tere geur van hun bloemen.

Harde stemmen joegen de vrolijke zwerm meesjes weg. Geschrokken en boos tjilpend zochten ze een schuilplaats in de bomen vlakbij.

Uit de menigte stond een man op, die op een heuveltje ging staan. Hij had lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zei iets, en toen deden alle mensen hun mond heel wijd open en begonnen te zingen. Ze zongen zo hard, dat de kraaien krassend van hun hoge nesten opvlogen. De nieuwsgierige konijntjes waren van de duinrand gekomen om eens te kijken. Ze gingen geschrokken aan de loop. En ze bleven een kwartier lang doorlopen, toen ze allang weer veilig in de duinen waren.

Windekind lachte en sloeg de sigarenrook weg met een varentak. Johannes kreeg tranen in zijn ogen, maar niet van de rook.

'Windekind,' zei hij, 'ik zou graag weggaan, het is zo lelijk en zo hard.'

'Nee, we moeten nog blijven. U zult lachen, het wordt nog grappiger.'

Het zingen hield op en de bleke man begon te spreken. Hij schreeuwde hard, zodat iedereen hem zou verstaan, maar wat hij zei, klonk heel vriendelijk. Hij noemde de mensen broeders en zusters. Hij sprak over de heerlijke natuur en de wonderen van de schepping. Hij sprak over Gods zonneschijn en over de lieve vogels en bloemen …

'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is hij een vriend van u?'

Windekind schudde minachtend zijn hoofdje met de krans.

'Hij kent mij niet, en de zon, de vogels en de bloemen ook niet. Het is alles leugen wat hij zegt.'

De mensen luisterden allemaal heel aandachtig. De dikke juffrouw die op het blauwe klokje zat, begon een paar keer te huilen. Ze veegde haar tranen weg met een punt van haar rok, omdat ze haar zakdoek niet kon gebruiken.

De bleke man zei dat God speciaal voor hun bijeenkomst de zon zo vrolijk had laten schijnen. Toen lachte Windekind, en vanuit de dichte bladeren gooide hij een eikel op zijn neus.

'Hij zal nog wel merken dat het anders is,' zei hij. 'Mijn vader zou voor hem schijnen, wat verbeeldt hij zich wel!'

Maar de bleke man was te veel in vuur geraakt om op de eikel te letten, die uit de lucht leek te vallen. Hij sprak lang, en hoe langer hoe harder. Op het laatst werd hij rood en blauw in zijn gezicht. Hij balde zijn vuisten en schreeuwde zo luid, dat de bladeren trilden en de grasstengels geschrokken heen en weer wiegden. Toen hij eindelijk weer rustig was, begon iedereen opnieuw te zingen.

'Wel foei!' zei een merel, die vanaf een hoge boom naar het lawaai luisterde. 'Wat een afschuwelijk kabaal! Ik heb nog liever dat er koeien in het bos komen. Hoor dat nu eens. Wel foei!'

Nu! De merel is een kenner en heeft een fijne smaak.

Na het zingen haalden de mensen allerlei eten uit manden, dozen en zakken. Er werden papieren uitgespreid, en broodjes en sinaasappels verdeeld. Ook flessen en glazen kwamen tevoorschijn.

Toen riep Windekind zijn bondgenoten bij elkaar en begon hij de smullende troep aan te vallen.

Een dappere kikker sprong op de schoot van een oude juffrouw. Hij kwam vlak naast het broodje terecht dat ze net wilde gaan eten. Daar bleef hij zitten, alsof hij verbaasd was over zijn eigen moed. De juffrouw gaf een vreselijke gil en staarde geschrokken naar de aanvaller, zonder te durven bewegen.

Het moedige voorbeeld werd gevolgd. Groene rupsen kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, en brachten overal angst en schrik. Grote, dikke kruisspinnen lieten zich aan glinsterende draden zakken, in bierglazen, op hoofden of in nekken. Na elke aanval klonk er luid gegil. Talloze vliegjes vlogen de mensen recht in hun gezicht. Ze gaven hun leven voor de goede zaak, want ze stortten zich op het eten en drinken. Zo maakten ze het met hun lichaam onbruikbaar.

Ten slotte kwamen de mieren, in lange, eindeloze rijen. Bij honderden tegelijk vielen ze de vijand aan, op de meest onverwachte plaatsen. Wat een verwarring en schrik gaf dat! Haastig vlogen mannen en vrouwen op van de mosplantjes en grasjes die ze zo lang platgedrukt hadden. Ook het arme blauwe klokje werd bevrijd, want twee oorwormen vielen met succes de benen van de dikke juffrouw aan.

De wanhoop werd groter. Dansend en springend, met de vreemdste gebaren, probeerden de mensen aan hun vervolgers te ontkomen. De bleke man hield lang stand en sloeg met een zwart stokje om zich heen. Maar een paar ondeugende meesjes vonden geen aanval te laag. En een wesp stak hem door zijn zwarte broek heen in zijn kuit. Dat maakte een eind aan zijn strijd.

Toen kon de vrolijke zon zich niet langer goed houden en verborg ze haar gezicht achter een wolk. Grote regendruppels vielen op de strijdende partijen. Het was alsof door de regen plotseling een bos van grote, zwarte paddenstoelen uit de grond schoot. Dat waren de paraplu's, die werden opengeklapt. Vrouwen sloegen hun rokken over hun hoofd. Daardoor kwamen er witte onderrokken tevoorschijn, benen in witte kousen en schoenen zonder hakken. O, wat had Windekind een pret! Hij moest zich van het lachen aan de bloemstengel vasthouden.

Dichter en dichter stroomde de regen, en hij begon het bos te bedekken met een grijze, glinsterende sluier. Kletterende stralen water vielen van paraplu's, hoge hoeden en zwarte jassen. De jassen glommen als de schilden van de waterkever. De schoenen zoenden en smakten in de doorweekte grond. Toen gaven de mensen het op en dropen ze in kleine groepjes zwijgend af. Ze lieten een heleboel papier, lege flessen en sinaasappelschillen achter, als lelijke sporen van hun bezoek. Op de open plek in het bos werd het weer eenzaam. Al gauw hoorde je niets meer dan het eentonige ruisen van de regen.

'Nu, Johannes! Nu hebben we ook mensen gezien. Waarom lacht u ook niet om hen?'

'Ach, Windekind! Zijn alle mensen zo?'

'O! Er zijn er nog veel erger en lelijker. Soms razen en tieren ze en vernielen ze alles wat mooi en heerlijk is. Ze hakken bomen om en zetten er lompe, vierkante huizen voor in de plaats. Ze vertrappen met opzet de bloemen, en ze doden voor hun plezier elk dier dat binnen hun bereik komt. In hun steden kruipen ze op elkaar. Daar is alles vuil en zwart, en de lucht is bedompt en vergiftigd door stank en rook. Ze zijn helemaal vreemd geworden voor de natuur en voor hun medeschepselen. Daarom zien ze er zo dwaas en droevig uit als ze erin terugkomen.'

'Ach! Windekind! Windekind!'

'Waarom huilt u, Johannes? U moet niet huilen omdat u bij mensen geboren bent. Ik houd toch van u, en ik heb u uit allen gekozen. Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd. En ik heb u de blik van de bloemen leren begrijpen. De maan kent u, en de goede, milde aarde houdt van u als van haar liefste kind. Waarom zou u niet blij zijn, nu ik uw vriend ben?'

'O, Windekind, dat ben ik! dat ben ik! Maar ik moet toch huilen om al die mensen!'

'Waarom? U hoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet. U kunt hier wonen en altijd bij mij blijven. We zullen wonen in het dichtste deel van het bos. Of in de eenzame, zonnige duinen, of in het riet bij de vijver. Ik zal u overal brengen. Op de bodem van het water tussen de waterplanten, in de paleizen van de elfen en in de huizen van de kabouters. Ik zal met u zweven over velden en bossen, over vreemde landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleren voor u laten maken en u vleugels geven, zoals ik ze draag. We zullen leven van de geur van bloemen en met de elfen dansen in het maanlicht. Als de herfst komt, zullen we met de zomer meetrekken. Dan gaan we naar het land van de hoge palmen. Daar hangen kleurige trossen bloemen aan de rotsen en schittert de donkerblauwe zee in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt u dat, Johannes?'

'Zal ik nooit meer onder mensen wonen?'

'Onder mensen wachten u eindeloos verdriet, verveling, vermoeidheid en zorgen. Dag na dag zult u tobben en zuchten onder de last van uw leven. Ze zullen uw tere ziel pijn doen met hun grofheid. Ze zullen u dood vervelen en martelen. Houdt u meer van de mensen dan van mij?'

'Nee! nee! Windekind, ik wil bij u blijven!'

Nu kon hij laten zien hoeveel hij van Windekind hield. Ja! Hij wilde iedereen en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wens.

De regen hield op. Onder de grijze wolken door straalde een heldere glimlach van de zon over het bos. Ze scheen op de vochtige, glanzende bladeren en op de druppels die aan elk takje en grassprietje fonkelden. De druppels versierden ook de spinnenwebben, die over de eikenbladeren gespannen waren. Langzaam steeg een fijne nevel op uit de vochtige grond tussen de struiken, met duizend warme, dromerige geuren. De merel vloog nu naar de hoogste boomtop. Hij zong in korte, innige melodieën voor de dalende zon. Het was alsof hij wilde laten horen welke zang hier paste. Dat was in de plechtige avondstilte, bij de zachte begeleiding van de vallende druppels.

'Is dat niet mooier dan het geluid van mensen, Johannes? Ja! De merel weet wel de juiste toon te treffen. Hier is alles harmonie. Zo volmaakt zult u die bij mensen nooit vinden.'

'Wat is harmonie, Windekind?'

'Dat is hetzelfde als geluk. Het is datgene waar alles naar streeft. Ook de mensen. Maar ze doen als jongens die een vlinder willen vangen. Ze jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'

'Zal ik haar bij u vinden?'

'Ja, Johannes! Maar dan moet u de mensen vergeten. Het is een slecht begin, om bij mensen geboren te zijn. Maar u bent nog jong. U moet alle herinneringen aan uw mensenleven van u afzetten. Bij hen zou u verdwalen en in verwarring, strijd en ellende raken. Het zou met u gaan als met de jonge meikever, over wie ik u vertelde.'

'Wat is er verder met hem gebeurd?'

'Hij heeft het heldere licht gezien waarover de oude kever sprak. Hij dacht dat hij niets beters kon doen dan er meteen heen te vliegen. Hij vloog recht een kamer in en viel in handen van mensen. Drie dagen lang is hij daar gemarteld. Hij heeft in kartonnen doosjes gezeten. Ze hebben draadjes aan zijn poten gebonden en hem zo laten vliegen. Toen heeft hij zich losgerukt en daarbij een vleugel en een poot verloren. Hij kroop hulpeloos rond op een vloerkleed en probeerde nog tevergeefs de tuin te bereiken. Ten slotte werd hij verpletterd door een zware voet.

'Alle dieren die 's nachts ronddwalen, Johannes, zijn net zo goed kinderen van de zon als wij. Ze hebben hun schitterende vader nooit gezien. Toch drijft een herinnering waarvan ze zich niet bewust zijn hen altijd weer naar alles wat licht geeft. En duizenden arme schepsels van de duisternis sterven een ellendige dood door die liefde voor de zon. Ze zijn al lang van hem gescheiden en vreemd voor hem geworden. Zo gaat het ook met de mensen. Een drang die ze niet begrijpen en niet kunnen weerstaan, brengt hen ten val. Ze lopen naar de valse beelden van dat Grote Licht, dat hen heeft gemaakt en dat ze niet meer kennen.'

Vragend keek Johannes in Windekinds ogen. Maar die waren diep en geheimzinnig, als de donkere hemel tussen de sterren.

'Bedoelt u God?' vroeg hij eindelijk verlegen.

'God?' De diepe ogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan u denkt als u dat woord zegt. Aan de stoel voor uw bed, waar u elke avond tegenaan uw lange gebedje zegt. Aan de groene gordijnen voor het kerkraam, waar u op zondagmorgen zo lang naar kijkt. Aan de hoofdletters van uw kleine bijbel, aan het kerkzakje met de lange stok. Aan lelijk gezang en een muffe mensenlucht. Wat u met die naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk vals beeld. Het is, in plaats van de zon, een grote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden mugjes hulpeloos vastgeplakt zitten.'

'Maar hoe heet dan dat Grote Licht, Windekind? En tot wie moet ik dan bidden?'

'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde heet, die met haar ronddraait. Als er een antwoord op uw vraag was, zou u het begrijpen zoals een aardworm de muziek van de sterren begrijpt. Maar bidden zal ik u leren.'

De kleine Johannes dacht in stille verwondering na over Windekinds woorden. Windekind vloog met hem uit het bos omhoog. Ze gingen zo hoog dat er over de duinrand een lange streep zichtbaar werd, fonkelend als goud. Ze vlogen verder. De duinvlakte met haar grillige schaduwen gleed onder hen weg, en de streep licht werd breder en breder. De duinen werden minder groen. Het helmgras zag er vaal uit, en er groeiden vreemde, bleekblauwe planten tussen. Nog een hoge rij heuvels, een lange, smalle strook zand, en dan de wijde, ontzaglijke zee.

Blauw was het grote vlak, tot aan de horizon. Maar onder de zon straalde een smalle strook, in een verblindende rode schittering. Een lange, zachte, witte rand van schuim lag om het water, zoals hermelijn om blauw fluweel.

En aan de horizon scheidde een fijne, wonderlijke lijn de lucht en het water. Ze leek wel een wonder: recht en toch gebogen, scherp en toch onbepaald, zichtbaar en toch niet te vinden. Ze was als de toon van een harp, die lang en dromend naklinkt, die lijkt weg te sterven en toch blijft.

Toen ging de kleine Johannes op de duinrand zitten en staarde …, staarde in lang, roerloos zwijgen. Tot het voor hem was alsof hij ging sterven. Alsof de grote, gouden deuren van het heelal plechtig opengingen. Alsof zijn kleine ziel het eerste licht van de oneindigheid tegemoet zweefde.

En tot de tranen die in zijn wijd open ogen opwelden, de mooie zon verduisterden. Tot de pracht van hemel en aarde wegweek in een donkere, trillende schemering …

'Zo moet u bidden!' zei Windekind toen.

### Woordenlijst

- **de oranjerie**: huis waarin planten staan die niet tegen de kou kunnen.
- **de linden**: grote bomen met bloemen die sterk geuren.
- **de krans**: ring van bloemen of bladeren.
- **de wielewaal**: gele vogel die mooi fluit.
- **de bladluisjes**: heel kleine insecten op planten.
- **de larven**: jonge insecten die nog op kleine wormen lijken.
- **uitroeien**: alle mensen of dieren van een groep doden.
- **de kamperfoelie**: klimplant met geurende bloemen.
- **de meesjes**: kleine vogels die tussen de takken springen.
- **de merel**: zwarte vogel die mooi zingt.
- **foei**: dat zeg je als je iets slecht of lelijk vindt.
- **de oorwormen**: kleine bruine insecten met een tang aan hun achterlijf.
- **het kerkzakje**: zakje aan een lange stok waarmee in de kerk geld wordt opgehaald.
- **de petroleumlamp**: oude lamp die op olie brandt.
- **het hermelijn**: zachte witte vacht, vroeger op de mantels van koningen.

## V

Hebt u wel eens op een mooie herfstdag in het bos rondgelopen? Als de zon zo stil en helder op de rijk gekleurde bladeren schijnt? Als de takken kraken en de dorre bladeren ruisen onder uw voet?

Dan lijkt het bos zo moe. Het kan alleen nog wijken, en het leeft in oude herinneringen. Een blauwe nevel ligt eromheen als een droom, vol geheimzinnige pracht. En de glinsterende herfstdraden zweven langzaam golvend door de lucht, als mooie gedachten zonder doel.

Maar uit de vochtige grond, tussen mos en dorre bladeren, komen dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke paddenstoelen op. Sommige zijn dik, vlezig en misvormd. Andere zijn slank en hoog, met een ring om hun steel en een schitterend gekleurde hoed. Dat zijn de vreemde droombeelden van het bos.

Op verrotte boomstronken ziet u dan ook talloze kleine witte stompjes met zwarte topjes, alsof ze verbrand zijn. Sommige wijze mensen denken dat het een soort paddenstoelen zijn. Maar Johannes leerde beter:

Het zijn kaarsjes. Ze branden in stille herfstnachten. Dan zitten de kabouters erbij en lezen in kleine boekjes.

Dat leerde Windekind hem op zo'n stille herfstdag. En Johannes ademde dromerig de doffe geur in die uit de bosgrond opsteeg.

Hoe komen de bladeren van de esdoorn aan die zwarte vlekken?

'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als ze 's nachts geschreven hebben, gooien ze 's morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uit. Ze houden niet van die boom. Van essenhout maakt men kruisjes en stokken voor kerkzakjes.'

Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, ijverige kabouters. Hij liet Windekind beloven dat hij hem bij een van hen zou brengen.

Hij was al lang bij Windekind, en hij was zo gelukkig in zijn nieuwe leven. Daarom had hij nog weinig spijt van zijn belofte om alles te vergeten wat hij had achtergelaten. Er waren geen tijden van angst of eenzaamheid, en dan komt altijd de spijt. Windekind verliet hem nooit, en bij hem was elke plek een thuis.

Rustig sliep hij in het wiegende nest van een karekiet, dat tussen de groene rietstengels hing. Ook als de roerdomp brulde en de kraaien nog zo dreigend krasten, sliep hij door. Hij was niet bang voor kletterende regen of suizende storm. Dan schuilde hij in holle bomen of konijnenholen. Hij kroop dicht onder Windekinds manteltje en luisterde naar zijn stem, die sprookjes vertelde.

En nu zou hij de kabouters zien.

Het was daarvoor een goede dag. Zo stil! zo stil! Johannes dacht al dat hij hun fijne stemmetjes en het geschuifel van hun voetjes hoorde, maar het was nog middag. Bijna alle vogels waren weg. Alleen de lijsters smulden van de felrode bessen.

Eén lijster zat gevangen in een strik. Met uitgespreide vleugels hing ze daar te spartelen, tot haar pootje, dat hard werd vastgeklemd, bijna doorscheurde. Johannes bevrijdde haar snel. Met een blij getinkel vloog ze haastig weg.

De paddenstoelen hadden het druk met elkaar.

'Kijk eens naar mij!' zei een dikke duivelszwam. 'Hebt u ooit zoiets gezien? Kijk hoe dik en wit mijn steel is, en hoe mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allemaal. En dat in één nacht!'

'Ba!' zei de rode vliegenzwam. 'U bent erg lomp. Zo bruin en grof. Ik wieg op mijn slanke steel als een rietstengel. Ik ben prachtig rood als de lijsterbessen en heb sierlijke stippen. Ik ben mooier dan allemaal.'

'Stil!' zei Johannes, die hen nog van vroeger kende. 'U bent allebei giftig.'

'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.

'Bent u soms een mens?' bromde de dikke spottend. 'Dan zou ik graag willen dat u me opeet.'

Maar dat deed Johannes niet. Hij nam dorre takjes en stak die in de vlezige hoed. Dat stond gek en alle andere paddenstoelen lachten. Ook een groepje dunne paddenstoelen met bruine kopjes lachte mee. Die waren samen in een paar uur opgekomen en duwden elkaar weg om de wereld in te kijken. De duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Zo kwam zijn giftige aard aan het licht.

Aardsterren staken hun ronde, opgeblazen hoofdjes omhoog op voetstukjes met vier punten. Van tijd tot tijd vloog er een bruin wolkje heel fijn poeder uit de opening in hun ronde hoofdje. Waar dat poeder in vochtige grond viel, zouden draden door de zwarte aarde groeien. En het volgende jaar zouden daar honderden nieuwe aardsterren opkomen.

'Wat een mooi bestaan!' zeiden ze tegen elkaar.

'Stuiven is het hoogste levensdoel! Wat een geluk om te kunnen stuiven zolang je leeft!'

En vol aandacht en toewijding bliezen ze de kleine poederwolkjes de lucht in.

'Hebben zij gelijk, Windekind?'

'Waarom niet? Wat kan er voor hen hoger zijn? Gelukkig dat ze niet meer verlangen, want ze kunnen niet anders.'

De nacht viel en de schaduwen van de bomen vloeiden samen tot één gelijkmatig donker. Maar het geheimzinnige leven in het bos hield niet op. De takjes kraakten en knapten. De dorre blaadjes ritselden hier en daar, tussen het gras en in de struiken. Johannes voelde de tocht van vleugelslagen die hij niet kon horen. Hij voelde dat er onzichtbare wezens in de buurt waren.

Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes trippelen. Kijk, daar in de donkere diepte van de struiken gloeide even een klein blauw vonkje, en het verdween. Daar weer een, en nog een! Stil … als hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren, vlak bij hem, bij die donkere boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen erachter tevoorschijn en stonden stil op de top.

Overal zag Johannes nu lichtjes glanzen. Ze zweefden tussen de donkere bladeren en dansten met kleine sprongetjes over de grond. En daar in de verte straalde een grote, tintelende massa als een blauw vreugdevuur.

'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'

'Dat is een verrotte boomstam,' zei Windekind. Ze liepen naar een stil, helder lichtje toe.

'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste van de kabouters.'

Toen ze dichterbij kwamen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. In het blauwe licht was het gerimpelde gezichtje met de grijze baard duidelijk te zien. Hij las hardop, met gefronste wenkbrauwen. Op zijn hoofd droeg hij een eikeldopje met een klein veertje. Voor hem zat een kruisspin, die naar het voorlezen luisterde.

Toen ze naderbij kwamen, keek de kabouter uit zijn boekje op, zonder zijn hoofd op te tillen, en hij trok zijn wenkbrauwen omhoog. De kruisspin kroop weg.

'Goedenavond!' zei de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie bent u allebei?'

'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennismaken. Wat leest u daar?'

'Dat is niet voor uw oren bestemd,' zei Wistik. 'Dat is alleen voor kruisspinnen.'

'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.

'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek van de spinnen. Dat bewaar ik, en ik mag het nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van kevers en vlinders en egels en mollen en van alles wat hier leeft. Ze kunnen niet allemaal lezen. Als ze nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat is een grote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt u?'

Het mannetje knikte een paar keer heel ernstig en stak een wijsvingertje op.

'Waar was u net mee bezig?'

'Met de geschiedenis van Kribbelgauw, de grote held van de kruisspinnen. Hij leefde heel lang geleden en had een net dat over drie bomen gespannen was. Daarin ving hij miljoenen vliegen op één dag. Voor de tijd van Kribbelgauw maakten de spinnen geen netten en leefden ze van gras en dode beestjes. Maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees dat ook levende beestjes gemaakt waren als voedsel voor spinnen. Toen vond Kribbelgauw ook de knappe netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was een groot wiskundige. En de kruisspinnen maken hun netten nog altijd precies zoals hij het geleerd heeft, draadje aan draadje, maar veel kleiner. Want het spinnenvolk is erg achteruitgegaan. Kribbelgauw ving grote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen. Dat was nog eens een grote spin. Ten slotte is er een geweldige storm gekomen. Die heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie bomen waaraan het vastzat, door de lucht meegesleept naar verre bossen. Daar wordt hij nu eeuwig vereerd om zijn grote moordlust en zijn vlugheid.'

'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.

'Het staat in dit boekje,' zei Wistik.

'Gelooft u het?'

De kabouter kneep één oog dicht en legde zijn wijsvinger langs zijn neus.

'In de heilige boekjes van andere dieren wordt ook over Kribbelgauw gesproken. Daarin heet hij een afschuwelijk en verachtelijk monster. Maar ik houd me erbuiten.'

'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'

Wistik keek Johannes een beetje wantrouwig aan.

'Wat voor wezen bent u eigenlijk, Johannes? U hebt zoiets … zoiets … menselijks, zou ik zeggen.'

'Nee! nee! Wees gerust, Wistik,' zei Windekind toen. 'Wij zijn elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel mensen gezien. U kunt hem echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'

'Ja! ja! Dat is goed en wel, maar ik heet de wijste van de kabouters. Ik heb lang en ijverig gestudeerd voordat ik wist wat ik weet. Nu moet ik voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik mijn goede naam.'

'Maar in welk boekje staat volgens u dan de waarheid?'

'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet dat ik dat boekje ooit gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, en ook niet het kabouterboekje. Toch moet het er zijn.'

'Het mensenboekje misschien?'

'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet groot geluk en grote vrede brengen. Daarin moet precies staan waarom alles is zoals het is, zodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Nu, zover zijn de mensen, geloof ik, niet.'

'O! O nee!' lachte Windekind.

'Is er echt zo'n boekje?' vroeg Johannes gretig.

'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje. 'Ik weet het uit oude, oude verhalen. En, stil! Ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'

'O! Wistik! Wistik!'

'Waarom hebt u het dan nog niet?' vroeg Windekind.

'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Een paar kleine dingen weet ik nog niet. Maar binnenkort zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor gewerkt en naar gezocht. Want voor hem die het vindt, zal het leven zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht boven en blauwe nevel rondom. Maar geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en geen druppel zal tikken. De schaduwen zullen niet veranderen, en het goud op de boomtoppen zal niet verbleken. Wat ons licht lijkt, zal donker zijn, en wat ons gelukkig lijkt, zal droevig zijn voor hem die dat boekje gelezen heeft. Ja! Dit alles weet ik, en ik zal het ook eenmaal vinden.'

Het kaboutertje trok zijn wenkbrauwen heel hoog op en legde zijn vinger op zijn mond.

'Wistik, zou u mij kunnen leren …' begon Johannes. Maar voordat hij kon uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag. Hij zag een grote, zwarte gestalte vlak boven zich, die snel en zonder geluid voorbijschoot.

Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog net een voetje in de boomstronk verdwijnen. Wip! Het kaboutertje was voorover in zijn hol gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon zwakker en zwakker te branden en ging ineens uit. Het zijn heel bijzondere kaarsjes.

'Wat was dat?' vroeg Johannes, en hij klemde zich in het donker angstig aan Windekind vast.

'Een nachtuil,' zei Windekind.

Ze zwegen allebei een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft u wat Wistik gezegd heeft?'

'Wistik is niet zo wijs als hij zelf denkt. Zo'n boekje vindt hij nooit, en u ook niet.'

'Maar bestaat het?'

'Dat boekje bestaat zoals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard u ook loopt en hoe voorzichtig u ook grijpt, u zult haar niet inhalen of pakken. En ten slotte merkt u dat u uzelf zoekt. Wees niet dwaas en vergeet dat kabouterpraatje! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen. Ga mee, we gaan naar de rand van het bos. Dan zien we hoe onze goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden tilt. Ga mee!'

Johannes ging mee, maar Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad volgde hij niet. Hij zag de schitterende herfstmorgen opkomen. En ondertussen dacht hij na over het boekje waarin stond waarom alles is zoals het is. Zachtjes herhaalde hij bij zichzelf: 'Wistik! …'

### Woordenlijst

- **dorre**: droog en dood.
- **wijken**: langzaam achteruitgaan.
- **de kabouter**: klein mannetje uit sprookjes, met een baard en een muts.
- **de boomstronk**: het stuk van een boom dat in de grond blijft staan als de boom weg is.
- **de esdoorn**: grote boom met brede bladeren.
- **het kerkzakje / de kerkzakjes**: zakje aan een lange stok waarmee in de kerk geld wordt opgehaald.
- **de roerdomp**: vogel die in het riet leeft en een diep, luid geluid maakt.
- **de lijsters**: vogels die mooi zingen en graag bessen eten.
- **de strik**: lus van touw of draad om dieren te vangen.
- **de duivelszwam**: dikke, giftige paddenstoel.
- **de vliegenzwam**: giftige rode paddenstoel met witte stippen.
- **giftig**: gevaarlijk om te eten; je kunt er ziek of dood van gaan.
- **stuiven**: als heel fijn poeder door de lucht vliegen.
- **de aardsterren**: paddenstoelen in de vorm van een ster.
- **de kruisspin**: grote spin met een kruis op zijn rug.

## VI

Toen leek het hem de volgende dagen niet meer zo vrolijk en prettig bij Windekind in bos en duinen. Zijn gedachten waren niet meer helemaal vol van alles wat Windekind zei en hem liet zien. Steeds moest hij weer aan dat boekje denken, en daarover durfde hij niet te spreken. Wat hij zag, leek hem niet meer zo mooi en wonderlijk als vroeger. De wolken waren zo zwart en zwaar, dat hij bang werd dat ze op hem zouden neerkomen. Het deed hem pijn als de herfstwind de arme, moede bomen rusteloos schudde en zweepte. Dan kwam de bleke achterkant van de groene bladeren boven, en vlogen gele bladeren en dorre takken de lucht in.

Wat Windekind vertelde, was voor hem niet genoeg. Veel begreep hij niet. En als hij een van zijn oude vragen stelde, kreeg hij nooit een helemaal duidelijk en bevredigend antwoord.

Dan moest hij weer denken aan dat boekje waarin alles zo helder en eenvoudig geschreven stond. En hij dacht aan die eeuwig zonnige, stille herfstdag die dan zou volgen.

'Wistik! Wistik!'

Windekind hoorde het.

'Johannes! U zult toch een mens blijven, vrees ik. Zelfs uw vriendschap is als die van mensen. De eerste die na mij tot u sprak, heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'

'Nee, Windekind! Maar u bent zoveel wijzer dan Wistik, u bent ook zo wijs als dat boekje. Waarom zegt u mij niet alles? Kijk, nu! Waarom blaast de wind door de bomen, zodat ze moeten buigen en weer buigen? Kijk, ze kunnen niet meer. De mooiste takken breken, en bij honderden laten de blaadjes los, ook al zijn ze nog groen en fris. Ze zijn zo moe en kunnen niet meer vasthouden. En toch worden ze steeds opnieuw geschud en geslagen door die ruwe, boze wind. Waarom is dat? Wat wil de wind?'

'Arme Johannes! Dat is mensentaal!'

'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'

'U vraagt en wilt als een mens, en daarop is geen antwoord en geen vervulling. Als u niet beter leert vragen en wensen, zal de herfstdag nooit voor u komen. Dan wordt u als de duizenden mensen die Wistik gesproken hebben.'

'Zijn er zoveel?'

'Ja, duizenden! Wistik deed heel geheimzinnig, maar toch is hij een prater die zijn geheim niet kan verzwijgen. Hij hoopt het boekje bij de mensen te vinden. En hij vertelt zijn wijsheid aan iedereen die hem misschien kan helpen. En hij heeft er al veel mensen ongelukkig mee gemaakt. Ze geloven hem en gaan het boekje zoeken, even ijverig als sommigen zoeken naar de kunst om goud te maken. Ze offeren alles op. Ze vergeten hun werk en hun geluk, en ze sluiten zich op tussen dikke boeken, vreemde stoffen en instrumenten. Ze wagen hun leven en hun gezondheid. Ze vergeten de blauwe hemel en de goede, milde natuur, en ook hun medemensen.

'Soms vinden ze mooie en nuttige dingen, als klompen goud. Die gooien ze uit hun gaten naar de lichte, zonnige aarde. Maar zelf geven ze daar niets om. Ze laten anderen ervan genieten en graven en wroeten ingespannen en rusteloos verder in het donker. Ze zoeken geen goud, maar het boekje.

'Sommigen worden ook suf van het werk. Ze vergeten hun doel en hun wens, en ze raken verdwaald in zielig, kinderachtig gedoe. Dan heeft de kabouter hen kinds gemaakt. Je ziet hen torentjes van zand bouwen en tellen hoeveel korrels er nodig zijn voordat ze omvallen. Ze maken kleine watervallen en berekenen precies elk bochtje en golfje dat het water zal maken. Ze graven kuiltjes, en ze gebruiken al hun geduld en verstand om die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Soms stoort iemand die arme dwazen in hun werk en vraagt wat ze doen. Dan kijken ze hem ernstig en gewichtig aan. Ze schudden hun hoofd en mompelen: "Wistik! Wistik!" Ja, dit alles is de schuld van die kleine, nare kabouter. Pas op voor hem, Johannes!'

Maar Johannes staarde voor zich uit naar de zwaaiende en piepende bomen. Boven zijn heldere kinderogen kreeg de tere huid rimpels. Nog nooit had hij zo ernstig gekeken.

'Maar toch, u hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker dat daarin ook iets staat over het Grote Licht, dat u mij niet wilt noemen.'

'Arme, arme Johannes!' zei Windekind. Zijn stem klonk boven het geruis van de storm uit als een vredig koraal, dat van ver kwam. 'Houd van mij, houd van mij met uw hele wezen. In mij vindt u meer dan wat u wenst. U zult begrijpen wat u zich niet kunt voorstellen, en u zult zelf zijn wat u verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning zijn.

'Houd van mij, houd van mij! Blijf aan mij vast als de hop aan de boomstam, blijf mij trouw als het meer de bodem. In mij alleen is al uw rust, Johannes!'

Windekind zweeg, maar het was alsof het koraal doorging. Het leek uit de verre verte aan te zweven, plechtig en gelijkmatig, door het razen en suizen van de wind. Het was vredig als het maanlicht dat tussen de jagende wolken door scheen.

Windekind spreidde zijn armen uit, en Johannes sliep tegen hem aan, beschermd door het blauwe manteltje.

Maar in de nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en ongemerkt over de aarde gekomen. De maan was onder de horizon gezakt. De vermoeide bladeren hingen roerloos, en een zwijgend donker vulde het bos.

Toen kwamen de vragen snel achter elkaar in Johannes' hoofd terug, als spoken. Ze joegen zijn vertrouwen weg, dat nog zo jong was. Waarom waren de mensen zo? Waarom moest hij hen verlaten? En hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?

Daar dansten diep in de struiken weer de blauwe lichtjes. Ze kwamen en gingen. Ingespannen keek Johannes hen na. Hij zag het grote, heldere lichtje glanzen op de donkere boomstronk. Windekind sliep vast en rustig.

'Nog één vraag!' dacht Johannes, en hij gleed onder het blauwe manteltje uit.

'Bent u daar weer!' zei Wistik, en hij knikte hartelijk. 'Daar ben ik heel blij om. Waar is uw vriend?'

'Daarginds. Ik wilde u alleen nog één vraag stellen. Wilt u mij daarop antwoorden?'

'U bent bij mensen geweest, niet waar? Gaat het u om mijn geheim?'

'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'

'Ja, ja! Dat is het! Dat is het! Wilt u mij helpen als ik het u zeg?'

'Als ik kan, zeker!'

'Luister dan, Johannes!'

Wistik zette verbazend grote ogen op en trok zijn wenkbrauwen hoger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs de rug van zijn handje:

'Mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, mensenvriend alleen opent het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet de weg.'

'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes, en hij dacht aan zijn sleuteltje.

'Ja!' zei Wistik.

'Waarom heeft niemand het dan nog gevonden? Er zoeken zoveel mensen naar.'

'Ik heb aan geen mens, geen mens gezegd wat ik u heb toevertrouwd. Ik vond nog nooit een elfenvriend.'

'Ik heb het, Wistik! Ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in zijn handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'

Weg vloog hij over het mos en de dorre bladeren. Maar hij struikelde steeds, en zijn stap was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, terwijl hij anders nog geen grassprietje boog.

Daar was de dichte varen waaronder ze geslapen hadden. Wat leek die hem laag!

'Windekind!' riep hij. Maar hij schrok van het geluid van zijn stem.

'Windekind!' Het klonk als een mensenstem. Een schuwe nachtvogel vloog krijsend op.

Het was leeg onder de varen. Johannes zag niets.

De blauwe lichtjes waren verdwenen. Het was koud en grondeloos donker om hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen van de boomkruinen tegen de sterrenhemel.

Nog één keer riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem schond de stilte, en Windekinds naam klonk als spot.

Toen viel het arme Johannesje neer en snikte, radeloos van spijt.

### Woordenlijst

- **zweepte**: sloeg hard, als met een zweep.
- **dorre**: droog en dood.
- **de vervulling**: het echt worden van een wens.
- **de klompen**: dikke stukken.
- **wroeten**: in de grond graven en woelen.
- **suf**: moe en traag in je hoofd.
- **de rimpels**: lijnen of vouwen in de huid.
- **de kabouter**: klein mannetje uit sprookjes, met een baard en een muts.
- **het koraal**: plechtig lied dat door veel mensen samen in de kerk gezongen wordt.
- **kinds**: zo oud of zo suf dat je weer als een klein kind wordt.
- **de hop**: plant die zich om een stam of paal heen slingert en vasthoudt.
- **het roodborstje**: kleine vogel met een rode borst.
- **de varen**: plant met grote, fijn gevormde groene bladeren, die in het bos groeit.
- **de schimmen**: donkere vormen waar je geen details van ziet.

## VII

De morgen was koud en grijs. De storm had de zwarte, glimmende takken kaal gemaakt, en nu huilden ze in de mist.

De kleine Johannes liep haastig door het natte, platgeslagen gras. Hij keek strak voor zich uit, naar de kant waar het bos lichter werd, alsof hij daar een doel had. Zijn ogen waren rood van het huilen en strak van angst en verdriet. Zo had hij de hele nacht gelopen, en hij had alleen maar het licht gezocht. Met Windekind was ook het veilige gevoel van thuis weggegaan. Op elke donkere plek zat het spook van de eenzaamheid, en hij durfde niet om te kijken.

Eindelijk kwam hij bij de rand van het bos. Hij keek over een weiland, waarop langzaam een fijne, natte regen viel. Midden in de wei stond een paard, naast een kale wilg. Het stond doodstil met gebogen kop. Het water druppelde langzaam van zijn glimmende zijden en uit zijn samengeplakte manen.

Johannes liep verder, langs het bos. Hij keek met doffe, angstige ogen naar het eenzame paard en de grijze regennevel, en hij kreunde zacht.

'Nu is alles uit,' dacht hij. 'Nu komt de zon wel nooit meer terug. Nu zal het voor mij altijd blijven zoals hier.'

Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stil te staan. Dan zou het allerergste komen, dacht hij.

Toen zag hij het grote hek van een buitenplaats en een huisje onder een lindeboom met heldergele bladeren.

Hij ging door het hek en liep door de brede lanen. De bruine en gele bladeren van de linden lagen daar in een dikke laag op de grond. Langs de grasvelden groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen wild door elkaar.

Hij kwam bij een vijver. Daar stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Alles was er doods en gesloten. Rondom stonden stille kastanjebomen, die al de helft van hun bladeren hadden verloren. Op de grond, tussen de gevallen bladeren, zag Johannes de glimmend bruine kastanjes blinken.

Toen ging het koude, dode gevoel van hem weg. Hij dacht aan zijn eigen huis. Daar stonden ook kastanjebomen, en in deze tijd ging hij altijd de gladde kastanjes zoeken. Opeens begon hij te verlangen, alsof hij een bekende stem had horen roepen. Hij ging op een bank bij het grote huis zitten en huilde tot hij rustig werd.

Een bijzondere geur liet hem opkijken. Er stond een man bij hem, met een wit schort voor en een pijp in zijn mond. Om zijn middel had hij stroken lindebast, waarmee hij de bloemen opbond. Johannes kende die geur zo goed. Die liet hem denken aan zijn eigen tuin en aan de tuinman. Die bracht hem mooie rupsen en haalde spreeuweneieren voor hem uit de nesten.

Hij schrok niet, al was het een mens die bij hem stond. Hij vertelde de man dat hij verlaten was en verdwaald. Dankbaar liep hij met hem mee naar het kleine huisje onder de lindeboom met de gele bladeren.

Binnen zat de vrouw van de tuinman zwarte kousen te breien. Boven het turfvuurtje op de haardplaat hing een grote ketel water te koken. Op de mat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpoten. Precies zo had Simon gezeten toen Johannes van huis wegging.

Johannes moest bij het vuur gaan zitten om zijn voeten te drogen.

'Tik!—Tik!—Tik!—Tik!' zei de grote hangklok.

Johannes keek naar de stoom, die suizend uit de ketel vloog. Hij keek ook naar de kleine vlammetjes, die snel en speels om de turven huppelden.

'Nu ben ik onder mensen,' dacht hij.

Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Ze waren goed en vriendelijk, en ze vroegen wat hij nu het liefst wilde.

'Het liefst zou ik hier blijven,' antwoordde hij.

Hier had hij rust. Als hij naar huis ging, zouden er verdriet en tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en ze zouden hem zeggen dat hij kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens moeten denken.

Hij verlangde wel naar zijn kamertje, naar zijn vader en naar Presto. Maar hij droeg liever hier dat stille verlangen dan dat hij thuis het pijnlijke, moeilijke weerzien moest doormaken. En het leek alsof hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.

Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg, naar het zonnige land waar de palmen over de blauwe zee buigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.

Daarom smeekte hij de twee goede mensen of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen de tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen maar deze winter. Want in stilte hoopte hij dat Windekind met de lente zou terugkomen.

De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggelopen omdat hij thuis hard behandeld werd. Ze hadden medelijden met hem en beloofden dat hij mocht blijven.

Hij bleef en hielp de bloemen in de tuin verzorgen. Hij kreeg een slaapkamertje met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's morgens de natte, gele lindebladeren langs het raam strijken. 's Nachts zag hij de donkere stammen heen en weer wiegen, en daarachter speelden de sterren verstoppertje. Nu gaf hij namen aan de sterren, en de helderste noemde hij Windekind.

De bloemen kende hij bijna allemaal van thuis, en aan hen vertelde hij zijn geschiedenis. Hij vertelde het aan de ernstige, grote asters en aan de kleurige zinnia's. Hij vertelde het ook aan de witte chrysanten, die zo lang bleven bloeien in de ruwe herfst. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanten er nog. Op een morgen was de eerste sneeuw gevallen, en Johannes kwam vroeg naar ze kijken. Zelfs toen staken ze hun vrolijke gezichtjes op en zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat had u niet gedacht!' Ze hielden zich goed, maar twee dagen later waren ze allemaal dood.

Maar in de serre stonden dan nog prachtige palmen en boomvarens. De vreemde bloemtrossen van de orchideeën hingen er in de vochtige warmte. Met verbazing staarde Johannes in hun prachtige kelken en dacht aan Windekind. Hoe koud en kleurloos leek alles dan als hij weer buiten kwam! Daar zag hij de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelige, druipende geraamten van de bomen.

Soms was de sneeuw urenlang stil naar beneden gekomen, zodat de twijgen bogen onder het groeiende dons. Alleen dan liep Johannes graag in het bos, in de paarse schemering onder de sneeuw. Dat was stilte, maar geen dood. Het was bijna mooier dan het groen van de zomer. Dan stak het blinkende wit van de gekruiste takjes af tegen de helderblauwe hemel. Of een te zwaar beladen struik liet zijn sneeuw naar beneden glijden. Die viel dan neer als een schitterend wolkje.

Eens was hij op zo'n wandeling heel ver gekomen. Hij zag niets om zich heen dan sneeuw en takken met sneeuw, half wit, half zwart. Alle geluid en leven leken verstomd onder de glinsterende, donzige deken. Toen dacht hij dat hij een klein, wit diertje snel voor zich uit zag lopen. Hij ging erachteraan. Het leek op geen enkel diertje dat hij kende. Maar toen hij het wilde pakken, verdween het opeens in een boomstronk. Johannes tuurde in het ronde, zwarte gat waarin het was verdwenen en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'

Hij dacht niet veel aan hem. Dat leek hem slecht, en hij wilde zijn boete niet zwakker maken. En door het leven bij de twee goede mensen stelde hij weinig vragen. 's Avonds moest hij wel voorlezen uit een dik boek waarin veel over God werd gesproken. Maar hij kende dat boek en las zonder na te denken.

Maar de nacht na die wandeling in de sneeuw lag hij wakker in zijn bedstede. Hij keek naar het koude licht van de maan op de vloer. Daar zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de bedplank uitkwamen en zich stevig om de rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit bontmutsje tussen de twee handjes. Eindelijk zag hij een paar ernstige oogjes onder hoog opgetrokken wenkbrauwen.

'Goedenavond, Johannes!' zei Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan onze afspraak. U kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denkt u er wel aan? Wat is dat voor een dik boek, waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'

'Dat denk ik niet, Wistik,' zei Johannes.

Hij draaide zich om en wilde slapen. Maar hij kon het sleuteltje niet uit zijn hoofd krijgen. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij eraan, en dan zag hij duidelijk dat het niet het echte was.

### Woordenlijst

- **buitenplaats**: groot huis met een park, buiten de stad.
- **lindebast**: de zachte binnenkant van de schors van een lindeboom, waarmee je planten kunt vastbinden.
- **turfvuurtje**: klein vuur van turf; turf is gedroogde grond uit het veen, die je kunt branden.
- **boete**: iets moeilijks dat je doet omdat je spijt hebt.
- **bedstede**: bed in een kast in de muur.
- **chrysanten**: bloemen die laat in de herfst bloeien.
- **serre**: glazen kamer voor planten.
- **orchideeën**: bijzondere bloemen uit warme landen, die vaak in een warme kas groeien.
- **doffe**: zonder glans of leven.
- **kreunde**: maakte een zacht geluid van pijn of verdriet.
- **asters**: bloemen die in de herfst bloeien, vaak paars.
- **stroken**: lange, smalle stukken.
- **opbond**: met een touwtje rechtop vastmaakte.
- **spreeuweneieren**: eieren van de spreeuw, een zwarte vogel met lichte vlekjes.

## VIII

'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de sneeuw voor het eerst was weggesmolten. Hier en daar kwamen groepjes sneeuwklokjes tevoorschijn.

'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Maar die wisten het niet. Ze bleven met hangende kopjes naar de aarde kijken. Het leek wel of ze zich schaamden voor hun haast en het liefst weer weg wilden kruipen.

Konden ze dat maar! Al snel begon de ijskoude oostenwind weer te blazen. De sneeuw stapelde zich hoog op boven de arme stumpers, die te vroeg waren gekomen.

Weken later kwamen de viooltjes. Hun zoete geur zweefde tussen het kreupelhout. En toen de zon lang en warm op de mossige grond had geschenen, gingen ook de lichtgele primula's open, met honderden en duizenden tegelijk.

De verlegen viooltjes met hun sterke geur waren geheimzinnige boden van iets heerlijks dat nog moest komen. Maar de vrolijke primula's waren de blije werkelijkheid zelf. De wakker geworden aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en er een gouden sieraad van gemaakt.

'Nu dan! Nu komt hij toch zeker!' dacht Johannes.

Gespannen keek hij naar de knoppen aan de takken. Van dag tot dag zwollen ze langzaam op en wrongen ze zich los uit de schors. Eindelijk kwamen de eerste bleekgroene puntjes tussen de bruine schubben tevoorschijn. Lang bleef Johannes naar die groene blaadjes kijken. Hij zag ze toch nooit bewegen, maar als hij zich even had omgedraaid, leken ze groter geworden.

'Ze durven niet, als ik hen aankijk,' dacht hij.

Het groen begon al schaduw te geven. Nog steeds was Windekind niet gekomen. Geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tegen de bloemen sprak, knikten ze alleen even en gaven ze geen antwoord.

'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.

Toen kwam hij op een zonnige lentemorgen bij de vijver van het grote huis. Alle ramen stonden wijd open. Zouden er mensen gekomen zijn?

De vogelkers bij de vijver zat al helemaal vol tere blaadjes. Alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag alleen haar lichtblauwe jurk en haar blonde haar. Op haar schouder zat een roodborstje, dat uit haar hand pikte.

Opeens draaide ze haar hoofd om en zag Johannes.

'Dag jongetje!' zei ze, en ze knikte vriendelijk.

Weer ging er een rilling door hem heen, van zijn hoofd tot zijn voeten. Dat waren Windekinds ogen, dat was Windekinds stem.

'Wie bent u?' vroeg hij. Zijn lippen trilden van ontroering.

'Ik ben Robinetta! En dit is mijn vogel. Hij zal niet bang voor je zijn. Hou je van vogels?'

Het roodborstje was niet bang voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was precies als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.

'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zei Windekinds stem.

'Kent u mij niet? Weet u niet dat ik Johannes heet?'

'Hoe zou ik dat weten?'

Wat betekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem. Het waren toch die donkere ogen, diep als de hemel.

'Waarom kijk je zo naar me, Johannes? Heb je me ooit eerder gezien?'

'Ja, ik geloof van wel.'

'Dat heb je toch zeker gedroomd.'

Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu dromen?

'Waar bent u geboren?' vroeg hij.

'Heel ver van hier, in een grote stad.'

'Bij mensen?'

Robinetta lachte. Het was Windekinds lach.

'Ik geloof van wel. Jij niet?'

'Ach ja, ik ook!'

'Vind je dat jammer? Hou je niet van mensen?'

'Nee! Wie zou van mensen houden?'

'Wie? Maar Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?'

'O, veel meer, en van bloemen.'

'Dat doe ik eigenlijk ook wel eens. Heel soms. Maar dat is niet goed. Wij moeten van mensen houden, zegt Vader.'

'Waarom is dat niet goed? Ik houd van wie ik wil, of het goed is of niet.'

'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van hen?'

'Ja,' zei Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mens is.'

'Waarom dan?'

'Dat weet ik niet. Omdat hij niet is als andere mensen, omdat hij ook van bloemen en vogels houdt.'

'Dat doe ik ook, Johannes! Dat zie je.'

En Robinetta riep het roodborstje op haar hand en sprak het vriendelijk toe.

'Dat weet ik,' zei Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'

'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je het meest?'

'Van …'

Johannes twijfelde. Zou hij Windekinds naam noemen? Hij was altijd bang dat hij die naam per ongeluk tegen mensen zou zeggen. Die angst zat in al zijn gedachten. En toch, was dit blonde wezen in de blauwe jurk Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?

'Van u!' zei hij opeens, en hij keek recht in de diepe ogen.

Moedig gaf hij haar zijn hele vertrouwen. Maar hij was toch bang. Gespannen wachtte hij af hoe ze zijn kostbare geschenk zou ontvangen.

Weer lachte Robinetta met haar heldere lach. Maar ze pakte zijn hand, en haar blik werd niet koeler en haar stem niet minder lief.

'Nou, Johannes,' zei ze, 'waarmee heb ik dat zo opeens verdiend?'

Johannes antwoordde niet en bleef haar aankijken, met steeds meer vertrouwen. Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Ze was groter dan hij.

Zo wandelden ze door het bos en plukten grote bossen sleutelbloemen. Ten slotte hadden ze er zoveel dat ze zich wel konden verstoppen onder die berg doorzichtige gele bloemen. Het roodborstje vloog mee van tak tot tak en keek naar hen met zijn schitterende zwarte oogjes.

Ze spraken niet veel, maar ze keken elkaar vaak van opzij aan. Ze waren allebei verbaasd over hun ontmoeting. Ze wisten nog niet goed wat ze van elkaar moesten denken.

Maar al gauw moest Robinetta terug, en dat vond ze jammer.

'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens met me wandelen? Ik vind je een aardig jongetje,' zei ze bij het weggaan.

'Wiet! wiet!' zei het roodborstje, en het vloog haar achterna.

Toen ze weg was en alleen haar beeld bij hem was gebleven, twijfelde hij niet meer aan wie ze was.

Ze was dezelfde aan wie hij al zijn vriendschap had gegeven. De naam Windekind klonk zwakker in hem en raakte vermengd met Robinetta.

En alles om hem heen werd weer zoals het vroeger was geweest. De bloemen knikten vrolijk. Hun geur verdreef het droevige verlangen naar huis, dat hij tot nu toe had gevoeld en gekoesterd. Tussen het tere groen, in de lauwe, zachte lentelucht, voelde hij zich opeens thuis. Hij was als een vogel die zijn nest had gevonden. Hij moest zijn armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zo gelukkig. Op de weg naar huis zweefde de lichte, blauwe gestalte met het blonde haar voor hem uit. Altijd zweefde ze voor hem uit, welke kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon had gekeken en het beeld van de zon overal met zijn blik meevloog.

Vanaf die dag ging Johannes elke heldere morgen naar de vijver. Hij ging vroeg, zodra hij wakker werd van de mussen die ruzie maakten in de klimop bij zijn raam. Ook de spreeuwen maakten hem wakker. Die kwetterden en tjilpten lang, en ze fladderden en krioelden in de dakgoot in de jonge zonneschijn. Dan rende hij snel door het vochtige gras tot vlak bij het huis. Daar wachtte hij achter de seringen, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan. Dan zag hij de lichte gestalte naar hem toe komen.

Dan wandelden ze door het bos en door de duinen, die aan het bos grensden. Ze spraken over alles wat ze zagen, over de bomen en de planten en de duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel als hij met haar liep. Soms voelde hij zich weer zo licht dat hij dacht dat hij door de lucht zou kunnen vliegen. Maar dat gebeurde nooit. Hij vertelde de verhalen over bloemen en dieren die hij van Windekind wist. Maar hij vergat hoe hij ze had geleerd. Windekind bestond niet meer voor hem, alleen Robinetta. Hij was gelukkig als ze naar hem lachte en als hij vriendschap in haar ogen zag. Hij sprak tegen haar zoals hij vroeger tegen zijn hondje had gesproken. Hij zei alles wat in hem opkwam, zonder twijfel of verlegenheid. In de uren dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar. Bij alles wat hij deed, vroeg hij zich af of Robinetta het goed of mooi zou vinden.

En zijzelf leek ook altijd zo blij als ze hem zag. Dan glimlachte ze en liep ze sneller. Ze had hem ook gezegd dat ze met niemand zo graag wandelde als met hem.

'Maar Johannes,' vroeg ze eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de meikevers denken en wat de lijsters zingen? Hoe weet je hoe het eruitziet in het konijnenhol en op de bodem van het water?'

'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes. 'En ik ben zelf in een konijnenhol geweest en op de bodem van het water.'

Robinetta trok haar fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. Maar ze vond geen leugen.

Ze zaten onder de seringen, waaraan dikke, paarse bloemtrossen hingen. Voor hen lag de vijver, met riet en kroos. Ze zagen de zwarte torretjes in kringen over het water glijden. Rode spinnetjes doken druk op en neer. Het krioelde daar van het leven. Johannes keek in de diepte en dacht aan vroeger. Toen zei hij:

'Daar ben ik eens gedoken. Ik gleed langs een rietstengel naar beneden en kwam op de bodem. Die is helemaal bedekt met droge bladeren, dat loopt zo licht en zacht. Het is er altijd schemerig. Het is een groene schemering, want het licht valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte worteltjes van het kroos hangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd als zulke grote dieren zo over je heen zwemmen. Ik kon niet ver vooruit kijken, daar was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen tevoorschijn. Watertorren met roeipoten en platte wantsen, en soms ook een klein visje. Ik ging heel ver, urenlang, geloof ik. In het midden was een groot bos van waterplanten. Daar kropen slakken tegenop, en waterspinnen bouwden er glinsterende nestjes. Stekelbaarsjes schoten erdoorheen. Soms bleven ze me met open mond en trillende vinnen aankijken, zo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennisgemaakt met een aal, want ik trapte per ongeluk op zijn staart. Hij heeft mij van zijn reizen verteld. Hij was tot in de zee geweest, zei hij. Daarom hadden ze hem koning gemaakt in de vijver, want niemand was zo ver geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve als hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat kwam omdat hij koning was. Ze wilden graag een dikke koning, dat stond deftig. O, het was prachtig mooi in die vijver!'

'Waarom kun je er dan nu niet meer naartoe?'

'Nu?' vroeg Johannes, en hij keek haar met grote, nadenkende ogen aan.

'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet nodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'

Robinetta schudde verbaasd haar blonde hoofdje en streek Johannes over zijn haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan de rand van de vijver allerlei lekkers leek te vinden. Hij keek even op en bleef hen allebei een ogenblik met zijn heldere oogjes aankijken.

'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'

Het vogelijn keek heel slim en ging toen door met zoeken en pikken.

'Vertel me verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'

Dat deed Johannes graag, en Robinetta luisterde vol geloof en aandacht.

'Maar waarom is dat allemaal opgehouden? Waarom kun je nu niet met mij overal daarheen gaan? Dat zou ik ook graag willen.'

Johannes dacht diep na en probeerde het zich te herinneren. Maar een zonnige nevel lag over de donkere afgrond waar hij overheen was gegaan. Hij wist niet precies meer hoe hij zijn vroegere geluk had verloren.

'Ik weet het niet goed, u moet er niet naar vragen. Een naar klein wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger.'

De geur van de seringen kwam uit de struiken op hen neer. De vliegen gonsden boven het water en de zon scheen stil.

Toen begon op het huis een bel met een piepende zwaai te luiden, en Robinetta rende snel weg.

Die avond kwam Johannes in zijn kamertje en keek naar de schaduwen van de klimopbladeren in het maanlicht. Die schoven over de ruiten. Het leek alsof er tegen het glas werd getikt.

Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in de nachtwind trilde. Maar het tikte zo duidelijk, steeds drie keer achter elkaar. Daarom deed Johannes zachtjes het raam open en keek voorzichtig rond. De klimopbladeren tegen het huisje glansden in het blauwe licht. Daaronder lag een donkere wereld vol geheimen. Daar waren holen en grotjes, waarin het maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp. Die maakten het donker daar nog dieper.

Johannes staarde lang in die wonderlijke wereld van schaduwen. Eindelijk zag hij de vorm van een klein mannetje, vlak naast het raam, verstopt onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik meteen aan de grote, verbaasde ogen onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen. Op het puntje van Wistiks lange neus tekende de maan een klein vonkje.

'Hebt u mij vergeten, Johannes? Waarom denkt u er nu niet aan? Het is de rechte tijd. Hebt u roodborstje de weg niet gevraagd?'

'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik maar kan verlangen. Ik heb Robinetta.'

'Maar dat zal niet lang duren. En u kunt nog gelukkiger worden, en Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen? Denk eens hoe heerlijk het is als u samen het boekje vindt. Vraag er roodborstje naar. Ik zal u helpen als ik kan.'

'Ik kan er altijd naar vragen,' zei Johannes.

Wistik knikte en klom snel naar beneden.

Johannes keek nog lang naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voordat hij naar bed ging.

De volgende dag vroeg hij het roodborstje of het de weg wist naar het gouden kistje. Robinetta luisterde verbaasd. Johannes zag het roodborstje knikken en schuin naar Robinetta kijken.

'Hier niet! hier niet!' tjilpte het vogeltje.

'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.

'Weet u er niets van, Robinetta? Weet u niet waar het te vinden is? Wacht u niet op het gouden sleuteltje?'

'Nee, nee! Vertel eens, wat is dat?'

Johannes vertelde wat hij van het boekje wist.

'En ik heb het gouden sleuteltje. Ik dacht dat u het gouden kistje had. Is het niet zo, vogelijn?'

Maar het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tussen het jonge, lichte groen van de beuken.

Ze zaten tegen een helling van het duin, waarop kleine beuken en sparren stonden. Een groen paadje liep er schuin tegenop. Aan de rand daarvan zaten ze, in dik, donkergroen mos. Ze konden over de toppen van de laagste boompjes heen kijken. Daar zagen ze een groene zee van bladeren, met lichte en donkere golven.

'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je kan vinden wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom je daaraan?'

'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' mompelde Johannes, en hij staarde over het groen in de verte.

Opeens zag hij twee witte vlinders, alsof ze plotseling uit het zonnige blauw waren ontstaan. Ze dwarrelden, trilden en schitterden in het zonlicht, met een onzekere, grillige vlucht. Maar ze kwamen dichterbij.

'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens, want hij herinnerde het zich.

'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.

Het roodborstje vloog kwetterend op. De madeliefjes in het gras voor hem leken Johannes opeens enorm verschrikt aan te staren, met hun wijde, witte oogjes.

'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder.

Johannes knikte en zweeg, maar ze wilde meer weten.

'Wie was dat? Heeft die je alles geleerd? Waar is hij?'

'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan Robinetta, alleen Robinetta.'

Hij hield haar arm vast en leunde er met zijn hoofd tegenaan.

'Mal jongetje!' zei ze, en ze lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden, ik weet waar het is.'

'Maar dan moet ik de sleutel gaan halen, en die is ver weg.'

'Nee, nee, dat hoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen, dat beloof ik je.'

Toen ze naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.

Die nacht droomde Johannes van zijn vader, van Robinetta en van vele anderen. Het waren allemaal goede vrienden. Ze stonden om hem heen en keken hem lief en vertrouwd aan. Maar opeens waren de gezichten veranderd. Hun blikken waren koud en spottend. Hij keek angstig om zich heen en zag aan alle kanten wrede, vijandige gezichten. Hij voelde een benauwdheid waarvoor hij geen woorden had, en hij werd huilend wakker.

### Woordenlijst

- **kreupelhout**: lage, dichte struiken en kleine bomen.
- **primula's**: kleine gele bloemen die vroeg in de lente bloeien; ze heten ook sleutelbloemen.
- **vogelkers**: struik met kleine witte bloemen, die vroeg in de lente blad krijgt.
- **roodborstje**: kleine vogel met een rode borst.
- **seringen**: struiken met geurende paarse bloemen.
- **kroos**: heel kleine groene plantjes die op stil water drijven.
- **salamanders**: dieren die op een kleine hagedis lijken en vaak in het water leven.
- **kapelletjes**: kleine vlindertjes.
- **stumpers**: arme, zielige wezens.
- **schubben**: kleine, harde blaadjes om een knop.
- **twijgen**: dunne takjes.
- **rilling**: plotselinge beweging door je lijf, van kou, angst of ontroering.
- **ontroering**: sterk, zacht gevoel in je hart.
- **gestalte**: de vorm van een persoon, vaak van een afstand gezien.

## IX

Johannes zat al lang te wachten. De lucht was koud, en grote wolken dreven laag over de aarde, statig en eindeloos achter elkaar. Ze spreidden hun donkergrijze, wijd golvende mantels uit. Hun trotse koppen krulden in het heldere licht dat daarboven scheen. Zonlicht en schaduw wisselden wonderlijk snel op de bomen, als een vuur dat steeds opnieuw oplaaide. Johannes werd er bang van. Hij dacht na over het boekje en geloofde niet echt dat hij het vandaag zou vinden. Tussen de wolken, veel hoger, ontzettend hoog, zag hij het heldere, strakke blauw. Daar lagen tere, witte wolkjes, fijn als veren, kalm uitgestrekt in stille rust.

'Zo moet het zijn,' dacht hij. 'Zo hoog, zo licht, zo stil.'

Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.

'Het is goed, Johannes,' riep ze luid. 'Je mag komen en het boek zien.'

'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.

'Dat is niet meegekomen. We gaan toch niet wandelen.'

Hij ging mee, maar hij bleef bij zichzelf denken: 'Het kan niet, zo kan het niet, het moest allemaal heel anders zijn.'

Toch volgde hij het glanzende blonde haar dat voor hem uit lichtte.

Ach! Nu ging het droevig met de kleine Johannes. Ik wenste dat zijn geschiedenis hier eindigde. Hebt u wel eens heerlijk gedroomd van een tovertuin? Met bloemen en dieren die van u hielden en tegen u spraken? En hebt u dan in uw droom wel eens beseft dat u gauw wakker zou worden? Dat u al dat heerlijke zou verliezen? Dan probeert u het tevergeefs vast te houden, en dan wilt u het koude morgenlicht niet zien.

Zo'n gevoel had Johannes toen hij meeging.

Hij kwam in een huis, in een gang waar zijn voetstappen weerklonken. Hij rook de lucht van kleren en eten. Hij dacht aan lange dagen waarop hij thuis had moeten blijven, en aan schoolwerk. Hij dacht aan alles wat somber en koud in zijn leven was geweest.

Hij kwam in een kamer met mensen. Hij zag niet hoeveel. Ze praatten, maar toen hij binnenkwam, werd het stil. Hij keek naar het vloerkleed. Daarop stonden grote, onmogelijke bloemen met felle kleuren. Ze waren even vreemd en lelijk als de bloemen op het behang in zijn slaapkamer thuis.

'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zei een stem recht tegenover hem. 'Kom maar hier, vriendje, je hoeft niet bang te zijn.'

En een andere stem klonk opeens naast hem:

'Nu, Robbi, je hebt daar wel een leuk vriendje.'

Wat betekende dat allemaal? Weer kwamen er diepe rimpels boven de donkere kinderogen van Johannes. Verward en geschrokken keek hij rond.

Daar zat een zwart geklede man, die hem met koude, grijze ogen aankeek.

'En jij wilde dus zo graag kennismaken met het boek der boeken? Het verbaast me dat je vader je dat niet heeft gegeven. Ik ken hem als een vroom man.'

'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'

'Zo! Nu, dat maakt niet uit. Kijk, mijn vriendje! Lees hier veel in, het zal je op je levensweg …'

Maar Johannes had het boek al herkend. Zo kon hij het ook niet krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde zijn hoofd.

'Nee, nee! Dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'

Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken die hem van alle kanten staken.

'Wat? Wat bedoel je, mannetje?'

'Ik ken dit boekje, het is het mensenboek. Maar het geeft niet genoeg, anders zou er rust zijn onder de mensen, en vrede. En die zijn er niet. Ik bedoel iets anders. Niemand die het ziet, kan eraan twijfelen. Daarin staat waarom alles is zoals het is, precies en duidelijk.'

'Hoe is het mogelijk? Waar heeft die jongen dat vandaan?'

'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'

'Ik geloof dat je verkeerde boeken hebt gelezen, jongen, en dat je die napraat!'

Zo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien. Hij werd duizelig, de kamer draaide, en de grote bloemen op het vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zo trouw had gewaarschuwd op school, die eerste dag? Het was nu nodig.

'Ik praat het niet uit boeken na, en degene die het mij heeft geleerd, is meer waard dan u allemaal. Ik ken de taal van bloemen en dieren, zij vertrouwen mij. Ik weet ook wat mensen zijn en hoe ze leven. Ik ken alle geheimen van feeën en kabouters, want zij houden van mij, meer dan van de mensen.'

Muisje! muisje!

Johannes hoorde proesten en lachen, om hem heen en achter hem. Het zong en suisde in zijn oren.

'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'

'Hij is niet goed bij zijn hoofd.'

De man tegenover hem zei: 'Als je Andersen kent, mannetje, dan zou je van hem meer eerbied moeten leren voor God en zijn Woord.'

'God!' Dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.

'Ik heb geen eerbied voor God. God is een grote petroleumlamp, waardoor duizenden verdwalen en verongelukken.'

Niemand lachte. Er kwam een angstige stilte, en je kon de afschuw en de ontzetting voelen. Johannes voelde de stekende blikken in zijn rug. Het was als in zijn droom van de vorige nacht.

De zwart geklede man stond op en pakte hem bij zijn arm. Dat deed pijn en brak bijna zijn moed.

'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je gek bent of diep bedorven. Maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga weg en kom me niet meer onder ogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet je geen voet meer. Begrepen?'

Alle blikken waren koud en vijandig, net als die nacht.

Johannes keek angstig rond.

'Robinetta! Waar is Robinetta!'

'Jawel, mijn kind bederven! Pas op als je ooit nog tegen haar spreekt!'

'Nee! Laat me bij haar! Ik wil niet bij haar weg. Robinetta!' huilde Johannes.

Maar ze zat bang in een hoek en keek niet op.

'Eruit, bengel! Hoor je niet? Pas op als je durft terug te komen!'

De pijnlijke greep bracht hem door de galmende gang. De glazen deur rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende wolken.

Hij huilde niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam verder liep. De droevige rimpels boven zijn ogen waren dieper geworden en gingen niet meer weg.

Het roodborstje zat in een heg van linden en keek naar hem. Hij bleef staan en staarde zwijgend terug. Maar er was geen vertrouwen meer in de verlegen, glurende oogjes. Toen hij een stap dichterbij kwam, vloog het snelle diertje snorrend weg.

'Weg! weg! een mens,' tjilpten de mussen, die bij elkaar op het tuinpad zaten, en ze vlogen alle kanten op.

Ook de open bloemen lachten niet. Ze keken ernstig en onverschillig, zoals ze bij iedere vreemde doen.

Maar Johannes begreep die tekens niet. Hij dacht aan de belediging die de mensen hem hadden aangedaan. Het was alsof koude, harde handen het diepste in hem hadden aangeraakt en bevuild.

'Ze zullen mij geloven,' dacht hij. 'Ik zal mijn sleuteltje halen en het hun laten zien.'

'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje.

In een hulst zat een vogelnestje, en de grote ogen van Wistik keken over de rand.

'Waar gaat u heen?'

'Het is allemaal uw schuld, Wistik,' zei Johannes. 'Laat mij met rust!'

'Waarom spreekt u er ook met mensen over? Mensen begrijpen u toch niet. Waarom zegt u die dingen tegen mensen? Dat is heel dom.'

'Ze hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! Ik haat ze.'

'Nee Johannes, u houdt van hen.'

'Nee! nee!'

'Anders zou het u minder verdriet doen dat ze niet zijn zoals u. Dan zou het u niets kunnen schelen wat ze zeggen. U moet zich minder om mensen bekommeren.'

'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun laten zien.'

'Dat moet u niet doen, ze zouden u toch niet geloven. Waar zou het voor dienen?'

'Ik wil mijn sleuteltje, onder de rozenstruik. Weet u die te vinden?'

'Jazeker! Bij de vijver, niet waar? Ja, die weet ik.'

'Breng mij er dan heen, Wistik!'

Wistik klom op Johannes' schouder en wees hem de weg. Ze liepen de hele dag. Het waaide, en af en toe vielen er regenbuien. Maar tegen de avond werden de wolken stil en rekten ze zich uit tot lange gouden en grijze stroken.

Toen ze bij het duin kwamen dat Johannes kende, werd hij week vanbinnen. Steeds weer fluisterde hij: 'Windekind! Windekind!'

Daar was het konijnenhol, en het duin waartegen hij eens had geslapen. Het grijze rendiermos was zacht en vochtig en kraakte niet onder zijn voet. De rozen waren uitgebloeid. De gele teunisbloemen, met hun bedwelmende, zwakke geur, staken met honderden hun kelken omhoog. Nog hoger stonden de lange, trotse toortsen met hun dikke, zachte bladeren.

Zoekend keek Johannes rond, naar de fijne, bruinachtige bladeren van de duinroos.

'Waar is ze, Wistik? Ik zie haar niet.'

'Ik weet er niets van,' zei Wistik. 'U hebt het sleuteltje verstopt, ik niet.'

Waar de roos had gebloeid, was nu een veld vol gele teunisbloemen, die wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg het aan hen en ook aan de toortsen. Maar die waren veel te trots, want hun lange bloemtros stak ver boven hem uit. Daarom vroeg hij het aan de kleine, driekleurige viooltjes op de zandgrond.

Maar niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allemaal van deze zomer. Zelfs de verwaande toorts, die zo hoog was.

'Ach, waar is ze? Waar is ze?'

'Hebt *u* mij ook al beetgenomen?' zei Wistik. 'Dat dacht ik wel, dat heb je altijd met mensen.'

Hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tussen het helmgras.

Wanhopig staarde Johannes om zich heen. Daar stond een klein duinrozenstruikje.

'Waar is de grote roos,' vroeg Johannes, 'de grote die hier vroeger stond?'

'Wij spreken niet met mensen,' zei het struikje.

Dat was het laatste wat hij hoorde. Alles wat leefde, zweeg om hem heen. Alleen het helmgras suisde in de zachte avondwind.

'Ben ik een mens?' dacht Johannes. 'Nee, dat kan niet, dat kan niet. Ik wil geen mens zijn. Ik haat de mensen.'

Hij was moe en suf. Hij ging aan de rand van het veldje liggen, op het zachte, grijze mos, dat een vochtige, sterke geur had.

'Nu kan ik niet terug, en nu zie ik Robinetta ook niet meer. Zou ik niet doodgaan als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een mens zijn? Een mens zoals die anderen, die mij uitlachten?'

Daar zag hij opeens de twee witte vlinders weer, die vanuit de ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun vlucht. Zouden ze hem de weg wijzen? Ze vlogen over zijn hoofd. Ze kwamen bij elkaar en gingen weer uit elkaar, en ze dwarrelden speels om elkaar heen. Langzaam gingen ze weg van de zon. Eindelijk zweefden ze over de rand van de duinen naar het bos. Alleen de hoogste toppen daarvan hadden nog kleur in het avondlicht. Dat licht scheen rood en fel onder de lange, sombere rijen wolken uit.

Johannes liep hen achterna. Maar toen ze boven de eerste bomen waren, zag hij een donkere schaduw zonder geluid achter hen aan fladderen. De schaduw haalde hen in. Het volgende ogenblik waren ze verdwenen. De zwarte schaduw schoot snel op hem af, en angstig bedekte hij zijn gezicht met zijn handen.

'Nou, vriendje! Wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe, spottende stem vlak naast hem.

Johannes had een grote vleermuis op zich af zien komen. Maar toen hij opkeek, stond er een zwart mannetje op het duin, niet veel groter dan hijzelf. Hij had een groot hoofd met grote oren, die donker afstaken tegen de lichte avondhemel. Zijn lichaam was mager, en hij had dunne benen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de kleine, schitterende ogen.

'Ben je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zei hij.

Maar Johannes schudde zwijgend zijn hoofd.

'Kijk eens! Wil je deze van mij hebben?' begon hij weer, en hij deed zijn hand open.

Daarin zag Johannes iets wits, dat af en toe even bewoog. Het waren de witte kapelletjes. Ze lagen op sterven en trilden met hun gescheurde, gebroken vleugeltjes. Johannes kreeg een rilling, alsof iemand tegen zijn achterhoofd blies. Angstig keek hij op naar het vreemde wezen.

'Wie bent u?' vroeg hij.

'Wil je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, gewoon Pluizer. Ik heb nog wel mooiere namen, maar die begrijp je toch niet.'

'Bent u een mens?'

'Nou wordt het mooi! Ik heb toch armen en benen en een hoofd, kijk eens wat een hoofd! En dan vraagt zo'n jongen nog of ik een mens ben. Maar Johannes! Johannes!'

En het mannetje lachte met een piepend, doordringend geluid.

'Hoe weet u wie ik ben?' vroeg Johannes.

'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend veel, bijna alles.'

'Ach, mijnheer Pluizer …'

'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'

'Weet u dan ook …'

Maar Johannes zweeg opeens. 'Het is een mens,' dacht hij.

'Van je sleuteltje, bedoel je? Natuurlijk!'

'Maar ik dacht niet dat mensen daarvan konden weten.'

'Domme jongen! Wistik heeft het al aan zo velen verklapt.'

'Kent u Wistik dan ook?'

'O ja! Een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik wist het ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! Lang niet!'

En Pluizer klopte tevreden met zijn magere handje op zijn grote hoofd.

'Weet je, Johannes,' ging hij verder, 'wat een groot gebrek van Wistik is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'

'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.

'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. En hij zegt van mij dat ik niet besta, maar dat is een leugen. Of ik besta! Nou en of!'

Pluizer stopte de kapelletjes in zijn zak en ging opeens voor Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij heel lelijk en stak een lange tong uit. Johannes voelde zich toch al niet op zijn gemak, alleen met dit vreemde wezen. Het werd ook al avond in het eenzame duin. Nu rilde hij van angst.

'Dit is een heel aardige manier om de wereld te bekijken,' zei Pluizer, die nog steeds op zijn hoofd stond. 'Als je wilt, zal ik het je ook leren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'

Hij spartelde met zijn dunne beentjes in de lucht en draaide zich om op zijn handen. Toen de rode avondgloed op het omgekeerde gezicht viel, vond Johannes het afschuwelijk. De kleine oogjes knipperden in het licht en lieten het wit zien, aan de kant waar je dat niet gewend bent.

'Zie je, zo lijken de wolken de vloer en de aarde het deksel van de wereld. Dat kun je even goed volhouden als het omgekeerde. Boven of onder is er toch niet. Het zou een mooie plaats zijn om te wandelen, op die wolken.'

Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat ze leken op een geploegd land met rode voren, alsof er bloed uit opkwam. Boven de zee straalde de poort van de wolkengrot.

'Kun je daarheen gaan en daar binnenkomen?' vroeg hij.

'Gekheid!' zei Pluizer, en hij stond opeens weer op zijn benen. Johannes was daar erg blij om. 'Gekheid! Als je daar bent, is het precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie wolken daar is het mistig, grijs en koud.'

'Ik geloof u niet,' zei Johannes. 'Nu zie ik pas goed dat u een mens bent.'

'Och kom! Geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mens ben? En wat voor bijzonders ben jij dan zelf?'

'O Pluizer, ben ik ook een mens?'

'Wat dacht je! Een elf? Elfen worden niet verliefd.'

Pluizer ging vlak voor Johannes zitten, met zijn benen gekruist onder zich, en grijnsde hem strak aan. Johannes voelde zich onder die blik ontzettend benauwd en verlegen. Hij had zich het liefst verstopt of onzichtbaar gemaakt. Maar hij kon zijn ogen niet meer afwenden.

'Alleen mensen worden verliefd, Johannes, hoor je! En jij bent verliefd als de beste, al ben je nog zo klein. Aan wie denk je op dit ogenblik?'

'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes, bijna onhoorbaar.

'Naar wie verlang je het meest?'

'Robinetta!'

'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'

Johannes' lippen bewogen zonder geluid: 'Robinetta!'

'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, dat je een elf bent? Elfen worden niet verliefd op mensenkinderen.'

'Maar het was Windekind …' stamelde Johannes verlegen.

Toen keek Pluizer vreselijk gemeen en greep Johannes met zijn benige handjes bij de oren.

'Wat is dat voor onzin! Wil je mij met die kerel bang maken? Die is nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat erger is, hij bestaat helemaal niet en heeft nooit bestaan. Alleen ik besta, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen dat ik er ben.'

En hij schudde de arme Johannes hard aan zijn oren. Johannes riep:

'Maar ik heb hem toch zo lang gekend, en ik ben zo ver met hem weggetrokken.'

'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, hè? Maar nu droom je niet, voel je dat wel?'

'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.

Het was al donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hun hoofden en piepten schel. De lucht was zwart en zwaar. Geen blad bewoog in het bos.

'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes. 'Naar mijn vader?'

'Je vader? Wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel vriendelijk ontvangen, nadat je zo lang bent weggebleven.'

'Ik verlang naar huis,' zei Johannes. Hij dacht aan de huiskamer met het heldere lamplicht. Daar zat hij zo vaak bij zijn vader en luisterde naar het krassen van zijn pen. Daar was het vredig en gezellig.

'Ja, dan had je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, voor die malle kerel die niet bestaat. Nu is het te laat. En het maakt ook niet uit, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zo'n vader, dat is toch maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen anderen zijn die even goed en even knap zijn? Ik ben even goed en veel knapper, veel knapper.'

Johannes had de moed niet om te antwoorden. Hij sloot zijn ogen en knikte zwak.

'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje verder. Hij legde zijn handen op Johannes' schouders en praatte dicht bij zijn oor.

'Dat kind hield je even goed voor de gek als die anderen. Heb je niet gezien dat ze in de hoek bleef zitten en geen woord zei, toen je werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zoals ze met een meikever zou spelen. Het kon haar niets schelen of je wegging. En van dat boekje wist ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal je helpen het te zoeken. Ik weet bijna alles.'

En Johannes begon hem te geloven.

'Ga je met mij mee? Wil je met mij zoeken?'

'Ik ben zo moe,' zei Johannes. 'Laat mij ergens slapen.'

'Ik houd eigenlijk niet van slapen,' zei Pluizer. 'Daar ben ik te levendig voor. Een mens moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je met rust laten. Tot morgen.'

Toen trok hij het vriendelijkste gezicht dat hij kon. Johannes keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders meer zag. Zijn hoofd werd zwaar, en hij leunde tegen de helling met het mos. De oogjes leken steeds verder weg te lichten, totdat het sterren waren aan de zwarte hemel. Het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, alsof de aarde onder hem wegzakte. Toen hield zijn denken op.

### Woordenlijst

- **vroom**: met een sterk geloof in God; iemand die trouw bidt en naar de kerk gaat.
- **goddeloosheid**: gedrag of woorden die tegen God en het geloof ingaan.
- **petroleumlamp**: oude lamp die op olie brandt.
- **rendiermos**: grijs, droog mos in de duinen.
- **teunisbloemen**: gele bloemen die 's avonds opengaan.
- **toortsen**: hoge planten met zachte bladeren en gele bloemen.
- **helmgras**: stekelig gras dat in de duinen groeit.
- **statig**: langzaam, ernstig en trots.
- **spreidden**: deden wijd open en breed uit elkaar.
- **oplaaide**: plotseling hoog en fel ging branden.
- **suisde**: maakte een zacht, ruisend geluid.
- **grijnsde**: lachte met een lelijke of gemene trek om de mond.

## X

Nog voordat hij goed wakker was, voelde hij vaag dat er iets bijzonders met hem was gebeurd terwijl hij sliep. Maar hij wilde het niet weten en hij wilde niet om zich heen kijken. Hij wilde terug in de droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok. In die droom was Robinetta weer naar hem toe gekomen en had ze hem over zijn haar gestreken, zoals vroeger. Hij had ook zijn vader teruggezien, en Presto, in de tuin met de vijver.

'Au!' Dat deed pijn. Wie deed dat? Johannes deed zijn ogen open. In de grijze morgenschemering zag hij een klein mens vlak bij zich, die aan zijn haren trok. Hij lag in een bed, en het licht was dof en ongelijk, als in een kamer.

Maar door het gezicht dat zich over hem heen boog, herinnerde hij zich opeens weer alle ellende en somberheid van gisteren. Het was Pluizers gezicht, minder spookachtig en meer menselijk. Maar het was even lelijk en beangstigend als de vorige avond.

'Och nee! Laat mij dromen,' zei hij.

Maar Pluizer schudde hem door elkaar.

'Ben je gek, luiaard? Dromen is dwaasheid, daarmee kom je niet verder. Een mens moet werken en denken en zoeken. Daarvoor ben je een mens.'

'Ik wil geen mens zijn. Ik wil dromen.'

'Dat helpt niet. Je moet. Je staat nu onder mijn bescherming, en met mij samen zul je werken en zoeken. Alleen met mij kun je vinden wat je verlangt. En ik zal je niet verlaten totdat we het gevonden hebben.'

Johannes voelde een vage ontzetting. Maar het was alsof een grote kracht hem neerdrukte en dwong. Zonder eigen wil gaf hij zich over.

De duinen, de bomen en de bloemen waren weg. Hij was in een klein, schemerig kamertje. Buiten zag hij, zover hij kon kijken, huizen en nog eens huizen, somber en grijs, in lange, saaie rijen.

Overal steeg rook op in dikke kronkels, en die zakte als een bruinige nevel in de straten. En op die straten liepen de mensen als grote, zwarte mieren haastig door elkaar. Uit de massa steeg dof en zonder ophouden een verward geluid op.

'Kijk, Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn allemaal mensen. En al die huizen, zover je kunt zien, nog verder dan die blauwe toren daar, zijn ook vol mensen, van boven tot beneden. Is dat niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierennest.'

Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof iemand hem een groot, verschrikkelijk monster liet zien. Het was alsof hij op de rug van dat monster stond. Hij zag het zwarte bloed door dikke aderen stromen. Hij zag de donkere adem uit honderd neusgaten opstijgen. En hij werd bang voor het dreigende grommen van die enorme stem.

'Kijk eens hoe hard al die mensen lopen, Johannes,' ging Pluizer verder. 'Je kunt zien dat ze haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het grappige is dat niemand precies weet wat hij zoekt. Als ze een poosje hebben gezocht, komen ze iemand tegen die Hein heet …'

'Wie is dat?' vroeg Johannes.

'O! Een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu, die Hein zegt dan: "Zoek je mij?" Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: "O nee! … jou bedoel ik niet!" Maar dan antwoordt Hein weer: "Er is toch niets anders te vinden dan mij." Dan moeten ze wel tevreden zijn met Hein.'

Johannes begreep dat hij het over de dood had.

'En gaat dat altijd, altijd zo?'

'Jazeker, altijd. Maar er komen iedere dag weer heel veel nieuwen. Die beginnen elke dag te zoeken, zonder te weten waarnaar. Ze zoeken en zoeken, totdat ze eindelijk Hein vinden. Zo gaat het al een hele tijd, en zo zal het ook nog wel een tijdje doorgaan.'

'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan …'

'Ja, Hein vind je zeker eens. Maar dat doet er niet toe. Zoeken maar! Altijd blijven zoeken!'

'Maar het boekje dan, Pluizer? U zou mij het boekje laten vinden.'

'Nu! Wie weet! Ik heb het niet ontkend. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten tenminste waarnaar we zoeken. Dat heeft Wistik ons geleerd. En er zijn er die hun hele leven zoeken om te weten waarnaar ze eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeren, Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek ook uit.'

'Dat is vreselijk, Pluizer.'

'O nee, helemaal niet. Hein is een heel goedaardige man. Maar niemand begrijpt hem.'

Buiten de kamerdeur stommelde iemand op de trap.

Klos! Klos! klonk het op de houten treden.

Klos! Klos! Het kwam steeds dichterbij. Toen tikte iemand tegen de deur, en het was alsof er ijzer op hout tikte.

Er kwam een grote man binnen. Hij had diepliggende ogen en lange, magere handen. Een koude tocht woei het kamertje in.

'Zo,' zei Pluizer, 'bent u daar? Gaat u zitten! We spraken juist over u. Hoe gaat het met u?'

'Druk, druk!' zei de lange man, en hij veegde het koude zweet van zijn benige, bleke voorhoofd.

Roerloos en bang staarde Johannes in de diepliggende ogen, die strak op hem gericht waren. Ze waren heel ernstig en donker, maar niet wreed en niet vijandig. Na een paar ogenblikken ademde hij weer vrijer, en zijn hart klopte minder hard.

'Dit is Johannes,' zei Pluizer. 'Hij heeft gehoord van een zeker boekje, waarin staat waarom alles is zoals het is. Dat gaan we nu samen zoeken, niet waar?'

Toen lachte Pluizer op een manier die veel betekende.

'Zo! zo! Nu, dat is goed!' zei de Dood vriendelijk, en hij knikte naar Johannes.

'Hij is bang dat hij het niet vindt, maar ik heb gezegd dat hij eerst maar flink moet zoeken.'

'Zeker!' zei de Dood. 'Flink zoeken is het beste.'

'Hij dacht dat u zo verschrikkelijk was. Nu zie je toch, Johannes, dat je je hebt vergist, niet waar?'

'Ach ja!' zei de Dood vriendelijk. 'Er wordt veel kwaad over mij gesproken. Ik zie er niet aantrekkelijk uit, maar ik bedoel het toch goed.'

Hij glimlachte zwak, als iemand die met ernstigere dingen bezig is dan waarover hij spreekt. Toen wendde hij zijn donkere blik van Johannes af naar buiten. Nadenkend liet hij die over de grote stad gaan.

Lang durfde Johannes niets te zeggen. Eindelijk zei hij zacht:

'Zult u mij meenemen?'

'Wat bedoel je, mijn jongen?' zei de Dood, en hij keek op uit zijn gedachten. 'Nee! Nu nog niet. U moet opgroeien en een goed mens worden.'

'Ik wil geen mens worden zoals de anderen.'

'Kom! kom!' zei de Dood. 'Daar is niets aan te doen.'

Je kon horen dat hij dat elke dag zei. Hij ging verder:

'Mijn vriend Pluizer kan u leren hoe je een goed mens wordt. Dat kan op verschillende manieren, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets moois, een goed mens te zijn. Daar moet je niet op neerkijken, ventje!'

'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.

'Zeker, zeker!' zei de Dood. En toen tegen Pluizer: 'Bij wie zult u hem brengen?'

'Bij dokter Cijfer, mijn oud-leerling.'

'A ja! Dat is een goede leerling. Dat is een heel mooi voorbeeld van een mens. Bijna volmaakt in zijn soort.'

'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.

'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood.

'O! Hij is al verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer gemeen.

'Nee, beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood. 'Die dingen zul je bij dokter Cijfer wel afleren. Wie zoekt wat u zoekt, moet al het andere verliezen. Alles of niets.'

'Ik zal een mens uit één stuk van hem maken. Dat verliefde gedoe pluist hij wel uit zijn hoofd.'

En Pluizer lachte vrolijk. De Dood richtte zijn zwarte ogen weer op de arme Johannes, die met moeite zijn snikken inhield. Want hij schaamde zich voor de Dood.

Toen stond de Dood opeens op.

'Ik moet weg,' zei hij. 'Ik praat mijn tijd weg. Er is hier veel te doen. Goedendag, Johannes! We zullen elkaar nog wel weerzien. U moet niet bang voor mij zijn.'

'Ik ben niet bang voor u. Ik wilde dat u mij meenam. Toe! Neem mij liever mee!'

Maar de Dood weerde hem zacht af. Hij was zulke vragen gewend.

'Nee, Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en kijk! Vraag mij niet meer. Ik vraag maar één keer en dan is het tijd genoeg.'

Toen hij verdwenen was, deed Pluizer weer heel wild. Hij sprong over stoelen en buitelde over de grond. Hij klom op de kast en de schoorsteenmantel en deed levensgevaarlijke kunsten in de open ramen.

'Dat was nu Hein! Mijn goede vriend Hein!' riep hij. 'Vond je hem niet aardig? Een beetje lelijk en mopperig om te zien. Maar hij kan ook heel vrolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar vaak verveelt het hem. Het is ook wel wat eentonig.'

'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'

Pluizer keek Johannes gemeen en onderzoekend aan.

'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij krijgen kan.'

Later heeft Johannes anders gezien. Maar nu wist hij niet beter of Pluizer sprak in alles de waarheid.

Ze gingen de straat op en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte mensen liepen door elkaar. Ze lachten en praatten, zo vrolijk dat Johannes zich erover verbaasde. Hij zag dat Pluizer naar velen knikte. Maar niemand groette terug. Iedereen keek recht vooruit, alsof ze niets hadden gezien.

'Ze lopen nu te lachen,' zei Pluizer, 'alsof niemand van hen mij kent. Maar dat lijkt maar zo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeren. En dan zijn ze ook niet zo vrolijk.'

Terwijl ze liepen, voelde Johannes dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek, zag hij de lange, bleke man. Die liep met grote, onhoorbare stappen tussen de mensen. Hij knikte naar Johannes.

'Zien de mensen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.

'Ja zeker! Allemaal. Maar ze willen hem ook niet kennen. Nu, ik gun hun die trots!'

De drukte en het lawaai brachten Johannes in een soort verdoving, zodat hij zijn verdriet vergat. De smalle straten en de hoge huizen verdeelden het blauw van de hemel in rechte stroken. De mensen liepen langs hem heen en weer, voeten sleepten en wagens ratelden. Dat alles verstoorde de oude beelden en de droom van die nacht, zoals een storm de beelden in een waterspiegel verstoort. Het was alsof er niets anders bestond dan muren, ramen en mensen. Het was alsof hij mee moest doen en mee moest rennen in die rusteloze, ademloze drukte.

Toen kwamen ze in een stille buurt. Daar stond een groot huis met grijze, kale ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. Binnen was het stil. Johannes rook een mengsel van vreemde, scherpe geuren, met daaronder een muffe keldergeur. In een kamer vol wonderlijke instrumenten zat een eenzame man. Om hem heen stonden boeken en voorwerpen van glas en koper, die Johannes allemaal niet kende. Er viel één zonnestraal over zijn hoofd heen de kamer in. Die fonkelde op flessen met mooi gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door een koperen buis en keek niet op.

Toen Johannes dichterbij kwam, hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'

Naast de man, op een lange, zwarte bank, lag iets wits en wolligs. Johannes kon niet goed zien wat het was.

'Goedemorgen, dokter!' zei Pluizer, maar de dokter keek nog steeds niet op.

Toen schrok Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen keek, begon opeens krampachtig te rukken. Wat hij had gezien, was het witte dons op de buik van een konijntje. Het kopje met de beweeglijke neus lag achterover, in ijzer geklemd. De vier pootjes waren strak naast het lichaam gebonden. Heel even probeerde het diertje zich wanhopig te bevrijden. Toen lag het weer stil, en alleen de snelle beweging van de bloedige keel liet zien dat het nog leefde.

En Johannes zag het ronde, goedaardige oog, dat zo wijd staarde in machteloze angst. Het was of hij het herkende. Ach! Was dat niet het zachte lijfje waartegen hij had gerust, in die eerste heerlijke nacht bij de elfen? Oude herinneringen kwamen met geweld in hem boven. Hij vloog op het diertje af.

'Wacht! wacht! Arm konijntje, ik zal u helpen.'

En haastig probeerde hij de touwtjes los te maken, die in de tere pootjes sneden.

Maar zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen, en een scherpe lach klonk bij zijn oor.

'Wat betekent dat, Johannes? Ben je nog zo kinderachtig? Wat moet de dokter wel van je denken?'

'Wat wil die jongen? Wat doet hij hier?' vroeg de dokter verbaasd.

'Hij wilde een mens worden, daarom ben ik met hem bij u gekomen. Maar hij is nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt, Johannes!'

'Nee! Dit is de manier niet,' zei de dokter.

'Dokter, maak dat konijntje los!'

Maar Pluizer kneep in zijn beide handen, zodat hij ineenkromp.

'Wat hebben we afgesproken, mannetje?' siste hij in zijn oor. 'We zouden zoeken, niet waar? We zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij domme dieren. We zouden mensen zijn, mensen! Begrijp je dat? Als je een kind wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, dan laat ik je gaan. Zoek dan maar alleen!'

Johannes zweeg en geloofde hem. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot zijn ogen om het konijntje niet te zien.

'Beste jongen!' zei de dokter. 'Je schijnt nog wat gevoelig te zijn om te beginnen. Het is waar, de eerste keer is zoiets naar om te zien. Ik zie het zelf ook nooit graag, en ik vermijd het zoveel mogelijk. Maar het kan niet anders. En je moet begrijpen: wij zijn mensen en geen dieren. Het welzijn van de mensheid en van de wetenschap gaat boven dat van een paar konijnen.'

'Hoor je!' zei Pluizer. 'De wetenschap en de mensheid!'

'De man van de wetenschap,' ging de dokter verder, 'staat hoger dan alle andere mensen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoelens opgeven die gewone mensen hebben. Die geeft hij op voor dat ene grote: de wetenschap. Wil je zo'n mens worden? Was dat je roeping, mijn jongen?'

Johannes aarzelde. Hij wist nog niet goed wat een roeping was, net zomin als de meikever.

'Ik wilde het boekje vinden,' zei hij, 'waar Wistik over sprak.'

De dokter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'

Maar Pluizer zei snel: 'Hij wil het, dokter, dat weet ik wel. Hij wil de hoogste wijsheid zoeken, hij wil de kern van de dingen begrijpen.'

Johannes knikte. 'Ja!' Voor zover hij het begreep, was dat wat hij wilde.

'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'

En Johannes hielp met trillende handen de losgemaakte touwtjes weer vaster om de pootjes van het konijntje binden.

### Woordenlijst

- **beangstigend**: zo dat je er bang van wordt.
- **wijsgeren**: filosofen; mensen die nadenken over grote vragen.
- **oud-leerling**: iemand die vroeger leerling was bij een bepaalde leraar.
- **volmaakt**: helemaal goed, zonder fouten.
- **verdoving**: toestand waarin je bijna niets meer voelt of denkt.
- **wetenschap**: het zoeken naar kennis met onderzoek.
- **roeping**: het werk waarvoor je je leven wilt geven.
- **teerhartig**: snel verdrietig of geraakt als iets of iemand pijn heeft.
- **dwaasheid**: iets doms of onverstandigs.
- **ontzetting**: heel grote schrik en angst.
- **kronkels**: bochten, zoals die van een slang.
- **aderen**: dunne buizen in het lichaam, waar het bloed doorheen stroomt.
- **grommen**: een laag, boos geluid maken.

## XI

'Wij zullen toch eens zien,' zei Pluizer, 'of ik je niet evenveel moois vertonen kan als Windekind.'

Ze namen afscheid van de dokter en beloofden gauw terug te komen. Toen nam hij Johannes mee naar alle hoeken van de grote stad. Hij liet hem zien hoe het grote monster leefde, hoe het ademde en at. Hij liet zien hoe het zichzelf opat en uit zichzelf weer groeide.

Maar hij hield vooral van de sombere achterbuurten. Daar zaten de mensen dicht op elkaar, alles was er grijs en vuil, en de lucht was zwaar en muf.

Hij ging met hem naar binnen in een van de grote gebouwen waaruit de rook opsteeg. Johannes had die rook al vanuit het kamertje gezien. Er was een verdovend lawaai. Overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het. Grote wielen draaiden rond, en lange riemen schoven slingerend verder. De muren en de vloer waren zwart, en de ramen waren gebroken of vol stof. De enorme schoorstenen staken hoog boven het zwarte gebouw uit en stuurden dikke, kronkelende zuilen rook de lucht in. Tussen die raderen en machines zag Johannes heel veel mensen werken. Ze hadden bleke gezichten en zwarte handen en kleren. Ze werkten zwijgend en zonder rust.

'Wie zijn dat?' vroeg hij.

'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of mensen, als je dat liever hebt. Wat ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Op die manier kun je ook mens zijn, op hun manier tenminste.'

Ze kwamen in vuile straatjes. Daar leek het strookje blauwe hemel zo smal als een vinger, en uitgehangen kleren maakten het nog donkerder. Het krioelde er van de mensen. Ze duwden elkaar, schreeuwden, lachten en zongen soms ook. In de huizen waren de kamertjes zo klein, zo donker en muf, dat Johannes bijna niet durfde te ademen. Hij zag kinderen in gescheurde kleren over de kale vloer kruipen. Hij zag jonge meisjes met wild haar, die zachtjes liedjes zongen voor magere, bleke baby's. Hij hoorde ruzie en schelden. Alle gezichten om hem heen zagen er moe uit, of dom en onverschillig.

Dat deed Johannes vreselijk veel verdriet. Het had niets te maken met zijn vroegere verdriet. Daarvoor schaamde hij zich nu.

'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die mensen altijd hier geleefd, zo akelig en ellendig? Ook toen ik …'

Hij durfde niet verder te gaan.

'Jazeker, en dat is maar goed ook. Ze leven helemaal niet akelig en ellendig. Ze zijn het hier gewend en weten niet beter. Het is dom, onverschillig vee. Kijk die twee vrouwen daar, die voor hun deur zitten! Ze kijken even tevreden in die vuile straat als jij vroeger naar je duinen! Om die mensen hoef je niet te huilen. Dan kun je net zo goed om de mollen huilen, die nooit het daglicht zien.'

Johannes wist geen antwoord. Hij wist ook niet waarom hij toch moest huilen. En midden in al dat lawaai en die drukte zag hij steeds de bleke man met de holle ogen lopen. Zijn voetstappen hoorde je niet.

'Toch een goede man, niet waar?' zei Pluizer. 'Hij haalt de mensen hier weg. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'

De nacht viel. De honderden lichtjes flikkerden in de wind en wierpen lange, wiegende beelden op het donkere water. Ze liepen samen door de stille straten. De oude, hoge huizen leken moe tegen elkaar aan te leunen en te slapen. De meeste hadden hun ogen dicht. Maar hier en daar scheen nog een raam met een zwakke, gele glans.

Pluizer vertelde Johannes lange verhalen over de mensen die daarachter woonden. Hij vertelde over de pijnen die daar werden geleden, en over de strijd tussen ellende en levenslust. Hij spaarde hem niets. Hij zocht het somberste, het laagste en het platste uit. Als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd en zweeg, grinnikte hij van plezier.

'Pluizer,' vroeg Johannes opeens, 'weet u iets van het Grote Licht?'

Hij dacht dat die vraag hem zou redden uit de duisternis, die steeds dichter en zwaarder om hem heen kwam.

'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zei Pluizer. 'Hersenschimmen en dromerijen! Er zijn alleen mensen, en ikzelf. Dacht je dat een God of zoiets er plezier in zou hebben om zo'n rommel te regeren als hier op aarde? En zo'n groot licht zou er niet zo velen hier in het donker laten.'

'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes. Hij leek te verwachten dat die zichtbare grootheid het lage voor hem kon verheffen.

'Die sterren? Weet je wel waar je het over hebt, ventje? Het zijn geen lichtjes daarboven, zoals de lantaarns die je hier om je heen ziet. Het zijn allemaal werelden, elk veel groter dan deze wereld met haar duizenden steden. Middenin zweven wij als een klein stofje. Er is geen onder of boven. Naar alle kanten zijn er werelden, alsmaar werelden, en dat houdt nooit, nooit op.'

'Nee! Nee!' riep Johannes angstig. 'Niet zeggen, niet zeggen! Ik zie lichtjes op een groot, donker veld boven mij.'

'Ja, je kunt niet anders zien dan lichtjes. Al keek je je hele leven omhoog, je zou niets anders zien dan lichtjes op een donker veld boven je. Maar je kunt, je *moet* weten dat het werelden zijn, zonder boven of onder. Daarin is dit klompje aarde met zijn armzalige, krioelende mensenvolkje niets, en als niets zal het verdwijnen. Spreek dus niet meer van "de sterren", alsof het er een paar dozijn zijn. Dat is dwaasheid.'

Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde het.

'Kom,' zei Pluizer, 'nu gaan we iets vrolijks zien.'

Af en toe kwamen de golven van mooie, slepende muziek hun tegemoet. Aan een donkere gracht stond een groot huis, waar het licht fel uit veel hoge ramen kwam.

Een lange rij koetsen stond ervoor. Het stampen van de paarden klonk hol door de stille nacht, en hun koppen knikten: ja! ja! Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op de gladde lak van de wagens.

Binnen was alles licht. Half verblind staarde Johannes in de schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en bloemen. Lichte gestalten gingen langs de ramen. Ze bogen naar elkaar toe, ze lachten en maakten gebaren met hun handen. Tot ver achter in de zalen bewogen de rijk gekleede mensen. Sommigen liepen langzaam, anderen draaiden snel en wiegend rond. Een verward geluid van gelach en blije stemmen, slepende voeten en ruisende kleren kwam tot op straat. Het werd meegedragen op de golven van de zachte, bedwelmende muziek, die Johannes al van ver had gehoord. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere gestalten. Alleen hun gezichten werden vreemd en ongelijk verlicht door de glans waarin ze gretig staarden.

'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes. Hij genoot van zoveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen we daar naar binnen?'

'Zo, vind je dit nu toch mooi? Of heb je soms liever een konijnenhol? Kijk die mensen eens lachen en buigen en schitteren. Kijk eens hoe deftig en glad die mannen zijn, en hoe bont en opgedirkt die vrouwen! En met wat een aandacht ze dansen, alsof het de belangrijkste zaak van de wereld is.'

Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol, en hij zag veel dat daaraan deed denken. Maar alles was hier groter en schitterender. De jonge vrouwen met hun rijke kleren en sieraden leken hem zo mooi als elfen. Dat was als ze in de dans hun lange, blanke armen ophieven en hun hoofd half opzij draaiden. De bedienden liepen statig rond en boden heerlijke drankjes aan, met een eerbiedige buiging.

'Hoe prachtig! Hoe prachtig!' riep Johannes.

'Erg mooi, vind je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende gezichten, niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen en aanstellerij. Die vriendelijke oude dames aan de kant zitten daar als hengelaars om een vijver. Die jonge vrouwen zijn het aas, de heren zijn de vissen. En hoe lief ze ook met elkaar praten, ze misgunnen elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, dan is het omdat ze mooier gekleed is dan de andere. Of omdat ze meer heren om zich heen lokt. En het plezier van de heren komt vooral door die blote halzen en armen. Achter al die lachende ogen en vriendelijke lippen zit iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechten denken helemaal niet eerbiedig. Als opeens bekend werd wat iedereen echt dacht, dan was het feest gauw voorbij!'

Toen Pluizer hem alles aanwees, zag Johannes duidelijk de aanstellerij in de gezichten en de gebaren. Hij zag de ijdelheid, de jaloezie en de verveling. Die gluurden door het lachende masker heen, of ze kwamen opeens tevoorschijn als het masker even werd afgedaan.

'Nu,' zei Pluizer, 'je moet hen maar hun gang laten gaan. Die mensen moeten zich toch amuseren. En anders kunnen ze het niet.'

Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij keek om. Het was de welbekende, lange gestalte. Het bleke gezicht werd vreemd verlicht door de felle glans, zodat de ogen grote, donkere plekken waren. Hij mompelde zachtjes in zichzelf en wees met zijn vinger de lichte zaal in.

'Kijk,' zei Pluizer, 'hij is weer aan het uitzoeken.'

Johannes zag waar de vinger heen wees. Hij zag hoe de oude dame onder het praten even haar ogen sloot en haar hand naar haar hoofd bracht. Hij zag ook hoe de mooie jonge vrouw even stilstond. Ze kreeg een lichte rilling en staarde voor zich uit.

'Wanneer?' vroeg Pluizer aan de Dood.

'Dat is mijn zaak,' zei de Dood.

'Ik zou Johannes ditzelfde gezelschap graag nog eens laten zien,' zei Pluizer, en hij knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'

'Vanavond?' vroeg de Dood.

'Waarom niet?' zei Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er al.'

'Ik kan niet mee,' zei de Dood. 'Ik heb te veel werk. Maar noem de naam van dat wat wij allebei kennen, en u zult ook zonder mij de weg vinden.'

Toen liepen ze een eind door de eenzame straten. De gasvlammen flikkerden in de nachtwind, en het donkere, koude water klotste tegen de wallen van de gracht. De zachte muziek klonk steeds zwakker en stierf eindelijk weg in de grote rust die over de stad lag.

Daar klonk opeens van boven een luid, feestelijk lied, met een volle, galmende klank van metaal.

Plotseling viel het neer van de hoge toren, op de slapende stad en in de droeve, donkere ziel van de kleine Johannes. Verbaasd keek hij op. Het zingen van de klokken ging door, met een heldere, kalme klank. De klank steeg juichend op en scheurde krachtig door de doodse stilte. Die blije tonen vond hij vreemd, dat feestlied midden in stille slaap en donkere rouw.

'Dat is de klok,' zei Pluizer. 'Die is altijd even vrolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt ze hetzelfde lied, met dezelfde kracht en opgewektheid. En 's nachts klinkt het blijer dan overdag. Het is alsof de klok juicht dat ze niet hoeft te slapen. Ze kan altijd even gelukkig zingen, terwijl duizenden onder haar huilen en lijden. Maar het vrolijkst klinkt het als er iemand gestorven is.'

Nog eens steeg de juichende klank op.

'Eens, Johannes,' ging Pluizer verder, 'zal achter zo'n raam in een stille kamer een zwak lichtje branden. Een droevig lichtje, dat nadenkend trilt en de schaduwen op de muur laat dansen. Er zal geen geluid zijn in de kamer, alleen nu en dan een zacht, ingehouden snikken. Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine Johannes geweest zijn. O, dan zal opeens datzelfde lied luid en vrolijk die kamer binnenkomen. Dan zingt het over het eerste uur na zijn dood.'

Twaalf zware slagen dreunden door de lucht, met lange pauzes ertussen. Bij de laatste slag kreeg Johannes opeens het gevoel dat hij droomde. Hij liep niet meer, maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizers hand. Snel gingen de huizen en lantaarns aan hem voorbij. De huizen stonden nu minder dicht op elkaar. Het waren losse rijen, met donkere, geheimzinnige gaten ertussen. Daar verlichtte het gaslicht vreemd de kuilen, plassen, het puin en de balken. Eindelijk kwam er een grote poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren ze eroverheen gezweefd. Ze kwamen neer op vochtig gras, naast een grote zandhoop. Johannes dacht dat hij in een tuin was, want hij hoorde om zich heen de bomen ruisen.

'Let nu goed op, Johannes, en zeg dan nog eens dat ik niet meer kan dan Windekind.'

Toen riep Pluizer luid een korte, sombere naam, waarvan Johannes rilde. De duisternis herhaalde de klank van alle kanten. De wind nam hem mee in gierende draaien, totdat hij wegstierf hoog in de lucht.

Johannes zag hoe de grashalmen tot boven zijn hoofd reikten. De kleine steen, die zo-even aan zijn voeten lag, stond nu voor hem en hij kon er niet overheen kijken. Pluizer, naast hem en even klein als hij, pakte de steen met beide handen en rolde hem krachtig om. Een verward geroep van fijne, hoge stemmetjes kwam op uit de vrijgekomen grond.

'Hé! Wie doet dat? Wat betekent dat? Lomperd!' klonk het door elkaar.

Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar lopen. Hij herkende de snelle, zwarte loopkever en de glimmend bruine oorworm met zijn fijne tang. Hij zag pissebedden met hun ronde ruggen en duizendpoten als slangen. In het midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel terug in zijn gang.

Pluizer liep dwars door de tierende, scheldende bende naar het hol van de aardworm.

'Hé daar! Lange, blote slungel! Kom eens tevoorschijn met je rode puntneus!' riep Pluizer.

'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.

'Jij moet eruit, omdat ik erin wil, hoor je, kale zandeter!'

Voorzichtig stak de pier zijn spitse kop uit de opening. Hij tastte er een paar keer mee rond en trok toen langzaam zijn naakte, geringde lijf verder naar boven.

Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen dromden.

'Een van jullie gaat mee en loopt voorop met licht. Nee, zwarte kever, jij bent te dik, en jij met je duizend poten zou me duizelig maken. Ha, jij daar, oorworm! Jouw gezicht bevalt me. Ga mee en draag het licht in je tang! Loopkever, loop! Zoek een dwaallicht, of haal een fakkel van rottend hout.'

De dieren kregen ontzag voor zijn bevelende stem en gehoorzaamden.

Toen daalden ze af in de gang van de worm. Voorop liep de oorworm met het lichtende hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was daar beneden nauw en donker. Zwak zag Johannes de zandkorrels in het doffe, blauwe licht. Ze leken zo groot als stenen en half doorzichtig. Het lichaam van de pier had ze tot een gladde, stevige wand geschuurd. De pier kwam nieuwsgierig achter hen aan. Achter zich zag Johannes haar spitse kop snel vooruit steken en dan weer wachten tot het lange lijf was bijgetrokken. Ze daalden zwijgend, lang en diep. Als het pad te steil werd voor Johannes, hield Pluizer hem vast. Er leek geen einde aan te komen. Er waren altijd nieuwe zandkorrels, en de oorworm kroop steeds verder, met alle bochten van de gang mee. Eindelijk werd de weg breder en gingen de wanden uit elkaar. De zandkorrels werden zwart en vochtig. Boven vormden ze een gewelf. Waterdruppels trokken daar glinsterende strepen langs, en boomwortels staken erdoorheen als stijve slangen.

Daar stond opeens een rechte wand voor Johannes, zwart en hoog. Die sloot de hele ruimte voor hem af. De oorworm draaide zich om.

'Ziezo! Nu moeten we daarachter zien te komen. Dat zal de pier wel weten, die is hier thuis.'

'Kom, wijs ons de weg!' zei Pluizer.

Langzaam schoof de aardworm zijn geringde lijf naar de zwarte wand en betastte die zoekend. Johannes zag dat het hout was. Hier en daar was het vergaan tot bruinig stof. Daar boorde de worm zich in, en het lange, soepele lijf gleed in drie keer weg.

'Nu jij!' zei Pluizer, en hij duwde Johannes in de kleine, ronde opening.

Een ogenblik dacht Johannes dat hij stikte in het zachte, vochtige, vergane hout. Toen voelde hij dat zijn hoofd vrijkwam. Met moeite werkte hij zich helemaal uit de opening. Een grote ruimte leek hem te omringen. De grond was hard en vochtig, de lucht dik en ondraaglijk benauwd. Johannes durfde bijna niet te ademen en wachtte in een angst waarvoor hij geen woorden had.

Hij hoorde Pluizers stem, die hol klonk als in een grote kelder.

'Hier Johannes, volg me!'

Voor zich voelde hij de grond oprijzen tot een berg. Aan Pluizers hand klom hij erop, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed liep dat meegaf onder zijn voeten. Hij strompelde over kuilen en heuvels achter Pluizer aan, die hem meetrok naar een vlakke plaats. Daar klemde hij zich vast aan lange halmen, die als buigzaam riet in zijn hand lagen.

'Hier staan we goed! Licht!' riep Pluizer.

Daar kwam het doffe licht uit de verte, dat met zijn drager daalde en steeg. Hoe dichterbij het kwam en hoe meer het zwakke licht de ruimte vulde, hoe vreselijker Johannes' angst werd.

De berg waarop hij had gelopen, was lang en wit. Het riet waaraan hij zich vasthield, was bruin en krulde in glinsterende golven naar beneden.

Hij herkende de rechte gestalte van een mens, en de koude vlakte waarop hij stond, was het voorhoofd.

Voor hem lagen de ingezonken ogen, als twee diepe, donkere kuilen. Het blauwe licht scheen op de dunne neus en de grauwe lippen, die open stonden in een akelige, stijve dodenlach.

Uit Pluizers mond kwam een schelle lach, die meteen doodsloeg tegen de vochtige houten wanden.

'Dit is nu een verrassing, Johannes!'

De lange worm kwam aankruipen tussen de plooien van het lijkkleed. Hij schoof voorzichtig tegen de kin op en glipte over de strakke lippen de zwarte mond in.

'Dit is nu de mooiste van het dansfeest, die jij mooier vond dan een elf. Toen stroomden er zoete geuren uit haar kleren en haar. Toen lonkten haar ogen en lachten haar lippen. Kijk nu eens!'

Ondanks zijn ontzetting was er toch ongeloof in de ogen van Johannes. Zo snel? Die pracht was er zo-even nog, en nu al …?

'Geloof je mij niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tussen toen en nu. Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar je moet het geloven. Het is hier allemaal waarheid, alles wat ik je laat zien is waar! waar! Dat kon Windekind niet zeggen.'

Grinnikend sprong Pluizer rond op het dode gezicht en maakte de afschuwelijkste grappen. Hij ging op de wenkbrauw zitten en trok bij de lange wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vrolijk had zien schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje.

'Nu vooruit!' riep Pluizer. 'Er is nog meer te zien!'

De pier kroop langzaam uit de rechter mondhoek tevoorschijn, en de angstige tocht ging verder.

Ze gingen niet terug, maar over nieuwe wegen, even lang en somber.

'Nu komt een oude,' zei de aardworm, toen er weer een zwarte wand voor hen stond. 'Deze is hier al heel lang.'

Het was minder vreselijk dan de vorige keer. Johannes zag alleen een verwarde massa, waaruit bruinige botten staken. Honderden wormen en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht bracht onrust.

'Waar komen jullie vandaan? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet nodig.'

Ze schoten snel weg tussen de plooien en in de holten. Maar ze herkenden een soortgenoot.

'Ben je in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog hard.'

De eerste worm zei van niet.

'Hij wil het buitenkansje voor zichzelf houden,' zei Pluizer zacht tegen Johannes.

Ze trokken verder. Pluizer legde alles uit en wees aan wie Johannes kende. Er kwam een misvormd gezicht, met starende, uitpuilende ogen en dikke, zwarte lippen en wangen.

'Dit was een deftig heer,' zei hij vrolijk. 'Je had hem moeten zien, zo rijk, zo voornaam en zo verwaand. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'

Zo ging het verder. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht. Er waren kleine kinderen met grote hoofden en oude gezichten als van denkers.

'Kijk, die zijn pas na hun dood oud geworden!' zei Pluizer.

Ze kwamen bij een man met een volle baard en opgetrokken lippen. Zijn witte tanden blonken. Midden in zijn voorhoofd had hij een rond, zwart gaatje.

'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij was hier toch wel gekomen.'

En weer kwamen er gangen en nieuwe gangen. Weer zagen ze rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerloze, over elkaar gelegde handen.

'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm. 'Ik weet hier de weg niet meer.'

'Laten we omkeren,' zei de pier.

'Nog één, nog één!' riep Pluizer.

De tocht ging verder.

'Alles wat je ziet, bestaat,' zei Pluizer onder het lopen. 'Het is allemaal waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. Jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'

En hij schaterde het uit toen hij de angstige, wezenloze blik van Johannes bij zijn woorden zag.

'Dit is de laatste! Echt de laatste!'

'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zei de oorworm mopperend.

'Ik wil verder!' zei Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'

Johannes gehoorzaamde zonder eigen wil in zijn ellende, en hij groef de vochtige, fijne aarde weg.

Zwijgend en zwoegend werkten ze door, totdat ze bij het zwarte hout kwamen.

De pier had zijn geringde kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.

'Ze komen er niet in, het hout is te nieuw,' zei hij bij het weggaan.

'Ik wil,' zei Pluizer, en met zijn haakvingers scheurde hij krakend lange, witte splinters uit het hout.

Een vreselijke benauwdheid drukte op Johannes. Maar hij moest, hij kon niet anders.

Eindelijk ging de donkere ruimte open. Pluizer pakte het licht en kroop snel naar binnen.

'Hier, hier!' riep hij, en hij liep naar het hoofdeinde.

Maar toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde naar de magere, witte vingers, die aan de bovenkant half verlicht waren. Opeens herkende hij ze. Hij herkende de vorm en de plooien van de vingers. Hij herkende de lange nagels, die nu donkerblauw waren geworden. Hij herkende een bruin vlekje op de wijsvinger.

Het waren zijn eigen handen.

'Hier, hier!' riep Pluizers stem van het hoofdeinde. 'Kijk eens, herken je hem?'

De arme Johannes wilde zich nog oprichten en naar het licht gaan dat hem wenkte. Maar hij kon niet meer. Het lichtje doofde tot het helemaal donker was, en hij viel bewusteloos neer.

### Woordenlijst

- **achterbuurten**: arme, vuile wijken in een stad.
- **hersenschimmen**: dingen die je je verbeeldt, maar die niet echt bestaan.
- **uur noch tijd**: geen uur en geen tijd; de tijd bestaat daar niet.
- **pissebedden**: kleine grijze diertjes met een ronde rug, die onder stenen leven.
- **oorworm**: klein bruin insect met een tang aan zijn achterlijf.
- **pier**: lange, naakte worm in de grond; ook aardworm genoemd.
- **dwaallicht**: klein licht boven nat land, dat mensen de verkeerde kant op brengt.
- **lijkkleed**: de witte doek om een dode.
- **lonkten**: lonken: op een lieve manier naar iemand kijken om zijn aandacht te trekken.
- **buitenkansje**: een onverwacht geluk, iets goeds dat je zomaar krijgt.
- **muf**: met een oude, vochtige geur.
- **gestalte**: de vorm van een persoon, vaak van een afstand gezien.
- **plooien**: vouwen in stof of in de huid.
- **galmende**: hard en lang klinkend, zoals een klok.

## XII

Diep zonk hij weg in de slaap, tot in de diepte waar geen dromen zijn.

Langzaam kwam hij weer omhoog uit die duisternis, naar het grijze, koele licht van de morgen. Toen ging hij door kleurige, zachte dromen uit vroeger tijd. Hij werd wakker, en ze gleden van zijn ziel als druppels dauw van een bloem. Zijn ogen keken kalm en vriendelijk. Ze staarden nog half in de lieve beelden die door elkaar bewogen.

Maar het vale daglicht deed hem pijn, en hij sloot zijn ogen als iemand die geen licht verdraagt. Hij zag wat hij ook de vorige morgen had gezien. Dat leek hem ver en lang geleden. Maar uur na uur kwam alles weer terug, van de droevige morgen tot de vreselijke nacht. Hij kon niet geloven dat al die verschrikkingen in één dag waren gebeurd. Het begin van zijn ellende leek zo ver weg, verloren in een grijze mist.

Zonder een spoor gleden de zachte dromen van zijn ziel. Pluizer schudde hem door elkaar, en de sombere dag begon, traag en zonder kleur. Het was de eerste van vele, vele andere.

Maar wat hij de vorige avond op die angstige tocht had gezien, bleef bij hem. Was het alleen een afschuwelijk visioen geweest?

Toen hij het Pluizer aarzelend vroeg, keek die hem spottend en verbaasd aan.

'Wat bedoel je?' vroeg hij.

Maar Johannes zag de spot in zijn blik niet. Hij vroeg of het niet echt zo was gebeurd. Hij zag het nog zo scherp en duidelijk voor zich!

'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet gebeuren!'

En Johannes wist niet wat hij moest denken.

'We zullen je gauw aan het werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen niet meer stellen.'

Ze gingen naar dokter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden wat hij zocht.

Maar in de drukke straten bleef Pluizer opeens staan en wees Johannes een man in de menigte aan.

'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer. Hij schaterde het uit toen Johannes bleek werd en de man geschrokken nakeek.

Hij had hem de vorige nacht gezien, diep onder de grond.

De dokter ontving hen vriendelijk en deelde zijn wijsheid met Johannes. Johannes luisterde die dag urenlang, en nog veel dagen daarna.

Wat hij zocht, had de dokter nog niet gevonden. Maar hij had het bijna, zei hij. Hij zou Johannes zover brengen als hijzelf was, en dan zouden ze er samen wel komen.

Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden lang. Hij had weinig hoop, maar hij begreep dat hij nu door moest gaan, zo ver mogelijk. Hij vond het vreemd dat het steeds donkerder om hem heen werd, terwijl hij licht zocht. Het begin van alles wat hij leerde, was het beste. Maar hoe dieper hij kwam, hoe doodser en donkerder het werd. Hij begon met planten en dieren, met alles om hem heen. En als hij er lang naar had gekeken, werden het cijfers. Alles viel uit elkaar in cijfers, bladzijden vol cijfers. Dokter Cijfer vond dat heerlijk. Hij zei dat het licht voor hem werd als de cijfers kwamen. Maar voor Johannes was dat duisternis.

Pluizer verliet hem niet. Als hij moedeloos en moe was, joeg hij hem verder, alsof hij hem met een zweep sloeg. Elk ogenblik van plezier of bewondering bedierf hij voor hem.

Johannes was verbaasd en blij toen hij leerde hoe fijn de bloemen gebouwd waren. Hij zag hoe ze vruchten vormden en hoe de insecten hen daarbij hielpen, zonder het te weten.

'Dat is toch prachtig,' zei hij. 'Hoe precies is dat allemaal berekend, en hoe fijn en handig gemaakt.'

'Ja, verbazend handig,' zei Pluizer. 'Jammer dat het grootste deel van al dat handige en fijne nergens toe dient. Hoeveel bloesems worden vruchten, en hoeveel pitten worden bomen?'

'Maar het lijkt toch allemaal volgens een groot plan gemaakt,' antwoordde Johannes. 'Kijk! De bijen zoeken honing voor zichzelf en weten niet dat ze de bloemen helpen. En de bloemen lokken de bijen met hun kleur. Het is een plan, en ze werken er allebei aan mee zonder het te weten.'

'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen de kans zien, bijten ze onder in de bloem een gat. Dan is het hele ingewikkelde plan voor niets geweest. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij voor de gek laat houden.'

Bij het wonderlijke lichaam van mensen en dieren ging het nog erger. In alles wat Johannes mooi en knap gemaakt vond, liet Pluizer de fouten en gebreken zien. Hij liet hem het hele leger van ziekten en ellende zien dat mensen en dieren kan treffen. Het liefst koos hij het walgelijkste en afstotelijkste uit.

'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte, vergat hij iets. De mensen hebben hun handen vol om al die gebreken zo goed mogelijk op te lappen. Kijk maar om je heen! Een paraplu, een bril, zelfs kleren en huizen, het is allemaal menselijk lapwerk. Het hoort helemaal niet bij het plan. De plannenmaker heeft er niet aan gedacht dat mensen het koud zouden krijgen. Hij dacht er niet aan dat ze boeken zouden lezen en duizend andere dingen zouden gaan doen. Daarvoor deugde zijn plan niet. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te bedenken dat ze eruit zouden groeien. Nu zijn bijna alle mensen allang uit hun natuurpakje gegroeid. Nu gaan ze alles zelf doen en storen ze zich helemaal niet meer aan de plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet heeft gegeven, nemen ze brutaal en op eigen gezag. Hij wilde hen duidelijk laten sterven, maar met allerlei trucs ontlopen ze de dood soms lange tijd.'

'Maar het is de schuld van de mensen,' riep Johannes. 'Waarom gaan ze met opzet weg van de natuur?'

'O domme Johannes! Als een kindermeid een onnozel kind met vuur laat spelen en het brandt zich, wie heeft dan de schuld? Het kind dat geen vuur kende, of de meid die wist dat het kind zich zou branden? En wie heeft de schuld als de mensen wegdwalen in ellende en onnatuur? Zijzelf, of de alwijze plannenmaker, bij wie ze zijn als onwetende kinderen?'

'Maar ze zijn niet onwetend, ze wisten …'

'Johannes! Stel dat jij tegen een kind zegt: "Raak dat vuur niet aan! Het doet pijn." En stel dat het kind het toch doet, omdat het niet weet wat pijn is. Kun jij dan zeggen dat je geen schuld hebt? Kun jij zeggen: "Kijk! Het kind was niet onwetend"? Want jij wist dat het niet naar je raad zou luisteren. Mensen zijn dwaas en dom als kinderen. Maar glas is breekbaar en klei is week. En wie mensen maakt en geen rekening houdt met hun dwaasheid, is als iemand die wapens van glas maakt. Hij bedenkt niet dat ze zullen breken. Hij is als iemand die pijlen van klei maakt en niet bedenkt dat ze zullen buigen.'

Die woorden vielen als druppels vloeibaar vuur op Johannes' ziel. In zijn borst zwol het grootste verdriet. Het verdreef zijn vroegere pijn, en vaak moest hij erom huilen, in de stille, slapeloze uren van de nacht.

Ach! Slaap! Slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het liefste was van alles. In de slaap was geen gedachte en geen verdriet. En zijn dromen brachten hem altijd terug naar zijn vroegere leven. Heerlijk leek het hem als hij ervan droomde. Maar overdag kon hij zich niet meer herinneren hoe het was geweest. Hij wist alleen dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren dan het lege, dode gevoel dat hij nu kende. Eens had hij met pijn naar Windekind verlangd. Eens had hij uren en uren op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat geweest!

Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe minder zijn verlangen werd. Want ook dat werd uit elkaar gehaald. Toen schaamde hij zich, en dokter Cijfer zei dat hij er nog geen cijfers van kon maken, maar dat dat wel gauw zou gebeuren. Zo werd het donkerder en donkerder om de kleine Johannes.

Hij voelde een zwakke dankbaarheid dat hij Robinetta niet had herkend op zijn vreselijke tocht met Pluizer.

Als hij er met Pluizer over sprak, zei die niets en lachte hij sluw. Maar Johannes begreep dat het niet was geweest om hem te sparen.

De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer om hem de mensen te laten zien. Hij kon hem overal brengen. Hij nam hem mee naar de ziekenhuizen, waar de zieken in grote zalen lagen. Daar waren lange rijen bleke, uitgeteerde gezichten, die dof of pijnlijk keken. Er hing een sombere stilte, die alleen werd gebroken door hoesten en jammeren. En Pluizer wees hem aan wie van hen die zalen nooit meer zouden verlaten. Op een vast uur stroomden mensen het gebouw binnen om hun zieke familie te bezoeken. Dan zei Pluizer: 'Kijk! Die weten allemaal dat ook zij eens in dit huis en in die droeve zalen terechtkomen. Dan worden ze er in een zwarte kist uitgedragen.'

'Hoe kunnen ze nog ooit vrolijk zijn?' dacht Johannes.

Pluizer bracht hem ook naar een kleine zaal boven in het gebouw. Daar was het droevig half donker. De verre klanken van een piano uit een huis in de buurt kwamen er steeds, dromerig, binnen. Daar wees Pluizer hem tussen de anderen een zieke aan. Die staarde suf voor zich uit, naar een smal zonnestraaltje dat langzaam langs de muur kroop.

'Die ligt daar al zeven jaar,' zei Pluizer. 'Hij is zeeman geweest. Hij heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan en de bossen van Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange jaren met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer weg, maar het kan nog even lang duren.'

Na die dag was het Johannes' ergste droom dat hij opeens wakker werd in dat zaaltje. Daar lag hij dan in dat droevige halfdonker, bij die dromerige klanken. Tot aan het einde zou hij niets anders meer zien dan het licht dat kwam en ging.

Pluizer bracht hem ook in de grote kerken en liet hem luisteren naar wat daar werd gezegd. Hij bracht hem naar feesten, naar grote plechtigheden en in de binnenkamers van veel huizen.

Johannes leerde de mensen kennen. Soms moest hij dan denken aan zijn vroegere leven. Hij dacht aan de sprookjes die Windekind hem had verteld, en aan wat hij zelf had meegemaakt. Er waren mensen die hem deden denken aan de glimworm, die in de sterren zijn gestorven vrienden meende te zien. Andere leken op de ene meikever, die een dag ouder was dan de andere. Die had zoveel over een roeping gesproken. Hij hoorde verhalen die hem aan Kribbelgauw deden denken, de held van de kruisspinnen. Of aan de aal, die niets deed en te eten kreeg omdat een dikke koning deftig stond. Zichzelf vergeleek hij wel met de jonge meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt over het vloerkleed kroop. Om zijn lijf zat een draadje, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.

Ach, de tuin zou hij wel niet meer vinden. Wanneer zou de zwarte voet komen om hem te verpletteren?

Pluizer lachte hem uit als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te geloven dat Windekind er nooit was geweest.

'Maar Pluizer! Dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'

'Niets! Niets! Er zijn mensen en cijfers. Dat is allemaal waar, dat bestaat, eindeloos veel cijfers.'

'Maar Pluizer, dan hebt u mij bedrogen. Laat mij ophouden, laat mij niet meer zoeken, laat mij alleen!'

'Weet je niet meer wat de Dood heeft gezegd? Een mens zou je worden, een volmaakt mens.'

'Ik wil niet, het is vreselijk.'

'Je moet, je hebt het een keer gewild. Kijk eens naar dokter Cijfer, vindt die het vreselijk? Word zoals hij is.'

Het was waar. Dokter Cijfer leek altijd rustig en gelukkig. Hij ging zonder moe te worden zijn weg, kalm en tevreden. Hij studeerde en gaf les, en niets bracht hem van zijn stuk.

'Kijk hem eens,' zei Pluizer. 'Hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de mensen alsof hij zelf een ander wezen is, dat niets met hen te maken heeft. Hij loopt tussen ziekten en ellende alsof niets hem kan raken. Hij gaat met de dood om alsof hij zelf onsterfelijk is. Hij wil alleen begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. Hij is met alles tevreden, zodra hij het heeft bereikt. Zo moet jij ook worden.'

'Maar dat kan ik nooit.'

'Ja, daar kan ik niets aan doen.'

Zo eindigde hun gesprek altijd, zonder hoop. Johannes werd dof en onverschillig. Hij zocht en zocht, en hij wist niet meer waarnaar en waarom. Hij werd als de velen die met Wistik hadden gesproken.

Het werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

Op een koude, mistige morgen lag de natte, vuile sneeuw op de straten en druppelde die van bomen en daken. Hij liep met Pluizer zijn dagelijkse weg.

Op een plein kwam hij een rij jonge meisjes tegen, met schoolboeken in hun hand. Ze gooiden sneeuw naar elkaar en lachten en stoeiden. Helder klonken hun stemmetjes over het besneeuwde plein. Je hoorde geen voetstappen of wagens, alleen de rinkelende bellen van de paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blije lach door de stilte. Johannes zag dat een van de meisjes naar hem keek en hem bleef nakijken. Ze had een bontmanteltje aan en droeg een zwarte hoed. Hij kende haar gezicht heel goed, maar hij wist toch niet wie ze was. Ze knikte eens, en nog eens.

'Wie is dat? Ik ken haar.'

'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar Robinetta.'

'Nee, dat kan niet. Ze lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje.'

'Ha! ha! ha! Zij kan niet op niemand lijken. Maar zij is wie ze is. Je hebt naar haar verlangd. Ik wil je nu wel bij haar brengen.'

'Nee, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zoals de anderen.'

En Johannes keek niet meer om, maar liep snel door en mompelde:

'Dat is het laatste, er is niets! niets!'

### Woordenlijst

- **visioen**: iets wat je voor je ziet alsof het echt is, maar wat misschien niet echt is.
- **lapwerk**: iets wat snel en niet zo goed gerepareerd is.
- **onnatuur**: wat ingaat tegen de natuur.
- **alwijze**: alles wetend; iemand die over alles wijs is.
- **verminkt**: zwaar gewond, met delen van het lichaam die stuk of weg zijn.
- **uitgeteerde**: heel mager en zwak door ziekte.
- **onsterfelijk**: wie onsterfelijk is, kan niet doodgaan.
- **kruisspinnen**: grote spinnen met een kruis op hun rug.
- **dauw**: kleine druppels water die 's morgens op het gras en op bloemen liggen.
- **verschrikkingen**: heel erge, angstige dingen.
- **ijverig**: hard werkend, met veel aandacht.
- **bloesems**: bloemen aan een boom of struik.
- **afstotelijkste**: het allerlelijkste, waar je het meest van schrikt of walgt.

## XIII

Het heldere, warme zonlicht van een eerste lentemorgen stroomde over de grote stad. Felle stralen vielen in het kamertje waar Johannes woonde. Op het lage plafond trilde en schommelde een grote lichtvlek. Dat was de weerspiegeling van het rimpelende water in de gracht.

Johannes zat voor het raam in de zon en staarde over de stad. Ze zag er helemaal anders uit. De grijze mist was een glanzende, blauwe nevel van zonlicht geworden. Die hing om het einde van de lange straten en om de torens in de verte. De lichte randen van de leien daken schitterden zilverwit. Door het zonlicht hadden alle huizen heldere lijnen en lichte vlakken. Er was een warme trilling in de bleekblauwe lucht. Het water leek tot leven gekomen. De bruine knopjes van de iepen waren dik en glanzend, en luidruchtige mussen fladderden tussen de takjes.

Johannes kreeg een heel vreemd gevoel terwijl hij zat te staren. De zon bracht hem in een zoete verdoving.

Hij vergat er alles door, en meteen voelde hij iets heerlijks. Dromend staarde hij naar de schittering van de golfjes en naar de zwellende iepenknopjes. Hij luisterde naar het tjilpen van de mussen. Er was vreugde in dat geluid.

Zo zacht was hij in lange tijd niet gestemd geweest. Zo gelukkig had hij zich in lange tijd niet gevoeld.

Dat was de oude zonneschijn, en hij herkende hem. Dat was de zon die hem vroeger naar buiten riep, naar de tuin. Daar ging hij dan op de warme grond liggen, in de beschutting van een oud muurtje. Daar kon hij lang genieten van al dat licht en die warmte. Hij staarde naar de grassprietjes en de kluitjes aarde voor hem, en de zon koesterde hem.

Hij voelde zich zo goed in dat licht. Het gaf hem het veilige gevoel van thuis. Hij herinnerde zich dat het heel vroeger zo was geweest, in de armen van zijn moeder. Hij moest aan alles van vroeger denken, maar hij huilde en verlangde niet. Hij zat stil te dromen en wenste alleen dat de zon mocht blijven.

'Wat zit je daar suf te doen, Johannes?' riep Pluizer. 'Je weet dat ik niet van dromen houd.'

Johannes sloeg smekend zijn nadenkende ogen op.

'Laat mij nog even zo blijven,' zei hij. 'De zon is zo goed.'

'Wat vind je aan die zon?' zei Pluizer. 'Het is toch niets anders dan een grote kaars. Of je in kaarslicht of in zonlicht zit, is precies hetzelfde. Kijk! Die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is alleen maar het schijnsel van een licht dat wat rustig brandt en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! Daar! Voorbij dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! Daar is het nu nacht, nu en altijd.'

Maar zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme zonnestralen drongen in hem door en vulden zijn hele ziel. Het was licht en vredig in hem.

Pluizer nam hem mee naar het koude huis van dokter Cijfer. Een tijdlang zweefden de beelden van de zon nog voor zijn geest. Toen werden ze langzaam zwakker, en midden op de dag was het helemaal donker in hem.

Maar toen hij 's avonds weer door de straten liep, was de lucht zacht en vol vochtige lentegeuren. Alles rook sterker, en in de nauwe straten werd hij er benauwd van. Maar op de open pleinen rook hij het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij de lente, in de rustige wolkjes en het tere rood in het westen.

De schemering spreidde een zachte, grijze nevel over de stad, vol fijne kleuren. Het werd stil in de straten. Alleen een draaiorgel in de verte speelde een droevig wijsje. De huizen leken zwarte schimmen tegen de rode avondhemel. Als talloze armen staken ze hun vreemde spitsen en schoorstenen omhoog.

Toen de zon voor het laatst over de grote stad scheen, was het voor Johannes als een vriendelijke glimlach. Het was vriendelijk als de glimlach die een dwaasheid vergeeft. En de zachte lucht streek lief langs zijn wangen.

Toen kwam er een groot, zacht verdriet in Johannes' hart. Het was zo groot dat hij niet verder kon lopen. Hij moest diep ademhalen en zijn gezicht opheffen naar de wijde hemel. De lente riep hem en hij hoorde het. Hij wilde antwoorden, hij wilde komen. Alles in hem was spijt en liefde en vergeving.

Vol verlangen staarde hij omhoog, en tranen gleden uit zijn droevige ogen.

'Kom! Johannes! Doe niet zo raar, de mensen kijken!' zei Pluizer.

De lange, saaie rijen huizen strekten zich aan beide kanten somber en akelig uit. Ze waren een klacht in de zachte lucht, een jammerende toon tussen het roepen van de lente!

De mensen zaten aan de deuren en op de stoepen om van de lente te genieten. Johannes vond het een bespotting. De vuile deuren stonden open, en de muffe ruimte daarbinnen wachtte op hen. In de verte rekte het orgel nog zijn droevige tonen.

'O! Kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar—de zee!'

Maar hij moest mee naar het hoge, kleine kamertje, en die nacht lag hij wakker.

Hij moest denken aan zijn vader en aan de lange wandelingen met hem. Dan liep hij tien stappen achter hem, en zijn vader schreef letters voor hem in het zand. Hij moest denken aan de plaatsen waar de viooltjes groeien tussen het kreupelhout. Hij dacht aan de dagen waarop hij ze met zijn vader had gezocht. De hele nacht zag hij het gezicht van zijn vader. Hij zag het zoals het was als hij 's avonds bij het stille lamplicht naar hem keek. Dan luisterde hij naar het krassen van zijn pen.

Toen vroeg hij Pluizer iedere morgen of hij nog één keer terug mocht, naar zijn huis en zijn vader. Hij wilde nog één keer zijn tuin en de duinen zien. Nu merkte hij dat hij meer van zijn vader had gehouden dan van Presto en zijn kamertje. Want om hem vroeg hij het.

'Zeg mij alleen hoe het met hem gaat, en of hij nog boos op mij is omdat ik zo lang ben weggebleven.'

Pluizer haalde zijn schouders op.

'Al wist je dat nu, wat zou het je helpen?'

Maar de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iedere nacht droomde hij van het donkergroene mos op de hellingen van de duinen. Hij droomde van zonnestralen die door het fijne, jonge groen schenen.

'Het kan zo niet langer duren,' dacht Johannes. 'Ik houd het niet uit.'

Als hij niet kon slapen, stond hij vaak zachtjes op, ging naar het raam en staarde de nacht in. Hij zag hoe de slaperige, donzige wolkjes langzaam langs de maan schoven. Ze dreven vredig in een zee van zachte glans. Hij dacht aan de duinen in de verte, die nu sliepen in de zachte nacht. Hoe wonderlijk moest het zijn in de lage bosjes! Daar zou geen van de jonge blaadjes bewegen. Daar zou het ruiken naar vochtig mos en jonge berkentakjes. Hij dacht dat hij van ver het golvende koor van de kikkers hoorde, dat geheimzinnig over de velden komt aanzweven. En hij dacht dat hij het lied hoorde van de enige vogel die de plechtige stilte mag begeleiden. Die begint zijn lied zo zacht en klagend, en hij breekt het zo plotseling af. Daardoor lijkt de stilte nog stiller. En het riep hem, alles riep hem. Hij boog zijn hoofd op de vensterbank en snikte op zijn arm.

'Ik kan niet! Ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven als ik niet mag komen.'

Toen Pluizer hem de volgende dag wakker maakte, zat hij nog bij het raam. Hij was daar in slaap gevallen met zijn hoofd op zijn arm.

De dagen gingen voorbij en werden lang en warm, en er veranderde niets. Maar Johannes stierf niet, en hij moest zijn verdriet dragen.

Op een morgen zei dokter Cijfer tegen hem: 'Ga je mee, Johannes? Ik moet een zieke bezoeken.'

Dokter Cijfer stond bekend als een geleerd man, en velen riepen zijn hulp in tegen ziekte en dood. Johannes was al vaak met hem meegegaan.

Pluizer was die morgen bijzonder vrolijk. Hij ging steeds op zijn hoofd staan, hij danste en buitelde en maakte allerlei wilde grappen. Hij grinnikte de hele tijd geheimzinnig, als iemand die een verrassing voor een ander heeft bedacht. Johannes was erg bang voor hem als hij zo was.

Maar dokter Cijfer bleef ernstig, zoals altijd.

Ze maakten die morgen een lange reis, met de trein en te voet. Ze gingen verder dan anders. Nog nooit was Johannes mee de stad uit genomen.

Het was een warme, zonnige dag. Uit de trein zag Johannes de grote, groene weiden voorbijgaan, met lang, pluimend gras en grazende koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het land vol bloemen, waar de lucht trilde van de hitte.

Maar opeens ging er een rilling door hem heen. Daar lag de lange, golvende rij duinen!

'Nu, Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'

Half ongelovig bleef Johannes naar de duinen staren. Ze kwamen dichter en dichterbij. De lange sloten aan beide kanten leken om hun middelpunt te draaien, en een paar huizen vlogen snel langs de weg voorbij.

Toen kwamen de bomen: dichte kastanjebomen, rijk bloeiend met duizenden grote witte of rode bloemtrossen. Daarna donkere, blauwgroene dennen en grote, statige linden.

Het was toch waar, hij ging zijn duinen terugzien.

De trein stopte, en toen liepen ze met z'n drieën te voet, onder de schaduw van de bladeren.

Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken van de zonnestralen op de grond van het bos. Dat was de geur van berkentakjes en dennennaalden.

'Is het waar! Is het echt waar?' dacht Johannes. 'Zou het geluk komen?'

Zijn ogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te geloven in zijn geluk. Deze bomen en deze grond kende hij. Over dit bospad had hij vaak gelopen.

Ze waren alleen op de weg. Toch moest Johannes omkijken, alsof iemand hen volgde. Hij dacht dat hij tussen de eikenbladeren de donkere figuur van een mens zag. De laatste bocht van het pad verborg die steeds weer.

Pluizer keek hem gemeen en geheimzinnig aan. Dokter Cijfer liep met lange stappen en keek naar de grond.

De weg werd hem steeds bekender en vertrouwder. Iedere steen en ieder struikje kende hij. Toen schrok Johannes opeens hevig, want hij stond voor zijn eigen huis.

De kastanjeboom voor het huis spreidde zijn grote bladeren als handen uit en gaf schaduw. Tot boven in de hoge top stonden de prachtige witte bloesems in de volle, ronde massa bladeren.

Hij hoorde de deur opengaan, een geluid dat hij zo goed kende. Hij rook de geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de deuren, alles, stuk voor stuk. Het deed hem pijn, want die vertrouwdheid was verloren. Het was allemaal een deel van zijn leven, van zijn eenzame, dromerige kinderleven. Tegen al die dingen had hij gesproken. Hij had met hen geleefd in zijn gedachten, waar hij geen mens toeliet. Maar nu voelde hij zich gescheiden van het hele oude huis, met zijn kamers en gangen en overlopen. Het was alsof het voor hem gestorven was. Hij voelde dat die scheiding nooit meer ongedaan kon worden. Het was alsof hij een kerkhof bezocht, zo droevig was het.

Was Presto maar naar hem toe gesprongen, dan zou het minder akelig zijn. Maar Presto was zeker weg of dood.

Maar waar was zijn vader?

Hij keek terug naar de open deur en de zonnige tuin daarbuiten. Daar zag hij de man die hem onderweg leek te volgen, nu al naar het huis toe komen. Hij kwam dichter en dichterbij, en hij leek groter te worden. Toen hij bij de deur was, vulde een grote, koude schaduw de gang. Toen herkende Johannes de Man.

Het was doodstil in huis, en ze gingen zwijgend de trap op. Er was een trede die altijd kraakte als je erop stapte, dat wist Johannes. En nu hoorde hij die drie keer kraken. Het klonk als pijnlijk kreunen. Maar onder de vierde voetstap was het als een doffe snik.

En boven hoorde Johannes gekreun, zacht en zo regelmatig als het langzame tikken van een klok. Het was een pijnlijk, akelig geluid.

De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij keek even angstig naar binnen. De vreemde bloemfiguren op het behang staarden hem verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.

Ze gingen naar de kamer waar het geluid vandaan kwam. Het was de slaapkamer van zijn vader. De zon scheen vrolijk naar binnen, op de gesloten groene gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in de zon. Er hing een benauwende geur van wijn en kamfer. Het zachte kreunen klonk nu van dichtbij.

Johannes hoorde fluisterende stemmen en het schuifelen van voorzichtige voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opengeslagen.

Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij de laatste tijd zo vaak voor zich had gezien. Maar het was helemaal anders. De vriendelijke, ernstige uitdrukking was weg, en het gezicht keek strak en benauwd. Het was vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren te zien in de halfopen mond, en het wit van de ogen onder de half gesloten oogleden. Het hoofd lag diep in het kussen. Bij het kreunen kwam het regelmatig even omhoog, om dan weer moe opzij te vallen.

Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde, strakke ogen naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht. Hij durfde geen vinger te bewegen. Hij durfde die oude, bleke handen niet vast te pakken, die slap op het witte laken lagen.

Alles om hem heen was zwart. De zon en de lichte kamer, het groen buiten en de blauwe lucht van daarnet, alles wat achter hem lag, werd zwart. Het werd zwart, dof en ondoordringbaar. En in die nacht zag hij alleen dat bleke hoofd voor hem. Hij kon alleen maar denken aan dat arme hoofd. Het leek zo moe, en het moest toch steeds weer met dat pijnlijke geluid omhoogkomen.

Toen veranderde er een ogenblik iets in de regelmatige beweging. Het kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open. De ogen keken zoekend rond, en de lippen probeerden iets te zeggen.

'Dag vader!' fluisterde Johannes, en hij staarde bang en bevend in de zoekende ogen.

De doffe blik rustte toen even op hem, en een zwak, zwak glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, gerimpelde hand kwam van het laken omhoog en maakte een onzekere beweging naar Johannes. Toen viel ze krachteloos weer neer.

'Kom! kom!' zei Pluizer. 'Geen scène hier.'

'Ga uit de weg, Johannes,' zei dokter Cijfer. 'Wij moeten kijken wat er gedaan kan worden.'

De dokter begon het onderzoek, maar Johannes ging weg van het bed en bleef voor het raam staan. Hij keek naar het zonnige gras en de heldere lucht. Hij keek naar de brede kastanjebladeren, waarop dikke vliegen zaten, die blauw glansden in de zon. Het kreunen begon weer, even regelmatig als eerst.

Een zwarte merel huppelde door het hoge gras in de tuin. Grote rood met zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken. Uit de bladeren van de hoogste bomen drong het zachte, lieve koeren van de bosduiven tot Johannes door.

Hier binnen ging het kreunen door, altijd door, altijd door. Hij moest ernaar luisteren. Het kwam regelmatig en je kon er niet aan ontkomen, als de vallende druppel die je krankzinnig maakt. Gespannen wachtte hij bij elke pauze, en telkens kwam het terug, verschrikkelijk als de voetstap van de naderende dood.

En buiten was er warme, rijke zonnevrede. Alles koesterde zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoet plezier. Boven de hoge boomtoppen, diep in het trillende blauw, zweefde een reiger met kalme slagen van zijn vleugels.

Johannes begreep het niet, het was voor hem allemaal een raadsel. Het was zo verward en donker in zijn ziel.

'Hoe kan dit allemaal tegelijk in mij zijn!' dacht hij.

'Ben ik dit echt? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij, mij, Johannes?'

Het was alsof hij over een vreemde sprak. Het was allemaal een verhaal dat hij had gehoord. Hij had iemand horen vertellen over Johannes en over het huis waar hij woonde. En over zijn vader, die hij had verlaten en die nu ging sterven. Hij was het zelf niet, hij had het horen vertellen. Het was wel een droevig verhaal, heel droevig. Maar het had niets met hem te maken.

Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!

'Ik begrijp de zaak niet,' zei dokter Cijfer, en hij kwam overeind. 'Het is een raadselachtig geval.'

Pluizer kwam bij Johannes staan.

'Kom je niet eens kijken, Johannes? Het is een belangrijk geval. De dokter weet het niet.'

'Laat mij,' zei Johannes, zonder zich om te draaien. 'Ik kan niet denken.'

Maar Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, zoals hij altijd deed.

'Niet denken! Dacht je dat je niet kon denken? Dat heb je mis. Je moet denken. Al kijk je nu naar het groen en de blauwe lucht, dat helpt niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man daar gaat toch dood. Dat heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn ziekte zijn, denk je?'

'Ik weet het niet! Ik wil het niet weten.'

Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, dat zacht klagend en verwijtend klonk. Dokter Cijfer maakte aantekeningen in een boekje. Bij het hoofd van het bed zat de donkere gestalte die hen was gevolgd. Zijn hoofd was gebogen. Zijn lange hand was naar de zieke uitgestrekt, en zijn diepliggende ogen keken naar de klok.

Het scherpe fluisteren bij zijn oor begon weer.

'Waarom kijk je zo verdrietig, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je op Windekind? Als hij ergens is, moet hij daar zijn. Waarom komt hij nu niet? Zou hij bang zijn voor die donkere vriend aan het hoofdeinde? Die was er toch altijd.'

'Zie je nu wel dat het allemaal verbeelding is geweest, Johannes?'

'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zo-even. Je kunt horen dat het wel gauw helemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er hebben er al zoveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep tussen de duinrozen. Waarom sta je hier nu te treuren en ga je niet de duinen in, zoals vroeger? Kijk! Alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee met al die vrolijkheid en dat leven?'

'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je wilde zijn, en nu is het weer niet goed. Kijk! Ik laat je gaan. Ga door het hoge gras, lig in die koele schaduw. Laat de vliegen om je heen gonzen en ruik de geur van het jonge kruid! Ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'

'Wil je niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik je heb verteld? Loog Windekind of ik?'

'Hoor het kreunen! Zo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'

'Kijk maar niet zo angstig om, Johannes. Hoe eerder het stil is, hoe beter. Nu komen er geen lange wandelingen meer. Nu zul je niet meer met hem naar viooltjes zoeken. Met wie zou hij die twee jaren hebben gewandeld, denk je, toen jij weg was? Ja, je kunt het hem nu niet meer vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je wel tevreden zijn met mij. Als je mij wat eerder had gekend, zou je nu niet zo ellendig kijken. Je bent nog lang niet zoals je moet zijn. Denk je dat dokter Cijfer in jouw geval zo zou kijken? Het zou hem even verdrietig maken als die kat, die daar spint in de zon. En dat is goed. Waar dient die ellende voor? Hebben de bloemen je die geleerd? Die treuren ook niet als er een wordt geplukt. Is dat niet gelukkig? Ze weten niets, daarom zijn ze zo. Jij bent eens begonnen iets te weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan alleen ik je leren. Alles of niets.'

'Luister naar mij. Wat maakt het uit of dat je vader is? Het is een mens die sterft, dat is een gewone zaak.'

'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak, niet waar? Dit zijn nu wel de laatste.'

Johannes keek angstig en benauwd naar het bed.

Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en ging spinnend naast de stervende in bed liggen.

Het arme, vermoeide hoofd bewoog niet meer. Het lag stil, in het kussen gezonken. Maar uit de halfopen mond kwamen nog regelmatig de korte, doffe klanken.

Ze werden zachter, zachter, bijna niet meer te horen.

Toen draaide de Dood zijn donkere ogen van de klok naar het ingezonken hoofd en hief zijn hand op. Daarna werd het stil.

Een vale schaduw viel over het strakke gezicht.

Stilte, doffe, lege stilte!

Johannes wachtte, wachtte.

Maar de regelmatige klank kwam niet terug. Het bleef stil, een grote, suizende stilte.

De spanning van het luisteren in de laatste uren hield op. Het was alsof zijn ziel werd losgelaten en in een zwarte, bodemloze leegte viel. Hij viel dieper en dieper. Het werd stiller en donkerder om hem heen.

Daar klonk Pluizers stem, als van ver weg.

'Ziezo! Dat verhaaltje is weer uit.'

'Dat is goed,' zei dokter Cijfer. 'Nu kunt u zien wat het is geweest. Ik laat dat aan u over. Ik moet weg.'

Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.

De kat zette een hoge rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij zocht de zon weer op.

Johannes zag hoe Pluizer een mes pakte, het zorgvuldig bekeek en ermee naar het bed liep.

Toen schudde Johannes de verdoving van zich af. Voordat Pluizer bij het bed was, stond hij voor hem.

'Wat wilt u?' vroeg hij. Zijn ogen stonden wijd open van ontzetting.

'We zullen zien wat het is geweest,' zei Pluizer.

'Nee!' zei Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.

'Wat betekent dat?' zei Pluizer, en zijn blik flikkerde woedend.

'Kun jij mij iets verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'

'Ik wil niet,' zei Johannes.

Hij klemde zijn tanden op elkaar en haalde diep adem. Vast keek hij Pluizer aan en strekte zijn hand naar hem uit.

Maar Pluizer kwam dichterbij. Toen greep Johannes hem bij zijn polsen en vocht met hem.

Pluizer was sterk, dat wist hij. Nog nooit had hij hem weerstaan. Maar hij liet niet los, en zijn wil brak niet.

Het mes schitterde voor zijn ogen. Hij zag vonken en rode vlammen, maar hij gaf niet toe en bleef vechten. Hij wist wat er zou komen als hij het opgaf. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. Maar wat daar achter hem lag, was zijn vader, en hij wilde het niet zien.

Terwijl ze hijgend vochten, lag achter hem het dode lichaam, uitgestrekt en bewegingloos. Het lag nog zoals op het ogenblik dat de stilte kwam. Het wit van de ogen was te zien als een smalle streep. De mondhoeken waren opgetrokken tot een strakke grijns.

Alleen als ze in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het hoofd zachtjes heen en weer.

Johannes hield nog vol. Zijn adem begaf het en hij zag niets meer. Een sluier van bloedrood licht hing voor zijn ogen. Toch hield hij vol.

Toen werden de polsen onder zijn greep langzaam zwakker. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn lichaam, en zijn gesloten handen waren leeg.

Toen hij opkeek, was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en knikte.

'Dat was goed van u, Johannes,' zei hij.

'Zal hij terugkomen?' fluisterde Johannes.

De Dood schudde zijn hoofd.

'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'

'En Windekind? Zal ik nu Windekind terugzien?'

Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstaanjagend meer, maar zacht en ernstig. Die blik trok Johannes aan, als een grote diepte.

'*Ik* alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt u het boekje vinden.'

'Neem mij dan mee. Er is nu niemand meer. Neem mij nu ook mee, zoals de anderen. Ik wil niets anders meer …'

Weer schudde de Dood zijn hoofd.

'U houdt van de mensen, Johannes. U wist het niet, maar u hebt altijd van hen gehouden. U moet een goed mens worden. Het is iets moois, een goed mens te zijn.'

'Ik wil niet, neem mij mee …'

'Dat is niet zo. U wilt. U kunt niet anders!'

Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' ogen. Ze vloeide weg in vage vormen. Een dunne, grijze mist zweefde in de kamer en trok weg langs de zonnestralen.

Johannes boog zijn hoofd over de rand van het bed en huilde bij de dode man.

### XIV

Na lange tijd hief hij zijn hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en hadden een rode glans. Ze leken rechte, gouden staven.

'Vader! Vader!' fluisterde Johannes.

Buiten vulde de zon de hele natuur met een wolk van schitterend goud. Elk blad hing roerloos, en alles zweeg in de plechtige heiligheid van de zon.

En langs het licht kwam een zacht suizen naar binnen. Het was alsof de lichte stralen zongen.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes hief zijn hoofd op en luisterde. Het ruiste in zijn oren.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Het leek op Windekinds stem. Alleen die had hem zo genoemd. Zou hij hem nu roepen?

Maar hij keek naar het gezicht naast hem. Hij wilde niet meer luisteren.

'Arme, lieve vader!' zei hij.

Maar opeens klonk het weer om hem heen, van alle kanten, zo sterk en zo dringend, dat hij rilde van een wonderlijk gevoel.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes stond op en staarde naar buiten. Wat een licht! Wat een heerlijk licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het trilde tussen de grashalmen en het vonkte in de donkere plekken schaduw. De hele lucht was ermee gevuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, tere avondwolkjes vormden.

Over het grasveld, tussen de groene bomen en struiken, zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood goud, en in hun schaduwen hing het blauw van de hemel.

Rustig lagen ze uitgestrekt in een kleed van tere kleuren. De fijne golving van hun lijnen bracht vrede, als een gebed. Johannes voelde weer hoe het was toen Windekind hem had leren bidden.

Was daar niet de lichte gestalte in het blauwe jurkje? Kijk! Daar midden in het licht, wat daar schemert in een nevel van goud en blauw, is dat niet Windekind, die hem wenkt?

Johannes vloog naar buiten, de glans van de zon in. Daar bleef hij even staan. Hij voelde hoe heilig het licht was. Hij durfde bijna niet te bewegen, nu de bladeren zo stil waren.

Maar daar voor hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! Hij was het. Zijn stralende hoofdje was naar hem toe gedraaid, zijn mond stond half open, als om te roepen. Hij wenkte hem met zijn rechterhand. In zijn linkerhand hield hij iets omhoog. Hij hield het hoog met de toppen van zijn slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

Met een blije kreet van geluk en verlangen rende Johannes naar de geliefde gestalte. Maar Windekind ging omhoog en zweefde voor hem uit, met een lachend gezicht en een wenkende hand. Soms raakte hij langzaam de aarde. Maar dan ging hij weer omhoog en zweefde licht en snel verder, als een pluisje dat door de wind wordt meegenomen.

Johannes wilde ook omhoog en zweven, zoals vroeger en zoals in zijn droom. Maar de aarde trok aan zijn voeten, en zijn stappen bleven zwaar op het gras. Met moeite moest hij zijn weg zoeken door de struiken. Hun bladeren ritselden langs zijn kleren, en hun takken sloegen hem in zijn gezicht. Zwoegend moest hij de mossige hellingen van de duinen beklimmen. Maar hij volgde zonder moe te worden. Zijn ogen bleven gericht op Windekinds stralende gestalte en op wat daar blonk in de hoog opgeheven hand.

Daar was hij midden in de duinen. In de gloeiende dalen bloeiden de duinrozen, met duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. Er bloeiden ook veel andere bloemen, helderblauw, geel en paars. Zware hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurende kruiden. Sterke geuren van hars hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl hij verder liep. Hij rook de tijm, en de geur van het droge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

En voor de lieve gestalte die hij achternaliep, zag hij de bonte duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en rode kapelletjes, en het zandoogje, het vrolijke vlindertje met zijdeachtige vleugeltjes van het teerste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers die op de duinroos leven. Dikke hommels dansten gonzend tussen het verbrande duingras.

Wat was het heerlijk! Wat zou hij gelukkig zijn, als hij maar bij Windekind was. Maar Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos moest hij volgen. De grote doornstruiken met bleke bladeren hielden hem tegen en krasten hem met hun doornen. De vale, wollige toortsen schudden hun lange hoofden als hij ze in zijn haast wegduwde. Hij klom tegen de zandige walletjes op en verwondde zijn handen aan het stekelige helmgras.

Hij drong door de lage berkenbosjes, waar het gras tot aan zijn knieën kwam. De watervogels vlogen op van de kleine vijvers, die tussen de struiken glinsterden. Dichte, witbloeiende meidoorns mengden hun geur met die van de berkenbladeren en van de munt, die veel groeide op de natte grond.

Maar toen hielden de bosjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tussen het vale, droge helmgras.

Op de top van de laatste hoge rij duinen zag Johannes Windekinds gestalte. Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Van de andere kant klonk geheimzinnig en lokkend een groot, onophoudelijk bruisen, gedragen door een koele wind. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde, en langzaam klom hij de laatste helling op. Boven viel hij op zijn knieën en staarde over de zee.

Toen hij boven de rand van het duin uitkwam, omringde hem een rode gloed. De avondwolken hadden zich opgesteld voor de uitvaart van het licht. Als een wijde kring van enorme rotsblokken met roodgloeiende randen stonden ze om de dalende zon. Op de zee lag een brede weg van levend, paars vuur. Het was een vlammende, schitterende weg van licht, die naar de ingang van de verre hemel leidde.

Achter de zon, waarin je nog niet kon kijken, bewogen tere kleuren blauw en roze door elkaar, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten, langs de hele wijde hemel, glansden rode vlammen en strepen. Er waren lichte vlokjes van bloedrood dons en vegen van wegvloeiend vuur.

Johannes wachtte totdat de zon de gloeiende weg die naar hem toe leidde, aan het verste einde raakte.

Toen keek hij omlaag, en dichtbij was de lichte gestalte die hij had gevolgd. Een boot, helder en glinsterend als kristal, dreef bij het strand op de brede baan van vuur. Aan het ene einde van de boot stond Windekinds slanke gestalte, met het gouden voorwerp blinkend in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes de donkere Dood.

'Windekind! Windekind!' riep Johannes.

Maar terwijl hij naar de wonderlijke boot liep, keek hij ook naar de horizon. Midden in de lichte ruimte, omringd door de grove, vurige wolken, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Die werd groter en groter. Langzaam kwam er een mens dichterbij, die rustig over de woelige, vurige golven liep.

De roodgloeiende golven gingen op en neer onder zijn voet, maar kalm en rustig kwam hij dichterbij.

Het was een mens. Zijn gezicht was bleek en zijn ogen waren diep en donker. Ze waren zo diep als de ogen van Windekind. Maar in hun blik lag een eindeloos zacht verdriet, zoals Johannes nog nooit in andere ogen had gezien.

'Wie bent u?' vroeg Johannes. 'Bent u een mens?'

'Ik ben meer!' zei hij.

'Bent u Jezus, bent u God?' vroeg Johannes.

'Noem die namen niet,' zei de gestalte. 'Ze waren heilig en zuiver als de kleren van een priester. Ze waren kostbaar als koren dat voedt. Maar ze zijn draf geworden voor de varkens en narrenkleren voor de dwazen. Noem ze niet, want hun betekenis is een dwaling geworden, en hun heiligheid een spot. Wie mij wil kennen, moet die namen wegwerpen en naar zichzelf luisteren.'

'Ik ken u! Ik ken u!' zei Johannes.

'Ik was het die u liet huilen om de mensen, toen u uw tranen niet kon begrijpen. Ik was het die u liet liefhebben, toen u uw liefde niet begreep. Ik ben bij u geweest, en u hebt mij niet gezien. Ik heb uw ziel bewogen, en u hebt mij niet gekend.'

'Waarom zie ik u nu pas?'

'Veel tranen moeten de ogen helder maken die mij zullen zien. En niet alleen om uzelf, maar om mij moet u huilen. Dan zal ik aan u verschijnen, en u zult mij herkennen als een oude vriend.'

'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'

Johannes strekte zijn handen uit. Maar de mens wees naar de glinsterende boot, die langzaam verder dreef op de vurige weg.

'Zie!' zei hij. 'Dat is de weg naar alles wat u hebt verlangd. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult u het niet vinden. Doe nu uw keuze. Daar is het Grote Licht. Daar zult u zelf zijn wat u verlangt te kennen. Daar!' En hij wees naar het donkere Oosten. 'Waar de mensheid is en haar verdriet, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht dat u gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, u weet het. Doe uw keuze.'

Toen wendde Johannes langzaam zijn ogen af van Windekinds wenkende gestalte en strekte zijn handen uit naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de koude nachtwind tegemoet. Hij ging de zware weg naar de grote, donkere stad, waar de mensheid was en haar verdriet.

* * * * *

Wellicht vertel ik u eenmaal meer van de kleine Johannes, maar op een sprookje zal het dan niet meer lijken.

### Woordenlijst

- **kamfer**: stof met een sterke geur, vroeger gebruikt bij zieken.
- **kreunen**: een zacht geluid maken van pijn.
- **draf**: voer voor varkens.
- **narrenkleren**: kleren van een clown.
- **rendiermos**: grijs, droog mos in de duinen.
- **helmgras**: stekelig gras dat in de duinen groeit.
- **zeedistel**: stekelige blauwe plant bij de zee.
- **dwaallicht**: klein licht boven nat land, dat mensen de verkeerde kant op brengt.
- **horizon**: de lijn in de verte waar de lucht en de aarde of de zee elkaar raken.
- **gestalte**: de vorm van een persoon, vaak van een afstand gezien.
- **doffe**: zonder glans of zonder heldere klank.
- **uitvaart**: de begrafenis; het afscheid van een dode.
