# Camera Obscura (Editie B2)

*Hildebrand*

## Jongens

Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.

Een hout geweer, een blikken zwaard
Verrukken ’s knapen borst,
Een hoepel en een hobbelpaard,
Dat draagt hem als een vorst.

Voor u de geur van ’t rozenbed
En Filomele’s zang!
Hij speelt kastie, dat ’s andre pret!
Met rozen op de wang.

Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over ’t dak.

Fris op maar, jongen! vroeg en spa,
De lieve lange dag!
Loop over ’t veld kapellen na,
Zolang het duren mag.

Haast zult ge op school gekortwiekt zijn;
Uw vreugd loopt snel naar ’t end;
Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn,
En Weytingh tot torment.

Het origineel is een lief versje van Hölty, die er wel meer lieve gemaakt heeft. Het is alleen jammer dat ze jonge dichters verleiden tot zeer on-Hollandse vertalingen. Ik heb zelf nog een vertaling van dit versje liggen. Die zou beter onder een Neurenburgse legprent “Knabenspiele” passen dan onder een afbeelding van een hoop aardige Hollandse jongens. En echt, de Hollandse jongens *zijn* een aardig slag. Ik zeg dit niet om de Duitse, Franse of Engelse knapen achter te stellen, en nog veel minder om ze te verachten. Ik heb namelijk niet het genoegen andere dan Hollandse te kennen. Ik zal alles geloven wat Potgieter in zijn tweede deel van “Het Noorden” over de Zweedse jongens zal vertellen. Hetzelfde geldt voor wat Wap in het tweede deel van zijn “Reis naar Rome” over de Italiaanse zal zeggen. Maar zolang zij daarover zwijgen, houd ik het bij onze eigen goedgebouwde, roodwangige, sterkbenige en, ondanks de vete met de Belgen, voor het grootste deel blauwgekielde *spes patriae*.

De Hollandse jongen;—maar eerst moet ik u zeggen, mevrouw, dat ik niet spreek over uw bleekneuzig enig zoontje met de blauwe kringen onder zijn ogen. Want ondanks al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, acht ik hem geen zier. Ten eerste: u maakt te veel werk van zijn haar, dat u per se wilt laten krullen. Ten tweede: u bent te sentimenteel bij het kiezen van zijn pet. Die is alleen geschikt om voor oom en tante af te nemen. Maar bij het vliegeren en het spelen van krijgertje is hij volstrekt hinderlijk en niet te verdragen,—twee lieve spelletjes, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten derde heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde laat u hem doosjes leren plakken en aanstellerige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel die hij niet mag eten. En ten zesde moppert UEd. als zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon komt kijken. Maar hoe zal hij dan ooit vooruitkomen in het knikkeren in een kring? Of leren berekenen hoe sterk een *schoffel* is in vergelijking met een *klap*? —Ik verzeker u dat hij nagelt, mevrouw! Een *nagelaar* is hij, en een *nagelaar* zal hij blijven:—wat kan de maatschappij voor goeds of edels verwachten van een nagelaar? —Ook draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet UEd. wat UEd. van uw lief Fransje maakt? 1°. een gluiper; 2°. een klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5° … Och, lieve mevrouw! Geef de jongen een andere pet, een broek met diepe zakken en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder ogen komen zonder een buil of een kras! —Hij zal een groot man worden.

De Hollandse jongen is grof: fikse knieën, fikse knokkels. Hij is blank van vel en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij, op het brutale af. Het liefst draagt hij zijn oren buiten zijn pet. Zijn haar is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat, in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar steil is het óók niet. Steil haar is voor gierigaards en benepen harten; dat zit niet in jongens. Steil haar krijgt men, geloof ik, pas op zijn veertigste jaar. De Hollandse jongen draagt zijn das het liefst als een touwtje, en nog liever helemaal niet. Over zijn buis draagt hij een blauw of schotsbont kieltje, en verder een verstelde broek—dit laatste kenmerk is zeker. In deze broek draagt hij alles met zich mee wat de tijd opgeeft; dat wisselt af. Knikkers, stuiters, ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes, een touwtje, drie centen, een klont visdeeg, een dolle kastanje. Een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudste broer, een leren zuiger om stenen mee uit de grond te trekken, een voetzoeker. Een zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken, een hazensprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. Alles wordt opgestopt en in rust gehouden door een bonte zakdoek.

De Hollandse jongen maakt in het voorjaar een verzameling uitgeblazen eieren. Bij het uithalen van nestjes toont hij kracht en behendigheid, en misschien de aanleg voor de zeevaart die ons volk eigen is. Bij het inkopen van vreemde soorten bewijst hij zijn onverstoorbare goede trouw. En bij het verkwanselen van zijn doubletten bewijst hij zijn vroege Hollandse handelsgeest. De Hollandse jongen, het is waar, slaat zijn bokken hardvochtig, maar in het geven van roggebrood aan diezelfde dieren kent hij zijn gelijke niet. De Hollandse jongen is veel minder ingenomen met de leerwijze van Prinsen dan de Hollandse schoolmeester. Maar wat de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, zou hij een examen kunnen doen voor de eerste rang. Hij is dolgraag op een paardenmarkt, en op de parade loopt hij voor de tamboers uit, met zijn rug naar de mooie mannen toe. De Hollandse jongen encanailleert zich gemakkelijk, en praat al snel woorden na uit een woordenboek dat Hollandse moeders niet bevalt. Maar hij is ook weinig aanmatigend tegenover de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet komen om aan oom en tante te vragen hoe het met ze gaat. Hij zegt dan bijna geen woord. Maar onder zijn gelijken is hij minder zuinig met woorden en minder verlegen, en niet bang om voor zijn mening uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met een volkomen haat. Hij steekt nogal gauw zijn vuisten uit, maar in het vechten spaart hij zijn tegenstander. Hij speelt niet vals. Hij heeft een vaste inktvlek op zijn omgeslagen halsboord, en wel wat neiging om zijn schoenen scheef te lopen. —Hij houdt tegen zijn vader vol dat hij over ijs van één nacht kan lopen, en beschikt over vriezen en dooien naar lust en welgevallen. Hij eet altijd een boterham minder en leert een les meer dan waar hij trek in heeft. Hij gooit een steen tienmaal verder dan u of ik, en buitelt driemaal over zijn hoofd zonder duizelig te worden.

Gegroet, gegroet, jullie vrolijke en gezonde, lustige en stevige knapen; gegroet, gegroet, jullie speelse en blozende hoop van het vaderland! Mijn hart gaat open als ik jullie zie, in jullie vreugde, in jullie spel, in jullie uitgelatenheid, in jullie eenvoud, in jullie vermetele moed. Mijn hart krimpt ineen als het bedenkt wat er, ook van jullie, moet worden. Of zullen jullie, die daar om de beurt een frisse hap uit dezelfde appel nemen, later nooit merken dat je de appel in een hoek alleen moet opeten? Ja, dat je de schillen moet wegstoppen en de pitten moet zaaien voor je nakomelingen? En jij daar, jij leent geduldig je sterkere rug aan je vluggere vriend. Hij klimt op je schouders om in de boom het spreeuwennest te zoeken, dat heel hoog ligt. Zal de ervaring jou de verdrietige wijsheid niet leren? Dat het beter is zelf een ladder te krijgen en zelf het nest uit te halen? Beter dan een goede dienst te doen en af te wachten óf en hoe men je zal belonen?

Dat is de wereld. Maar ook in jullie zelf zijn de zaden aanwezig van veel onheil en veel verdriet. Jullie voortvarende drift, jullie onschuldige tederheid, gerijpt tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid; jullie levendigheid en onafhankelijk gevoel, verhard tot wereldzin en ongeloof!… O, als jullie in later jaren op je kindertijd terugzien, dan zal dat, dat de vreugde zijn die jullie het meest benijden en nu toch het minst genieten. Dat jullie zoveel minder slecht waren, dat jullie zoveel onschuldiger waren, tot zelfs in het kwaad doen toe. Moge de goede hemel jullie allen zegenen, goede jongens, die ik ken, en om mij heen zie, en liefheb! Moge hij jullie lang en vrolijk laten spelen, en als de ernst van het leven komt, moge hij jullie dan ook een ernstig hart geven! Maar moge hij jullie tot aan je laatste snik nog veel kinderlijks en jeugdigs laten behouden. Moge hij jullie, in hun volle frisheid, enkele van die kinderlijke gevoelens sparen, die de jongeman helpen zijn pad zuiver te houden en die de man sieren. Opdat jullie mannen worden in het verstand, en kinderen blijven in de boosheid. Dit is een *stille* wens, jongenslief! Want ik wil jullie nog geen ogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder jullie voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan … een wens!—

### Woordenlijst

- **kastie**: Oud jongensspel op straat.
- **kapellen**: Vlinders.
- **gekortwiekt**: Met geknipte vleugels, dus niet meer vrij.
- **blauwgekielde**: In een blauwe kiel, een lang, wijd werkhemd. Ook Belgen droegen die, vandaar de grap over de vete.
- **spes patriae**: De hoop van het vaderland (Latijn).
- **UEd.**: Zeer beleefde oude aanspreekvorm: “Uwe Edele”.
- **schoffel**: Een manier om een knikker te schieten.
- **klap**: Een andere manier om een knikker te schieten.
- **nagelaar**: Jongen die zijn knikker met de nagel wegschiet; slecht en niet eerlijk.
- **gluiper**: Iemand die stiekem en vals is.
- **geniepigerd**: Iemand die stiekem gemene dingen doet.
- **bloodaard**: Lafaard.
- **Gekrulde haren, gekrulde zinnen!**: Wie krullend haar heeft, denkt niet recht door zee.
- **bokken**: Geiten die een karretje trekken.
- **plakkers en paapjes**: Soorten rupsen en vlinders die jongens kweken.
- **encanailleert zich**: Gaat om met mensen van lage stand.

## Kinderrampen

Ik kom nog eens terug op het versje van Hölty.

Hoe zalig als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.

Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over ’t dak.

Aan zulke lofredes op het geluk van de jeugd en de kinderjaren ontbreekt het zeker niet. Ik stem er van harte mee in. Maar ik neem de vrijheid op te merken dat ze alleen door mensen op leeftijd geschreven zijn, of ten minste door jongemannen. Van hun standpunt uit gezien laat het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toe. En zeker, zeker is dat een droevig bewijs voor de treurige toestand van latere dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes van zeven, acht of negen jaar geweest zijn die hun actuele geluk zo onvoorwaardelijk geprezen hebben. En toch stonden zulke dichtertjes er het dichtst bij. Toen ik op de Hollandse school ging, maakten wij in de hoogste klas, die bestond uit heren van negen tot tien jaar, allemaal op woensdagochtend een opstel. Het onderwerp was soms gegeven, soms door onszelf gekozen en bedacht. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems en Heinen met wie ik in de Jacobijnenstraat te H. in de banken zat, als getuigen op. Heeft ooit iemand van ons zijn lei volgeschreven met een optelling van de genoegens of een lang verhaal over het ongestoorde geluk van de kindertijd? Nee: wij schreven wel diepzinnige betogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden. Sander U., wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmaal over het Paard geschreven. En Piet Q. stond nooit op het bord en wilde nooit meedoen aan de edele oefening van het puisje vangen. Hij had het altijd over de Gehoorzaamheid en de Vlijt, een idee waarop de opschriften van zijn extra-kaartjes hem brachten. Echt vrolijke onderwerpen heb ik de collega’s nooit zien behandelen. Zelf heb ik het nooit verder kunnen brengen dan de filosofische beschouwing van de Tevredenheid. Dat is een geluk dat de jongeman gewoonlijk voorbijloopt, en dat de man tevergeefs naloopt. De grijsaard zou het uitstekend van pas komen, als zijn lichamelijke gebreken hem nog even toestonden ervan te genieten. Een heel mooi ding, die tevredenheid, maar in de overvloed van het kinderlijk geluk vanzelf inbegrepen en niet opmerkenswaardig.

Maar om tot de zaak te komen! Van die overvloed van kinderlijk geluk leken wij destijds toch niet zo heel vol, of in elk geval niet zó vol dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens gedacht dat dit een onderscheidend kenmerk van echt, waarachtig geluk zou zijn: het heeft de minste behoefte om zich te uiten. Het ongeluk heeft juist klachten en verlichting nodig—om van de tranen niet te spreken. Want de mensen die altijd de mond vol hebben van hun geluk, heb ik er wel eens op aangezien of ze ook een autoriteit zochten. Die zou, na het horen van hun verslag, verklaren dat ze gelukkig zijn. Daarvan waren ze zelf tot nog toe namelijk niet zo heel overtuigd. Zij vinden zichzelf zo-zo, niet ongelukkig, maar ook niet razend gelukkig. Maar zij schikken het goede in hun lot zo bij elkaar en stapelen het zo op in redevoeringen, dat zij u in de verzoeking brengen hen te benijden. Die redevoeringen houden ze op wandelingen en, als u met hen op één kamer slaapt, vanuit hun bed, vooral na een goed avondeten. Dat brengt hun koude geluk meteen op een hogere temperatuur. U slaat een warme hand aan hun thermometer.

Ziedaar een mooie opmerking die ik gemaakt heb, en die ik met dit mooie fysische beeld besluit. Maar ik heb verder over het onderwerp nagedacht. Ik heb me ook wel eens afgevraagd of de school wel de juiste plaats was om het kindergeluk diep te laten voelen. Ik weet wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een ontzettende plak achter de hoge lessenaar. Hij brengt ons niet langer door zijn verschrikkelijke ogen en gebaren tot een punt van angst. Op dat punt zouden wij (zoals de jongen van vroeger) willen bekennen dat wij zelf de wereld gemaakt hadden, maar het nooit meer zouden doen. Liever dat, dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende verveling, de Haarlemmer Courant van A tot Z. (Zijn wij daarom later minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed, ruim lokaal, zo hoog en zo luchtig dat het er soms aan de benen tocht. Niet zelden kijken wij uit op een bleekveld met een appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch, de meester is zo dik, en de ondermeesters zijn zo lang, en hun brillen en bakkebaarden zien er zo genadeloos uit. En de borden zijn zo zwart, en de tafels zo ongezellig. En de kaart van Nederland hangt zó lang op dezelfde plaats, dat wij de kleine scheurtjes en inktvlekjes erop nog beter kunnen aanwijzen dan de steden. De steden van de—toen was het nog 17 provinciën1. Dan hebt u—nog bloedt mijn hart—de Tafel van Werkzaamheden. Verschrikkelijke werkzaamheden, die bij het opnoemen doen denken aan rekenboeken en geografieboeken, en wat voor boeken er al niet meer zijn. De bladen daarvan schuiven heen en weer in de band, door de krampachtige aanraking van de wanhopige vingers van jeugdige heren. Die kunnen maar niet onthouden hoeveel koeien er jaarlijks op de Hoornse markt komen, en hoeveel inwoners, drukkerijen van Enschedé, Kostersbeelden en instituten voor schoolonderwijzers Haarlem heeft. Of ze begrijpen niet hoe ze de 9de som uit de “Herhaling der voorgaande Regelen” moeten opzetten.

O, die rekenboeken! Ze waren de zwakke kant van velen van ons. In mijn ogen waren er geen hatelijker boeken. Ten eerste stonden ze veel te vol letters, en ten tweede veel te vol cijfers. Ten overvloede staan er soms fouten in de opgegeven uitkomsten; maar ook als die er niet in staan, zijn die opgaven verschrikkelijk. Ga maar na. U hebt uw lei vol met een belangrijke berekening. Driemaal hebt u al de helft uitgeveegd, omdat u merkte dat u de vraag niet begrepen had. Maar eindelijk is de som af, en u krijgt als uitkomst: 12 lasten, 7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten zou u uw lei aan de ondermeester geven om na te laten rekenen. U hebt immers het zalige gevoel dat u als ijverig lid van de maatschappij uw plicht gedaan hebt. Maar nee! Het hatelijke rekenboek geeft, onder de verwaande titel “Uitkomst”, op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel rogge, en niet één kop of maat. Het is duidelijk dat u zich vergist hebt. Driemaal doet u alle vermenigvuldigingen en delingen over en weer over. Eindelijk besluit u alles uit te vegen. En nog hebt u uw mouw op de lei als de ondermeester komt om te geloven dat u niets gedaan hebt.

Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het gemeenste en oneerlijkste van diezelfde uitvinding is, dat zij u op alle mogelijke manieren pesten en uw zwakke plek raken. Daar zit u sinds klokke half tien op school, bij mooi weer, in de maand mei, als het groen jong is zoals uzelf. En, wat meer is, de plassen zijn opgedroogd, zodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar zit u sinds half tien op de school, waar u een voet hebt binnengezet, en u kijkt met afgunst terug op de kinderen van arme mensen. Die krijgen geen opvoeding en speelden “duitje òp” op straat. Eerst heeft men u gedwongen met al uw speelse lotgenoten het lied aan te heffen:

Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen,
Waarnaar elk kind om ’t zeerst verlangt.

Daarna hebt u een uur gelezen over het model van een brave jongen. Hij is zo braaf, zo zoet, zo gehoorzaam, zo knap en zo leergierig! Als u hem op straat tegenkwam, zou u hem met plezier een paar blauwe ogen slaan. Of, als u al wat verder bent, hebt u de levensschets gelezen van een onbegrijpelijk groot man. Hem navolgen lijkt u verwaand en wanhopig. Door die levensschets is kunstig een samenspraak geweven van jongens en meisjes, voor wie u evenmin de minste sympathie voelt. Al “staan zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van die man”, waarvan vader Eelhart of Braafmoed vertelt. Het volgende uur hebt u geschreven, naar een mooi schrijfvoorbeeld. Bijvoorbeeld, als u groot schrijft, zevenmaal het woord *wederwaardigheid*, opmerkelijk door twee moeilijke W’s, die zonder aandikken bijna niet goed te krijgen zijn. Of, als u klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op en zevenmaal tussen de lijn: *Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid*. Daarbij hebt u in twee regels het lidwoord *der* overgeslagen, wat door de laatste lettergreep van het woord moe*der* heel gemakkelijk kon gebeuren. En eenmaal hebt u *voorwijzigheid* geschreven in plaats van *voorzichtigheid*. Die omstandigheden, zowel elk op zichzelf als in onderling verband, doen u wat angstig denken aan het uur waarop de kritiek van de meester uitspraak zal doen. Om niet te spreken van de kwelling van een linkse pen en ontelbare haren in de inkt. Dan zijn er nog een klad of drie, met kunstenaarsachteloosheid over uw schrijfboek verspreid. En dan is er de genadeloze wet dat u uw pen maar tweemaal mocht opsteken om haar te laten snijden. Dat doet een ondermeester die in die kunst even ver is als u in het schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar dat was uit wraak, omdat het voor mij zo vaak te vroeg gekomen is. Nu komt het rekenboek. Let wel: u bent in de loop van de morgen tweemaal op het bord geschreven. Eens omdat u met uw rechterbuurman een verdacht gefluister bent begonnen, dat echter alleen ging over goedkope ballen in de Wijde Appelaarsteeg. En eens omdat u aan uw linker dito een albasten knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder één rood adertje. Van dat delict is het corpus u afgenomen, in ruil voor de pijnlijke onzekerheid of u het ooit terug zult zien. Tel dit alles bij elkaar, en sla dan uw rekenboek open. Dat pest u met de 13de som. Daarin krijgt u, als om u te tantaliseren, met de grootste koelbloedigheid een mooi beeld van vijf jongens, zegge vijf, die samen zouden knikkeren. De eerste had bij het begin van het spel 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50, de vierde—nee, het is niet uit te houden! De tranen komen u in de ogen; maar daar zit u, voor nog een geheel uur, en dan nog wel te cijferen. —Werkelijk, ik houd het ervoor dat de meeste rekenboekmakers afstammelingen van koning Herodes zijn!

Uit al het voorgaande zal zonneklaar blijken dat de school niet de plaats is om het kinderhart te laten overstromen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet dat die gedachte ooit onder blond of bruin kinderhaar is opgekomen. Nee, nee! De school is zo goed als ze zijn kan. De school wordt, volgens de nieuwste verordeningen, zo aangenaam en draaglijk mogelijk gemaakt. Maar haar genoegens zijn hoogstens negatief. De school blijft altijd iets van een gevangenis houden, en de meester, samen met alle ondermeesters, iets van een vogelverschrikker. Die uitspraak van Van Alphen:

Mijn leren is spelen

gaat er bij geen enkel kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld mij nogal tot de vlijtigsten te hebben behoord. Toch deed mijn vader of moeder mij soms de eer aan mijn ooms en tantes te vertellen dat ik altijd blij was als de vakantie uit was. Dan kwam mijn hele gemoed in opstand tegen dat edele idee (dat mij overigens nogal dweepachtig voorkwam). En ik heb jaren nodig gehad om een zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te overwinnen. Ook zijn er, ondanks de verbeterde leerwijze, nog altijd meesters die een kind, al is het niet een van de bangste, als het ware elektriseren.

Ja, lieve vrienden! Laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters en soldaatjesspelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het bekennen: er zijn Kinderrampen! Klein en nietig, gezien vanaf onze verwaande hoogte, maar gewichtig en groot in de kleine verhoudingen van de kinderwereld. Rampen die benauwen, kwellen en schokken, en die niet zelden een grote en hevige invloed hebben op de vorming van het karakter.

De eerste en grootste hebben wij al gehad. Dat is, met verlof van Pestalozzi en Prinsen, de school. Dat is een kanker; een dagelijks terugkerend verdriet. Een man die geplaagd wordt door schuldeisers, ondervindt iets van het leed van een kind dat door meesters wordt aangepakt. Nu, onze goede Hölty zelf kan het niet laten aan het eind van zijn versje daarmee te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb medelijden met het lot van uw kroost. Ontzie als iets heiligs het levensgenot van uw kinderen. Zij moeten allemaal naar school; dat is een natuurwet, even zeker als die volgens welke zij allen ingeënt moeten worden en wij allen moeten sterven. Maar wij hoeven, in de gewone loop der dingen, niet te sterven op ons achttiende jaar. Zo zou ik ook niet willen dat de school hen overvalt vóór hun achtste. Het is wel aardig dat zij op hun vijfde jaar met kleine Piet kunnen zeggen: “Nu kan ik al le-zen”. Dat hebben wij te danken aan de veranderde uitspraak van de namen van de medeklinkers. Maar ik weet niet of kleine Piet op zijn tiende jaar, al met al, zoveel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander. Die ander is op zijn zevende of achtste begonnen “met de *spa*” te werken. Ik geef dit alleen in overweging aan alle kinderminnende harten. Ik waag het niet mijn mening te bewijzen met zo weinig ervaring als Hildebrand (de baardeloze Hildebrand, zullen de recensenten zeggen) in zo weinig jaren heeft kunnen opdoen.

Om het onderwerp een wending te geven, en over een andere ramp uit het tranendal van de kinderen te spreken, noem ik het wisselen van de tanden. Werkelijk, lieve dame, die de wereld zo trouweloos en de mannen zo wuft vindt! Op uw leeftijd kan *la perte des illusions* nauwelijks zo zwaar wegen als *la perte des dents* op die van de kinderen. Herinnert u het zich nog wel? U voelde—nee, u voelde toch niet;—ja, helaas, u voelde maar al te zeker—dat u een dubbele tand had. En de voorste zat zo vast als een muur. Zes dagen lang verborg u uw leed. Soms vergat u het. Maar zesmaal per dag kwam het terug: midden in uw spel, bij het genot van de lekkerste krakeling, onder het bewerken van de zoetste ulevel. Dan stond ineens weer voor uw oog die akelige, allerakeligste dubbelheid! —Uw enige troost was dat de voorman vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze hoop in. De ervaring leert echter meestal anders. Op de zevende dag, het was een zondag, stond uw kleine theegoedje klaar op uw kleine tafeltje. Uw stoeltjes stonden erbij klaar met twee poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje Keetje, die bij u kwam spelen. ’s Avonds zou u een rond gebakje bakken van gestampte beschuit en melk, en een boterham met aardbeien zou alles bekronen. Met een luide kreet gaf u uw vreugde over dit laatste artikel te kennen.

“Laat ik je mond eens even zien,” zei mama; “wat? een dubbele tand?”

En weg was uw vreugde! U droop af alsof u op een zware misdaad betrapt was. Waarschijnlijk zou u in uw kwelling nukkig en kribbig zijn tegen Keetje. Het gebakje zou geen bekoring voor u hebben, de aardbeien geen smaak. En u zou naar bed gaan en dromen van de tandmeester! Tevergeefs probeerde u achtereenvolgens alle huismiddelen. Wiebelen met de vinger. Bijten op een harde korst, die u echter, om mogelijke pijn te vermijden, in een heel andere hoek van uw mond stak. Een draad garen aanleggen, waaraan u toch niet durfde te trekken. De tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij had voor u de verschrikkingen van een scherprechter. Hij deed alsof hij alleen even aan uw tand voelde, en trok hem er verraderlijk uit. Intussen was deze slinkse streek voor u een weldaad, die voor alle volgende keren verspeeld was. —Spreek mij niet van grote-mensen-jammeren! Die halen het hier niet bij. Een blije jongen of een vrolijk meisje ziet met angst de dag tegemoet waarop men zal scheiden van de dubbele tand. Geen koopman die “op springen staat” ziet met meer angst de dag tegemoet waarop hij zal worden “omvergegooid”!

Wij zijn bij de fysieke rampen aangekomen. Welnu, daarvan zijn er meer dan men denkt. Het grootworden, hoe mooi en voortreffelijk een uitvinding ook, is de oorzaak van veel smart. Want ten eerste steekt men lange blote armen uit de mouwen, en de kous uit de broek. Daarbij schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen met gespen draagt. Er zijn namelijk altijd een paar voorlijke jongens die al halve laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes die trots zijn op schoenen met lange linten. Ook rekenen veel moeders er blijkbaar niet op dat niet alleen de benen groeien, maar het hele lichaam. Daaruit is, op goede natuurkundige en wiskundige gronden, het volgende te bewijzen. De broekspijpen kunnen wel worden uitgelegd, maar de rest van dat kledingstuk blijft hetzelfde. Dan voelt men een niet erg aangename bekrompenheid in de omtrek van het lichaam. Die is op haar beurt weer de oorzaak van menig nieuw kruis, in dubbele zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een slechte kant van de edele groei: hij verschilt per persoon. En wel zó, dat bij sommigen tegenover het geprezen grootworden het verwijtende kleinblijven staat. Nu is het niet plezierig als het steeds hetzelfde gaat. Men komt een boodschap van papa of mama doen, of men komt bij Lodewijk of Doortje spelen. En altijd wordt men door mijnheer of mevrouw, of de juffrouw, of soms de meid, tegen Lodewijks of Doortjes rug gezet. Dan gaat men naar huis met de verse overtuiging dat men een hoofd of een half hoofd kleiner is, en een ware peulschil. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men het op het morele toepast, taxeren. En die taxatie van het fysieke is de enige waarvoor de kinderleeftijd gevoelig is, en ook zeer gevoelig. Nee, het is niet aardig van de grote mensen dat ze het de kleinen aandoen. Evenmin kan op den duur dat eeuwige uitgillen bevallen van: “wat ben je groot geworden!”

Maar er is toch ook wel een morele taxatie, die de kinderen misschien niet meteen grieft, maar hun wel menig genoegen onthoudt. Ze ontstaat doordat een mens van vijfendertig of veertig een dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is. In die tijd kan hij machtig veel vergeten. Zoveel zelfs, dat hij eigenlijk helemaal niet meer weet wat hij dacht, voelde, besefte en smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Daarom neemt hij vaak de maatstaf waarmee hij de kinderen meet te klein en te bekrompen. En menige vreugde die hij de jongeren van harte gunt, houdt hij terug. In zijn mannelijke wijsheid besluit hij namelijk: “dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn”, en er “waarlijk nog niets aan zouden hebben.” En dan “het nergens aan mogen komen”, alsof men helemaal onbeholpen ter wereld was gekomen, met een instinct om alles maar stuk te gooien en te breken! —En dan het paaien met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot is begonnen te voelen voor koekjes in ruil voor iets anders! —En dan de vele beschamingen die men ondergaat, omdat iedereen gelooft dat een kind menig ding niet voelt dat hem toch diep raakt! —Werkelijk, werkelijk, men heeft in de maatschappij menig mensenschuw, angstig en zenuwachtig wezen laten opgroeien. En alleen doordat men het als kind te jong en te klein achtte voor gevoel van eigenwaarde.

Ik spreek niet van het nalopen met hoeden en petten, en van het verschil van mening over het weer, dat tussen ouders en kinderen vaak aanzienlijk kan zijn. Ik spreek niet van sommige barbaarse instellingen, zoals deze: dat de jongeren de kleren van de ouderen moeten afdragen. Daardoor draagt het vierde zoontje een buisje van de kraagjas van mijnheer zijn oudste broer. Van die kraagjas hebben de beide tussenbroers respectievelijk een jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad. Ook niet van ellendige spreekwoorden, die de ouders als orakels aanvoeren en het kroost als verachtelijke paradoxen en sofismen verwenst. Zoals dat de oudste de wijste moet zijn. Ik spreek van al die rampen niet,—want mijn stuk is al veel te lang. Mocht het sommige van mijn lezers maar bewegen om nog fijngevoeliger te worden voor de jonge harten van de kleinen. En om nog beter op te letten dat ze hun kleine verdrieten sparen, en hen grote genoegens onbeknibbeld laten genieten. De jeugd is heilig: zij moet voorzichtig en eerbiedig behandeld worden. De jeugd is gelukkig, maar men moet zorgen dat zij zo min mogelijk deelt in de rampen van de samenleving, zover zij die op haar leeftijd kan ondervinden. Men moet haar soms kwellen en lastigvallen—tot haar nut!—maar laten wij vooral oppassen dit niet te overdrijven! Een heel volgend leven kan een gedrukte jeugd niet vergoeden. Want welke zaligheid zouden latere jaren kunnen stellen tegenover het verspeelde geluk van een onschuldige jeugd?

1839.

1 Wat een vereenvoudiging brengen de “24 Artikelen” in het lager onderwijs! Het hele jonge Holland wint in gemak bij de omwenteling van Dertig.

### Woordenlijst

- **bord**: Schoolbord waarop de namen van stoute leerlingen werden geschreven.
- **puisje vangen**: Ruw spel van schooljongens.
- **plak**: Houten slaghout van de meester.
- **vrageboek**: Boek met vragen over het geloof.
- **Tafel van Werkzaamheden**: Rooster van de school.
- **lasten**: Oude maat voor graan, net als schepels, kop en maten.
- **mudden**: Oude maat voor graan.
- **duitje òp**: Spel met muntjes op straat.
- **zegge**: Vaste formule uit rekeningen: “zeg maar”.
- **kanker**: Hier: iets slechts dat langzaam verder vreet.
- **spa**: “Met de spa werken”: beginnen met het leren lezen, ook: beginnen te graven.
- **la perte des illusions**: Het verlies van je illusies (Frans).
- **la perte des dents**: Het verlies van je tanden (Frans).
- **op springen staat**: Bijna failliet is.
- **omvergegooid**: Hier: failliet gemaakt.
- **kruis**: Naad van een broek, en ook: iets zwaars dat je moet dragen.

## Een beestenspel

“Les peines infamantes sont:

- 1o. Le carcan;

- 2o. Le bannissement;

- 3o. La dégradation civique.”

Code Pénal. L. I. Art. 8.

Nee, ik wil niet naar het beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben. Zeg mij niet dat men in geen gezelschap kan komen zonder er ten minste iets over te zeggen, goed of kwaad. Over de lokken, de bakkebaarden en de moed van de eigenaar, over de lama, over de verlichting van de tent, en over de twee tijgers in één hok! —Herhaal mij niet dat men ten minste één ongeluk heeft moeten zien “bijna gebeuren”. Of dat men één bijzonder schilderachtige houding van het een of ander gedrocht moet hebben bespied, op een ogenblik “dat er niemand anders naar keek”. —Zeg mij niet dat men moet gaan kijken hoe de vrucht van het zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in één ogenblik door de gulzige pelikaan verslonden wordt. En hoe de Boa Constrictor een Leidse bok met hoorns en al in een oogwenk verzwelgt. —Roep mij niet toe dat men zijn anekdote moet hebben over de kasuaris, zijn grap over de apen en zijn woordspeling over de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel; en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uitleggen.

Een beestenspel! Weet u wat het is?

“Een verzameling”, zegt u, “van voorwerpen uit de natuurlijke historie, even belangrijk voor de dierkundige …”

Als voor de beestenvriend, wilt u zeggen?

“Nee, als voor ieder mens die erin geïnteresseerd is zijn medeschepselen op dit wijde wereldrond te kennen.”

U hebt gelijk. Maar dan zou ik mijn medeschepselen willen zien zoals ik ze op plaat I van iedere prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkaar, allemaal in hun natuurlijke houding. De leeuw, met een opgeheven voorpoot, alsof hij gaat brullen. De kaketoe, die van een boomtak naar beneden kijkt, als om te onderzoeken welke haarkleur Adam heeft. En niet, och, ik smeek u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort grote lijsterbogen), in eeuwige beweging. De boa in de verte, in mooie verleidelijke bochten om de boom gekronkeld, opkijkend naar de noodlottige appel. De adelaar, hoog in de lucht zwevend als een nauwelijks zichtbare stip. Ja, dan nog veel liever helemaal onzichtbaar, dan zó als ik hem in een beestenspel zie … Zo zou het mij aangenaam en belangrijk zijn. —Maar hier in deze enge, bekrompen hokken, achter die dikke tralies, in die slaafse, weerloze, gedrukte, angstige houding,—o! Een beestenspel is een gevangenis, een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken; een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.

U hebt nog nooit een leeuw gezien; u stelt u iets majestueus voor: een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed. Een wezen dat helemaal woede is, maar bedwongen door zelfbeheersing, zolang het dat verkiest; de koning der dieren. Welnu; laten wij ons in onze verbeelding verplaatsen naar de woestijn van Barbarije!

Het is nacht; het is het kwade seizoen. De lucht is donker; de wolken zijn dik en drijven onstuimig en snel heen en weer; de maan scheurt ze nu en dan met een waterige straal. De wind huilt door het gebergte; de regen ruist; in de verte gromt de donder. Ziet u daar die grote massa, begroeid met dichte struiken, afgetekend tegen de lucht? —Ziet u daarin die donkere rotskloof, die onderaan gaapt, en zich bovenaan verliest in struiken en distels? Het bliksemt: ziet u ze? Houd uw oog daarop gericht. Alles is duisternis. Let op! Wat is dat? Het is het glinsteren van twee ogen; gloeiende kolen. Luister! Dat was de donder niet; het was een schor gehuil; het diepe geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich omhoog uit zijn hol. Hij rekt zich uit. Een ogenblik staat hij brullend stil, met opgeheven kop. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!… Achter uw wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig loopt hij rond; met woeste bewegingen, met onregelmatige sprongen, met verschrikkelijke geluiden.

Wie zal het gelden? Een breedgeschouderde buffel misschien, die hem met gebogen kop en sterke hoorns zal opwachten. Geen nood: hij zal op hem afvliegen; hij zal zijn nagels in zijn lendenen klemmen. Hij zal aan hem blijven hangen; hij zal zijn witte slagtanden in de korte, rimpelige nek slaan. Eén ogenblik—en hij zal hem afmaken, hem in stukken scheuren en zijn honger stillen. Dan zult u hem met rode muil en bespatte manen rustig zien neerliggen, genietend van zijn zege, trots op zijn koningschap.

Welnu!—die Koning der dieren, die schrik van de woestijn, die gedachte, die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; dit van voren open vertrek, een middending tussen een salon, een kantoor en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met de geschilde wilgentak in de hand, nodigt u uit. Zijne Majesteit geeft audiëntie. Zijne Majesteit is voor geld te kijk. De staatsdame van Zijne Majesteit licht het behangsel op. U bent in de onmiddellijke tegenwoordigheid van Zijne Majesteit. Doe geen moeite om bleek te worden; de koning zal u goed ontvangen. Maar voorzichtig! Stoot u niet aan deze—wat is het? een reiskoffer? Neem mij niet kwalijk, het is een ecrin vol slangen! Arme reuzenslangen! Hierheen! Pas op: die lamp druipt! Stap over die emmer, visvijver van de pelikaan, badkuip van de ijsbeer! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit rode hok, zes voet hoog en zes voet diep, ligt hij. Ja, hij is het wel. Ik zweer u dat hij het is. Zijn poten steken onder tussen de tralies uit: dat zijn leeuwenklauwen. Zijn staart, die gesel! schikt zich naar de rechte hoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zouden wij hem kunnen laten opstaan! “Nero, Nero!” *‘Il est défendu de toucher aux animaux, surtout avec des cannes’.* Voelt u al het vernederende van deze waarschuwing? Daarin ligt al zijn weerloosheid. Het zou hem *zeer doen*. Hebt u uw illusies nog, heeft de leeuw zijn prestige nog? Bent u nog bang voor die bullebak? Gelooft u nog in de schets van zo-even? Zegt u niet

“Laat hem komen, als hij kan?”

Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig in al zijn bewegingen; hij past op dat hij zijn hoofd niet stoot, zijn muil niet bezeert, zijn staart niet beschadigt. Wat onderscheidt hem van een tam beest? Wat van die lage hyena, die de kerkhoven schendt? Van die gevlekte tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? Van die wolf, die een stoere Kozak doodgeselt? Van die afschuwelijke mandril, hansworst van de verzameling? Van al die walgelijke apen, waarmee zoveel mensen zich vrolijk maken? Allemaal zijn ze opgesloten: de vorst net als de knecht, de vorst meer dan allen. Denk niet dat u hem in zijn natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is wel een voet gekrompen. Zijn gezicht is verouderd. Zijn ogen zijn dof geworden; hij is suf; het is een verlopen leeuw. Zou hij nog klauwen hebben? Bedroevend schouwspel. Een haspel in een fles; men weet niet hoe het mogelijk is dat hij erin kwam! Een zieke soldaat; een grenadier met geweer en wapens, berenmuts en snor (foudre de guerre) in een schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op Sint-Helena.

Stel, u staat in het midden van deze tent, tussen staatsiegordijnen en schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en wilde dieren. U slaat uw oog op al die vernederde schepsels—denk niet dat u leeuwen, dat u tijgers, dat u gieren, arenden, hyena’s, beren ziet. De kinderen van de woestijn zouden hun broeders, als ze hen hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood op, steek die portefeuille weg, u, tekenaar! Maak hier geen schetsen. U hebt geen wilde dieren voor u; het zijn er alleen de vervallen overblijfselen van; ze zijn naar ziel en lichaam gebroken. Hun aard drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in de leeuw; de tijger is dood in de tijger. Uw tekening zou zijn als een portret naar een lijk gemaakt. U kunt even goed een petit-maître van onze eeuw als model nemen voor een van zijn Germaanse voorvaderen. Of een mummie afbeelden en zeggen: zo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt u hun vormen, hun omtrekken, hun verhoudingen zien of berekenen onder de slagschaduwen van deze vierkante kooien. Hoe zou u dan het eigene van hun houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten in een kelder; ze kwijnen weg; ze zijn weggezonken in een droevige staat van ongevoel, een nare dommel. Ze sterven sinds maanden. Het licht hindert hen. Ze zien er dom en afgestompt uit. Dans la nature ils sont beaucoup moins *bêtes*.

“Stil”, zegt u, “zie daar de eigenaar. Hoor hoe ze brullen. Ze zullen gevoed worden. Het souper van de wilde dieren.”

Smartende spot! Hun souper! De cipier zal elk van deze staatsgevangenen zijn afgepaste portie komen geven.

“Ja, maar hij zal ze tergen, en een ogenblik zult u ze in hun kracht zien.”

Wee ons, als dat waar is! Nee, het is een toneelvoorstelling. Ze worden vernederd tot acteurs. Hun woede is die van operahelden, van beledigde vaders in de vaudeville. Het is namaak. Het is een woede van klokke half acht. Het rammelen van de boeien, als de gevangene opstaat om zijn brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul van de leeuw, het gehuil van de wolven en het lachen van de hyena’s is een *pectus quod disertum facit*. Denk niet dat ze zich zouden verwaardigen hun verschrikkelijke welsprekendheid te verspillen aan die knecht. Hij moet toch eindigen met het afgewogen stuk vlees in hun bek te steken.

Hun souper! O, als ze mochten, zouden ze van dit armzalige, bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de woestijn! Weekelingen, die uw brood bakken en uw vlees koken om het te kunnen verteren! Stel dat u gedwongen werd die maaltijd aan te zien. Ze trekken de rokende spieren van de brede knoken, en storten zich erop met al de felheid en heftigheid van hun bewegingen. Ze brullen van genoegen, niet omdat ze eten, maar omdat ze slachten. Hoe zouden u de haren te berge rijzen! Hoe zouden slager en uitdeler, hoe zou het hele leger geabonneerden rillen en beven!

Het alleronuitstaanbaarst in een beestenspel vind ik de uitlegger. U lacht om zijn ordinaire Frans en nog ellendiger Hollands, om zijn eeuwig terugkerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.

Sire, ce n’est pas bien:
Sur le lion mourant vous lâchez votre chien!

Foei! Hij noemt de tijger monsieur en de leeuwin madame; hij vertelt grapjes op hun kosten; ze zijn de dupe van zijn uit het hoofd geleerde geestigheid. O! Als ze konden, hoe zouden ze zich op de grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendelen, madame hem vernietigen. Hij zou het verdienen. Hij behandelt dieren als dingen. Hij verdient een domme glimlach van de een, een fooi van de ander. Hij neemt u het mooie symbool van moederliefde af dat u in de pelikaan zag, en maakt liever een slaapmuts van zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, ongestrafte lasteraar, die zijn meerderen bespot. Met een snor en een stok loopt hij rond en speelt de held onder de gevangenen.

Ja, het is ijselijk als u een verre neef of half vergeten vriend op bezoek krijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leids museum te laten zien. U zou liever de bekoorlijke dames op Rapenburg en Breestraat bekijken. Maar u moet met hem op een mooie voormiddag de ene zaal na de andere doordrentelen. U ziet niets dan natuurlijke historie, u buigt nergens een knie; en het is er kelderachtig koud! Maar als het erop aankomt vreemde dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum dan een menagerie. Het is waar, het knekelhuis, waar u eerst doorheen moet, neemt een goed deel van de illusie weg. De anatomie is, zoals alle analyse, schadelijk voor de poëzie. Maar de opgezette dieren zijn niet vernederd. Hier ronken ze niet, hier slapen ze niet, hier sterven ze niet, hier zijn ze dood. Hier geen dofheid, geen traagheid, geen luiheid; hier kou en ongevoeligheid. Het is hier als in hun onderwereld: u ziet hun schimmen, hun omtrekken, hun είδωλα! Hun stoffelijk omhulsel, hun houding, hun stand mogen door opvulling en kunstenarij een beetje geleden hebben. Maar de ziel (u gelooft toch dat dieren een ziel hebben?) wordt hier niet verdoofd of verminkt. Niet de lage hebzucht, maar de deftige wetenschap heeft hen bijeengebracht. Ze staan hier niet te kijk, ze staan hier om u te onderwijzen. Hun namen worden in eerbiedig Latijn genoemd. Zwijgend loopt men langs hun rijen, met al het ontzag dat men voor de doden heeft.

Maar een menagerie!

O u, heren der schepping! Ik weet niet of u in de 19de eeuw van onze jaartelling, en zo ver van het paradijs, die naam nog verdient … Maar u hoort hem zo graag, en bent er zo hovaardig op. O u, heren der schepping! Laat u gelden in het dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven en horens heeft. Heers, dwing, gebied, overweldig, beschik; zet uw krijgsburcht op de rug van de olifanten; leg uw last op de nek van de buffels. Zet uw tanden in het oor van onagers, jaag uw lood door het voorhoofd van de tijgers, en maak van hun vacht een zadelkleed voor uw paarden. Overwin als een Caesar de wereld, en span als een Caesar vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is goed. Maar misbruik uw kracht niet. Spot niet, kwel niet, verneder niet, doof niet uit. Geen gevangenis, geen tuchtcel, geen schavot, geen schandpaal, geen draaikooi, geen beesten-*spel*. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed spel. Moet u een spel hebben: herstel dan het vermolmde Colosseum tot een worstelperk. En heb ten minste de grootmoedigheid uw gelijken met hen in de strijd te sturen. Vermaak u (als u nog niet genoeg hebt van barbaarse vermaken) met hun krachten, met hun moed, met hun heldeneinde! —Niet met hun slavernij, niet met hun ontaarding, niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.

1836.

### Woordenlijst

- **Les peines infamantes sont**: De straffen die iemands eer afnemen zijn: 1. de schandpaal; 2. de verbanning; 3. het verlies van de burgerrechten (uit de Franse strafwet).
- **kaketoe**: Papegaai met een kuif.
- **bedlam vol stompzinnigen**: Oud en beledigend: gesticht vol mensen met een verstandelijke beperking of psychische ziekte.
- **Barbarije**: Oud woord voor Noord-Afrika.
- **ecrin**: Kistje voor sieraden.
- **Il est défendu de toucher aux animaux, surtout avec des cannes**: Het is verboden de dieren aan te raken, vooral met stokken.
- **hansworst**: Grappenmaker, nar.
- **haspel in een fles**: Houten klosje in een fles; niemand snapt hoe het erin kwam.
- **foudre de guerre**: Grote held in de oorlog (Frans, letterlijk: bliksem van de oorlog).
- **petit-maître**: IJdele jonge man die mooi gekleed gaat.
- **Dans la nature ils sont beaucoup moins bêtes**: In de natuur zijn ze veel minder dom. *Bête* betekent dom en ook beest.
- **souper**: Deftige maaltijd in de avond.
- **pectus quod disertum facit**: Het hart dat iemand welsprekend maakt (Latijn). Hier: echt gebrul komt uit echt gevoel.
- **Sire, ce n’est pas bien**: Majesteit, dat is niet netjes: u stuurt uw hond op de stervende leeuw af.
- **είδωλα**: Schimmen, beelden (Grieks).
- **teringdood**: Dood door tuberculose, een longziekte.

## Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout

Onbegrijpelijk veel mensen hebben familie, vrienden of kennissen in Amsterdam. Het is een verschijnsel dat ik eenvoudig toeschrijf aan het grote aantal inwoners van die hoofdstad. Ik had er een paar jaar geleden nog een verre neef. Waar hij nu is, weet ik niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft een van mijn lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval hebben zij een nauwgezette, maar onvriendelijke bezorger gehad, zoals uit deze paar bladzijden waarschijnlijk duidelijk zal worden. Inderdaad, ik ken veel mensen die nogal gesteld zijn op hun Amsterdamse neven, vooral als die bij de “Lezers” in Felix horen, of een rijtuig houden. Maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijn verregaande koelheid tegenover de persoon van mijn neef Robertus Nurks. En niets was verschrikkelijker dan wanneer hij mij op een zaterdagmiddag per diligence een steen stuurde met een brief eraan. In die brief stond dat hij de dag met mij in de Haarlemmerhout zou komen doorbrengen. Dat wil zeggen, als het weer goed bleef en er niet, maar dat kwam er nooit, het een of ander tussenkwam. Niet dat ik iets tegen dat bos heb, maar wel iets tegen ZEd.

En toch was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in de grond goedhartig. Maar er was iets in hem—ik weet niet wat—dat maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was. Iets lastigs, iets impertinents, in één woord iets volmaakt onaangenaams.

Stel, om iets te noemen, dat ik een nieuwe hoed gekocht had. Geen buitensporig fatsoen (geen nationale bijvoorbeeld), geen te hoge of te platte bol, geen te brede of te smalle rand. Een hoed, goed om af te nemen voor een verstandig man en op te houden voor een gek. Maar beslist een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik er bijna zeker van zijn wat mijn beminnelijke neef Nurks zou zeggen, de eerste keer dat hij mij ermee zag. Met de hatelijkste glimlach van de wereld en met een soort ontevreden verbazing zou hij zeggen: “Wat een weergase gekke hoed heb *jij* op”. —Nu is het onbegrijpelijk moeilijk. Ik beken graag dat de een zich daarin handiger gedraagt dan de ander, en ik ben niet een van de vlugsten. Nu is het onbegrijpelijk moeilijk om onder zo’n kritische verklaring over uw hoed nog een redelijk figuur te blijven slaan. Het serieus voor uw hoed opnemen is wat al te gek. Het af laten lopen met een “hé, vind je dat?” verraadt een volslagen gebrek aan tegenwoordigheid van geest. Antwoorden met een hatelijkheid over de eigen hoed van de criticus is wat kwajongensachtig. Iets geestigs zeggen zou het allerbeste zijn, en er bestaat een schat aan aardigheden. Toch is het bijzonder opmerkelijk hoe weinig men daarvan op zo’n ogenblik vaak bij de hand heeft. Zodat de kritische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft een kleine verlegenheid te hebben veroorzaakt, waarvan hij met demonische wellust geniet.

Het valt op hoe vaak hoeden als voorbeeld dienen. Maar hebt u uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed nog geen vrij beslissende kijk op het karakter van mijn neef Nurks? Dan is het hele verhaal dat ik ga schrijven nutteloos aan u verspild, lezer. En dan zal ik ook zo vrij zijn u voor straf te houden voor een sprekend evenbeeld en gelijke van diezelfde Robertus Nurks. Het zou intussen verkeerd zijn om u die waardige Amsterdamse jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden of somber. Hij was alleen maar hatelijk, en dat deels uit gewoonte, deels uit een diepe en misschien voor hemzelf verborgen jaloezie. Hij was helemaal geen kniezer, altijd vrolijk gestemd en hij hield van vrolijkheid. Maar hij scheen er plezier in te hebben zijn vrienden kleine grieven aan te doen. En niet alleen zijn vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste mensen van de wereld. Een opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik, die lompe aanmatiging gegeven. En onverstandige ouders hadden hem te vroeg eraan gewend dat zijn jonge oordeel over iedereen die bij hen thuis kwam, met toejuiching werd ontvangen. Vandaar dat hij niets had van die fijngevoelige, terughoudende schroom die even bang is om te beledigen als om beledigd te worden. Hij had ook niets van die zachte humaniteit die men nog veel beter van zijn moeder kan overnemen dan uit de klassieke literatuur halen. Dat geldt ondanks al het gezag van spreuken als “Ingenuas didicisse fideliter artes” etc. Trouwens, hij verstond maar heel weinig Latijn.

Als Robertus Nurks zeker wist dat u half verliefd was, zou hij de gelegenheid vinden om het voorwerp van uw stille genegenheid ter sprake te brengen. Hij zou dat doen met de voor u hartverscheurende bijvoeglijke naamwoorden “lelijk, dom, onbeduidend, mal”, of iets dergelijks. Kende hij mijn lievelingsauteur, dan haalde hij er in gezelschap de lelijkste plaatsen uit aan, met de toevoeging: “zoals Hildebrands hooggeloofde die of die zegt”. Waagde u nog eens een oude anekdote, die u veel plezier had bezorgd en waarvoor u dus terecht enige genegenheid voelde? En beloofde u zich er ook deze keer nogal wat van, omdat iedereen deed alsof hij haar niet kende? Dan bedierf hij het effect. Precies als het op de aardigheid aankwam, raffelde hij het verhaal voor u af. Hij sprak over de Enkhuizer Almanak van het jaar één. Hij zei dat alle anekdotes flauw zijn, en dat dit er een was die hij honderd keer van u gehoord had. Kortom, hij kende alle zwakke plekken van uw familie, uw verstand, uw hart, uw liefhebberij, uw studie, uw beroep, uw lichaam en uw kleerkast. En hij vond het leuk om ze om de beurt pijnlijk aan te raken. En ik weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op u uitoefende, zodat u helemaal weerloos was.

Het zal nu drie jaar geleden zijn (ik moet zuinig omgaan met jaren, want ik ben nog zo jong). Op zaterdag 14 juli—u kunt in de almanak nakijken of het klopt—stuurde mijn neef Nurks mij weer een steen. Die viel mij dan ook als zodanig op het hart. Hij zou morgen, na de ochtendkerk, bij mij komen, en ’s avonds met de wagen van acht uur weer vertrekken. De uren daartussen zouden wij aan de vriendschap en het plezier offeren. —Intussen had ik plannen gemaakt voor een andere vriendschap en een ander plezier. Ik had een Leidse makker bij mij logeren, met wie ik op Zomerzorg zou eten. Daarna wilden wij over Velzerend naar Velzen wandelen, en daar de nacht doorbrengen. ’s Morgens zouden wij naar de Breezaap gaan om er wat planten te zoeken en te bestuderen, want daar zijn wij allebei grote liefhebbers van. Ik hoop dat geen van mijn lezers mij daarom zal verachten. Veel mensen doen dat wel: zij twijfelen aan de waarde en het gehalte van genoegens die zij niet kunnen beoordelen. Mijn neef Nurks hoorde bij hen.

Dit plan was met grote opwinding en wederzijdse goedkeuring gemaakt. Het was alsof onze zielen erin samensmolten. Ik beloofde mijn medische student—maar ik heb moeten beloven zijn naam te verzwijgen, omdat hij bang is voor de hatelijkheden van recensenten. Daarom zal ik hem voor het gemak Boerhave noemen. Ik beloofde mijn medische student dus, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis op de weg tussen Zomerzorg en Velzerend. Hij had ook een verzameling schelpen. Daarom stond hij in lichterlaaie verrukking toen ik hem verzekerde dat bij de Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen alsof het niets is. —Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden. Het hele plan moest worden uitgesteld, met de voor ons verschrikkelijke gedachte dat wij de hele dag in Den Hout zouden zitten. Want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.

De opoffering viel ons zwaar. Ik verdacht de hupse Boerhave van een geheime wens. Hij voelde immers niet zoals ik de band van het bloed, en bovendien moest hij een onbeperkt vertrouwen hebben in de wetenschap die hij beoefende. Van mijn liefelijke Nurks verwachtte hij niet veel goeds, half uit instinct, half door mijn kwaadsprekerij. Zijn wens was dat die tussen zaterdagavond en zondagochtend een kleine ongesteldheid zou voelen. Die zou hem dan doen besluiten tot een kort briefje op de eerste schuit enz. Maar *ik* wenste hem naar een allerliefste buitensociëteit vol “vermoakelijkheden”, of naar een dolprettig diner aan de Berenbijt. Daar zouden drie leden van De Munt en zeven van Doctrina zitten. Men kon elkaar daar allergeestigst plagen door de beide sociëteiten over en weer op te hemelen. Dat zou de elfde man, die lid van beide was, flink in moeilijkheden brengen. Hij wilde de Doctrinisten wel gelijk geven, omdat ze de meerderheid hadden, maar de Munters niet afvallen, omdat ze de grootste heren waren. In zo’n gezelschap had mijn vriend Nurks, die de universaliteit van de elfde deelde, dan de gelegenheid gehad om zijn hart te luchten. In de ene sociëteit over de “lastige dikke weerga” (een oom van een van de gasten), die altijd de Haarlemmer las als *hij* hem wilde hebben. En in de andere over de “onverdragelijke lange zwiep” (een volle neef van een andere aanwezige), die altijd pot maakte als *hij* pas begon carambole te spelen. Maar het was nu eenmaal bestemd dat hij zondag 15 juli in de Haarlemmerhout zou doorbrengen.

“Ha, hoe maak je het, Rob!” riep ik uit toen hij binnenstapte. “Mijn vriend, de student Boerhave, neef”. —Was het valsheid dat ik hem hartelijk ontving? Ik geloof van niet. Toen ik over het plan van Zomerzorg en de Breezaap heen was en hij werkelijk daar was, nam ik er de beste kant van. En ik had hem toch ook zo lang niet gezien.

“Best, jongen;—mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat eind van de Amsterdamse Poort weer tegengevallen!”

“Mijnheer moet anders aan lange einden gewend zijn,” merkte Boerhave op, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad te tonen.

“Ja, dat *is* zo”, zei Nurks, met een bijzondere kracht op het woordje *is*. “Maar daarom juist, als men zo’n mal klein stadje als Haarlem de eer aandoet, wil men het liever niet.”

Nurks wierp een blik in de spiegel. Zijn ene halsboord had het door de warmte te kwaad gekregen (het was die dag erg warm, vooral in de diligences). Hij lag nu in zwijm over de rand van zijn strop.

“Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde boorden.”

Boerhave en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren er mooi mee; hij deed alsof hij het niet gezien had.

“Kan je *nog* altijd niet roken, Hildebrand?”

Ik vloog naar de portecigare en bood hem die aan.

“Heb je nog altijd dat *strooien* soortje?” zei hij. Hij beet de punt van de sigaar die hij genomen had af, met het ongelovigste gezicht van de wereld. Toen nam hij zijn vroegere onderwerp weer op, want daar had hij nog niet genoeg van:

“Jongens, ik vind dat het zo mal staat als iemand niet roken kan. Hij zit altijd met zijn vingers ergens aan. Ik ken *nog* iemand die nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld.”

Ik begreep dat ik, bij eventueel overlijden van die heer, een goede kans had op zijn hoge rang in de schatting van mijn neef.

Nu volgde een gesprek dat vooral bestond uit vragen naar wederzijdse kennissen. Daarin kwam geen enkele onaangenaamheid voor, behalve één ding. Toen ik naar een zeer intieme vriend vroeg, die hij heel goed kende, moest hij eerst zijn geheugen opscherpen. Hij zocht in zijn herinnering “of het die was, wiens broer die smerige affaire met de politie gehad had”. Dat deed hij opdat Boerhave, die daar alle tijd voor had, zo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen opvatten. Ik weet niet of hij het deed. Maar kort daarna liet hij ons een ogenblik alleen om een knijpbriefje te versturen. Dat ogenblik werd onmiddellijk door Nurks benut om mij op te winden met de opmerking:

“Die vriend van jou lijkt sprekend op die schoenenjood, die altijd op de hoek van de Vijzelstraat en de Herengracht staat.” En toen ik grote ogen opzette: “Och ja, je weet wel, die lelijke kerel! net of hij een trap van een paard gehad heeft.”

Nu, op dat ogenblik kwam Boerhave weer binnen. Over de gelijkenis met de schoenenjood op de hoek van de Vijzelstraat en de Herengracht kon ik niet oordelen. De respectieve gezichten van de respectieve schoenenjoden van Amsterdam stonden mij namelijk niet duidelijk en onderscheiden voor de geest. Maar op mijn vriends gezicht kon ik onmogelijk iets lezen dat wees op een onvermakelijke aanraking met het viervoetige dier dat de vleiende Nurks genoemd had.

Wij gebruikten koffie en brood, twee artikelen die de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hij dat het schadelijk was koffie zonder melk te drinken, waaraan de medicus zich schuldig maakte. Hij verzekerde dat hij dat altijd aan iemands huid kon zien, “want de huid werd er lelijk van”. Maar de medicus kwam ervoor uit dat hij medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had. Toen veranderde Nurks van batterij. Hij begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de vele jonge doctoren die in Amsterdam zonder brood op dure kamers woonden. Zij moesten allerlei laagheden doen om een bus te krijgen. Zo volgden nog meer van zulke opwekkende voorstellingen, heel geschikt om een medicina candidatum in zijn studie aan te moedigen. Dit alles bekroonde hij met een plechtige verklaring. “Er was niet één medicus in de wereld, aan wie hij, Robertus Nurks, wat hèm betrof, zelfs maar zijn kat toevertrouwde.”

In het logement op de hoek zit een Zaandamse familie …

Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één uur. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun vaste tijd. De nachtegalen komen in het voorjaar, de vinken en lijsters in het najaar; de zon schijnt overdag, de kaars ’s avonds en de maan ’s nachts. Zo is het ook met de mensensoorten. Iedereen die de duizend-en-één *species* van het *genus* Haarlemmer kent, weet dat zij op zondag allemaal hun eigen wandeltijd hebben. Dat is heel natuurlijk, als men aan de verschillende etenstijden denkt. Men moet daarbij ook bedenken dat veel mensen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot deel niet weet dat er een middagkerk is. Men kan al deze *species* rangschikken, en tegelijk letten op de vreemde vogels die op een zonnige zondag uit andere streken komen aanwaaien. Dan krijgt men een aaneengeschakelde opvolging. Die lijkt op de geslachten van de mensheid, die elkaar volgens de mooie vergelijking van Homerus wegdrukken als boombladeren. Of op de barbaren in het Europa van de vijfde eeuw, die elkaar voortduwden.

Zo is er de natuuronderzoeker die op zondagmorgen de kerk verzuimt, of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever aanneem). Hij komt om tien uur, half elf, in Den Hout. Op het Plein of bij de Koekamp (de naam is niet welluidend) zal hij enkele zwermen feestvierende vogels van de Haarlemmerdijk inhalen. Die zijn per schuit van zeven uur uit Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart getekend en hebben kletsnatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze hebben lange Goudse pijpen. Daar roken ze uit, of ze houden ze losjes bij de kop tussen de vingers en laten ze zo, met de steel naar beneden, onverschillig slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes zijn wit. Zij houden hun opperkleed op, zo vaak ze over een druppel water stappen. Ze dragen het helemaal *opgeschort* als er echte plassen liggen van de regen van zaterdag. Zij eten voortdurend uit hun zak. Sommigen in de zwerm hebben bovendien nog een dichtgeknoopte luier met eten bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels van negen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen heel ver, soms wel tot Heemstede of de Glip. Maar ’s namiddags strijken ze neer bij de Groene Valk of in de Aalbessenboom, onder een kruik bier en een bosje scharren. Daarna vertrekken ze met de laatste schuit naar Amsterdam. Intussen is de dichtgeknoopte luier van knapzak veranderd in een korfje, om “blommen” in mee naar huis te nemen. Die staan drie weken lang in een aarden melkkan zonder oor, in een klein winkeltje of op de bovenste trap van een kelder. Op de ene plaats staan ze zonder licht, op de andere onder de frisse adem van een stinkend riool. Daar vormen ze het geluk en de rijkdom van iemand die garen en band verkoopt en ook werk zoekt voor dienstmeisjes. Of van iemand die turf en hout verkoopt en tegelijk uit werken gaat.

Wandelt de natuuronderzoeker verder, dan ziet hij in het voorbijgaan eerst nog zo’n troep, die geniet van de aanblik van het Paviljoen. Om zich ervan te overtuigen dat het geen droom is, klemmen alle individuen zich met beide handen vast aan de spijlen van het hek. Ze kunnen zich op geen enkele manier verklaren wat er aardig of vrolijk kan zijn aan de groep van Laokoön. Maar op dit punt zijn ze het eens: de W in het frontispice betekent “Wullem”.

De al vaker genoemde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten om de verrukking van deze vreemdelingen te delen. Maar nu gaat hij door een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door de hoge bomen speelt, op de “logementen” af. Hij loopt langs een gele barouchette en een blauwe char-à-bancs, die hij onder de bomen uitgespannen ziet, alsof ze velen van hun soort daarheen willen lokken. Hier is alles nog doodstil. Het is een lieflijke morgen.

Een enkele heer zit zeer op zijn gemak een boek te lezen aan een van de houten marmeren tafeltjes voor de deur van het “Wapen van Amsterdam”. Hij draagt een grijze paardenharen Saksen-Weimar, een bruine rok, een grijze zomerbroek, Engelse spikkelkousen en lage schoenen, en hij ziet er tenger en hoogst fatsoenlijk uit. Een dikachtige heer met rode wangen en een opvliegend uiterlijk, in zwarte rok en kniebroek, leest er een krant. Hij leunt op zijn stok en is zonder tafeltje op een stoel neergevallen.

Een jonge vrouw, pas hersteld uit het kraambed en nog een beetje bleek, zit aan een ander tafeltje, waarop het gebruikte ontbijtgoed staat. Ze draagt een lief mutsje met lichtblauw Zeister en een lichtblauw japonnetje. Ze leunt gemakkelijk in haar stoel en breit. Van tijd tot tijd wijdt ze haar aandacht aan haar kindermeid. Die heeft een Amsterdamse kornet op het hoofd, of liever ààn het hoofd, want dat soort mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin onbedekt. Ze draagt een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes, en everlasting schoenen met kruislinten, net als mevrouw. Zo trippelt ze rustig over het schelpenpad aan de overkant. Aan de ene gehandschoende hand heeft ze een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje met rozerode strikjes. Aan de andere heeft ze een kind van drie, in beugeltjes. Vaak komt ze iemand tegen aan wie ze een goed idee wil geven van haar opvoeding of van haar dienst. Telkens spreekt ze de kinderen dan aan met het plechtige “uwé”: “Spreekt uwé niet tegen meneer, Sorsetje? —Foei Franswatje, wat maakt uwé uwees handjes vuil met die schullepies.” —Aan de Hertebaan vertonen zich hier en daar een paar jonge dames, blootshoofds, in een kostuum dat zij “zo geheel buiten” noemen. Het valt vooral op door sterk gekleurde zijden schortjes. Ze zijn bezig “aan de lieve beestjes eten te geven”. —Dit nu zijn de gelukkigen die bij Stoffels logeren. —In de Sociëteit is nog niemand. Maar twee knechts, een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan tegenover elkaar in het middelste deurraam, met de handen op de rug. Ze bewonderen het talent van Zocher, dankzij wie de heren van Trou Moet Blijcken kunnen kijken tot aan de schepen die door het Sparen gaan. —In het logement op de hoek zit een Zaandamse familie, gisteren aangekomen. Alle mannen zijn zeer lang en dragen een volmaakt pak blauwe kleren, met zwarte dassen en witte onderdassen. De vrouwen hebben de nationale kap en zwarte tanden. Ze drinken al koffie, en laten zich door de kastelein, die de vrijheid neemt in de deur te blijven staan, over veel wetenswaardige dingen onderrichten.

Opmerkelijk is, tegen een van de palen en bovendien op een stok geleund, een gebrekkig man, niet zozeer een bedelaar als wel een afwachter van aalmoezen. Hij is een van die onsterfelijken die de oudste Haarlemmers daar altijd even oud en altijd even beschadigd hebben gezien. Sommigen verdenken hem ervan een stille verklikker te zijn. Ik geloof het niet. Maar als hij het is, dan is hij het zeker alleen maar om aan de kleinkinderen te verklikken hoe hun grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.

In deze toestand blijft Den Hout tot elf uur of half twaalf. Dan rukt de voorhoede van de Haarlemse wandelaars binnen. Die bestaat vooral uit mensen die de andere zes dagen aan hun beroep of zaak gebonden zijn, en zich alle ontspanning moeten ontzeggen. Op zondag hebben zij dus de grootste trek. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen, de boekhouders met watten in de oren, de ambachtsbazen met hoge hoeden, lange panden en lange lenden. Hun vrouwen zijn allemaal één graad en hun dochters drie graden boven hun stand gekleed. Hun zonen hebben ze alleen in dit bijzondere geval bij zich: als die het niet zo ver in de wereld hebben gebracht dat ze zich voor hen schamen. Want daar zijn secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten bij. Maar is dat niet het geval, dan kunt u er ook zeker van zijn vader en zoon met gelijke en gelijkvormige wandelstokken te zien voortschrijden. Verder ziet men nu al een enkel jong mens uit een deftiger stand, een notarisklerk of een ambtenaar zonder loon bij het gouvernement van Noord-Holland. Hij wist niemand te bedenken bij wie hij na kerktijd een bezoek moest afleggen, en stapt nu maar naar Stoffels. Verbaasd dat hij daar nog geen enkele kennis ontmoet, behelpt hij zich met de hond van de kastelein. Die bewijst door zijn innemende vriendelijkheid dat mijnheer een vaste gast is.

Hem volgen, tegen half twee, twee uur, de deftige bewoners uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldse kinderen van de geestelijke, zonder hun ouders. Ook komen nu de bloemisten van de Kleine Houtweg aan, met vrouw en kroost. Verder ziet men zusters met hun eerste sluiers, die met broers met hun eerste rokken gaan wandelen. Ze hopen andere zusters met sluiers en broers met rokken tegen te komen. En nu en dan komt er al een enkel rijtuig. Zoals het tweewielige rijtuigje van de dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een toertje maakt. Hij komt al het wagentje tegen van de grutter, die geen pleziergeld betaalt. Verder de demi-fortune van de kleine rentenier. Maar ook al het blinkend gelakte rijtuig van de welgestelde makelaar, met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels. En het rijpaard van de kostschoolhouderszoon. Dit alles wordt doorkruist en voorbijgereden door Amsterdamse char-à-bancs voor twaalf personen, waar er veertien met een kind in zitten. En door calèches voor drie, waar er vijf met een hoedendoos in zitten, al moet ik zeggen dat de meeste van deze laatste in de stad uitspannen.

Het gebeurde zo dat wij drieën, toen wij om één uur de Houtpoort uitliepen, onvermijdelijk bepaalde mensen op hun terugtocht tegenkwamen. Het waren de kleine winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten, de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz. Zo kondigden wij als het ware de komst aan van notarissen, fabrikanten, boekverkopers, doctoren, apothekers, bloemisten, zusters en broers enz., die nog achter ons waren.

“Wat zien uw stadgenoten er over het algemeen peu fashionable uit!” zei Nurks, met die bijzondere lach die de Engelsen *a sneer* noemen. Hij brak er een heel druk en aangenaam gesprek voor af, en nam dat meteen weer op, om mij het antwoorden te beletten.

Een boom of wat verder haalde hij dezelfde boevenstreek met mij uit, met de uitroep:

“Ik dacht dat er zoveel beau-monde in je menniste Haarlem was!” En weer liet hij mij niet naar voren brengen dat de hele deftige middenstand nog achter onze rug was. Die zou niet eerder dan een uur later worden opgevolgd, eerst door de hogere ambtenaren en daarna door de haute volée. Hij wist het trouwens even goed als ik.

Wij namen plaats bij Stoffels. De onbeleefdheden die tot nu toe alleen aan ons tweeën verspild waren, werden nu ook algemeen verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet of Nurks riep al uit, zodat alle gezelschappen naast ons het konden horen:

“Lieve hemel, Hild, wat heb je een mooi vest aan; dat had ik nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes achter is.”

De lelijkerd had duidelijk gemerkt dat ik het voor het eerst aanhad en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak onmiddellijk mijn benen onder de tafel. Want minstens vijfenzeventig keer had hij met opgetrokken neus naar de punten van mijn schoenen geloerd en gevraagd: “Waar laat je *die* turftrappers maken?”

Over een goedige krulhond, die met veel liefde door een oud man geaaid werd, heette het: “Wat een mormel!” Over een paar schimmeltjes, die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot zelfbehagen pronkte: “Lelijke koppen!” Dan het kindje in beugels, dat al sinds half elf gelopen had en er vreselijk verhit uitzag. Daarover heette het: “Als ik er zó eentje had, deed ik het een steen om de hals”. Alles luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van het mormel, de lelijke koppen en de jonge heer.

Er zat een statig man wiens geluk half weg was. ’s Morgens had hij namelijk bloemen bekeken in het “Cieraad van Flora”. Bij het inkruipen van een nauwe broeikas was hij een beetje aan een spijker blijven haken. Hij had daar toen niet veel op gelet. Maar nu zat hij rustig in Den Hout een sigaar te roken. Midden in zijn overpeinzingen ontdekte hij een kleine haakse scheur in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het nog maar net gezien of hij wierp er heel handig zijn zijden zakdoek overheen. Maar dat was te laat om te ontkomen aan de opmerking van Nurks, die precies op dat ogenblik tegen ons zei: “Ik mag wel zo’n maneschijntje”. De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus Speciosa. Om die te verbergen greep hij in verwarring naar zijn zakdoek om zijn neus te snuiten. Zo brak de maan plotseling weer door de wolken, tot grote vrolijkheid van een gezelschap Amsterdamse juffrouwen en heren uit een manufactuurwinkel. Die wilden op die merkwaardige dag minstens voor staatsjuffers en kamerheren van Z.M. de koning gehouden worden.

“Is dat een rok van je vader?” vroeg Nurks grappig aan de jongen die hem zijn limonade bracht. De jongen bewoog zich zeker niet krap in dat kledingstuk.

“Ik heb geen vader,” zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.

De beau-monde verscheen met al zijn gedistingeerde geuren en kleuren, met al de pracht van veren, sjaals, parasols, mantilles, amazones, koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad Nurks te voorspellen dat hij een schitterende nieuwe koets zou zien. Hij had die nog niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig:

“Wanneer komt nu die mooie koets, waar je van gesproken hebt?”

En zo ging het telkens, tot grote ergernis van Boerhave. Die kwam er zelf nog vrij goed van af. Maar zijn horlogesnoer werd verschrikkelijk strak aangekeken door Nurks, zodat hij elk ogenblik dacht dat er iets over zou komen. Ten slotte knoopte hij dan maar zijn rok dicht. Ik herinner mij nog maar twee onaangenaamheden die Nurks mijn goede medicus liet doorstaan. Net als de zojuist genoemde bleven ze beperkt tot hatelijkheden met het gezicht.

De ene was deze. Wij spraken over de ongelukken die men met zwemmen kan krijgen. Op een warme zomerdag is het een wellust om over water te praten. Boerhave vertelde een treffend geval van schitterende zelfopoffering door een zwemmer. Het was buitengewoon genoeg om alle erepenningen van de Maatschappij tot Nut enz. te verdienen. Maar die heeft het nu eenmaal tot regel gemaakt alleen mensen te belonen die *niet* kunnen zwemmen. In elk geval was het buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen gloeien. Nurks hoorde het echter met de volmaaktste onverschilligheid aan, en lette onder het verhaal zelfs op allerlei bijzaken. Nu eens scheen hij zich bijvoorbeeld met hart en ziel toe te leggen op het vormen van kunstige kringen tabaksrook. Dan weer blies hij, precies in de houding van iemand die absoluut niets anders te doen heeft, de sigarenas van zijn knie, en zelfs van de tafel. Dan weer scheen hij al zijn aandacht en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijke halsboord, die nog steeds nieuwe aanvallen van flauwte kreeg. Deze veelzijdigheid van oefening streelde mijn opgewonden vriend, die gloeide van geestdrift, op den duur weinig.

Even slecht trof hij het met het vertellen van een splinternieuwe anekdote over drie Leidenaars. Ik had er de vorige avond met mijn hele familie om gelachen tot we huilden, met groot gevaar om in ons warme brood te stikken. Maar hier leed de anekdote volledig schipbreuk op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer en neef. Die viel ditmaal in een ander uiterste, en zat heel geduldig en ingespannen te luisteren. Ja, zo geduldig en ingespannen dat het hem scheen te treffen dat het verhaal werkelijk uit was. Hij zat nog altijd te wachten op het slot en de aardigheid, die, als men zijn gezicht had willen geloven, nog altijd moesten komen.

Toch is mij van goede hand verzekerd dat deze neef zowel de edelmoedige mensenredding als het geval van de drie Leidenaars heeft doorverteld. Hij deed dat nog diezelfde avond op de diligence, met zichtbare tekenen van zelfbehagen. Ook wist hij ze allebei de volgende dag te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel en in de Munt. En in de loop van de week wist hij ze te pas te *jagen* op twee concerten en in vijf koffiehuizen. (Ik neem dan ook met reden aan dat hij er nu de harten van de liplappen en de blauwen in de West mee verkwikt.) Wie de eerste niet “verbazend” en de laatste niet “om te schreeuwen” vond, kreeg meteen iets stekeligs te horen. Dat ging dan over het gevoelige punt van bakkebaarden en stropdassen.

Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules, opvallend door rode linten op de muts, oranje tissu’s om de hals en schorten met diepe zakken met schuifjes. Een brede, sproeterige Saffo met een hoge, sproeterige harp in het midden. Daarnaast twee tanige vrouwen die op de viool speelden, met handen vol diamanten die een sterke familietrek van glas hadden. “Drie poetjes van gratietjes”, zei Nurks lachend, en luid genoeg om een lange procureursklerk mee te laten lachen. Die zat veel verder van hem af dan de gratietjes in kwestie. Het snarenspel begon. Nurks stopte van tijd tot tijd een vinger in zijn oren. Dat kon toch niet opwekkend zijn voor drie kunstenaressen die ook wel wisten dat het niet zo heel mooi was. Ze vroegen ook niets meer dan een dubbeltje of een stuiver van elke toehoorder, en een beetje geduld. De violen hielden op met een flinke kras. De harpspeelster had een enigszins schorre stem. Precies voor de drieëntwintigste keer op die gedenkwaardige morgen hief zij het toen net zomin als nu nieuwe, maar altijd slepende

Fleu—ve du—Ta—ge!

aan.

“Ba; wat is ze lelijk als ze zingt,” klonk het dwars door de ontroerende woorden van de romance heen, uit de heuse mond van Robertus. Hem was het vast nooit in het hoofd gekomen dat ook een arme vrouw ijdelheid kan hebben.

Het lied liep verder zonder storing af, zodat de reticule geopend kon worden om het bekende roodgelakte flessenbakje met de blinkende rand tevoorschijn te halen. Ik had er een gulden op willen leggen, als de zangeres Nurks maar niets gevraagd had. Maar het was niet tegen te houden; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam bij Nurks.

“Hoeveel octaven kan *jij* wel zingen?” vroeg hij werkelijk met een grijns, maar tegelijk legde hij een vijfje op het blaadje; want zo was hij.

Men moet in de handel ook het vuile geld aannemen.

“Merci, monsieur”, zei de harpspeelster met neergeslagen ogen, en ze was al bij de man met de gescheurde pantalon.

De lange procureursklerk was intussen van plaats veranderd, en zat nu toevallig aan een tafeltje waar de virtuoze al voorbij was gegaan.

De violen hadden intussen lustig doorgespeeld; ik weet niet of men daarom meer of minder had gegeven. Nu werd er nog een heel kort, heel vlug trio uitgevoerd, waarop alle dames alle ogen neersloegen, alle lippen bewogen, negen, en vertrokken. Nu zag een eenzame klarinettist, zonder hoed, de baan vrij om ook zijn talenten te laten horen.

“Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek,” merkte Nurks op.

“Och, ik vind het nogal vrolijk,” zei ik bemiddelend.

“Ja maar”, zei hij, terwijl hij mij strak in de ogen keek en een lange teug limonade nam. “Ja maar—ik geloof, om je de waarheid te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent.”

Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid hoeft men geen Robertus Nurks te zijn. Daartoe acht zich, volgens mijn ervaring, iedere liefhebber gerechtigd die in zijn huis een eerste en enige viool speelt, en in een of ander orkest een tweede. Een derde zou hij spelen, als er een derde viool bestond. Ja, ik heb er onder de paukenslagers gekend die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar iemand die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin kan leggen en de ogen met diep gevoel dichtknijpen. Ze gaan pas bij een point d’orgue weer open, plotseling en helemaal verward, alsof men uit een andere wereld komt (uit de wereld van de inbeelding bijvoorbeeld). —Of al slaat men er alleen maar met zekere wijsheid de maat, met het opgevouwen affiche of met de geglaceerde wijsvinger. —Of al heeft men alleen maar de slag om een lachje te produceren als in een groot muziekstuk het thema terugkomt. Liefst een zenuwachtig lachje, dat met telegrafische duidelijkheid zegt: “we zijn weer thuis”! —Of al heeft men alleen maar de vereiste bekwaamheid om iets te decreteren over een zangeres die algemeen bevallen is. Men zegt dan met een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en een allerbedenkelijkst hoofdschudden: “weinig methode”. —Of de tact om klassieke van romantische muziek te onderscheiden en te zeggen: “ik hoorde toch liever Lafont of Beriot dan de Eichhorns of Ernst”. —Ik zou zeggen, al heeft men maar één keer een blad muziek gekopieerd. Met één van al deze muzikale verdiensten heeft men voorgoed de bevoegdheid om met verachting neer te kijken op de rest van het heelal. En men mag alle verdere schepselen, zodra ze iets over de goddelijke toonkunst durven zeggen, in hun gezicht verklaren dat ze niet muzikaal zijn.

Die onbeschaamdheid hebben de speelmannen, hoornblazers, doedelaars, tokkelaars en trommelslagers op de kunstenaars van andere vakken voor. Stel dat u in het atelier van een schilder komt en iets zegt over zijn schilderij of dat van een ander, juist of minder juist. Geen schilder zou zo onbeleefd zijn om te zeggen: “Ik geloof niet dat mijnheer veel oog voor de kunst heeft”. Een fatsoenlijk mens geeft een auteur zijn gedachten over een roman, een gedicht of een vertoog. Geen auteur zal hem dan durven vragen: “of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft”. Maar de muzikanten! Zij hebben zich op het gebied van hun vak dezelfde onbeleefdheid aangewend die mijn neef Nurks aangeboren was. Ik heb jongelui ontmoet uit de beschaafdste kringen, “every inch gentlemen”, die op dit punt volstrekt onverdraaglijk waren.

Robertus Nurks.

Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als ik erover nadenk, weet ik nauwelijks waar ik de vermetelheid vandaan heb gehaald om hem aan u voor te stellen. Ik vertel u nu maar niet hoe wij in het “Wapen van Amsterdam” aan de table d’hôte dineerden. Hoe hij halfluid fluisterde over de zuinigheid van een paar eenvoudigen. Die bestelden, tegen het reglement van de kastelein in, een halve fles voor hun tweeën. Daarna dreigden ze zich een indigestie te eten aan de bouilli die na de soep werd rondgediend. Ze waren er vast van overtuigd dat er geen ander vlees zou komen. Hoe zijn blikken later de arm verlamden van een deftig heer met gepoederd hoofd, die een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet erg handig, voorsneed. Hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en vlak tegenover hem zat, af en toe zo ironisch aankeek. Daardoor kwam zij eerst op het idee dat zij onbehoorlijk veel at, en dus begon ze overal voor te bedanken. Daarna raakte ze er vast van overtuigd dat ze gemorst moest hebben. Ze deed haar best om een lonk in de spiegel te krijgen, om te weten waar het zat. Hoe ik, toen wij na het eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in duizend angsten leefde dat hij een streek met de paraplu zou krijgen. Die zou dan komen van een van de met blauwe jassen opgesierde ambachtslieden, die met grote stappen voortgingen. Zij hadden beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan de arm, uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken. Op het toilet van die heren kon hij het niet laten de namen “twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker” of “sleepjurk” toe te passen.

Na al zulke jammeren kregen wij de goede, beste, liefdekwekende en vriendhoudende Robertus Nurks aan “de Bel” in de diligence. Nog even stak hij zijn hoofd uit het portier om ons toe te roepen: “niet veel zaaks!” Het reisgezelschap kon dat, op goede gronden, op zichzelf toepassen. Daar reed hij weg. Wij wandelden samen nog even de poort uit; want met alle Haarlemmers die de poort gekend hebben, noem ik het hek nog altijd zo. En toen wij over het Hazepatersveld keken, zagen wij de zon bloedrood ondergaan. Ze gaf haar mooie tint aan de witte, schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven. Toen durfde ik Boerhave een mooie maandag te voorspellen. En in het vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende wijngaardslakken vergat hij spoedig helemaal de beminnelijke bloedverwant met wie ik hem in kennis had gebracht.

1839.

### Woordenlijst

- **ZEd.**: Zeer beleefde oude aanspreekvorm: “Zijne Edele”.
- **weergase**: Oud scheldwoord; ongeveer “verdomde”.
- **Ingenuas didicisse fideliter artes**: Wie de edele kunsten goed geleerd heeft (Latijn; de zin gaat verder: die wordt een zachter mens).
- **Den Hout**: De Haarlemmerhout, het bos bij Haarlem.
- **carambole**: Biljartspel; pot maken is daarin alles winnen.
- **knijpbriefje**: Kort, opgevouwen briefje.
- **schoenenjood**: Beledigend oud woord voor een joodse man die op straat schoenen verkoopt.
- **medicina candidatum**: Student in de geneeskunde (Latijn).
- **bus**: Ziekenfonds dat een arme dokter een klein loon geeft.
- **mannetjes**: Woord voor dieren, hier spottend gebruikt voor arme mannen uit Amsterdam; de vrouwen heten “wijfjes”.
- **Saksen-Weimar**: Soort hoed.
- **uwé**: Oude, plechtige vorm van “u”; “uwees” betekent “uw”.
- **een jongen die nooit volwassen worden zal**: Spottend: iemand die altijd klein of kinderlijk blijft.
- **het Sparen**: Het Spaarne, de rivier in Haarlem.
- **gebrekkig man**: Oud: man met een handicap.
- **stille verklikker**: Iemand die in het geheim dingen doorvertelt aan de politie of de belasting.
- **grutter**: Verkoper van graan, bonen en erwten. Hij betaalt geen pleziergeld: belasting voor wie voor zijn plezier rijdt.
- **peu fashionable**: Niet erg modieus.
- **a sneer**: Een spottend lachje (Engels).
- **menniste**: Van de mennonieten, een christelijke groep. Hier spottend bedoeld.
- **lelijkerd**: Scheldwoord: lelijk, onaardig mens.
- **turftrappers**: Spottend: grote, lompe schoenen.
- **maneschijntje**: Nurks lacht om het gat in de broek: het gat is de maan.
- **liplappen**: Beledigend oud woord voor mensen met zowel Europese als Aziatische ouders of voorouders in de koloniën.
- **blauwen**: Beledigend oud woord voor mensen met gemengde afkomst in de West.
- **Saffo**: Griekse dichteres.
- **Drie poetjes van gratietjes**: Drie lieve schoonheden. Spottend: de Gratiën zijn de drie godinnen van schoonheid.
- **Fleu**: ve du—Ta—ge!** — Rivier de Taag. Begin van een bekend, treurig Frans lied, hier langzaam en slepend gezongen.
- **Men moet in de handel ook het vuile geld aannemen.**: Wie geld wil verdienen, moet het ook aannemen van onaardige mensen.
- **negen**: Verleden tijd van nijgen: een kleine buiging maken.
- **every inch gentlemen**: Echte heren, helemaal (Engels).
- **niet veel zaaks!**: Niet veel bijzonders.
